Het rijke Vlaamsche wielerleven


auteur: Karel Van Wijnendaele


bron: Karel Van Wijnendaele, Het rijke Vlaamsche wielerleven. Snoeck-Ducaju & Zoon, Gent 1943.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 101]

De stichting van ‘Sportwereld’.

In het voorgaande hoofdstuk hadden we 't voornamelijk, over baankoersen en baanrenners uit de periode, die gaat van 1907 naar 1914, te zeggen tot aan den wereldoorlog ‘eerste uitgave’.

We schreven weinig of niets over de koersen in de velodroms. In de eerste mate, omdat er niet veel van te zeggen is, doordien, lijk we 't reeds schreven, rond de jaren 1900 de velodroms dood gingen, onder de onverschilligheid vanwege de sportliefhebbers.

Het rijk der pure sprinters was uit, uitzondering gemaakt voor Van den Born die, niettegenstaande hij al de herfst zijner loopbaan achter den rug had, nog vier jaren te reke het kampioenschap van België won der snelheid: tot in 1909. En als hij het in 1910 niet meer won, dan is het doodeenvoudig, omdat hij het koersrijwiel verwisselde tegen het vliegtuig.

Buiten Van den Born hebben we Trelb gekend, die later als bouwmeester de plannen miek voor de velodroms van Karreveld, Barcelona, Wintervelodrom van Brussel en meer anderen. Verder nog: de oûwe Deleu, die destijds met Broka, met Houben en Grogna, een beroemde tandem vormde. Dan nog Michiels, Otto, Wilmots, Patou, Guillaume Coeckelbergh, die later baanrenner werd, en in 1908 de ronde van België betwistte, waarvan hij 6 op 7 ritten won, maar de Ronde zelf niet, omdat hij in den eersten rit bandbreuk leed, en te veel punten verloor. Een andere sprinter van dien tijde: Fernandez, een deknaam waarachter Van Hammée schuilde, die later werd - en ter dage nog is - bestuurder van den Wintervelodrom van Brussel; en ten slotte Jef Van Bever, de eenige die zich een plaats veroverde in de internationale sprintbeweging, zonder nochtans van het gehalte te zijn van Protin of Houben, zelfs niet van Van den Born en Grogna.

[p. 102]

Van 1900 tot 1908 hoorde men weinig of niet van velodromkoersen, en voor zoover ik me herinner is Zurenborg de eenige, die zich recht houden kon in dit orkaan van verdelging. 't Is ten andere daar dat we ons eerste wereldkampioenschap bijwoonden, gewonnen door Poulain vóór Ellegaard en Mayer bij de sprinters, en door Bobby Walthour vóór Guignard en Dickentman bij de stayers.

Na de herwording der wielersport, door Van Hauwaert in 1907 weer in gang gezet, kregen we een aantal nieuwe velodroms, vooral in de twee Vlaanders, maar 't zijn doorgaans de baanrenners die er de plaats van de sprinters innemen. Misschien wel omdat we geen Houben's meer hadden, en geen Protin's.

Integendeel waren we rijk aan goede stayers. Wij hadden er voornamelijk drie, die 't met de beste van de wereld konden opnemen: Arthur Van der Stuyft, die meestal in Duitschland reed en verbleef; Victor Linart, die vier keer 't wereldkampioenschap won, en ten slotte de weergalooze Karel Verbist, die in 1909 wereldrekordman was over één uur, en op 12 Juli van dat jaar, zoo noodlottig om het leven kwam: gevolg van een val in den velodrom van 't Karreveld te Brussel.

Op dien nationalen feestdag werd een koers ingericht, over één uur achter groote motos met Verbist, Arthur Van der Stuyft Schipke en Samson. Die koers ging door ten bate van een liefdadig werk. De velodrom was bomvol geloopen. Op 6 seconden van 't einde lag Verbist in winnende positie ; hij had juist nog 300 meter af te leggen, toen zijn gangmaker bandbreuk leed, met het gevolg dat renner en gangmaker ten gronde werden geslingerd, toen ze rijdende waren tegen een snelheid van 80 per uur!

Ceurremans werd bezijden de piste geworpen, en kwam er met het verschot en lichte kneuzingen van af. Erger was 't met Verbist, die eerst tegen de omheining terecht kwam, van boven in de bocht, en bij het naar beneden

[p. 103]

rollen als het ware opgeschept werd, door den aanstormenden motor van Schipke. Een ontzettende kreet ging uit de menigte op. Schipke en zijn gangmaker ploften ten gronde, ook in volle snelheid, maar kwamen er als bij mirakel met den schrik van af.

