Greep naar de macht


auteur: Bruno de Wever


bron: Bruno De Wever, Greep naar de macht. Vlaams-nationalisme en Nieuwe Orde. Het VNV 1933-1945. Uitgeverij Lannoo, Tielt 1994  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

1.3 De Frontbeweging

1.3.1 Geschiedschrijving en mythes

Anders dan men zou verwachten, is de Frontbeweging totnogtoe niet het onderwerp geweest van een diepgravende monografie. Men moet zich voorlopig behelpen met de alge-

[p. 27]

mene werken van Arie Willemsen, Hendrik Elias en Lode Wils en met enkele bijdragen van Luc Schepens14.

Meer dan het activisme wordt de Frontbeweging in het collectieve geheugen beschouwd als de bakermat van het Vlaams-nationalisme. De IJzertoren, recent officieel erkend als gedenkteken van de Vlaamse gemeenschap, en de bedevaarten die ieder jaar aan zijn voet worden georganiseerd, houden de herinnering aan ‘het Vlaamse lijden’ levendig. De Frontbeweging heeft op die manier tot op vandaag een zekere mobiliserende functie bewaard. Onvermijdelijk is haar geschiedenis omweven met een taaie mythologie.

Voor het Vlaams-nationalisme functioneert de Frontbeweging als een funderingsmythe. Zij moet het ontstaan en de ontwikkeling van het Vlaams-nationalisme verklaren. Grof geschetst luidt de mythe ongeveer als volgt. In het Belgische leger, een bij uitstek Franstalig bastion in de Belgische Staat, heersten onduldbare taaltoestanden. De taalwetten werden niet nageleefd. De Vlaamse soldaten (80% - bij de gevechtseenheden liep het overwicht op tot 90% -) werden bevolen door een Vlaamsonkundig, zelfs vlaamshatend, officierenkorps. Het leidde tot verdere verfransing, tot sociale wantoestanden en tot tragedies. De Fransonkundige soldaten werden de dood ingestuurd doordat zij de bevelen niet begrepen. Vooraanstaande flaminganten in het leger trokken zich het lot aan van hun beklagenswaardige volksgenoten. Zij zetten een flamingantische en sociale actie op via verenigingen en bladen. Die acties werden door een zich onbegrijpend opstellende legerleiding tegengewerkt. Daardoor radicaliseerden de flamingantische acties en groeide stilaan een overkoepelende organisatie. Deze Frontbeweging moest clandestien werken omdat zij bedreigd werd door een repressie, bevolen door de Belgische regering die de Vlaamse eisen naast zich neerlegde. De Frontbeweging kon met haar eis voor ‘zelfbestuur’ voldoende soldaten mobiliseren om uit te groeien tot een revolutionaire macht. Ondanks onbegrip, vervolging en hetze bleef de beweging loyaal de Belgische oorlogsdoeleinden steunen, ook omdat koning Albert begrip had voor de Vlaamse eisen (‘Gedenkt Vlamingen de slag der Gulden Sporen’). Na de oorlog werden onder druk van het vlaamshatende Belgische establishment alle beloften gebroken en werd op die manier de Vlaamse inzet aan het front genegeerd. Het resultaat was een radicale anti-Belgische Vlaams-nationalistische Frontpartij.

