Het is in 1919 dat we weer van wal staken, met een ‘Sportwereld’ van schaarsch twee bladzijdekens, die alles behalve grootsch en uitdagend aandeden!
Wat het zou zijn?... vroegen de uitgevers. En 't verliep beter dan we dierven veronderstellen, want reeds in April konden we uitpakken met onze Ronde van Vlaanderen, die gewonnen werd door Henri Van Lerberghe, een jonge renner, die zich veropenbaarde tijdens de laatste maanden, die den wereldoorlog van 1914 voorafgingen.
We weten het nog gebeuren.
Rieten liep een Zes Uren koers mee in den Wintervelodrom van Brussel, waar hij meer gelost en gedubbeld werd dan het hem beliefde, en Mac Bolle die hem 'n goê bolwassching gaf:
- Als ge maar dàt kunt, zoudt ge beter thuis blijven, en je rijwiel op zolder steken om een ander beroep aan te gaan!
Ging Rieten regelrecht naar 't hert, en hij zwoer van zich te wreken. Hij oefende zich voor de Ronde: in 't stille, maar des te neerstiger en standvastig.
De dag kwam. En niemand die van Van Lerberghe sprak. Hij hield zich redelijk koes tot aan den Kwaremont. Marcel Buysse kwam bandongeval te hebben, en andere favoris, die ook achter waren. Aan den voet van den berg zette Rieten zich aan de leiding. De gelosten verachterden, en de groep werd uiteen gerukt, zoodat Van Lerberghe eerst boven kwam, met ongeveer 300 meter voorsprong op Albert Dejonghe, Wiersma en Aloïs Verstraeten, drie der beste baanrijders uit die dagen, die natuurlijk met saamgepakte krachten de achtervolging tegen Rieten aangingen, Maar hoe zij zich ook inspanden, 't zou niet baten, want Van Lerberghe kwam toe in den velodrom van Gent-
brugge, bij bestuurder Albert Carlier, met 15 minuten voorsprong op den volgenden groep.
Bij den ingang stapte hij af, om even een praatje te slaan met de toeschouwers, en Berten, die in allerhaaste kwam aangedraafd om te zeggen:
- Gij hebt nog niet gedaan, nog ééne ronde!...
- Waarom al die haast? vroeg Rieten heel bedaard, ik ben een halven dag voren!
Zóó was hij! Macht zonder einde. Die 240 Km. waarvan hij er 120 alleen kwam af te trappen, tegen een rekordtempo, die hadden niet de minste pak op zijn sterk gestel, noch op zijn gemoed. Hij stapte van zijn rijwiel om even een ‘koetertje’ te slaan, juist alsof er niets gebeurd ware en hij op oefening was!
Een eiken boom uit de veie grond van Vlaanderen! Van Lerberghe miste slechts een weinig snelheid in den sprint, om een groot kampioen te wezen. Hier even een opmerking: als beginneling was hij onklopbaar in den sprint. Maar eenmaal beroepsrenner geworden, scheen het of hij bij den overgang van ‘zijn jump’ ingeboet had.
Maar 't is eender: Rieten is een der meest typieke renners geweest, van den groep Flandriens, en deed zoo heel dikwijls denken aan den Jan Breydel van Conscience, lijk Pier Van de Velde en Aloïs Persijn meer herinnerden aan Pieter de Coninck.
* * *
In 1919 werd ‘de Omloop van de Slagvelden’ betwist, een der meest opspraak verwekkende wedstrijden van alle tijden. Die omloop dwarste of doorkruiste de slagvelden van Frankrijk en België in alle richtingen. Op vele plaatsen moest men door geulen of sloten, of door overblijfselen van granaatputten en opgevulde loopgrachten.
In Straatsburg-Brussel lagen Van Hevel, Van Lerberghe en Baziel Mathijs aan de leiding, met 16 minuten voor-
sprong; vergisten zich van weg en verloren dien rit tegen Oscar Egg, met 11 minuten achterstel.
Van waar de wegvergissing?... Deels omdat regen en wind de wegwijzers hadden afgerukt, en ook wel, omdat er geen levende ziel op de straat te zien was, uit hoofde van het onweder en de bijtende koude.
En die Brussel-Amiens?... Ik kan honderd jaar oud worden, en nog vergeet ik dat stuk weg niet, tusschen Diksmuide en Rijsel, waarvan we schreven:
- Het regent slagwater. De wegen zijn doorweekt. Albert Dejonghe aan de leiding. Hij voert een geweldig tempo. Kwestie van zich te verwarmen. De tegenstrevers volgen in 'n lange reke. 't Slijk en 't water spettert hen tot boven 't hoofd. Ze hebben het koud. Ze bibberen. Ze zijn moedeloos. Maar ze rijden voort, strak voor zich uitkijkende, lijk menschen die geen uitkomst weten of zien.
- 'k Zie ze nog toekomen, even voorbij Rijsel, een voor een: De Ruyter, Verstraeten, Anseeuw, Van Lerberghe, Duboc, Chassot, Dejonghe, Van de Velde, Lucien Buysse en zooveel anderen. En 'k sprak hen woorden van aanmoediging toe. Want 'k zou huiswaarts keeren. Zij moesten voort: voort door die regen, die modder, dat slijk, die geulen en die goten.
- 't Begon te donkeren. Geen mensch op de straat. Geen huizen om onderkomen te zoeken. Niets dan houten barakken met Anemieten en andere kleurlingen uit de Fransche koloniën, die hier aan 't werk waren voor den heropbouw.
- Op de Kruisstraten moesten de renners op de palen kruipen, om de opschriften te lezen en te vernemen waarheen ze moesten: rechts of links! Het was verschrikkelijk, en toen we huiswaarts keerden, met den wind die voort huilde en de regen die pletste, toen herhaalden we 't gedurig bij ons eigen:
- Neen, 't is niet meer menschelijk!
* * *
's Anderendaags morgens van dien dag, kwam de eerste renner te Amiens: Karel de Ruyter!
Het is nooit goed uitgemaakt geworden, hoe en op welke manier hij Amiens bereikte. Voor de inrichters was het 'n katastroof. Want eerst in den loop van den dag, kwam er nu en dan 'n renner toe; men vroeg niet eens van waar en hoe. Men was te gelukkig omdat men renners zag. De inrichters waren bang van de waarheid te vernemen, die toch gekend was: 't meeste paart dat met den trein toegekomen was. En met het voornemen van niet meer te starten, ‘omdat het toch te veel was’.
Maar de inrichters die hen rangschikten, zonder verder uitleg te geven of te vragen, omdat' ze toch kost wat kost hun koers te redden hadden.
Naderhand, te zeggen na afloop, werd er wel een soort onderzoek ingesteld, maar 't was eerder voor den vorm, en om den indruk te wekken, dat men algelijk de sportieve gerechtigheid wilde dienen.
De waarheid is dat de inrichters van hun renners een inspanning hadden gevraagd, die met de sport niet genoeg gemeens had, en de menschelijke krachten te boven ging. Daarom ook dat de oogen gesloten werden voor heel wat onregelmatigheden, en dat men aan een overwinnaar gerocht, van wien men niet met zekerheid kon zeggen, of hij heel den afstand met de fiets had afgelegd.
Maar bij abnormale toestanden passen abnormale maatregelen!