H. OVER DE VOORZETSELEN.
§. 203. Daar bij de in het eerste Deel, gegevene beschrijving van den aard en de beheersching der voorzetselen het meeste en noodzakelijkste gezegd is, zoo maken wij hier nog slechts de volgende aanmerkingen. Wanneer twee of meer zelfstandige naamwoorden, welke of in het geheel niet, of alleen door en en of verbonden zijn, een en hetzelfde voorzetsel bij zich hebben, dan kan hetzelve bij ieder zelfstandig naamwoord herhaald, of slechts eenmaal gebezigd worden, bij voorbeeld: door list, bedrog en verraad, of: door list, door bedrog, en door verraad. §. 204. Wanneer iets met zekeren nadruk gezegd, en verscheidene dingen als opgeteld en aangewezen worden, dan kan de herhaling van het voorzetsel noodzakelijk worden, bij voorbeeld: over uwe, over hare, en over mijne eigene zaak heb ik gesproken; op u en op uwen broeder zal het gewroken worden. Zijn de zelfstandige naamwoorden door deels, het zij, noch, niet alleen, of andere voegwoorden, verbonden, dan wordt de herhaling volstrekt gevorderd: als: het is hetzelfde, of het door u, of door hem geschiede; hij is noch met goedheid, noch met hardheid te regeren; niet alleen voor u, maar ook voor haar, heb ik gesproken, enz. §. 205. Wanneer twee voorzetsels onmiddellijk op elkander volgen, dan wordt daardoor eene onduidelijkheid en onaangename hardheid veroorzaakt, als: met van inkt doortrokkene pennen kan men niet goed schrijven, beter: met pennen, welke van inkt doortrokken zijn, enz. Zij werd door met bloed bevlekte handen aangegrepen, beter: zij werd door nog met bloed bevlekte, of: door zijne; ook: door die, met bloed bevlekte handen aangegrepen. §. 206. Sommige voorzetselen worden altoos achteraan
zelfstandige naamwoorden, persoonlijke voornaamwoorden, bijwoorden, en andere
voorzetselen gevoegd, als halve: gewetenshalve, vriendschapshalve; wege:
ambtswege, pligtswege. Zoo ook waart, of waarts, dat eene
beweging naar eene plaats beteekent, als: stadwaarts, dat is naar de
stad; landwaarts, nederwaarts, oostwaarts, opwaarts, mijwaarts, enz. §. 207. Ten aanzien van het voorzetsel te moeten wij nog aanmerken, dat hetzelve bij sommige zelfstandige naamwoorden gevoegd wordt, welke, op zich zelven, of met een bijvoegelijk naamwoord, daardoor eene soort van bijwoorden worden, bij voorbeeld, te moede: hoe was hij te moede? Blijd, droef te moede zijn enz. Het eertijds gebruikelijke te vrede heeft reeds geheel de natuur van een bijvoegelijk naamwoord aangenomen, waarom het voorzetsel met het zelfstandige naamwoord vereenigd, en het woord tevrede, of liever tevreden, dient geschreven te worden; derhalve een tevreden mensch, niet: een te vrede mensch, dewijl dit te vrede zelfs de gedaante van een bijvoegelijk naamwoord niet heeft; zoo ook ontevreden, niet on te vrede, noch te onvrede. Zie ook D. I, bl. 41, in de aanteekening. |