
DE Fransche Geleerden zien doorgaans wanneer de Fransche Zon schynt een Takkebosch in de Maan, en zy zyn de Uytvinders van die Konsten en Wetenschappen, die reeds by andere Natien geboekt staan als afgekeurde Maitressen. Eertyds was een Brit den Uytvinder van den Omloop des Bloeds in dat *Huis, in het welke men zedert het Bloed der Britsche Geldkisten heeft zien circuleeren, doch een Gaul onderschepte, die Ontdekking des Omloops, en dewyl zyn Bloed vlugger was door de Geest des Wyns, en door het Sal Volatile des Looks, kwam hy te voorschyn als den Columbus der Circulatie.
Een Engelsch Virtuoso schreef in 't voorleede jaar een Brief aan
Doctor Meath, waar in hy bewees; dat 's Menschen Licghaam een Duimbreete verscheelde in de Lengte tusschen de Morgen-en den Avondstond; en dat een Man die vlytig stùdeert, of schoon hy zyn Lessenaar niet verlaat, echter het Ongeluk heeft van een Duimbreete in te krimpen, binnen de tyd van vyf a ses uuren (die Observatie wort by de Juffers geconfirmeert door de Ondervinding) en ver scheide Leeden van de Societyt hebben die Stelling geexperimenteert. Monsieur Moran een Fransch Chirugyn komt echter in 't volgende jaar, met de Onbeschaamdbeit van een Gevangenis Patrys in zyn Tronie te voorschyn, en hy werpt zig op als den Uytvinder van die keurige Observatie; en die Man die waarschynlyk geen Stroobreete verlooren heeft by zyn Studie, rukt den Brit van't Paerd, en publiceert vier Redenvoeringen over zyn eigen Uytvinding van Vygen na Paassche.
Den Ontleeder der Gebreeken was geresolveert om aan Batos Naneeven het Merk teeken te ontleeden van een Fransch Chirurgyn, en te zeggen; dat een Fransch Barbier doorgaans van de Zeepbal opklimpt op 't Lancet, dat hy van 't Lancet voltigeert op de Extirpatie Zaag; en na dat hy zig vermaart gemaakt heeft door 't afzetten van een half dozyn gezonde Armen, en door 't Koudvuur te bevorderen in vyf a fes welvaarende Beenen, dat hy dan in de Geneeskunde stort, gelyk als een Waterhond in een Sloot valt, en dat hy als dan den Drievoet is van Galeen, die Raad geeft voor den Baard, voor 't Bloed, voor de Wonden, en voor de Toevallen.
Den Anatomist zou 'er nog konnen byvoegen; dat een Fransch Barbier veeltyds een besmult Kaerel is, met een smeerige Ziel; zeer Glorieus, schoon Doodarm; Vrolyk, en Luy; Boufon, doch echter Guyt; Onbeschaamt, Schoon Onweetent; Bygelooviglyk Devoot, maar Eerlooslyk Godloos; Uytwendig zeer Obstinaat in zyn Geloof; doch Inwendig zeer Los in zyn Zeeden; een Getrouw Onderdaan aan zyn Vorst, en een Onderdaanig Dienaar aan zyn Patient, want hy oordeelt dat het zyn Pligt is, om voor Deugeniet by den Eerste, en voor Zot te speelen by de Laatste. Voor de rest zou hy 'er hebben by gevoegt; dat een Fransch Barbarot doorgaans eert Edelman is, als een Yrsman, of schoon grootgefokt in een Huis zonder Dak; en dat hy zo veel Zucht voor zyn Vaderlant bezit als een Schotsman, die raakt hy 'er eens uyt, den Br** heeft van 'er ooit weer in te komen, benevens een meenigte et ceteras, die hy thans zal bewaaren ad Referendum, om zyn
Leezers een kleine Beschryving te schenken van de Thermometer der Vrouwen.
Des Ontleeders Beschryving van het Weerglas der goude Lakensche Muyltjes.
Het Weerglas der Dames geeft ons Zulke openbaare Proeven van de Voortekens der Veranderingen in de Weerhaans Hartstogten van die Sexe, als de gemeene Thermometers ons de Veranderingen aanwyzen van 't Weer, en van desselfs Omtuymelingen.
