De Flandriens, het Kampioenschap van Vlaanderen zijn meer geweest dan menschen en dingen uit de Sportbeweging, want uitslagen, gebeurtenissen en omstandigheden hebben bijgebracht, dat men er een hoogere beteekenis is gaan aan geven, en dat wij er ten slotte mee beland zijn, op het terrein van den Vlaamschen strijd.
De Flandriens, die de vlagge der zege gingen dragen tot wijd buiten onze grenzen, vergroeiden in zekeren zin tot onze ambassadeurs, die het in den vreemde gingen verkonden, dat we niet dat minderwaardig volk zijn, waarvoor men ons in eigen land wilde doen doorgaan: een Volk dat zich te verhelpen had met een dialekt, bij gebreke aan eene beschaafde taal!
Maar Mac Bolle die 't anders leerde, en bewees dat hij van de verstandelijke begrippen van de sport ook wel iets afwist!
De Ronde van Vlaanderen van ‘Sportwereld’ miek zooveel invloed, en verwekte zooveel belangstelling en begeestering onder de massa, dat men er van lieverlede is gaan van maken, een symboliek beeld van Vlaamsche spierkracht en Vlaamsche sportweelde.
Geen enkele koers in 't land, die de massa in zulke mate beroeren, en op de beenen brengen kon. De Fransche rijwielnijverheid, die bij den aanvang in 1913 en 1914 aan haar renners verbood van deel te nemen, veerdigde op den duur haar sportbestuurders af, en de voornaamste van haar renners om er de zege te komen bevechten, zoodat de Ronde bij de groote klassieke wedstrijden werd gerangschikt.
Menschen, die te voren niet eens het hoofd oplichtten, als een groep renners voorbij kwam, wilden de Ronde zien en die eenbaarlijke processie van volgende auto's, moto's of cars.
Van lieverlede werd die Ronde een gebeurtenis, of een gevierde en verbeide dag, lijk deze van den Gulden Sporenslag een andere was.
Geen groot renner of hij stond er op, om de overwinning van de Ronde op zijn eerelijst te krijgen.
Het was ten andere de eenige koers in België, waarvoor uitheemsche renners en sportjournalisten opkwamen, en in grooten getalle.
Van de drie dingen, stond het Kampioenschap van Vlaanderen van Koolskamp toch dichtst bij wat we zullen noemen: de strijd voor Vlaamsche herwording.
De oorzaak ligt in 't feit dat van oudsher, aan den overwinnaar van dien koers, eene trui werd overhandigd, met er op de Zwarte Leeuw op Gouden Veld, en dit onder het spelen van een daverende Vlaamsche Leeuw.
Maar na den wereldoorlog van 1914-1918, ging er over 't land een geest van gekunsteld patriotisme, waarmee de strijd werd aangebonden tegen al wat Vlaamsch was en voelde.
Ook die ‘leeuw’ van Koolskamp was uit den booze. En het zingen van Karel Miry's lied kreeg voor de gedekoreerde en dekoratieve vaderlanders, de beteekenis van een anti-vaderlandsche vloek!
Iets waaraan Georges Devriese noch Raf Dejonghe, die de voorloopers waren bij de inrichting van dat Kampioenschap, zeker nooit hebben gedacht.
Maar 't was genoeg dat men er zich tegen kantte, om het verzet van de inrichters wakker te maken. De B.W.B., eene vereeniging die buiten alle politiek zou staan - aldus de standregels - beging de onvoorzichtigheid van zich met dat stekelig, kiesch en gevoelig dingen in te laten, en 't verbod werd afgekondigd:
- Voortaan moet het uit zijn met die Vlaamsche Leeuw, die moet vervangen worden door de Brabançonne!
