|
|
|
| |
| | | |
De artisjok en haar problemen.

LATEN wij beginnen met de A, de A van artisjok, aubergine en
paprika, drie vreemde vruchten in den Nederlandschen groentewinkel, waarmede
menige brave vaderlandsche geen weg weet, alhoewel het Volkoomen Neerlandsch
Kookkundig Woordenboek, voorgesteld in de Friesche Keukenmeid en Verstandige
Huishoudster er al alles van weet, van de artisjok ten minste, dewelke ook vele
oude stillevens en keukenstukken opluistert en dus al een eeuwenoude
Nederlandsche groente is. Alleen, het verval der tafelkunst heeft haar eenige
jaren schaars doen verschijnen, en meer in haar violetten bloei bij den
bloemist, dan in haar groene stekelvarkenachtige gedaante bij den groenteman.
Maar ze is dan weer in eere; hoewel nog niet genoeg.
| | | |
De artisjok ziet er voor een goed vaderlander raar uit en wat de boer niet kent,
dat lust hij niet. En hoe, vraagt hij zich af, hoe eet men dat?
Laat ons een weinig over de artisjok uitweiden voor onwetenden. Er zijn vele
soorten artisjokken; koop ze altijd gaaf en groen, een per persoon, en laat die
met donkerbruine en zwarte plekken maar bij den koopman, het zijn de bejaarde
paaien. Wij voor ons hebben de kleine, die men hier minder vindt, liever dan de
groote: kwestie van onzen smaak.
Snijd den steel zoo dicht mogelijk bij den bodem af, scheur de onderste blaadjes
weg en knip van de andere den spitsen top af. Wrijf de artisjok daarna in met
citroen, dat houdt haar blanker en groen. Een bruine artisjok is de ware niet.
De artisjok verlangt hierna een ruime pan met goed kokend water, flink gezouten,
voorzien van een scheutje azijn, en, gelijk een bekwaam kok in Valencia mij eens
leerde, een draadje of twee saffraan - drie is al haast te veel - en een half
teentje fijngehakt knoflook. De saffraan raad ik u aan, het knoflook ook.
Kwestie van uw smaak.
De kooktijd hangt van de artisjok zelf af en niet van wat een kookboek zegt, want
er zijn er die daar drie uur voor vragen en het gaat allicht in een goed
halfuur, drie kwartier, in niet te ziedend water. Wanneer een blad gemakkelijk
loslaat en goed smaakt, is het gebeurd, dat is zeker. Wij voor ons verkiezen
haar dan onder de koude kraan te houden en uit te laten druipen, zoodat men een
koude artisjok eet met warme saus. Waarover nader.
Het eten van de artisjok is een kunst op zichzelf. Men placht vroeger aan de
examens, die de poorten der diplomatieke loopbaan openen, een diner te verbinden
met eenige moeilijke tafelproblemen als daar zijn artisjokken en asperges eten
en noten kraken. Want men eet de artisjok met zijn vingers. Men scheurt een
blaadje | | | | van den steel en eet de onderste dikte, na ze in de saus
gedoopt te hebben. Liever gezegd, men eet van die onderste dikte het eetbare.
Men deponeert de blaadjes op wat in de zeevaart zoo treffend ‘een kerkhofje’
heet. Te weten dat als de kapitein zegt: ‘hofmeester, geef eens een paar
kerkhofjes aan’, dezelve terugkeert met eenige borden of schotetjes van de soort
waarop men vroeger in Duitschland in fraaie Gotische letters ‘Für Gräte und
Knochen’ gedrukt zag staan. Voor het afval, het geraamte. Er is zeer veel
geraamte aan een artisjok, en zeer weinig eetbaars, daarom is dat eetbare zoo
fijn en onbestembaar van smaak.
Aan deze afpellerij komt echter helaas een eind en ge houdt te gezetter tijd den
artisjokkenbodem over - den stoel, zeggen onze oude kookboeken. Een nieuw
probleem, want hierop groeit een menigvuldig hooi, even oneetbaar als
snoekgraten: een artisjok verdedigt haar hart.
Men snijdt dit getierelier van den artisjokkenbodem weg, en met zorg, want ieder
sprietje artisjokkenhaar zal u vervaarlijk in den mond kriebelen, en wat er
overblijft is het beste.
Ten einde aan de gasten dit operatief ingrijpen te besparen, kan men ook, als de
artisjok half gaar is, de binnenste bladen openvouwen en wegnemen, om dan met
een langstelig lepeltje het hooi te verwijderen en weer voort te koken.
Grijpt men halverwege in, dan zijn er nog andere kansen: strooi een paar blaadjes
tijm en kruizemunt tusschen de blaren en in het hart en stoof ze langzaam gaar
in olijfolie: dat is de artisjok ‘à la Romaine’, die men zonder saus eet en
waarvan men vette vingers krijgt; wat ze waard is. Of vul het hart met een
mengsel van fijngehakte ham en champignons, of kies een der andere honderd
manieren, die ons op het gebied der hoogere kookkunst brengen.
Maar begin op zijn eenvoudigst. Men eet een gekookte koude artisjok met olie,
peper en azijn, maar het liefst | | | | met een ‘sauce blanche’. Een vlugge
saus, een kokshandgreep, waarvan de mensch ook pleizier kan beleven bij visch en
asperges, en nog wel eens meer.
Voor 5 d.L. saus: 125 gram boter, 35 gram bloem, 4 d.L. kokend water, 5 gram
zout, ietwat geraspte muskaat, een kwart tot een halve citroen, peper.
Kook het water met het zout en al naar smaak de muskaat en houd het kokend.
Neem een literspan, smelt er een derde van de boter in, pl.m. 40 gram, en meng
ze, van het vuur, snel, goed en glad met de bloem. Haal een oogenblik adem. Nu
komt het beslissende oogenblik.
Giet het kokend water pardoes in de onderhavige pan naast of ver van, maar zeker
niet op het vuur. Roer met een sauszweepje, met al uw krachten en toch bedaard,
en doe nu in de eerstvolgende seconden alles tegelijk: roer, doe er de overige
boter bij die aan stukjes verdeeld klaar staat. Roer, roer en roer en ge hebt
dan eensklaps een fraaie gebonden saus, waarbij ge nog even voor het opdoen de
peper en het citroensap voegt. Wil men de saus warm houden, dan doet men dit ‘au
bain marie’. Ze mag volstrekt niet koken.
Een sauce à la minute, klaar in zevenmaal zestig seconden en best. Doop hierin
den tip van uw artisjokkenblad en het zal goed zijn.
N.B. Om èn artisjok èn saus in den juisten toestand op het bord te hebben, moet
dit bord een zekere helling hebben of een ander raakt dooreen. Daarvoor is de
‘cale-assiette’ uitgevonden, een geribbeld glazen wigje, dat men achter het bord
schuift en dat het levend bewijs is voor de populariteit van de artisjok in
Frankrijk. Men kan de artisjok echter ook op de helling brengen door beleidvolle
ondersteuning van het bord met een vork of lepel. ‘Que de choses, dans un
artichaud’?
|
|
|