Tweede hoofdstuk Over de orde, waarin de woorden in eene rede op elkander volgen.1. Over de schikking der woorden in het gemeen.
§. 216. Wanneer wij spreken, dan drukken wij onze gewaarwordingen en voorstellingen door woorden hoorbaar uit, en ons oogmerk daarmede is, diezelfde gewaarwordingen en voorstellingen bij anderen te verwekken. Intusschen kan het niet onverschillig zijn, hoe en waar wij onze woorden plaatsen, maar zij moeten, in eene behoorlijke orde, op elkander volgen, en tot zinsneden en volzinnen bij elkander gevoegd worden, zoo als het einde, waartoe wij spreken, vordert. §. 217. De schikking der woorden in eene rede hangt van de
schikking der voorstellingen en begrippen af. De Nederduitsche taal heeft tot
eene grondstelling aangenomen, dat men, in de rangschikking zijner
voorstellingen, van het minder bepaalde tot het bepaaldere moet overgaan, zoo
dat de rede eene ware opklimming is, overeenkomstig met den aard en de werking
van het menschelijke verstand, het welk zich de denkbeelden niet terstond
in hunne volle helderheid en uitgebreidheid voorstelt, maar dezelve langzamerhand en trapswijze ontwikkelt. §. 218. De natuurlijke schikking der woorden is die, waarbij men het onderwerp der rede met deszelfs verschillende wijzigingen en bepalingen vooraan plaatst, en daarop de werking en eigenschap des onderwerps, bestaande in het werkwoord met deszelfs bepalingen, laat volgen, als: dat leven is lang, het welk het groote doel des levens bereikt. De waarlijke wijze man volgt de voorschriften der deugd. §. 219. Alle woorden, welke ter nadere bepaling en omschrijving van een zelfstandig naamwoord dienen, worden voor hetzelve geplaatst, en wel in deze orde: drie schoone paarden; onze drie schoone paarden; deze onze drie schoone paarden; alle deze onze drie schoone paarden. §. 220. Wordt er een voorzetsel bij gebruikt, dan gaat dit voor al de overige woorden: in alle deze uwe omstandigheden; met de beste en edelste oogmerken. Ook worden de bijvoegelijke naamwoorden en deelwoorden, eenen naamval beheerschende, voor de zelfstandige naamwoorden geplaatst: die lang verwachte, haar heilzame geneesmiddelen; deze arme, uwe hulp behoevende man. De gevallen, waarin het bijvoegelijke naamwoord achter het zelfstandige staat, zijn reeds §. 40 opgegeven. §. 221. Moet een zelfstandig naamwoord ter nadere bepaling en verklaring van een ander zelfstandig naamwoord dienen, dan staat het eerste doorgaans achter; terwijl het dan daarop aankomt, welk van beide voor het nader bepaalde of omschrevene moet aangezien worden: mijn vader de koning. Hier strekt het woord koning ter omschrijving, of nadere bepaling, van het woord vader. Maar wanneer men zegt de koning mijn vader, dan is het geval omgekeerd. Zoo ook: ik bezocht mijnen vriend, den leeraar N., en: ik bezocht den leeraar N., mijnen vriend. §. 222. Wanneer het zelfstandige naamwoord eenen tweeden naamval beheerscht, dan kan dezelve insgelijks vooraan staan. Heeft het beheerschende woord een voorzetsel bij zich, dan treedt dit voor het beheerschte woord: met des Lands, of 's Lands, bewilliging. Beheerscht het voorzetsel eenen naamval, of heeft het een bijwoord bij zich, dan komen deze achteraan: de koning van Frankrijk; liefde tot de deugd; een slag van achteren enz. §. 223. Al wat onzelfstandig is, het vervoegde werkwoord
uitgezonderd, neemt datgeen, waardoor hetzelve nader bepaald wordt, gewoonlijk
voor zich: zeer schoon; ongelooflijk groot; zijner merkzaamheid waardig; een
bijzonder schoon huis; een naar waarheid begeerig gemoed; een fraai zingende
