|
|
|
| |
| | | |
De lof van de linze.

HOE somber en zwaarmoedig kan men toch ieder ding ter wereld
maken door het wetenschappelijk te behandelen! Er is dezer dagen een geleerd
werk over Shakespeare, en de Grieken, enzoovoorts verschenen, waarin er weinig
meer van hen overblijft dan grafische voorstellingen; ge ziet een klein
kriskrasje en dat is Lady Macbeth in haar nood, ge ziet een groot kriskrasje,
dat is Electra in haar klagen; 't is alles ongetwijfeld onfeilbaar juist en het
lijkt wanhopig precies op wat er boven het bed van mevrouw Janssen te hangen
komt als zij eerstdaags een ernstige angina of haar vierde jonge Janssen krijgt.
Laten wij nooit vergeten, dat noch Shakespeare, noch Sofocles, noch mevrouw
Janssen ooit veel van zulke kriskrassen begrepen hebben, of zullen begrijpen,
alhoewel zij de treurspelen en de kinderen ter wereld brachten; het maakt de
zaken evenwel ernstiger | | | | en geleerder; Molière heeft daar te zijner
tijd al eens het een en ander over gezegd... Een ding is en blijft zeker:
geleerd vertoon geeft aanzien.
Indien ik dus, om de onderhavige zaak gewicht bij te zetten, ditmaal geleerd
spreek over gedroogde peulvruchten, is het voornamelijk om den lezer te
imponeeren, en eerst daarna te bewijzen hoe voortreffelijk de variaties op dit
dorre onderwerp kunnen zijn. Want bij de godin der velden en akkers! wat valt er
al niet onder dit kapittel. Daar hebt ge de witte boon. Wat zeg ik, er zijn
tientallen soorten van witte boonen. Daar hebt ge de bruine boon, de erwt, de
spliterwt, de grauwe erwt en de kapucijnder, de deftige flageolet oftewel het
groene Fransche boontje, de stoere gele erwt, in Noordelijker landen geprezen,
en de versmade linze - om de rest te vergeten. Altegaar gedroogde peulvruchten,
maar o, de ware witte boonen met snijboonen! maar ach, de malsche bruine boonen
met gehakt! maar hoezee, de brave kapucijnders op zijn scheepsch! Een mirakel,
de flageolets met schaapsvleesch, een victoria, de linzen met spek, en wat ware
de erwtensoep zonder splitjes!
Dit heet alles ietwat primitieve kost. Men pleegt te zeggen, dat bij dit soort
eten onze voorvaderen groot zijn geworden, en het is een der vele culinaire
legenden dat zij eerst ongare boonen uit het water aten en daarna heldendaden
deden. De heldendaden zijn meer speciaal verricht in de belegerde steden en op
de benarde schepen waar men de wurmpjes uit de gezegde peulvruchten moest
kloppen en daarenboven den tijd vinden om ze wat gaar te maken, tusschen twee
kanonschoten en het klaarhouden van een pan ziedend pek in; de burger en zelfs
de held heeft echter zeer zeker ten allen tijde zijn vrouw of dienstmaagd
evenzeer ongezouten de les gelezen als de linzen te zout waren, als de
holenmenschen de hunne, als de holenleeuw aangebrand of ongaar ter steentafel
kwam. Ik geloof niet aan de historische noodzakelijkheid van een slechte keuken,
hetzij in den holen- | | | | tijd of later. De mensch heeft altijd zoo goed
gegeten als hij de kans kreeg.
Er was eertijds hoogstens minder keuze; reden te meer den holenbeer met grooter
zorg te bereiden...
Men zegt van de Homerische helden met een zeker medelijden, dat zij in hun
grooten eenvoud slechts vleesch van het spit aten, met een weinig zout
bestrooid. Een vorstelijk gerecht, voor wie ooit zoo een schaap kende, in een
verloren Grieksch havenstadje, waar de kok goed was. En er zal ook toen al wel
een twijgje tijm bij geweest zijn. De Grieksche gebergten geuren er nog van...
Men zegt van de Caesaren, dat zij maandenlang met hun legioenen leefden van
boonen en spek, en men acht dat iets geheelonthouderigs en braafs. Een
keizerlijk gerecht, boonen met spek, als men het weet te bereiden. En het
boonenkruid is zeer oud.
Meent ge soms dat uw voorvaderen niet wisten wat goed was, en dat gij beter eet,
omdat ge doperwtjes uit blik eet, en spinazie in alle seizoenen, en zij
‘slechts’ gedroogde peulvruchten?
Ha! Laat ons ten strijde trekken voor Esau, Julius Caesar en de onsterfelijke
geslachten, verzot op snert, linzen en bramstagloopers, zij wisten en weten het.