Verbist integendeel, kreeg de volle lading van den aanstormenden motor op de borst, en werd een tiental meter ver geslingerd, waar hij viel als een steen uit de lucht!

Twee geneesheeren waren ter plaatse om de eerste hulp toe te dienen, doch het kon niet meer baten, want de arme Verbist had reeds opgehouden te leven.

Op den slag gedood! De verslagenheid onder het publiek was zoo groot, dat het in stomme stilte bleef wachten en luisteren, naar het fatale nieuws, dat komen zou. En dan?... De velodrom, die lijk opeens in een sterfhuis veranderd was, en het publiek dat geruischloos, schier zonder spreken, zijn plaats verliet, in stillen eerbied en sterk onder den geweldigen indruk dier ontzettende ramp.

Karel Verbist werd als een Koning begraven, want het heele sportieve België was opgekomen, om een groet van eerbiedig afscheid te brengen. Meerdere bevoegde sportkronijkers die van hem schreven: een der grootste stayers van alle tijden!

* * *

 

Dat soort koersen - achter zware motos - waren ten andere de meest gegeerde te dien tijde, vooral in Duitschland en Frankrijk.

Persoonlijk heb ik er nooit veel van gehouden, omdat de renner te veel ‘gemekaniseerd’ is, om er niet van zijn athletieke weerde bij in te schieten. De toeschouwers gingen ten andere meer naar die koersen om van sensatie te genieten, dan om sport te zien naar een zuiverder zin van 't woord. De snelheid werd immers van langs om hooger opgedreven, bij middel van windafweerders, die achteraan

[p. 104]

die motos vastgemaakt waren, en een geweldigen luchtdruk teweeg brachten, zoodat de achter die motos rijdende renners, letterlijk voortgezogen werden, tegen een ongekende en ongehoorde snelheid: ten slotte tot boven de 100 per uur!

Ten titel van inlichting: op een dag heeft Leon Van der Stuyft tegen meer dan 122 per uur gereden, te zeggen veel sneller dan de rapste trein uit die tijden.

Maar dien zucht naar meer en naar rapper, heeft spijtig genoeg aan zooveel jonge renners, en veel belovende athleten het leven gekost. Daareven haalden we 't droevig ongeval aan dat aan Karel Verbist overkwam, en uit diezelfde periode halen we de namen van: Robl, Darragon, Mac Lean, Mac Eachern, Harry Elkes, Mac Leander, Brecy, Dangla, Schipke, Mettling, Theile, Scheureman en Krupkat, om nu maar de bijzondersten te noemen, die in de korte tijdspanne van min dan twintig jaar, den dood vonden in den onverantwoordelijken wedloop tegen den god der snelheid.

Eindelijk - en niet vóór tijd - werd van hoogerhand ingegrepen, en verbod uitgevaardigd tegen die koersen met opgedreven snelheid, die meer van de waaghalzerij hadden dan van de sport!

Het tempo werd met den slag van 100 naar 60 per uur gebracht. De koersen gingen er aan dood, maar de renners bleven in leven - en dat was 't voornaamste.

 

* * *

 

Daarmee hebben we nagenoeg al opgesomd wat we weten, of wat we beleefden, in die periode die ging van 1900 tot aan den wereldoorlog.

Of moeten we er misschien de geboorte van ‘Sportwereld’ bijhalen, het blad dat we hielpen stichten en in de wijde wereld brengen.

[p. 105]

Ik begeer niet aan overmoed te doen, maar 't is toch niet omdat we bij de stichting waren, dat het niet mag gezegd en beleden: dat ‘Sportwereld’ in de na-oorlogsche periode meer heeft bijgedragen tot den bloei van de sport in 't algemeen, dan Cyriel Van Hauwaert zelf voor de herwording in 1907!

Ik onthoud het mijn leven lang! 't Was op een dag van Oogst 1912, dat M. August de Maeght, destijds bestuurder van ‘La Société Belge d'lmprimerie’ - later burgemeester van Halle - naar Torhout kwam waar ik toen woonachtig was, om te vragen:

- Of ik met hem een blad wilde helpen stichten dat ‘Sportwereld’ zou noemen?

Hij was vergezeld van mijn goeien vriend, wijlen Leon Van den Haute, met wien ik sedert een drietal jaren samenwerkte aan ‘Sportvriend’, een sportblad dat in die tijden uitgegeven werd te Izegem.

- Misschien wel, was mijn antwoord, maar ge zult me tijd tot bedenken geven.