vogel. Hierom ook staat bij de zamen gestelde werkwoorden het voorzetsel, in de onbepaalde wijs, vooraan, als: uitgaan, omschrijven, intreden enz. §. 224. Dat het vervoegde werkwoord hiervan uitgezonderd is, blijkt uit het volgende: die vogel zingt fraai enz., en niet: die vogel fraai zingt. Wordt echter in plaats van het zelfstandige naamwoord, een voornaamwoord gebezigd, dat op een vooraf gaand zelfstandig naamwoord betrekking heeft, dan neemt het onzelfstandige dat geen, waardoor het nader bepaald wordt, weder voor zich, als: een vogel, die fraai zingt. §. 225. Een bijwoord kan alleen door een bijwoord nader bepaald worden, het welk insgelijks vooraan staat: zeer schielijk; wel vroeg, enz. Eerst en nog kunnen ook van achteren staan: heden nog zal hij komen; gisteren eerst zag ik hem. Komt er nog een voorzetsel bij, dan staat het nader bepaalde bijwoord in het midden: van boven af; naar beneden toe; van onderen op. §. 226. Wanneer de derde naamval als het persoonlijke, en de vierde als het zakelijke voorwerp achter een werkwoord komt, dan staat de derde naamval gewoonlijk voor den vierden: die zoon doet zijnen vader eer aan. §. 227. Heeft echter de vierde naamval een bezittelijk
voornaamwoord bij zich, het welk naar het onderwerp der rede te rug leidt, dan
treedt hij voor den derden naamval: hij heeft zijn huis eenen
vreemdeling verkocht. En dit heeft ook plaats, wanneer de inhoud van den vierden naamval meer bedoeld wordt, dan die van den derden: openbaar uwe geheimen aan niemand. Geef dezen raad aan alle menschen. Doch daarentegen: geef uwen broeder dezen raad, dewijl de nadruk hier meer op uwen broeder, dan op raad valt. §. 228. Is een van beide de naamvallen een voornaamwoord, dan volgt hetzelve onmiddellijk op het werkwoord: geef hem goeden raad; geef hetzelve uwen broeder. §. 229. Zijn beide de naamvallen voornaamwoorden, dan gaat de vierde gemeenlijk voor den derden: zeg dat mij; geef hem haar. Dikwerf kan ook de derde naamval voor den vierden staan; want men zegt ook: zeg mij dat; en zoo wel: ik wil u haar toevertrouwen, als: ik wil haar u toevertrouwen. §. 230. Wanneer de persoon in den vierden, en de zaak in den tweeden naamval staat, dan wordt de persoon eerst genoemd: hij schaamde zich zijner nederige geboorte niet; ontferm u mijner. §. 231. Heeft het werkwoord twee vierde naamvallen bij zich, dan wordt die, welke het persoonlijke voorwerp uitdrukt, altijd vooraan geplaatst: hij heeft hem eenen verrader des vaderlands genoemd. §. 232. Heeft een werkwoord, behalve het onmiddellijk
beheerschte woord, nog een zelfstandig naamwoord met zijn voorzetsel bij zich, dan komen deze laatsten gewoonlijk achteraan: dat maakte eenen diepen indruk op onze gemoederen. * Worden daarbij tijd en plaats bepaald, dan kunnen deze somwijlen vooraan staan: dat maakte, in die oogenblikken, eenen diepen indruk enz. Bijzonder, wanneer de door het werkwoord beheerschte naamval geen voornaamwoord bij zich heeft: de wind rukte, voor drie dagen, eenen boom uit den grond; maar: de wind rukte dezen boom, voor drie dagen, uit den grond. Ik vond, in Amsterdam, eenen ouden vriend; maar: ik vond onzen vriend, in Amsterdam. Worden tijd en plaats te gelijk genoemd, dan staat de tijd vooraan: ik vond, voor drie dagen, in Amsterdam, eenen ouden vriend. §. 233. Heeft een werkwoord verscheidene zelfstandige naamwoorden met hunne voorzetselen bij zich, dan staat dat zelfstandige naamwoord het laatste, het welk op het werkwoord de naaste betrekking heeft. Tijd en plaats gaan voor de overige beschrijvingen, en onder dezen de tijd voor de plaats: hij trad, uit hoofde zijner onschuld, met een vrolijk gelaat, voor het gerigt. De ongevoelige |
* Wanneer men dit en dergelijke voorbeelden met
zekere voegwoorden, of bijwoorden, begint, dan treedt het werkwoord achteraan,
als: naardien dat eenen diepen indruk op onze gemoederen maakte. Doch
dit wordt in het vervolg §. 253 en verv. behandeld.