Wie linzen zegt, zegt Esau en hij zegt er meestal bij, dat hij hem niet begrijpt
- waaruit blijkt hoe weinig menschen weten hoe goed linzen kunnen zijn. Immers
Esau was een man ‘verstandich op de jacht, een veltman’, en ‘Isaac hadde Esau
lief; want het wiltbraedt was na sijnen mont’ gelijk er geschreven staat. Verder
weet men dat ‘Jacob hadde een koocksel gekoockt, ende Esau quam uyt het veld en
was moede. Ende Esau seyde tot Jacob: Laet my doch slorpen van dat roode, dat
roode daer; want ick ben moede’.
Lichtvaardige culinaire geesten hebben hieruit opgemaakt, dat Esau zijn
eerstgeboorterecht verkocht voor een schotel wildbraad met linzen in
tomatensaus. En vertelt men u in de Provence niet, dat Eva's appel geen | | | | appel, maar een tomaat was, een ‘pomme d'amour’ gelijk de Provencaal
zegt? Dit zou dan tevens de tomaat ten tijde van Esau verklaren...
Geleerde mannen spreken echter schande van dezen uitleg. Het was een schotel
linzenmoes of linzensoep zeggen zij: vanwege het slorpen.
Vanwaar dan de roode kleur? Wel, de linzen van Jacob zullen niet de ‘grosse
blonde’ en niet de ‘lentille verte du Puy’ maar de ‘lentille rose d'Egypte’
geweest zijn...
Eén ding staat culinair vast, of de jagersman Esau het wist of niet: linzen met
een jongen gebraden patrijs zijn een gerecht waardoor men Isaac en Esau beter
begrijpen kan, hoewel het ware begrip hier vermoedelijk ligt in het simpele
feit, dat de jager Esau honger had. Gelijk gij, lezer, na al deze wissewasjes
over linzen, thans moet hebben gekregen.
Welaan. Kook linzen of het aardappels waren, hard, slordig en met zout, en ge eet
gekookte gedroogde peulvruchten. Dit is vervelend, taai, en smakeloos. Kook ze
anders, en ge zult deze al te vergeten boontjes onvolprezen achten.
Zet linzen anderhalf uur te week in even lauw water, giet dit af en werp het van
u, spoel de linzen nog eens schoon, en zet ze op in een ruime pan met driemaal
zooveel licht gezouten water als de linzen.
Zet de pan op zeer zacht vuur. Het dient wel een uur, of drie kwartier te duren
eer de linzen al zwellende aan de kook raken.
Haast is hier bederf. Laat ze dan daarna anderhalf tot twee uur juist aan de
kook, meer niet; men mag aan het afgeschuimde water gedurende dien tijd niet
meer zien dan een trilling, al stoeiden er nimfen onder; en geenszins een groot
geborrel, als hadde een watermonster in de diepte ruzie met zijn eega...
De linze is om zoo te zeggen de kolibri onder de boonen. Ze is klein en snel
beschadigd: ze moet zacht- | | | | zinnig behandeld worden. Kookt ge ze
hard, dan krijgt ge linzenpap met schillen.
De linze is van nature geurig, daarom suddert men ze met de deksel op de pan.
De linze is van nature droog. Daarom pakt men van den aanvang af op een pond
linzen een pond mager, doorregen spek in de pan. Men doet er tevens een ui in,
bestoken met twee kruidnagels, een gehakt teentje knoflook, dat hier eeuwenoude
burgerrechten heeft en niemand zal opvallen, die het niet weet, en verder een
preitje, wat tijm, wat selderij; de meester Carême spreekt van een plak rauwe
ham en een ouden patrijs; landelijke recepten van een mergpijp, een
kippenkarkas. Dit voor ondernemende en goede verstaanders.
Het mager, doorregen spek en de bestoken ui zijn onmisbaar. Vooral het spek geeft
de linze een onnaspeurlijke fijne ziltigheid; goed spek van dezen aard ligt
geenszins zwaar op de maag.
Voor het opdoen giet men het nat geheel of nagenoeg af en bewaart het voor soep.
De linzen stooft men nog met wat boter op, met wat jus, met wat gehakte
peterselie. Het spek, op het laatst aan dunne reepjes gesneden, komt op de
linzen; het is samen een even simpel als puik maal. Het is zoo goed, dat het
zelfs voor alle gebraden wild waardig gezelschap is, c'est tout dire...
De linze, om echter toch nog wat te zeggen, is een liefelijk voorbeeld van een
uiterst eenvoudig gerecht, dat met zorg bereid onverbeterlijk is, en slecht
klaargemaakt goed voor varkensvoer. Wees overtuigd, dat de ware linzeneters dit
sinds het begin der wereldgeschiedenis wisten, en geloof, als ge eens één keer
goed linzen gegeten hebt, niet meer in de slechte keuken der oude volkeren.
Sinds de mensch tijd had goed te koken, is er goed gekookt: de linze, die een
uur of drie, vier aandacht en zorg vraagt, bewijst het.
|
|
|