Ik had immers moreele verplichtingen tegenover den uitgever van ‘Sportvriend’. Maar deze, die de opkomst van ‘Sportwereld’ niet erg scheen te vreezen, en daarom zegde:

- Gij moet weten wat u te doen staat en waar ge best zult zijn.

Te voren bedreef ik mijn eerste ‘jongelingszonden in proza’, in een lokaal blad ‘De Torhoutenaar’ om naderhand mee te werken aan ‘Het Sportblad’ van mijn vriend, wijlen Constant Cleiren, en aan ‘Onze Kampioenen’ van dien flinken sportmakker Gustaaf Van der Linden. Zoodat ik bij gebreke aan faam, toch al wat naam had in de wereld die aan wielersport deed.

Ik miek er gebruik van om ‘hooge voorwaarden’ te stellen voor mijn medewerking die, tot mijn grootste verbazing, met den slag werden ingewilligd, zonder de minste afdinging.

[p. 106]

Er werd niet gedraald en reeds op 12 September staken we van wal, op den dag dat Koolskamp zijn Kampioenschap van Vlaanderen inrichtte.

Het eerste nummer heb ik voor me liggen, en 'k leze deeerste regels:

- Mijn naam is ‘Sportwereld’, en ik heb me tot doel gesteld, van rond te gaan in den Vlaamschen lande, om dagelijks al het nieuws te verkonden dat te halen is. uit de wereld die aan sport doet. In die wereld is er een zending te vervullen, het Volk voor- en onderrichten. Zoodat we bedoelen van het leerrijke met het aangename af te wisselen, en op die wijze ons Volk te dienen.

Met die leuze trokken we de wijde wereld in: arm aan geld, maar rijk aan vertrouwen.

We waren niet velen:

Leon Van den Haute, de beste mijner beste vrienden, die later mijn vennoot zou worden en met wien ik 20 jaren lang heb geleefd, in dezelfde gemeenschap van gedachten, van willen en begeeren, van werken en wroetelen, zonder dat het tusschen ons ooit kwam tot een scherper woord of een strijdend gedacht.

Hij stierf in 1931, en bij zijn open graf stond het heele sportieve België om het te belijden: dat de Sportbeweging aan hem een groote eereschuld had!

De tweede was mijn vriend Michel Mayens, die later ander wegen van het leven is opgegaan.

Frans Wauters van Leuven, die een te vroegen dood stierf. Dr. Tistaert, die terecht werd genoemd: de stichter en bezieler van ‘De Ster der Juniors’.

Waren nog bijgekomen met Dr. Tistaert: Leon Ramault, Constant Cleiren en Berten Carlier, aan wien men de heerlijkste geldelijke voorstellen deed na den wereldoorlog, om depothouder te worden van een ander blad. Maar hij zwoer bij zijn ‘Sportwereld’. Zijn dingen die men niet zoo rap vergeet!

[p. 107]

Van die acht zijn er zes die het tijdelijke met het eeuwige verwisselden. Wij zijn de overlevenden: Maeyens en uw dienaar.

Een negende moet er bij genoemd: Free, die nog steeds naast ons staat en aan 't eigenste zeel trekt(1).

Ik weet het nog, van dien droeven oorlogsdag in Oogst van 1914, toen we Brussel moesten ontvluchten, en te voet van Denderleeuw naar Aalst trokken, om verder Gent te bereiken, waar we ‘De Telegraaf’ zouden uitgeven, die ‘Sportwereld’ moest vervangen?

't Was laat in den avond als we door Erembodegem trokken, en ik hoore de menschen nog luidop zitten te lezen, voor een kapelleken en 't klonk zoo eenbaarlijk door de stille donkerte:

- Van de wreedheden van den oorlog, spaar ons Heere!

 

* * *

 

Al zoo lange geleden. Van sedertdien hard gewrocht aan onze ‘Sportwereld’, die in 1930 zijn hoogste punt bereikte en de oplage overtrof van vele dagbladen met grooter naam en kleiner getal lezers. Verwekte ijverzucht en tegenwerking. De eeuwige gang van de wereld.

In 1939 kwam de samensmelting tusschen ‘Het Nieuwsblad’ en ‘Sportwereld’. En uit die twee groeide ‘Het Algemeen Nieuws - Sportwereld’ dat ter dage een zeer voorname plaats inneemt, in het bedrijf van het dagbladwezen en medegaande de vaste en zekere grondslagen heeft gelegd, voor het blad dat we in de wereld hebben gebracht, en waaraan we meer hebben gegeven dan onzen naam: ook een stukje van onze ziel!