DEn Auteur van de Ontleeding der Ontleeders ley ondergedompelt, in een diepe rust, (dat is een bewys van een onschuldig Geweeten) en niets verstoorde zyn aangenaame slaap, want de Nacht was zo stil als een jonge Vryster, die de grendel wegschuyft van voor de Deur, om haar Vryer te doen binne sluypen, (voor diergelyke Nachtdieven kan haar geen Moeder des huysgezins hoeden, gelyk als Mejuffrouw Trapgans wel weet) toen hy een vreeslyke stem hoorde, die riep, Ontwaakt, Ontleeder des Ontleeders, Ontwaakt! Hy vloog op in 't hemd, gelyk als een Leydsche Pachter opvliegt; wanneer de Heeren met hem speelen, Kip ik hebje, en hy schreeuwde op zyn beurt, Warda? Daar ziet na, antwoorde de eerste stem, die niet weynig trots en opgeblaazen scheen te zyn, over drie boeken in Quarto, waar van het eerste was gedoopt, den Rotterdamsche Hermes, een Boek zo verstaanbaar als dat van David Joris, als dat van Juffrouw Hogentoren, als dat van Jarig Jelles, of als dat van den Dikkop, het Vrouwelyn van Koppenhague, Britta Beyer. De twee andere Boekken pronkten met het Tytelrecht van den Amsterdamsche Hermes, en praalden met het Conterfytsel van den Schryver, uyt wiens dollemans Postuur de zachtzinnige Imborst des Abderiets klaar te zien, en te leezen was.
Ik spalkte een paar blikken op, alzo wyd als die van een Saardams Boerinnetje, wanneer zy, in een Marionette-tent, Polichinelle ziet kathalsen met een Lindworm, want ik wiert een Landreus ziende, een Zoon der *Aarde, voortgeteelt in de onvruchtbaare heygrond van Abdera, die my zo vriendelyk belonkte, dat 'er die Schrik niet ligt zal uytgaan; ook zal ik my voortaan wel wachten, van noit na Bed te gaan, zonder alvoorens een teug onvervalscht wywater in te slurpen, en een H. Nachtkeers te ontsteeken.
O hoe verbaasde my die ongewoone Vertooning! want ik heb altyd een tegenzin gevoelt, voor Reusen en voor Dwergen, en daarom ben ik als nog een voorzitter in het Laagerhuys der Vrouwen, om dies wil dat ik een Voorstaander ben van de middelmaatigheyd; maar hier een knopspelletje by vastgespelt, want die Nacht-evenings lyn van vergelyking raakt onse letterlyke Kampstryd niet.
Dit Spook dan bekeek my door en door, en alhoewel het geen liefhebber der Poësy is, (dit zyn deszelfs eyge woorden) echter begon hy, met de volgende tonneelrol van de Cid, het Congres te openen van onze t'zaamenspraak.
Zouden zulke Leerjongens niet wel goede Soldaaten konnen worden, met 'er tyd? Vroeg Prins Maurits al lagchende aan den Admirant van Arragon, na dat hy hem de Bataille van Vlaanderen, uyt de vuyst had gewrongen. En zou ik, Heer Ontleeder, met 'er tyd uw laatste wensch, niet konnen evennaaren? Waar is je andwoord *Sterreman? Want je leeft met je Leezers, gelyk als Heertje Kootneus leefde met de Jongens van zyn Karspel, hy gaf de kinderen een kruysje, en daar mee was 't wel, en jy paait je Leezers met een Starretje, en daar mee is 't quaalyk.
Hoor Confrater, laat ik nu mee eens een Sprookje in de hand duuwen, dan krygt het kind een ey voor een appel. De Geneesheer Papegaay was een grooten Spotboef, als Geneesheer, en evenwel hong hem den Doctoor Gier een nachtsloot voor de mond. Papegaays moeder was een dubbelzinnige Juffer, en den Geneesheer was een Echte zoon van zyn Vader, ou soy disant tel. Om die reden noemde hy een iegelyk broeder, (dat was een gissing) en een iegelyk broederde hem wederom (dat was maar redelyk) zo dat hy, gelyk als Broeder bon Homme, een algemeene broeder was aller menschen. Den broeder Papegaay dan wiert in 't Heeren Coffihuys ontmoet, by Doctor Gier, die, al grenikkende, tegens hem zey; Broeder Papegaay is myn broeder, en myn Vaders Zoon. Dan ben ik meester over de helft van alje goed (antwoorde Papegaay) als zynde een mede Erfgenaam. Dat stuyt ik (herhaalde Doctor Gier) want, by ons, erft geen basterdt.