Elias, die niet verdacht kan worden van enige vooringenomenheid tegen de Frontbeweging, formuleert al een aantal kritische bedenkingen. Hij doet het waar hij de ‘romantische beeldspraak over het “uur van Vlaanderen”’ ontmythologiseert. De bewering dat de Frontbeweging de kans heeft verkeken om gewapenderhand naar de macht te grijpen, dat zij zo het ‘uur van Vlaanderen’ liet voorbijgaan, ontlokt Elias enkele bedenkingen die fundamenteel zijn. De zg. militaire macht van de Frontbeweging was in feite onbestaande. Men kan zich zelfs afvragen, stelt hij, in welke mate de Frontbeweging aan de IJzer een macht betekende. Men mag haar macht niet onderschatten, maar toch stelt hij dat die zg. macht ‘zwak’ was in de 3de en de 4de divisie en ‘niet buitengewoon sterk’ in de 5de en de 6de. Resten dus nog de 1ste en de 2de divisie waar de Frontbeweging wel stevig uitgebouwd was. Luc Schepens schat het totaal aantal sympathisanten op slechts 5.00015. Een rondvraag bij frontsoldaten die later in het Vlaams-nationalisme een leidende rol speelden, leerde Elias dat er ‘in verschillende eenheden aan het front weinig of niets te bespeuren is geweest van Vlaamse agitatie’. Op de vraag waarom na de oorlog van die zg. macht van de Frontbeweging zo weinig overbleef, geeft Elias een verrassend antwoord waar hij jammer genoeg niet dieper op ingaat: de leiders van de Frontbeweging hadden ‘hun greep op de soldaten voorlopig verloren. De tot overlopen bereide defaitist was nu, in menig geval, naar huis teruggekeerd als een “miles gloriosus” die zich niet eens meer kon herinneren dat hij aan de IJzer gemanifesteerd had voor zelfbestuur en Vlaamse regimenten’.

Zulke pertinente opmerkingen vragen een kritische benadering van de klassieke evaluatie

[p. 28]

van de Frontbeweging, die overigens door Elias zonder meer wordt overgenomen, nl. dat zij ‘de Vlaamse gedachte [...] van de studenten beweging uitgedragen [heeft] naar de eenvoudige volksmens en aldus een bredere grondslag gegeven [heeft] aan de Vlaamse Beweging’.

Dat bij die analyse onmogelijk voorbij kan worden gegaan aan het parallellisme van de agitatie in het Belgische leger met een dreigend oproer wegens de oorlogsmoeheid in de andere legers, ligt voor de hand. Een vergelijkende studie zou kunnen leren in welke mate de Frontbeweging werkelijk een mobiliserende kracht bezat en wat de precieze impact was van de ideologische telos (‘de Vlaamse gedachte’) op dit sociaal proces.

De mythe dat de Vlamingen 80% en zelfs meer uitmaakten van het Belgische leger lijkt nu wel definitief ondergraven door recent onderzoek. Het cijfer, dat tijdens de oorlog ontstond, werd niet gecontesteerd tot F.E. Stevens in 1976 in een studie over het 9de Linieregiment tot een ophefmakende verhouding kwam van 55% Vlamingen, 35% Walen en 10% Brusselaars en tweetaligen. Dit onderzoek lokte een polemiek uit met gefundeerde kritiek op Stevens16. Het oplossen van het dispuut was de inzet van de studie van Hans Keymeulen. Op basis van de lijsten met gesneuvelden die in het Staatsblad werden gepubliceerd, en na controle met diverse bronnen, kwam hij voor de hele oorlog tot een discrepantie van 9% tussen de percentages bevolking en gesneuvelden. Er was wel een verloop tijdens de oorlog. Wat de soldaten in de periode 1915-1918 betreft, klom het Vlaamse meerpercentage gesneuvelden tot 15%. Er was dus wel een discrepantie, maar ze lag lager dan de 25% Vlaamse meergesneuvelden die een ‘80% mythe’ impliceert17.

Luc Coenen en Luc de Vos onderzochten of de toestanden in het IJzerleger werkelijk zo schandalig en onwettig waren. Zij bestudeerden het probleem vanuit de gezichtshoek van de wetgeving en de reglementeringen en kwamen tot de conclusie dat ter zake de werkelijkheid de mythe benaderde. Zij knopen hieraan enkele pertinente bedenkingen vast over de rol van de Frontbeweging en de taalagitatie in het leger. Tijdens de Eerste Wereldoorlog kwamen vele intellectuelen voor het eerst in contact met het soldatenleven. Tot aan de afschaffing van de loting in 1909 vervulden zij nauwelijks een legerdienst. Ook daarna ontkwamen zij door de ‘universitaire compagnies’ en ook wegens de vrijstelling voor geestelijken aan het normale soldatenleven. De vlaamsgezinden onder hen botsten op een vijandige legerleiding die repressieve middelen hanteerde, niet alleen vanuit een anti-Vlaamse houding maar ook vanuit het militaire streven naar orde en tucht. Bovendien bestond het bevelvoerend kader gedeeltelijk uit ongeschikte elementen die door de oorlogsomstandigheden gepromoveerd waren. Het waren niet zozeer de gewone Vlaamse soldaten die af te rekenen hadden met het onbegrip, maar wel, zoals minister Aloïs Van de Vyvere dat uitdrukte, ‘de beschaafde Vlamingen’, diegenen die zich bewust waren van het probleem18. Hun promotiekansen werden ook gefnuikt. Keymeulen en De Vos stelden in hun berekeningen een wanverhouding van 20% vast voor de Vlaamse vertegenwoordiging in het onderofficierskorps, een toestand die in de loop van de oorlog niet verbeterde, wel integendeel19. Dit zijn allemaal bemerkingen die niets afdoen aan de onrechtvaardige bejegening van de Vlamingen in het leger, maar zij helpen wel om het werkelijk belang van de Frontbeweging in te schatten.

