|
|
|
| |
| | | |
Nawoord 1972
De Franse tekst van dit boek was persklaar in 1961 en verscheen in 1963. Het
volgende jaar kwam een vermeerderde Nederlandse vertaling van de pers, waarin al
rekening werd gehouden met de jongste ontwikkeling. In 1968 werd de tweede druk
van deze Nederlandse uitgave gepubliceerd. Sindsdien is er op literair gebied
heel wat gebeurd, doch het expansieritme van kunst en kritiek mag tegenwoordig
nog zo snel zijn, aan een nieuw werk viel in 1972 toch niet te denken, deels om
praktische redenen, deels omdat de toegepaste werkwijze - een reeks monografieën
over romans - in zekere zin tegen de tijd bestand bleek te zijn. Het komt er dus
hier vooral op aan het ‘Panorama van de Vlaamse roman 1927-1960’ aan te vullen,
ofschoon ik grif toegeef dat ik graag De zwarte Keizer van
Claus door De Verwondering (1962) zou hebben vervangen en dat
een nieuw hoofdstuk over Het Boek Alfa (1963) van Ivo Michiels
haast onmisbaar lijkt.(1)
Van verschillende kanten is mij verweten dat ik niet systematisch genoeg te werk
ging. Het bezwaar is volkomen gegrond en heeft mij bijzonder verheugd omdat
daaruit bleek dat ik niet in een of ander stelsel verstrikt was geraakt. Dogma's
en vaste aprioristische beginselen heb ik altijd als de pest geschuwd. Op
kritisch gebied geloof ik dan ook niet in de algemeengeldigheid van een bepaalde
methode en geef ik de voorkeur aan de polyfonie boven het eenstemmige lied.
Immers, de keus van een werkwijze hangt af van het behandelde onderwerp en van
het nagestreefde doel. Ik volhard dus in de boosheid en blijf naar gelang van
omstandigheden de litera- | | | | tuurgeschiedenis, de werkimmanente
Interpretation, de Geistesgeschichte, het structuralisme en de literaire
sociologie beoefenen. Als correctief en aanvulling op mijn opvattingenverwijs ik
de lezer naar het belangwekkende werk van B.F. van Vlierden (Van In
't Wonderjaer tot De Verwondering, 1969).
Wat de dingen op zichzelf zijn, weet niemand: wij kunnen er hoogstens subjectieve
meningen over uitspreken. Wat de roman betreft: in grote trekken tekenen zich
thans twee extreme strekkingen af onder de schrijvers en de critici, met name
zij die het verhaal van de werkelijkheid losmaken en als een totaal zelfstandige
taalschepping beschouwen, en zij die daarin slechts een spiegel van de
maatschappij willen zien. Deze standpunten zijn wel met elkaar
in strijd, maar zij dienen in feite allebei te worden ingenomen, wil men de
verscheidenheid en veelsoortigheid van de letterkunde tot haar recht laten
komen. Wij zullen straks zien hoe deze eclectische beschouwingswijze met de
praktijk overeenkomt.
Zo wil het mij voorkomen dat de literaire sociologie bijvoorbeeld de historicus
of criticus - volgens mij dekken die termen elkaar - in staat zou kunnen stellen
enige problemen op te lossen die ik in 1964 slechts aan kon stippen in verband
met de vernieuwing en de opbloei van de Vlaamse roman omstreeks 1927, te weten
het veelvuldig optreden van de antiheld (Elsschots Laarmans, Roelants'
jazzspeler enz.), de sociale tendens van vele schrijvers en hun voorliefde voor
het jeugdthema en het ik-verhaal. Structureel gesproken, zijn er opvallende
punten van overeenkomst tussen die verschijnselen en de patronen die tussen 1920
en 1950 in de Zuidnederlandse maatschappij te bespeuren zijn.(2)