Wy zyn nog zo na niet, al zyn we Confraters, Heer Tegen-Ontleeder, want in den Tempel van Apol hangt een goude Lauwertak, aan het azuure gewelf, die Antonides noemt, den Lauwertak der tederheyd, en die noit wort aangeraakt met ongewyde handen. Geeft ons eens een proef vanje bequaamheyd, in een teder voorwerp, en als dan staa ik uw een tweede punt af van myn Ontleeders voorrecht.
Top Confrater, †ik ben een Hoveling en van een verligten-
de ommegang. Ik kan liegen en bedriegen, zonder eens te lagchen. Ik kan die man kussen, en omarmen, die ik graag met myn eyge handen zou willen verworgen. Ik kan myn hof maaken by de Grooten, en ik kan alzo lang op eene poot staan pronken, in een Antichambre, als een Haagsche Oyevaar op een been staat op de Delfsche Vismart. Ik kan een snuyfje neemen, zonder te niesen, ik kan verkoud zyn, zonder te hoesten, ik kan een ziedende sop inslikken, zonder te blaazen, ik kan amen zeggen op een vloek, en, je hebt gelyk myn Heer, op een scheldwoordt. Ik heb uw zo lief Confrater, dat ik valsche Dukaaten zou slaan, om je ryk en weelig te maaken, en ik zal je daar van een proef geeven, in 't maaken van een teder vaers, want dat kost me meer moeyten dan de Spaansche groete. Dios te bendiga Senor. Ons Heer helpje vriend des Keyzerryks.
De voornaamste Dichters verbergen de natuur, onder het optooisel van konst, en hun Schriften hebben luyster genoeg, wanneer die zyn bestooken, met de kruypende dieren der oudheyd, en met de bloemtuyltjes der bataalsche Kikvorschen. De Nederlandsche Poeten, Heer Ontleeder van een Kalfshooft zonder herssens, zwarmen zo dik op St Jans Kerkhof, gelyk als de muggen in den oogst; de minste zal zweeren, dat hy de konst van Rymen heeft afgekeeken aan Apol, dat by in onecht leeft met Calliope, dat hy een Poeet is zonder verwyt, gelyk als den Ridder Bayaart een Chevalier was, sans Reproche, dat hy een vaers van hondert en vyftig regels zal opmetselen op het hair van een *Cypersse Kat, en dat voor de vuyst, dar hy, ons Heer zy gedankt, nog niet hoeft te byten op het hoorn van zyn vingers, wanneer hy zwanger gaat van een Herderszang, en dat een Poeet, die gaande en staande een Kruyer geen boodschap vad een hal-
ve Riem papiers kan belasten, in helde vaarsen, den doopnaam onwaardig is van een Poeet.
Ik ken een Poeet uyt hondert, maar ik ken'er ook een uyt duyzent. Ik ken een Dichter die een Reukwerkers winkel zou konnen voorsien, als of het gaar nix was. Een Poeet (zeg ik) wiens Vaersen zyn doorspykert met den reuk van Civet, Muskeljaat, Benzoin, en Amber; een Poeet die met de Elementen speelt, gelyk als met een spel Kegels, en die de Goden de broek opnestelt, als of ze tot Leuven studeerden, in Maliebaans Latyn.
Ik ken'er Een, wiens Vaersen zo hart zyn, als de kromme Passer van een Scheeps-Timmerman, en echter is hy zo ryk, dat hy alle daagen, ontbyt en middegmaalt op 't Stadhuys, overvloedige Dichtkunde, hoe mest je nu biggen!
Ik ken'er Een, die zyn Dichtkunde uythangt, gelyk als een bord; Hier gaat men voor de Luyden in de Bank van Leening, eu die Man is zo weelig, dat hy zonder polleryen loopt, als 't regent, en zonder Geld, wanneer de zon schynt.
Ik ken'er Een, die al de Zee journaal en van een Kapiteyn der Barbiesjes heeft verduitst in Pindarische Gezangen, en echter loopt hy te viervoet na het Hospitaal.
Ik ken'er Een, die een Gouverneur van Jamaika zo lang heeft vervolgt, met zyn Gedichten, tot dat den Gouverneur, met toestemming van de Krygsraad, de Poesy heeft uytgeschrapt, op de Naamrol van de Deugden.
Ik ken'er Een, die van een Grande van Engeland, nog dagelyks op de schouder wort geklopt, als of hy een Persiaans Paard was, en echter moet die Zangdief hooger klauteren, om te gaan slaapen, dan de Coster van St. Paulus klimmen moet om het Uurwerk op te winden.