De rol van koning Albert en zijn houding tegenover de Vlaamse grieven is een ander heet hangijzer in de historiografie. Reginald De Schryver en Luc Schepens wijdden er studies aan20. Het is opnieuw Lode Wils die het scherpst stelling neemt21. Het was koning Albert die persoonlijk elke concrete toegeving aan de Vlaamse eisen, ook voor na de oorlog, verhinderde. Hij liet de Veiligheidsdienst, die zijn persoonlijk instrument was, een campagne van intimidatie inzetten tegen de Frontbeweging. ‘Hij verstond echter uitstekend de kunst om dynastieke propaganda te voeren, ook bij de flaminganten en bij de soldaten die meestal geloofden dat hij de Vlaamse verzuchtingen begreep, maar machteloos was.’ De koning strooide zand in de ogen door inhoudsloze tegemoetkomingen zoals de oprichting van

[p. 29]

commissies, hij slaagde erin loyale vlaamsgezinden zoals Marie-Elisabeth Belpaire tot zijn vurigste verdedigers te maken. Verder in zijn boek verklaart Wils de houding van koning Albert. Hij was zonder meer anti-vlaamsgezind. Het voorkomen van toegevingen aan het flamingantisme was een van zijn politieke prioriteiten22. Niettemin is het opvallend dat de mythe van de ‘vlaamsgezinde koning Albert’ tot op vandaag is blijven voortleven in het collectieve geheugen, ook in dat van de Vlaams-nationalisten.

Schepens legt de klemtoon elders. Volgens hem luidde het optreden van Albert tijdens de oorlog een nieuw tijdperk in de Belgische geschiedenis in, nl. dat van de ‘compromisdemocratie’. Hij betrok alle partijen bij de regering om op die manier tussen de diverse politieke families een evenwicht te vormen dat moest leiden tot de handhaving van een permanente ‘godsvrede’. Dat leidde ook tot immobilisme en de eerste slachtoffers van de nieuwe ‘compromisdemocratie’ waren volgens Schepens de Vlaamse soldaten aan het IJzerfront. ‘[...] Enkele kortzichtige politici, die in de regering zetelden, zijn erin geslaagd handig de vrees voor de reacties van de zeer kleine wallingantische groep in het leger en de diaspora aan te dikken en als een stok achter de deur te houden.’ Het ontbrak niet aan goede wil, wel aan dieper inzicht, aldus Schepens23.

Een andere kwestie die aandacht verdient, is die van de zg. ‘sublieme deserteurs’. In de nacht van 30 april op 1 mei 1918 liepen vijf Vlaamse soldaten over naar de Duitse linies. Eén van hen, Jules Charpentier, ging in opdracht van de Frontbeweging met een geheime missie. Drie anderen hadden slechts de opdracht Charpentier te begeleiden door het niemandsland tussen de fronten, maar ze konden, of wilden, niet meer terugkeren naar de eigen linies. De vijfde ten slotte, Karel De Schaepdrijver, die later nog een belangrijke rol zou spelen, ging op eigen houtje mee. In de nacht van 4 op 5 mei liep Carlos Van Sante over. Hij ging in opdracht van Cyriel Verschaeve.

