terug  begin  verderprepost
[p. 81]

Odiel Defraeye en het wonderjaar 1912.

In 't eigenste jaar de Ronde van België winnen, Milaan-San Remo en de Ronde van Frankrijk, ja, als men zulke pluimen op den hoed te steken heeft, kan men gerust door de wereld van de sport gaan om te vragen: wie 't ooit wel beter deed?...

- Ik heb vele Ronden van Frankrijk gevolgd, heeft me Ludovic meer dan eens gezegd, vele overwinnaars gekend en gezien, maar de sterkste indruk is toch deze, die Odiel Defraeye op mij heeft gemaakt.

En Marcel Buysse, die 't beaamde:

- Ik weet wat rijden is, omdat ik er ook iets van ken, maar lijk Defraeye het kon in 1912, neen, zoo iets wist ik nooit door andere renners voren doen.

Die indruk van macht en van ‘nog meer kunnen’ kwam van 't feit, dat Odiel zoo onbewegelijk in den zadel zat, lijk iemand die gedurig de onuitgesproken vraag herhaalt: of het dan werkelijk zoo lastig is? En waarom al dat geweld er bij moet?

Dat was in verband met de tegenstrevers, die al de moeite van de wereld hadden, om hun rijwiel op de bergen te krijgen, terwijl Defraeye naar boven scheen te ‘wandelen’!

Goethe heeft maar één Faust geschreven, en Vondel maar één Lucifer. Ook genieën kunnen zich uitputten, en groote schilders hebben geniale dingen geborsteld, die ze later nooit meer konden nadoen. Waarom heeft Odiel Defraeye nooit meer dat hoogtepunt bereikt van 1912? En vooral, lijk in die Ronde van Frankrijk?... Hij zou nochtans zoo geerne nog zulk een perel gehecht hebben, aan zijn rijke kroon van zegepralen!

Ik heb Defraeye persoonlijk zoo goed gekend. Zoo stipt in zijn levenswijze, zoo nauwgezet in 't werk. En die Ronde

[p. 82]

van Frankrijk in 1912, was een produkt van eene verzorgde kunde, de belooning voor een leven van offerveerdigheid in den dienst van de wielersport.

En het huldebetoon dat hem na die glorierijke overwinning te Brussel te beurt viel, deed denken aan den terugkeer van Koningen of Prinsen van zegevierende slagvelden.

Grootsch was de aanblik van die ontelbare menigte, die zich in de straten van Brussel verdrong, om haren tol van hulde te betalen aan den kampioen, die de vlagge van de zege ging dragen, tot op de hoogste toppen van de Alpen en de Pyreneeën!

Uit de vensters werden bloemen gestrooid! Van op de balcons braken orkanen van jubelkreten los! Muziek speelde en in hooghartige redevoeringen werd de lof van den overwinnaar bezongen!

Ik was er bij te Brussel, ook te Izegem, waar Defraeye woonachtig was, om er mijn eigen woord van geluk en erkentelijkheid te spreken.

En 'k zie Odiel nog levendig voor me staan, als de weerdige overwinnaar van een groote kamp: zonder aanstellerigheid, maar in het volle bewustzijn van zijn plicht: dat vertrouwen en die hulde waardig te blijven in de toekomst.

Maar die toekomst?... Is nooit meer zoo heerlijk geweest. Wat dan was er gebroken in het fijne raderwerk van dat prachtig organisme? Twee andere Ronden van Frankrijk hebben gevolgd, maar de onoverwinbare Defraye van 1912?... Neen, die kregen we niet meer terug!

Was die zege van 1912 terzelvertijde de zwanenzang geweest van den grooten kunstenaar die hij was?... Negentien honderd dertien kwam, en negentien honderd veertien. Maar geen overwinnende Defraeye. En dan?... De wereldoorlog, waarin alles te gruizelen werd geslagen, en de grootste kampioen of sterkste athleet teloor liep, in die

[p. 83]

massa van menschen, die hun leven ten offer hadden te brengen in de bloedgrachten van den IJzer! Liet Odiel Defraeye daar soms de klank van zijn gestaalde spieren, en den zwier van zijn sierlijken tert?... Wie zal 't uitmaken?... We wisten al zooveel renners komen, met de aanzwellende muziek hunner triomfantelijke intrede, om weer te verdwijnen, maar dan zoo heel geruischloos, zonder dat we konden vernemen langs waar, en waarom...