De balans van de jongste jaren doet zich op het eerste gezicht voor in de vorm
van een reeks geboorte- en overlijdensakten. A. van Hoogenbemt en M. Matthijs
zijn in 1964 gestorven, L. Baekelmans, E. Bosschaerts en J. Walravens in 1965,
M. Roelants en U. van de Voorde in 1966, H. Teirlinck in 1967, E. Claes in 1968,
R. Gysen en S. Streuvels in 1969, R. Brulez in 1972.
De oude garde laat zich vast en zeker niet onbetuigd. Van | | | | Walschap
verschijnen Alter ego (1964), Het Gastmaal
(1966) en Het Avondmaal (1968), van Daisne Als
Kantwerk aan de Kim (1965), Reveillon/Reveillon
(1966) en Ontmoeting in de Zonnekeer (1967), van Lampo De Heks en de Archeoloog (1967) en De Goden
moeten hun Getal hebben (1969), van Van Alten De Jager,
niet de Prooi (1964), Slapende Honden (1965), Grut en De mooie Zomer van 40 (1966), van
Gijsen Harmágedon (1965), maar het zijn vooral de jongeren -
en hiermee bedoel ik de schrijvers van de Tijd en
Mens-generatie en de talrijke debutanten die ze opvolgden - die de aandacht
trekken. De Verwondering, Omtrent Deedee (1963), Schaamte (1972), Het Boek Alfa, Verhalen uit Journal
Brut (1966), Orchis Militaris (1968) en Exit (1971) behoren tot het beste Nederlandse proza van deze tijd en
evenals Mulisch, Hermans of Van het Reve zijn Claus en Michiels ongetwijfeld
figuren van internationaal formaat. Intussen bevestigen W. Ruyslinck (Het Dal van Hinnom, 1961; Het Reservaat,
1964; Golden Ophelia, 1966; Het Ledikant van Lady
Cant, 1968; De Karakoliërs, 1968), H. Raes (De vadsige Koningen, 1961; Een Faun met kille
Horentjes, 1966; Bankroet van een Charmeur, 1967; De Lotgevallen, 1968) en J. Vandeloo hun reputatie. Doch van
de vitaliteit van de Vlaamse letteren en mede van de onvoldaanheid van de
jongeren over de bestaande orde getuigt ook de zuiveringscampagne die door een
aantal tijdschriften (Bok, 1963-1964; Komma, 1965-1970 enz.) op touw is gezet
benevens het optreden van nieuwe talenten.
Het lijkt wel alsof de Vlaamse beweging thans haar hoofddoel grotendeels heeft
bereikt. Aldus zijn de aanzienlijke krachten die zij mobiliseerde beschikbaar
geworden voor een democratische actie die precies gericht is tegen de Vlaamse
leiders en gezaghebbers. De literaire revolte van weverbergh c.s., die vaak
linkse allures aannam, schijnt hiervan een gevolg te zijn geweest en is in dat
opzicht te vergelijken met het programma van de studentenbeweging, ook al zijn
grieven tegen de academische overheid geen specifiek Vlaams of Belgisch
verschijnsel. Scherpe kritiek is altijd welkom voor zover zij tevens verantwoord
en opbouwend is, vooral dan in een klein land waar vriendschap en kliekgeest de
objectiviteit wel eens in het | | | | gedrang brengen. Polemieken mogen
dan tot excessen voeren, maar uit de schaar van onze ‘boze jonge lui’ zijn
minstens drie voortreffelijke critici te voorschijn getreden: weverbergh, Hedwig
Speliers en vooral Paul de Wispelaere.
De laatste behoort tevens tot de vooraanstaande romanschrijvers (Mijn levende Schaduw, 1965), want evenals vele exponenten van de
Franse ‘nouveau roman’ is De Wispelaere én theoreticus (Het
Perzische Tapijt, 1966; Met kritisch Oog, 1967) én
practicus. Sinds 1960 zijn een aantal figuren voor het voetlicht gekomen: C.G.