Het feit zelf van de missie, de precieze opdracht ervan en de gevolgen zorgden voor een controverse. Al direct na de oorlog werd de zaak aangegrepen, o.m. door Armand Wullus, alias Jacques Rudiger24, om de Frontbeweging - en dus het Vlaams-nationalisme - in diskrediet te brengen. Als gevolg daarvan werd de feitelijke leider van de Frontbeweging, ‘ruwaard’ Adiel Debeuckelaere, beschuldigd van hoogverraad. Hij bleef negen maanden in voorarrest maar werd ten slotte vrijgesproken.

Tot op vandaag blijft de kwestie aanleiding geven tot nieuw onderzoek25. Wezenlijk gaat het over de vraag in welke mate de leiders van de Frontbeweging geradicaliseerd waren. Hebben zij, of een aantal van hen, gedacht aan massale desertie? Verkozen zij m.a.w., in het zog van de activisten, liever een samenwerking met Duitsland dan nog langer te wachten op Belgische toezeggingen? Het is een belangrijke vraag, ook omdat uit het vervolg van deze studie zal blijken dat een soortgelijke problematiek zich voordoet ten aanzien van de Militaire Organisatie van Staf De Clercq.

Het is allereerst van belang vast te stellen in welke context de leiders van de Frontbeweging besloten boodschappers over de linies te zenden. Het is duidelijk dat zij tijdens de eerste maanden van 1918 fel radicaliseerden. Frans Van Cauwelaert die hen eind april 1918 bezocht, constateerde dat zij fel verbitterd waren en dat zij zich duidelijk van hem hadden verwijderd. Zij verweten hem dat hij niet méér had kunnen bereiken bij de Belgische regering26. Daniël Vanacker heeft allicht gelijk als hij stelt dat ‘het sturen van een afgevaardigde naar de gematigde activisten de logische consequentie was van de Belgische impasse én van de scheiding der wegen tussen Van Cauwelaert en de Frontbeweging’27. Daarbij mag men niet vergeten dat het eind 1917 al tot betogingen en zg. ‘vliegtochten’ was gekomen. De basis radicaliseerde en zette de leiding onder druk. Als spreekbuis van de radicale vleugel kan Cyriel Verschaeve worden beschouwd. In zijn bekende Catechismus der Vlaamse Beweging die half maart 1918 werd verspreid, gaat hij een eind verder dan het belangrijke document

[p. 30]

Vlaanderens dageraad aan de IJzer dat als kernstuk van de Frontbeweging mag worden beschouwd28. Hierin werd voorzichtig het unionistisch activisme verdedigd. Verschaeve verdedigde het activisme tout court.

De atmosfeer aan het front was evenmin onbelangrijk. Een algemene oorlogsmoeheid, niet alleen in het Belgische leger, vrat aan het moreel van de troepen. Bovendien dreigde het Duitse offensief dat op 21 maart 1918 was losgebroken noodlottig te worden voor het Belgische leger.

In die politieke en militaire omstandigheden stuurde de ‘Legervergadering’, de leidende organisatie van de clandestiene Frontbeweging, Charpentier over de linies met als opdracht o.m. contact te zoeken met vijf vooraanstaande flaminganten, merendeels gematigde activisten. Wat de ‘Legervergadering’ niet kon voorzien, was dat Charpentier het gezelschap zou krijgen van andere politieke deserteurs, onder meer van Karel De Schaepdrijver die later nog een belangrijke rol zal spelen. Wat zij ook niet kon voorzien, maar misschien wel had moeten incalculeren, was dat de deserteurs onmiddellijk een instrument zouden worden van de Duitse propaganda en van de radicale Jong-Vlaamse activisten. Het was trouwens De Schaepdrijver die ter zake het voortouw nam. Charpentier zou ook niet bestand blijken tegen de druk. Hij was bovendien opgezadeld met een vrijwel onuitvoerbare opdracht. Lode Wils heeft wellicht gelijk als hij in de inleiding van De Bruynes studie stelt dat de mislukking onvermijdelijk was. Het was immers ondenkbaar dat een door Jong-Vlamingen gedomineerde Raad van Vlaanderen zou gepasseerd worden in de onderhandelingsopdracht van De Schaepdrijver29.