Is 't Sarah Bernard niet, die 't gezegd heeft:

- Weten dat men moet oud en leelijk worden, is een onverbiddelijke waarheid die 't leven van een tooneelspeelster vergiftigt.

En Defraeye, die in 1912 werd gehuldigd en bezongen, door de heele wereld die aan sport doet, en later nooit meer kon gaan staan in de zonne van de zege, die de zonne van de glorie was, zou hij daar soms in geleden hebben?... Of kwam die kentering naar omlaag geleidelijk, zoodat ze eerst niet voel- en tastbaar was?... Misschien wel, want een renner is lijk een drenkeling, die met den moed der wanhoop vecht voor het behoud van zijn leven: de renner verwacht alles van de ‘forme’ die terugkomen zal, die terugkomen moet! En gelukkiglijk dat die hoop en dat vertrouwen bestaat, anders ware 't leven van zulk een renner een radeloos bestaan.

Van den ‘val der Engelen’ heeft de geniale Vondel een aangrijpende tragedie gemaakt. En ik beken het eerlijk: aan den ‘val’ van Defraeye, of beter aan de waardevermindering van zijn athlethiek vermogen in 1913 en 1914, heb ik geleden. Wellicht meer dan hij zelf. Want ik had nu ook zoo'n hoogen dunk van zijn kunde. De stijl, die zoo zuiver was, zoo klassiek, en het vermogen zoo uit de natuur.

Ik zie hem nog rijden in den velodrom van Torhout, op den 29 Juni van 1909, in een 100 Km. koers, tegen al de beste renners van de wereld, van Hauwaert en Lapize

[p. 84]

inbegrepen. Nog vijf ronden vóór 't einde. Defraeye zet zich aan de leiding en hij gaat onverschrokken zijn gang, lijk iemand die 't uitdagend zegt:

- Komt af, als ge durft!

En 't is in dat vermetel betrouwen zelf, dat we den kunstenaar vinden, die zich zijn macht en vermogen bewust is, die weet wat hij kan.

Van vijf ronden ver - de omtrek was 300 meter - gaat hij aan de leiding en drijft geleidelijk het tempo op, zoo dat er hem niemand voorbij komt, niemand voorbij kan! Hij wint dien sprint met het gemak van den athleet die 't betoogt: als 't moet, nog rapper!

En 't is uit dien sprinter, uit dien fijn gestyleerden athleet, uit dien ‘kunstenaar bij de genade gods’ - met een kleine g - dat de groote overwinnaar van 1912 groeide, waarnaar we opkeken met zooveel fierheid als betrouwen voor de toekomst. En dat betrouwen dat nadien zoo geweldig geschokt werd, omdat de overwinnaar achterbleef!

Defraeye was niet alleen in 't geval. Duboc in Frankrijk, Verdyck bij ons, en Van Dam of Deolet: om er niet meer te noemen. Renners, van wie men zei 't worden groote kampioenen. En de barreel van hun opgang die zoo ineens toegeworpen werd, en nooit meer open ging!

Vanwaar komt dat?... Wie beslist dat?... Waar zit het hem? Er komen van die tragische dingen in 't leven van den mensch, die men vaststelt zonder te kunnen zeggen vanwaar ze komen en waarom, en zonder het te kunnen verhelpen. Omdat het menschelijk organisme van die diepten heeft, waarachter men met het bloote oog niet komt.

Later, vele jaren later, heeft Odiel Defraeye een zware ziekte doorstaan, die doodelijk had kunnen zijn. En wij, die 't nu vragen: of de microob van die ziekte soms al in 1913 en 1914 niet knaagde, aan de athletieke kunde van den overwinnaar van 1912?

prepostterug  begin  verder