|
|
bleef, op dien dag, in den verrukkendsten oord, bij al de bekoorlijkheden der lagchende natuur, geheel zonder aandoening. Plaatst men, in zulk een geval, het naamwoord, waarop het werkwoord de naaste betrekking heeft, vooraan, dan verliest de gansche rede veel van hare kracht, bij voorbeeld: hij trad voor het gerigt, met een vrolijk gelaat, uit hoofde zijner onschuld. Het kan echter ook vooraan, of bij het werkwoord gevoegd worden, wanneer het anders, door te groote omschrijvingen, te ver van het werkwoord zou verwijderd zijn, bij voorbeeld: hij trad voor het gerigt, met een vrolijk gelaat, waarop de bewustheid zijner onschuld duidelijk te lezen was. §. 234. Op dezelfde wijs staan alle bijwoorden achter het vervoegde werkwoord, terwijl de bijwoorden van tijd en plaats weder voorop gaan, en die van hoedanigheid enz. volgen: de wind waait hard; de wind waait verschrikkelijk hard; de wind waait heden verschrikkelijk hard; de wind woei, gisteren morgen, verschrikkelijk hard; de wind woei, gisteren morgen, bij ons, verschrikkelijk hard. Zoo ook, wanneer het werkwoord bedrijvend is, en eenen vierden naamval bij zich heeft: ik zag hem, nog dezen morgen, hier, geheel opgeruimd. En met de onbepaalde wijs eens werkwoords: ik zag, gisteren tegen den avond, de zwarte onweerswolken schielijk over het bosch heendrijven. §. 235. Bij een, door middel van een hulpwoord, vervoegd werkwoord, staan alle nadere bepalingen en omschrijvingen tusschen hetzelve en het deelwoord, of de onbepaalde wijs: wij zijn gisteren ongemeen vriendelijk door hem ontvangen geworden. Ik zal, waarschijnlijk, heden nog in de stad komen. §. 236. Ook, wanneer twee onbepaalde wijzen bij een werkwoord komen: ik heb hem laten gaan; ik heb hem, terstond na die gewigtige ontdekking, laten gaan. Ik wil het u, zonder eenige bedenking, helpen uitvoeren. §. 237. Insgelijks, wanneer drie onbepaalde wijzen in eene rede voorkomen, het welk men echter zoo veel mogelijk moet vermijden, uit hoofde van de duisterheid, welke daarmede dikwerf vergezeld gaat: ik heb hem die zaak willen helpen uitvoeren; ik heb hem die zaak met al mijn vermogen willen helpen uitvoeren. §. 238. De onbepaalde wijs met te volgt onmiddellijk op het werkwoord en deszelfs nadere bepalingen: ik beval hem te gaan; ik beval hem, dezen morgen, in allen ernst, te gaan; terwijl de onbepaalde wijs hare nadere bepalingen en omschrijvingen voor zich neemt: ik beval hem, dezen morgen, in allen ernst, terstond uit mijne oogen te gaan. §. 239. Somwijlen komt nog eene onbepaalde wijs bij het
werkwoord; in welk geval de onbepaalde wijs met te voorgaat: ik
wenschte hem te leeren kennen; men heeft hem wijn te drinken gegeven. §. 240. Hetgeen dusverre over de schikking der woorden gezegd is betreft den gewonen en natuurlijken gang onzer voorstellingen en begrippen. Doch de Nederlander is zoo zeer daaraan niet gebonden, dat hij niet, deels uit hoofde van den aard der rede zelve, deels om den nadruk, in vele gevallen, daarvan zou mogen, en zelfs moeten afwijken. |