Van sedert 1913 had ‘Sportwereld’ waarin ik een lei-
dende hand had, zijn medewerking verleend, en van dat kampioenschap helpen maken wat het geworden was: eene sportgebeurtenis waarbij wel aan wat Vlaamsch idealisme werd gedacht. Zonder dat het ooit tot betoogingen kwam, die hinderend hadden kunnen zijn voor andersdenkenden.
Het overhandigen van de trui, en de gezongen Vlaamsche Leeuw hoorden er bij. Zonder meer. Maar tegen deze die meenden het spelen van ‘ons lied’ te moeten verbieden, riepen we: handen af!
De B.W.B. meende niet te moeten luisteren, en 't verbod kwam in den vorm eener vermaning:
- Gij zult de Brabançonne spelen of ge zijt het Kampioenschap kwijt.
De inrichters, of enkelen ervan schikten zich bij het verbod neer te leggen, ‘omdat z'anders hun Kampioenschap zouden kwijt geraken’.
Maar wij die niet dezelfde reden hadden om te vreezen, en bovendien sterker voelden aan ons recht, wij riepen het uit, op alle tonen en daken:
- De Vlaamsche Leeuw zal er dreunen, met of zonder toelating, met of zonder verzet! Hij zal er dreunen, luider en hooger dan ooit, omdat gij, heeren van den B.W.B., daar niets te verbieden hebt. Want dat Kampioenschap is van Koolskamp, lijk de Bloedprocessie van Brugge is!
- Wij, ‘Sportwereld’, hielpen het maken wat het was, en zullen het verdedigen lijk het is. Tegen uw Brabançonne hebben we niets, maar aan onze ‘Leeuw’ zult gij niet raken, of ge zult ons over 't lijf moeten!
Zoo schreven we in ‘Sportwereld’, en verbeidden vol vertrouwen en met zegezekerheid den dag af.
Lijk we 't ook kunnen verklappen dat we niet bij de pakken bleven zitten. Het muziek van Koolskamp kreeg, langs zijn burgemeester om, de mare: dat het na afloop van den koers het nationaal volkslied te spelen had.
Het muziek als geheel nam dat aan, maar vele der muzikanten, het grootste paart, die er een eigen gedacht op nahield, en in 't geniep werd er vergaderd en beslist:
- We zullen gebaren te spelen, maar de klanken zullen er niet uit komen.
Wij hadden de overgroote meerderheid met ons. Maar we hadden nog wat meer. 't Was immers verloftijd, de studenten staken de koppen bij mekaar, en de afspraak luidde:
- Wij bevinden ons op de tribunen rechtover de aankomstlijn, en wachten het teeken af om met een gekeelde Vlaamsche Leeuw uit te pakken, waarmee de muziek moet overschruweld.
De koers liep ten einde. De overwinnaar werd op het verhoog geroepen om de trui in ontvangst te nemen. Ik richtte me tot den groep studenten met een begeesterende ‘Vliegt de Blauwvoet’! en duizenden van koppen die er Miry's ‘Vlaamsche Leeuw’ uitkeelden!
De muziek haalde er een paar noten van de Brabançonne bij, maar ‘zij zullen hem niet temmen’ daverde hoog en wijd door het geluchte.
Ik herinner me niet van te voren, of nadien, ooit met zooveel menschen en met zooveel begeestering, een ‘Leeuw’ te hebben hooren zingen. Of moeten we zeggen: brullen?...
Tot laat in den avond en den nacht werd de overwinning gevierd, met erbij de dure eed van niet te versagen of te begeven!
* * *
Den Woensdag erop werd ik naar het Sportkomiteit geroepen te Brussel, om ondervraagd te worden en uitleg te geven, over de storende gebeurtenissen, en het beschamend feit dat de Brabançonne uitgefloten werd.
- Wat het uitfluiten van het nationale volkslied aan-
gaat, daarvoor heb ik me niet te verantwoorden. Ge kunt eerder onderzoeken of ge soms zelf die betooging niet hebt uitgelokt, door zoo onhandig en tergend op te treden, met het verbod tegen het spelen van een lied, dat er uit louter gewoonte en zonder de minste nevenbedoelingen, wordt ten aanhoore gebracht.