Krijgelmans (Messiah, 1961; Homunculi,
1967), de dichter Gust Gils (Verbanningen, 1964; De Röntgenziekte, 1966), Jef Geeraerts (Ik ben maar een
Neger, 1961; Schroot, 1963; Het Verhaal
van Matsombo, 1966; De Troglodieten, 1966; De zeven Doeken der Schepping, 1967; Gangreen
I-Black Venus, 1968; Indian Summer, 1969), A.M.
d'Hondt (God in Vlaanderen, 1965), Laurent Veydt (Het lichamelijk Onderscheid, 1965; Beschrijving van een
Hemelvaart, 1967), Marcel van Maele (Kraamanijs,
1966; Koreaanse Vinken, 1970), Willy Roggeman (Blues voor glazen Blazers, 1964; De Axolotl, 1967;
Catch As Catch Can, 1968), René Gysen (Processie All Stars, 1964; Grillige Kathleen, 1966;
Op Weg naar de literaire Receptie, 1969), Daniël
Robberechts (Tegen het Personage, 1968; Aankomen
in Avignon, 1970), C. Yperman, C. Schouwenaars enz. Het is hier de
plaats niet om ze allemaal te vermelden en het is overigens voorbarig de
krachtlijnen te willen bepalen die zich in die omvangrijke produktie aftekenen.
Vast staat intussen al dat de hedendaagse Vlaamse roman door twee
tegenovergestelde stromingen wordt beheerst die zich in bovengenoemde
kunstopvattingen weerspiegelen.
Sedert de jaren vijftig staat het probleem van de communicatie centraal in de
kunst. De films van Antonioni en Bergman, de Philosophische
Untersuchungen van Wittgenstein en de nieuwe linguïstiek tonen aan hoe
gebrekkig wij ons verstaanbaar maken, en uiteindelijk wordt zelfs aan de
mogelijkheid daarvan getwijfeld. De acteurs wie Bergman het zwijgen oplegt
doordat hij ze naar een land verplaatst waarvan zij de taal niet spreken,
symboliseren de mens uit 1960; buiten ero- | | | | tiek en kunst is geen
intermenselijk contact mogelijk. Dit is in wezen ook het thema dat W.F. Hermans
in De donkere Kamer van Damocles en H. Claus in zijn
dichtbundel Een geverfde Ruiter behandelen. Duidelijk is nu
dat taal en werkelijkheid elkaar niet helemaal dekken en dat compensaties -
communicatiemiddelen - dienen te worden gezocht in het gemeenschappelijk erfgoed
van geschiedenis en mythe, zoals blijkt uit Claus' citatenkunst (De
Verwondering) en de mythische schema's van Hermans. De schrijver is er
niet alleen van overtuigd dat de romanwereld een autonoom bestaan leidt, maar
ook dat woorden per se - onverschillig of die in de literatuur dan wel in het
dagelijks leven worden gebruikt - weinig of niets te maken hebben met de
realiteit. Deze zienswijze waarborgt een volstrekte vrijheid, doch dat is ook
een vrijheid die duizelig maakt, want zij zondert de schepper radicaal af van
zijn publiek en is dus synoniem met aliënatie en onverstaanbaarheid. Vandaar dat
het schrijven zo vaak problematisch wordt gemaakt en zichzelf tot onderwerp
neemt. Gelukkig wordt deze principieel onbegrensde willekeur in toom gehouden
door de aard van het verhalende proza, waarin de taal, zoals reeds gezegd,
louter als instrument dienst doet. Opmerkelijk is dat de zelfstandigheid van het
woord ten opzichte van de werkelijkheid hier niet dikwijls gelijkstaat met de
ontologische soevereiniteit die het soms in de poëzie heeft verworven, wat de
dood van de roman als genre tot gevolg zou hebben, en dat de exploitatie van de
taalmogelijkheden nog steeds ondergeschikt wordt gemaakt aan de opbouw van
specifieke romanvormen als daar zijn de intrige, tijd en ruimte, het
gezichtspunt van de verteller enz., grondstoffen die, hoe onvolkomen ook, nog de
realiteit terugkaatsen. De mimesis hangt niet samen met de totale structuur die
daardoor ontstaat, maar enkel - en dan nog slechts tot op zekere hoogte - met de
componenten daarvan. Zelfs de romanschrijvers die doelbewust met de taal
manipuleren (Michiels) nemen deze conventies impliciet in acht, ofschoon
sommigen er al toe geneigd zijn die totaal te negeren, zoals het geval is in het
‘paraproza’ van G. Gils en in de dagboekfragmenten van Willy Roggeman - twee
vormen | | | | van antiroman waarbij het schrijven opgevat wordt als een
poging om de chaos te overwinnen en de kosmos te herscheppen. Het is echter
overduidelijk dat de roman als taalobject sui generis toch nog overeenkomst
vertoont met de werkelijkheid - of wat als zodanig wordt beschouwd - waarin wij
ons bewegen, en dat hij daar zelfs invloed op wil uitoefenen.
