K. OVER DE TUSSCHENWERPSELS.

 

§. 214. De tusschenwerpsels drukken slechts enkele gewaarwordingen uit, en behooren derhalve niet, dan in eenen zeer ruimen zin, tot de eigenlijke woorden. En daar alleen klare voorstellingen onder elkander kunnen verbonden worden, en enkele gewaarwordingen voor zulk eene verbinding niet vatbaar zijn, zoo kunnen ook de tusschenwerpsels, eigenlijk, noch iets beheerschen, noch van eenig ander woord beheerscht worden. Zij komen echter werkelijk met naamvallen voor; doch deze worden niet

[p. 290]

door de tusschenwerpsels, maar alleen door de betrekking bepaald, waarin men zich de zaken of personen voorstelt, bij welke zij geplaatst worden, als: ach, ik ellendige! o! welk een geluk! wel hem, die het pad der deugd betreedt! wee u, indien gij tegen uw geweten handelt!

§. 215. De tusschenwerpsels moeten, in eene rede, daar staan, waar de gewaarwordingen der ziele aangeduid moeten worden. Meestal echter worden zij aan het begin eener uitdrukking geplaatst, om de gewaarwording, welke, bij hetgeen men zeggen wil, gevoeld wordt, vooraf te kennen te geven, als: ach! hoe klopt mij het hart! ha! vind ik u hier? wee u, zoo gij dit doet! Maar ook in het midden, en aan het einde, bij voorbeeld: ik heb veel geleden, ach, zeer veel! ben ik dan, helaas, voor het ongeluk geschapen? Alles is nu voor mij verloren, ach! wat zal ik zeggen, helaas!



[p. 291]