terug  begin  verderprepost
[p. 43]

De Wielersport in verval.

Het hoofdstuk dat vorengaat is min of meer gemaakt van cijfers en namen, van feiten en gebeurtenissen, met een kijk op de wording van de Wielersport, en den hoogen bloei die volgde.

Rond de jaren 1900 kwam de algemeene kentering, en miek de sport eerder een kringloop naar beneden.

Protin, Houben, Morin, Bourillon, Zimmermann, Meyers, Tommasilli, Momo en meer anderen bliezen den aftocht, of waren in verval. En van lieverlede ging de beweging nu dood aan de onverschilligheid van de sportmassa.

Amerika hield zijne Zes Dagen koersen in leven, en Desgrange zijne klassieke baankoersen boven water, maar in eigen land?... Ging de belangstelling te loor, en de velodroms ten onder.

Ik ken slechts twee velodroms die de stormen van het bestaan trotseerden: deze van Robaais, die aan de West Vlaamsche grenzen lag, en van Zurenborg, waar we, in 1905 het Wereldkampioenschap der sprinters wisten winnen door Poulain, vóór Mayer en Ellegaard.

Maar buiten dat?... Niets meer in den lande, tenzij in West- en Oost-Vlaanderen nog wat straatkoersen, die in leven werden gehouden door enkele taaie en koppige doorzetters.

Het is in die tijden dat we zelf zijn opgetreden als renner, maar spijtig genoeg de kunde misten, en het athletiek vermogen, om tot buiten onze grenzen te geraken, zoo dat onze werkkring niet wijder ging en niet verder liep, dan bij de straatkoersen van West- en Oost-Vlaanderen.

En omdat we 't nu voort willen houden, bij de eigen beleefde gebeurtenissen - vermits ons boek niet eene Geschiedenis van de Wielersport begeert te zijn - zult ge ons, hoop ik, wel willen verontschuldigen, zoo het beeld van

[p. 44]

dit hoofdstuk bijna uitsluitelijk in een lokaal kader steekt, en van lokale kleuren is gemaakt!

't Is ten anderen uit West-Vlaanderen dat Cyriel Van Hauwaert gekomen is, in 1907, om met de zegevaan van Bordeaux-Parijs rond te gaan in den lande, en de menschen weer wakker te maken, en belangstelling te verwekken voor de vernieuwde Wielerbeweging!

Maar tusschen 1900 en 1907, stonden die keikoppigen om het veunzend vuurtje van de sport, toch min of meer in brand te houden!

En die koppigen waren: de Gebroeders Commeyne, Gebroeders De Geeter, Seys, Naert, uw dienaar en, later: Wancour, Coussement, Arthur Van der Stuyft, Haeck, Gebroeders De Voghelaere die de opvolgers waren van de Braeckman's en de Stragier's of Deroeck uit Oost-Vlaanderen!

Veel koersen waren er toen niet: enkelijk op Zonen Feestdagen. Want in die tijden was 't nog mode van te werken in de week, lijk de ziekte der werkloosheid nog niet gekend was.

Wie wilde koersen moest dus vóór of na het werk de oefening verrichten.

De wedstrijden waren doorgaans verdeeld in Snelheid, Fond- en Vertroosting.

Hooger dan 100 franken gingen de prijzen niet, maar deze die de vertroostingskoers won, kon algelijk nog 100 franken halen.

Ter waarheidswille echter dient er gezegd, dat men toen zooveel kocht met 10, dan in 1939 met 500 franken!

't Verschil was anders niet groot!

 

* * *

 

't Is in de jaren 1902, 1903, 1904, dat we deel mieken der korporatie van renners die de straatkoersen van Vlaan-

[p. 45]

deren afketsten. Als ik het niet langer volhield, dan is het doodeenvoudig omdat ik over meer begeerten beschikte, dan athletieke middelen. En toch ben ik eenmaal 2e geweest in een Kampioenschap van Vlaanderen dat, - u vast houden, - dat werd betwist achter motors en over een Omloop van Roeselaere, Meenen, Kortrijk, Izegem, Roeselare, twee maal af te leggen!

Ja, achter motors!

In dien koers was ik tweede, maar om eerlijk te zijn, zou ik er moeten bijvoegen, dat ik 20 minuten achter was, bij den overwinnaar Fons Seys. Lijk ik niet eens meer kan zeggen, of er meer dan 2 aangekomen zijn! Seys was van Beythem en Staf De Geeter van Rumbeke. In mijne oogen waren ze de twee beste straatkoersers van die tijden. De Geeter had zelfs naar mijn inziens, minstens zooveel athletieke kwaliteiten als Wancour en Van Hauwaert, die later zulk een overwegende rol zouden spelen in de Internationale Wielerbeweging.