Dat is nu juist het vreemde en het paradoxale: die wereld in woorden, die
‘louter’ denkbeeldige wereld van papier en inkt die de maatschappij de rug zou
kunnen toekeren, zoekt wel eens toenadering tot het sociale. De roman getuigt
inderdaad van de merkbare evolutie die zich gedurende het laatste decennium in
de levenswijze en de zeden heeft voltrokken. Het kan niet anders of de jongeren,
hoe esthetisch aangelegd zij ook mogen zijn, geven uiting aan de denkvormen en
de sensibiliteit van hun generatie. Seksuele taboes zijn zo goed als verdwenen,
doch de ontvoogding uit zich zelden in pornografie of luidruchtige betogingen
zoals in protestantse landen vaak het geval is, maar alleen in meer
openhartigheid en, wat sommige personages betreft, in een bewust aangekweekte
viriliteit of nymfomanie. Daar het katholieke rigorisme meestal minder streng is
dan het calvinistische, is het niet zozeer hun lichaam dat die mensen ontdekken
als wel de vrijheid van erover te spreken. De kritische strekking van de jaren
dertig doet zich nog steeds gelden, maar de verklaring daarvan is thans niet
langer uitsluitend te zoeken in lokale toestanden zoals de spanning die toen nog
heerste tussen de Zuidnederlandse middenstand en de Belgische maatschappij. Er
is nu veeleer sprake van een existentieel ressentiment of een ontgoocheling die
door het menselijk tekort wordt veroorzaakt: was Laarmans nog een typisch Vlaams
produkt, wat de populariteit van Elsschot verklaart, dan veraanschouwelijkt de
leraar uit De Verwondering eerder een internationaal
verschijnsel, met name een aliënatie die haar oorsprong vindt in de moderne
techniek, de oorlogspsychose en de ontoereikendheid van onze
communicatiemiddelen, en waar men bijgevolg zowel in Stockholm, Rome, Parijs,
New York en Amsterdam mee te kampen heeft als in Brussel. Hoe langer hoe meer
ver- | | | | vagen de politieke grenzen en komt de vaderlandse
letterkunde dichter bij de Weltliteratur te staan waar Goethe van droomde.
In dat opzicht is het programma van Vermeylen verwezenlijkt. Opvallend is zelfs
dat de Vlaamse beweging sinds 1945 van het literaire toneel is verdwenen. De
hechte band tussen volk en kunst, die in de 19de eeuw haast noodzakelijk werd
gemaakt door schreeuwende sociale misstanden, verbrak vanzelf zodra de laatste
werden verholpen. Anders gezegd, de roman maakte promotie samen met het publiek.