Ik zou verder hebben geavanceert in myn dichtkundig en historisch Relaas der Dichters, toen den Ontleeder der Gebreeken, zo vreeslyk begon te lagchen, dat ik hem moest vergezelschappen, bon gré mal gré, maar, helaes! ter linker uur, want ik ontwaakte uyt dat vermaakelyk nachtgesprek, dat zo afzettende was geweest, dat myn Saaplakens scheenen door-gehaalt te zyn, door een trekzel van Roozewater, en hier uyt leerde ik, dat een al te groote vreugde, en al te oude kisten, niet al te vast sluyten.
De Parysche Brieven verhaalen ons; dat een voornaam Marquis de tafel van zyn Marquisin heeft opgezegt, om dat die te koel, en dat hy haar bed heeft verzaakt, om dat dat te warm was. Ik vertrouw dat die Marquis naberouw zal hebben van het affront, waar mee hy zyn Marquise beklad, want het past geen Fransch Edelman, om jaloers, nog het voegt geen Engelsch Kavalier, om achterdochtig te zyn. Het overspel wort onder den Adel aangezien, als een Toverspel, niemant geloost het, en is'er al een lichtgeloovige Ram, onder den gehoornde Hoop, die knipt eens op zyn
dnympje, en hy roept; Laat komen de Zeep, Mevrouw die moet morgen wasschen. Parbleu! Heeren, als de Waarheyd mag gezegt worden, dan zeg ik, als een Tegen-Ontleeder, dat een Italiaan en een Spaanjaart een paar Quasten zyn, die de Zitplaats van de Eer stellen, op zo een brosse Leuningstoel.
De Herberg van den groenen Draak, tot Londen, is ingestort, en om dieswil dat St. Joris met de Draaken leeft, gelyk als Van Lit met zyn hondjes, daarom is 'er niemant beschaadigt, door die Drakowits val. Om dat ik niet veel weet te praaten over den Draak, daarom zal ik wat keuvelen over deszelfs nest.
Men vind alles, in Londen, datmen kan wenschen, en men vind het als op de grond. Daar is niets uytgevonden tot het vermaak des Leevens, dat men aldaar niet ontmoet. De Filosoofen en de Wetgevers hebben, niet vierdepart, zo veel gearbeyd, inde hervorming der zeeden, dan de Fransche Koks arbeyden, om den buyk te vree te stellen. Alle daagen hebje nieuwe Saussen, nieuwe Fricassees, nieuwe Taarten, en nieuwe Pasteyen, en dewyl zy zomtyds de ongelukkige hooren klaagen, over de bitterheyd des Leevens, daarom zoeken zy dagelyks, na nieuwe Saussen, om het leeven te abbrevieeren.
Maar hoe overvloedig dat die Stad ook is, nogthans is 'er voor een Man die niets heeft, niets te bekomen. Het vuur en het water, die Hoof straf der Romeynen zyn'er verbooden aan de armoede, en ik weet geen slimmer plaag, dan gestadig in het middelpunt van weelde te zyn, zonder die te moogen smaaken. De Bedelaars verbeelden, in Londen den Winter en de Lente, en daar en boven verbeelden zy nog de Muziek, want zy bidden nu, al zingende, ona een aalmoes. Des 's Winters zyn die arme Duyvels styf bevroosen, maar zy ontdooien tegens de Lenre, gelyk als de Zwaluwen, en als dan leeven zy, gelyk als Hovelingen, (dat is) zy veylen aan de Voor-bygangers bestudeerde-beleefdheden, en blaauwe Bloempjes.
Om dat ik oordeel, dat myn Lessen, zo nootzaakelyk zyn, om den Ontleeder der Gebreeken te koelen, als een half dozyn Sneeuwballen dienstig zyn, om een Bakkers oven te heeten, daarom zal ik over veertien dagen, weer opdaagen.
Te Utrecht, gedrukt voor den Auteur, en werden uitgegeven by Hermannus Besselingh Boekverkoper in de Lynmarkt. Amstetdam H. Bosch. Rotterdam A. Willis, N. Korte. 's Hage. L. Berkoske. Leyden, Janssons van der Aa. Delft, R. Boitet. Haarlem, van Lee. Gouda, van der Kloes. Alkmaar, van Beyeren. Dordrecht, van Braam. Hoorn, Beukelman. Harderwyk, Rampen. Nimwegen, van de Veluw. En vorders in de Steden by de Boekverkoopers.