Doordat spoedig bleek dat de missie een pijnlijke en politiek levensgevaarlijke mislukking was geworden, hebben de leiders van de Frontbeweging zich gedistantieerd van de deserteurs en ze opgeofferd. Ik schematiseer, want de zaak is ingewikkelder dan dat. Belangrijk blijft de vraag wat de precieze inhoud was van de opdracht van Charpentier en in welke bredere strategie van de ‘Legervergadering’ zij paste. Arthur de Bruyne slaagt er niet in hierop een duidelijk antwoord te geven. Daniël Vanacker formuleert een goed onderbouwde stelling met enkele zeer plausibele hypothesen30. Hij meent dat de zending-Charpentier de eerste fase was van een politiek-militaire strategie van de Frontbeweging waarin op zijn minst ook de dreiging met een militaire staatsgreep was voorzien. Ikzelf heb getracht de bekende feiten over Staf De Clercqs Militaire Organisatie in een logisch en coherent geheel te plaatsen. De overeenkomsten zijn zonder meer treffend!

Wie waren de drijvende krachten achter de Frontbeweging? De leiding ervan bestond zonder uitzondering uit katholieke intellectuelen. Allen waren zij vóór de oorlog lid van katholieke studentenverenigingen en aan het front zelf waren de meesten betrokken bij religieuze verenigingen en studiekringen. Een opvallend feit is dat de leden van de ‘Legervergadering’ bijzonder jong waren. Adiel Debeuckelaere was net geen dertig op het einde van de oorlog. Alle anderen waren jonger. Het onderzoek naar de militanten is schuchter op gang gekomen met een recente studie van Koen Bultinck31. Hij selecteerde 75 militanten van de beweging en trof onder hen voor het overgrote deel studenten, leerlingen en onderwijzend personeel aan. Meer dan de helft kwam uit Oost- of West-Vlaanderen. Vele onder hen werkten mee aan een van de vele frontblaadjes.

1.3.2 Het belang van de Frontbeweging voor het Vlaams-nationalisme

Ongeacht de juiste omvang van de Frontbeweging in het IJzerleger, los van de vraag in welke mate ‘de Vlaamse gedachte’ werkelijk een mobiliserend effect had buiten de kring van vlaamsgezinde intellectuelen, in het midden gelaten of de Frontbeweging werkelijk in

[p. 31]

een prerevolutionaire fase was gekomen, moet men vaststellen dat de Vlaamse agitatie aan het front post factum een fundamentele betekenis kreeg voor het Vlaams-nationalisme. De collectieve ervaring van de agitatie en vooral de collectieve herinnering aan ‘het Vlaamse lijden’ zal een onuitputtelijke bron worden voor de werving van de Frontpartij en later van het vnv. Ik heb de Frontbeweging hierboven precies daarom de funderingsmythe van het Vlaams-nationalisme genoemd. Niet omdat het sociale onrecht waaronder de Vlamingen te lijden hadden een mythe zou geweest zijn, maar omdat het verhaal van de Frontbeweging een mythische functie had (en heeft): het is het verhaal van de geboorte van het idealistische Vlaanderen dat zich losrukt van de anti-Vlaamse Belgische Staat.

Op een ander niveau, nl. dat van het politieke personeel, is het belang van de Frontbeweging voor deze studie over het vnv direct aanwijsbaar. Het driemanschap dat de dagelijkse leiding van de clandestiene organisatie waarnam - ‘ruwaard’ Adiel Debeuckelaere en de ‘geheimschrijvers’ Hendrik Borginon en Filip De Pillecyn - vinden we terug in het vnv. De eerste twee als verkozen mandatarissen, de laatste tijdens de Tweede Wereldoorlog als vooraanstaand vnv'er in de cultuurpolitiek. Hilaire Gravez, leider van de Frontbeweging in de belangrijke 2de divisie, zal lange tijd het Algemeen Vlaams Nationaal Jeugdverbond leiden. Alle vier waren zij lid van de zg. ‘Legervergadering’, het leidend orgaan van de Frontbeweging. Frans Daels, die geen lid was van de ‘Legervergadering’ maar die toch wordt beschouwd als een van de leiders van de beweging zal tijdens de Tweede Wereldoorlog toetreden tot de Raad van Leiding van het vnv.