De internationalisering van de kunst mag ons echter niet blind maken voor haar
onmiskenbaar nationale kenmerken. Wij moeten niet vergeten dat de taal in
tegenstelling tot de klanken van de componist en de kleuren van de schilder
steeds een inheemse traditie uitmaakt en dat trouwens elke menselijke daad door
plaatselijke omstandigheden wordt beïnvloed. Zo heeft het verlies van de
Kongokolonie in 1960 tegen de verwachting in aanleiding gegeven tot de vrij
plotselinge bloei van een postkoloniale literatuur, waarvan heimwee, berouw en
gehechtheid aan de tropische natuur de grondtoon zijn en die mutatis mutandis te
vergelijken is met het werk van Maria Dermoût, Breton de Nijs enz. Ook in België
vallen de schellen ons onfeilbaar te laat van de ogen en tussen de
zelfgenoegzaamheid van de conformist en de woede van de beeldenstormer valt het
ons moeilijk het evenwicht van de lucide en opbouwende vernieuwingswil te
vinden. Na Walschap (Oproer in Kongo, 1953) en Van Aken (De Nikkers, 1959) was Jef Geeraerts de eerste romancier die op
de koloniale problematiek zo fel reageerde. Zijn oeuvre illustreert de
tweeslachtigheid van de ‘zestigers’, want hoewel in de eerste plaats op een
boodschap afgestemd, neemt het soms een modernistische gedaante aan.
Hartstochtelijk verzet tegen het establishment - Kerk, Staat, Maatschappij,
Cultuur en Moraal - gaat hier gepaard met vormexperimenten. Kongolese thema's
heeft onder meer ook Jan van den Weghe behandeld.
Een laatste opmerking: de culturele integratie tussen Noord en Zuid wordt hoe
langer hoe meer een tastbare werkelijkheid | | | | en wel in die zin dat
vele vooraanstaande Vlamingen hun werk in Amsterdam en Den Haag laten
publiceren. Maar alles wel beschouwd, zijn de resultaten van die samenwerking
nog verre van bevredigend. Het is inderdaad zeer de vraag of die schrijvers in
hun geboorteland even populair zijn als in Nederland. Het grote publiek leest in
België niet dezelfde Vlaamse auteurs, want van de literaire bedrijvigheid in het
Noorden is het nogal slecht op de hoogte. Wij spreken wel dezelfde taal, maar
kennen elkaar nauwelijks. Een betere verspreiding van het Belgische boek in
Nederland en van het Nederlandse boek in België zou dit euvel wel kunnen
verhelpen.
Brussel, augustus 1972
| |
| | | |
Bibliografie
algemene werken
Paul de Wispelaere: Het Perzische Tapijt (Literaire
Documenten Serie, 4), Amsterdam-Antwerpen, 1966. Paul de
Wispelaere: Facettenoog. Een bundel kritieken gekozen
en ingeleid door weverbergh (Maerlantpocket, 12),
Brussel-Den Haag, 1968. B.F. van Vlierden: Van In 't
Wonderjaer tot De Verwondering. Een poëtica van de Vlaamse
roman, Antwerpen, 1969. M. Janssens: Tachtig jaar na
Tachtig. De evolutie van het personage in de Nederlandse
verhaalkunst van Couperus tot Michiels (Literaire
Verkenningen), Leiden, 1969. Fernand Auwera: Schrijven of Schieten. Interviews, Antwerpen-Utrecht, 1969. |
louis paul boon
Louis-Paul Boon. Samengesteld door de redactie van
‘komma’ (Nieuwe Nijgh Boeken, II), Den Haag,
1965. H.U. Jessurun d'Oliveira: Scheppen riep hij gaat
van Au, pp. 70-81, Amsterdam, 1965. weverbergh: Louis-Paul Boon; Een Keerpunt?, in: Literair Lustrum, op. cit., pp. 103-118. |
hugo claus
J. Weisgerber: Hugo