- Voor de betooging tegen de Brabançonne heb ik me niet te verantwoorden, maar voor wat het zingen van den Vlaamschen Leeuw aangaat, ik ben zoo fier als gelukkig hier openlijk te verklaren, dat het heele betoog van mij is uitgegaan. Ik verklaar me dus alleen en algeheel verantwoordelijk.
Die verklaring viel als een bom! En 'k las terzelvertijde verontweerdiging en verstomming in de oogen, ter wille van zooveel uitdagende vrankheid.
- Niet verder meer zoeken, Mijne heeren, ik ben de plichtige, en 'k daag u uit van aan 't Kampioenschap en zijn geplogenheden te roeren; want ge moogt het weten: dan herbegin ik met nog meer geweld en nog meer volk!
- Ik kon gaan... zei men op den duur.
* * *
Ende het dingen werd in den doofpot gestompt. Wel beproefde men van hoogerhand den naam te veranderen in ‘Kampioenschap van West-Vlaanderen’ maar wij, ‘Sportwereld’, gingen voort met den naam waarmede de koers werd gedoopt in 1908, toen Robert Wancour voor de eerste maal dat Kampioenschap won.
Vanaf dien eersten dag stonden we naast Georges Devriese, den inrichter, om aan zijn koers te helpen werken, en onze wederzijdsche vriendschap en samenhoorigheid op dat gebied, hebben nooit afgenomen.
Later is Georges andere wegen opgegaan, en Raf Dejonghe werd zijn opvolger, en de bezieler van dat kampioenschap, dat middelerwijl was uitgegroeid tot een sterke sportgebeurtenis in Vlaanderen.
In die lastige dagen van strijd tegen een Brusselsche overmacht, die over 't recht van den sterkste beschikte, hebben we in Raf Dejonghe altijd een onverzettelijken en nooit versagenden medewerker gevonden, die zich wilde achteruit trekken, als zijn persoon mocht hinderend zijn, maar het bij zijn Vlaamsche grondbeginselen hield en overtuiging, en daarvan geen duimbreed afweek.
De B.W.B. kwam ten andere tot het wijselijk besluit, van zich met die ‘Leeuw’ van Koolskamp niet meer in te laten, omdat er 't jaar daarop bewezen werd, door een duizendkoppige massa van toeschouwers, ‘dat hij niet te temmen was’.
- Raf, jongen, ik heb er nu en dan algelijk nog deugd van, als ik me die roerige en rumoerige dagen herinner van Koolskamp's strijd om ‘zijn’ kampioenschap.
Nog niet lang geleden - 't was in 't begin van 1942 - zijn menschen opgestaan in de Wielerbeweging, die meenden van zich het monopolie van Vlaamsch rechtsherstel te mogen toeëigenen. Maar tegen die menschen kunnen wij zeggen:
- Misschien weet ge 't niet, dat wij al naar het verfranschte Brussel trokken om voor ons recht op te komen, toen gij nog in de wieg laagt.
- En in dien tijd?... Was er meer moed noodig dan nu, om in die burcht van Vlaamschhaterij te gaan zeggen: handen af van dien Leeuw, of hij zal klauwen!
Dat zij dien lastigen en pijnlijken strijd voor Vlaamsche herwording dier eerste dagen niet hebben gekend, nemen we niet eens kwalijk. Maar dat we bij die ongelijke kamp nooit hebben versaagd, daarop zijn we des te fierder. Lijk we fier zijn op het werk van Vlaamschen strijd die we in ‘Sportwereld’ hebben gevoerd, van af de eerste dagen; fier ook op onze Ronde van Vlaanderen en het Kampioenschap van Koolskamp.
Want in die drie dingen ligt er 'n stukje van onze eigen ziel!