Maar De Geeter is jong gestorven, ten gevolge eener ziekte die in den volksmond noemt: verheetheid.

- Ge ziet wel, zegde mijne moeder, dat ik gelijk heb te beweren, dat koersen gelijk staat met zelfmoord plegen!

Welk verschil met de moderne moeders, die het reispak gereed maken, en bij het vertrek tot op den dorpel komen, om te zeggen:

- Jongen, God zegene en beware u!

De Fondkoers die tusschen de Snelheid en de Vertroosting werd betwist, ging doorgaans in den vorm van een handikap, en omdat ik in 1903 een paar redelijke uitslagen miek, in Gent-Blankenberge en terug, in Brussel-Oostende, was ik een vermaardheid geworden, en kreeg ik de eer van samen met Fons Seys, nog al dikwijls van achter geplaatst te worden.

Het gevolg was dat ik nog maar moeilijk aan mijn prijzeke gerocht, en in 1905 reeds met de pen ging gaan zoeken, wat ik met de pedalen niet kon vinden.

[p. 46]

Seys was, wat in 't sappig West-Vlaamsch heet: taai lijk een wis! Werkelijk de prototype van den straatkoerser, met zijn verzet van rond de 8 meters!

Niet lachen en niet schokschouderen, ik spreek ernst: in die tijden reden we al onze koersen met rond de 8 meters verzet!

Waarschijnlijk omdat er geen velowegen waren, en wij het aflapten over de straatsteenen die Julius Cesar destijds van Rome meebracht, samen met de mare, dat de Belgen de dappersten aller Gallen waren!

Seys kon ook over lange afstanden rijden, want in 1901 was hij 11e in Parijs-Robaais, waar ik hem als gangmaker zou helpen; maar 't kwaad dat er mee bemoeid was, of wat anders, want de uitslag was: dat ik Seys niet eens kon volgen, zoodat er van hem te helpen geen spraak was!

In 1902 wisten we hem een koers winnen van Brugge naar Zedelgem, ‘om in den minsten tijd’. Ge ziet wel dat Henri Desgrange niets uitgevonden heeft, maar in voege bracht wat reeds mode was in het Vlaanderen van 1902.

 

* * *

 

Veel verder dan de grenzen van het ‘Leeuwennest’, gaat mijne ‘wetenschap’ niet over de Wielersport van 1902 tot en met 1907.

Gaandeweg zagen we de Beweging groeien en gedijen, bij zoo ver dat in 1906 er niet veel kermissen meer waren, zonder hun straatkoers.

Van den Belgischen Wielrijdersbond, van Kategorieën of Vergunningen hoorden we weinig of niet spreken, en bijna alle koersen droegen den onverstoorbaren titel: ‘voor alle renners’!

Ik zal niet beweren dat de toeloop van volk zoo groot was als ter dage, maar wat ik met zekerheid zeggen kan is: dat ik in 1903 een match geloopen heb, te Wijnendaele bij

[p. 47]

Torhout, tegen Seys, op St. Pietersdag; en in Oktober tegen Staf De Geeter, en dat er van weerskanten de baan, over een afstand van 4 Klm. een dubbele haag werd gemaakt door de toeschouwers!

De eerste match won ik met een halve lengte, en den tweeden verloor ik met wel 300 meters!

Van af 1905 ging het in stijgende lijn, met vernieuwde belangstelling. Naast Seys en de specifieke straatkoersers van dien tijd, kwamen er nieuwe en andere opdagen, die al wat van den eigenlijken baanrenner mee hadden, als daar waren: Wancour, Abel en Guido Devogelaere, Jules Masselis, Urbain Steyaert, en meer andere, met aan de leiding hun aller koning der Kermiskoersen: Kamiel Haeck van Aalter, met zijn ordonnans ‘Nandje’ Dewaele!

 

* * *

 

Op een dag, 't was in 1904, stonden we startensgereed, te Beythem bij Roeselare. Seys stond scratch, en uw dienaar er naast.

- Als we dien kunnen krijgen, zei hij tegen me, wijzende op een kloek gebouwde kerel van 21 jaren, dan winnen we vast en zeker de koers.

Ik kon niet eens 't wiel van Seys houden, want mijne ster, die nooit glansrijk gepinkeld had, was heelemaal aan 't uitgaan!

Maar Seys kreeg ook die kloekgebouwde kerel niet, die niemand anders was dan Cyriel Van Hauwaert, en de koers won met meer voorsprong dan hij kreeg bij den uitzet.

Om te betoonen dat hij kampioen geboren was, want dat was eene der eerste koersen eener loopbaan die des te verdienstelijker is geweest, omdat Cyriel zoo niet met eigen middelen, althans met eigen macht, zich dien weg naar de glorie van de sport heeft moeten banen!

prepostterug  begin  verder