Claus. Experiment en traditie (Literaire Verkenningen), Leiden,
1970. Vgl. ook Aantekeningen. |
johan daisne
Henri Plard: Sur la
‘filmatique’ de Johan Daisne, in: Etudes
Germaniques (jrg. 19, 3, pp. 363-377), 1964. |
jef geeraerts
De Arkprijs 1967, in: Nieuw Vlaams
Tijdschrift (jrg. 20, 7, pp. 720-725), 1967. |
marnix gijsen
Marnix Gijsen: Zelfportret, gevleid, natuurlijk (Open kaart), Brugge-Utrecht,
1965. |
rené gysen
Over René Gysen. Samengesteld door de redactie van
‘komma’ (Nieuwe Nijgh Boeken, 29),
's-Gravenhage-Rotterdam, 1970. |
| | | |
a.m. d'hondt
De Arkprijs 1966, in: Nieuw Vlaams
Tijdschrift (jrg. 19, 5, pp. 469-475), 1966. |
c.c. krijgelmans
Ivo Michiels: Inleiding tot ‘Homunculi’, in: Nieuw Vlaams
Tijdschrift (jrg. 20, 2, pp. 159-166), 1967. |
hubert lampo
Paul Hardy: Hubert
Lampo (Monografieën over Vlaamse Letterkunde,
42), Antwerpen, 1966. Hubert Lampo: De Draad van
Ariadne (Open kaart), Brugge-Utrecht, 1967. Hubert Lampo:
De Ring van Möbius (Maerlantpocket, 4), Brussel-Den Haag, 1967. Michel Dupuis:
Hubert Lampo en het magisch-realisme, in: Tijdschrift voor Levende Talen (jrg. 35, 1, pp. 52-66
en 2, pp. 136-146), 1969. Hubert Lampo: Er is méér,
Horatio. Grobbendonkse gesprekken met Robin Hannelore,
Antwerpen-Amsterdam, 1970. |
paul lebeau
M.-R. Sel: Van Het
Experiment tot Xanthippe (Katholieke Vlaamse
Hogeschooluitbreiding, jrg. 57, 1, 485), Antwerpen, 1963. |
ivo michiels
F. Sarneel: Het boek
Alfa, in: Raam (no 12,
pp. 53-61), 1964. G. Farner: Analyse van het boek Alfa
van Ivo Michiels, in: Raam (no 35, pp. 55-65), 1967.
Raam (no 57), 1969 (aflevering
gewijd aan I. Michiels). W. Martin: Analyse van een
vocabularium met behulp van een computer (Collection d' ‘Etudes linguistiques’, 5), Brussel, 1970.
S. Govaert: Het boek Alfa, in: Tijdschrift van de Vrije Universiteit Brussel (jrg. 14, 1-2,
pp. 69-109), 1972. Vgl. ook Aantekeningen. |
hugo raes
J.J. Oversteegen: Prolegomena voor een analyse. Over Hemel en dier van Hugo Raes, in: Merlijn (II, 6, pp.
68-75), 1964. Paul de Wispelaere: Hugo Raes: Jagen en
gejaagd worden, in: Literair Lustrum, op.
cit., pp. 207-224. Rein Bloem e.a.: In Gesprek met
Hugo Raes (Literaire Documenten Serie, 10),
Amsterdam, 1969. |
daniël robberechts
Paul van Aken: Problemen en Personages in het Werk van Daniël Robberechts,
in: Nieuw Vlaams Tijdschrift (jrg. 24, 2, pp.
191-206), 1971. |
w. ruyslinck
De Arkprijs 1960, in: Nieuw Vlaams
Tijdschrift (jrg. 14, 2, pp. 224-236), 1960. Tom Schalken:
Ward Ruyslinck (Ontmoetingen,
69), s.d., 1966. |
herman teirlinck
Th. Oegema van der Wal: Herman Teirlinck, Brussel-Den Haag-Antwerpen, 1965. |
gerard walschap
Albert Westerlinck: Gesprekken met Walschap, Hasselt, 1969-1970, 2
dln. |
|
(1)Vgl. hierover mijn bijdragen:
Hugo Claus: Devotissimus et doctissimus doctor, in:
Literair Lustrum. Een overzicht van vijf jaar
Nederlandse literatuur 1961-1966, samengesteld door Kees Fens, H.U. Jessurun
d'Oliveira en J.J. Oversteegen, pp. 119-140, Amsterdam, 1967; en in: Proefvlucht in de Romanruimte, pp. 31-52 (De
Verwondering) en 53-75 (Het Boek Alfa),
Amsterdam, 1972.
(2)In verband hiermee verwijs ik naar mijn artikel: De
sociologie van de hedendaagse Vlaamse roman. Problemen, in: Forum der Letteren (jrg. 9, 1, pp. 4-21), 1968.
|
|