Dat Weerglas, dat ik nu effentjes zal aanraaken met de Punt van myn Pen, is wel eer gedoodverft in een bewossene Galery, en nu tot Volmaaktheit gebrogt in een vergult Salet. Dat meegaande Instrument wiert in den beginne meer behanteert als bestudeert, doch dieper ingezien zynde bevont men, dat het de algemeene Eigenschappen begreep van onze Hedensdaagsche Weerglaazen, naamelyk, Byster warm, zoel warm, zeer warm, warm, gemaatigt, (dat is iets raars) effen Vorst, Vorst, harde Vorst, groote Vorft, en, (dit gebeurt eens om de hondert jaar) uytneemende Koude.
Ik onderstel (zegt den Ontleeder) dat myn Boonsops Achates, den Staatkundige Felix Bysoort, die zig verbeelt dat *Petrarcha een Wyfs Naam is, en uyt dien hoofde Petrarchus Schryft, wel dient te weeten, dat Toricelli den eersten Uytvinder geweest is van het Gemeen Weerglas, dat een Konstwerktuig was, bestaande in een lange Pyp, houdende Twee en Dartig voet waters; doch onze gestrikte Thermometer is 't zamengestelt uyt een toegeevende Buis, opgevult met een Gequikzilverde Stof, die ontrent zo lang op een hoogte blyft als de Fortuin van een Speelder, als de Liefde van een Toneelpop, of als de Eeden van een Scheeps-Officier in 't hartje van een vliegende Storm.
De Heer Flon flon flon la ri daine wiert verlieft op het Weerglas van Madame Kalk en Steen, een Juffer zo schoon als de Nacht, en zo jeugdig als de Zonde. Dat Heerschap was een wandelent Argument tegens de Onsterflykheit, dewyl niemant in zyn doen of laaten zien kon, dat zyn Ziel verhevener was als die van een Gans, zynde zyn Licghaam maar enkelt de Voering van zyn gechamareerde Kleeders, gelyk als Zemelen de Voering zyn van een
Juffers Speldekussen. Die Knoopmaakers Petit Maitre wist door het appliceeren van een warme Hand op Madames Thermometer, de Quik van Zoel Warm te doen ryzen tot op Byster Warm, en dewyl de Nootzaakelykheit aan de Zy van den Degen, en de Koppelwoordjes aan de Stootkant van de Muts, dat Paar voortzweepten, hong 'er 't Wanbetrouwen het Zegel des Huuwelykx aan, en daar mee was 't Kip ik hebje Thermometer.
Jonker Loswambes is een Coffihuis Student, die de Couranten zo onverschilliglyk naziet als zyn Gebeden, leezende en biddende welstaans halve. Hy is een eenvoudig Student in de Zeedekunde, doch hy kent de beste Ordinaris aan 't Y, en 't vermaardste Wynhuis aan de Maas; voor de rest zal hy uw uytcyferen op een' prik waar dat de Schoonste Waardin uythangt. Zulk een *Dares stak eerst het hoofd in de lucht om Storm te loopen op Madame Molenwiek, de rypste der drie Bevalligheden, een Vrouw zo wit als Sneeuw in de Zon, en zo ruim van Imborst als een overrype Meloen, en door de navolgende Overzetting van Monsieur de la Fontaine, dee hy 't Weerglas van haar Gesteltenis van Zoel Warm ryzen tot op Byster Warm.
Te Amsterdam by H. Bosch, zyn nog eenigen Exemplaren te bekomen, van W. van Zwaanenburgs Parnas of Zanggodinne van een Schilder: in 4. De Gedichten van J. van Geel, uytgegeven door K. van Arkel, in 4. De Groot uytbreiding der Psalmen, uytgegeven door van Arkel in 4. Hoppesteyns Mengelpoëzey in 8. De Haas Gedichten 2 deelen in 4. Jan Soet Gedichten in 8. Anslo Poëzy in 8. Vryhofs Gedichten in 4. Pluymers Gedichten eerste en twede deel in 4. A. Bogaarts Gedichten in 4. Dito Roomsche Monarchy in 8. Dito Grondlegging der Nederlandse Vryheid in 8. Toekomende Week staat by H. Bosch, ook uyt te komen de Schoole der Wereld door Hoogstraaten, met Kopere Platen in Rym, als meede Sicke Beninge Chronyk der Vriesche Landen, en der Stadt Groningen, waar agter by gevoegt is, Sybeiarichs korte Chronyk eens onbekende Schryvers, kleyne Cronica van de Groninger Omlanden, behoorende by destukken der Oudheid, by tyd en wylen te Leiden by vander My uitgegeven.