terug  begin  verderprepost
[p. 179]

Een tweestrijd Henri Pélissier - Mottiat in Parijs-Brussel

Wanneer een renner voorbij zijn huis of dorp komt, dan kent hij zijn plicht. Hij zal zich aan de leiding zetten om aan familieleden, vrienden en supporters te toonen ‘dat ze op hem kunnen rekenen’.

Zoo had Berten Dejonghe gedaan, in de Ronde van Vlaanderen van 1920, bij de doortocht van Oostende, en zoo deed Jules Van Hevel toen hij voorbij zijn huis reed.

Aan den voet van den Ichtegemberg zette hij zich op kop, en tegen meer dan 35 per uur vloog hij naar boven, zoodat hij van de dichte groep een lange keten had gemaakt. Berten Dejonghe en Fons van Hecke, waren de eenige die bij hem gebleven waren.

Berten keek even om, en zag het: dat er 10 meter afstand lag, tusschen hen en den uitgerokken groep, en met den slag was zijn besluit genomen:

- Overhand kop. Wilt ge?

't Is Dejonghe die 't vraagt aan Van Hecke en Van Hevel, en dat beteekent: de anderen zijn los, willen we onze kans op winnen wagen?

Er kwam geen antwoord, of beter, zonder te spreken, had Van Hevel reeds de leiding overgenomen, en in gestrekten vlucht ging het naar Torhout.

- Of het niet te vroeg was?...

We vroegen 't ons af. Masselis, Van Lerberghe, Masson en Mottiat eveneens, die wel een tegenaanval inzetten, maar niet met de volle macht, want...

- Dat houden ze toch niet uit!

Zoo meenden zij. Zoo dachten wij. Maar 't viel anders uit, want het trio stormde voorwaarts tegen 40 per uur, wat enorm was voor die tijden, en met die logge rijwielen.

Te Torhout hadden ze 400 meter voorsprong. Te Roe-

[p. 180]

selare 1 minuut en gaandeweg verhoogden zij het verschil in afstand, zoodat ze te Gentbrugge toekwamen, met 11 minuten voren op de Waalsche tandem Masson-Mottiat.

Met die overwinning in de Ronde van Vlaanderen, hechtte Jules Van Hevel de eerste perel aan de kroon zijner loopbaan, die zoo rijk zou worden aan heerlijke uitslagen.

 

* * *

 

Acht dagen nadien werd Milaan - San Remo gewonnen door Belloni, met 10 cm. voorsprong op Henri Pélissier, en 20 cm. op Girardengo, en daarmede was een tweestrijd ingezet tusschen Pélissier en Girardengo, die jaren lang zou duren. Op een gegeven oogenblik werd de heele wereld, die aan wielersport deed, er door beroerd. Polemieken in de dagbladen. Handtastelijkheden tusschen de wederzijdsche supporters en partijgangers. Uitdagingen met een inzet van 100.000 franken - het bleef gelukkig bij de uitdaging en zonder de 100.000 franken. Inmenging van de rijwielfabrikanten, en een geweldige naijver tusschen de renners zelf, zoodat de gemoederen op kookpunt gerochten.

Het is in het teeken van dezen tweestrijd dat ParijsRobaais van dat jaar kwam te staan.

- Geeft gij ons Pélissier voor Milaan-San Remo, en wij geven u Girardengo voor Parijs-Robaais.

Aldus de Italiaansche inrichters tegen Desgrange. De dagbladen deden 't eene, de supporters 't andere, en zoo kwam het dat men aan de meening gerocht:

- De overwinnaar van Parijs-Robaais?... 't Zal Henri Pélissier zijn, of Girardengo. Een van de twee, omdat ze een pleit te beslechten hebben, waarbij het gaat om ‘wie van de twee is de beste?’

Maar men rekende zonder den waard, want 't is de Belg Pol Deman die met de zege ging loopen. Lijk het 'n andere waarheid is dat Lucien Buysse er de schoonste koers van zijn leven reed.

[p. 181]

Belloni werd uitgeschakeld in den beginne van den koers, door ketenbreuk. Bij de beklimming van Doullensberg, kwam het tot de eerste rechtstreeksche en ernstige botsing tusschen Girardengo en Henri Pélissier. Daar waren nog een twintigtal renners bijeen. Halfwege den berg demareert Girardengo. Alleen Pélissier kon zijn wiel houden, maar niet ‘zonder er alles te hebben uitgehaald’. Ze gerochten samen boven, maar de sterkste indruk kwam toch van Girardengo.

Azzini, de ‘knecht’ van Gira, volgde op 12 sekonden en van Hevel op 22. En wij die het onder mekaar zegden: die is in staat om zoowel Girardengo als Henri Pélissier te kloppen.

Jules Van Hevel leed bandbreuk te Lens. Girardengo brak zijn rijwiel te Vimy, en Henri Pélissier moest van band veranderen aan Km. 248. Er moet bij gevoegd, dat hij te voren reeds moeite had om te weerstaan, aan de verwoede uitvallen van Lucien Buysse, die op een gegeven oogenblik, op enkele Klm. van de aankomst, alleen aan de leiding lag. Dan liep zijn keten af. Ge moet weten het regende dat het goot, en 't slijk op de tandwielen dat oorzaak was, dat de ketens gedurig afliepen. Niet van Buysse alleen, ook van Christophe en Pol Deman, die om de beurt aan de leiding kwamen, tijdens de laatste 10 Klm. en ook om de beurt moesten afstappen om die keten weer op te leggen.

Deman werd overwinnaar. Christophe 2e, Buysse 3e, Van Hevel 5e en Henri Pélissier 6e.

Maar daarmee was het geding Pélissier-Girardengo niet opgelost, en de tweestrijd zou voortgaan.

 

* * *

 

Van Parijs-Brussel hebben we een levendigen indruk bewaard, terwille van den ongenadigen tweestrijd tusschen

[p. 182]

Mottiat en Vermandel eenerzijds, en Mottiat tegen Henri Pélissier, tijdens de laatste 20 Klm. Is iets, dat ons bij zal blijven, zoolang of we leven.

We waren gekomen in de omgeving van Waver. Henri Pélissier demareert uit volle macht. Mottiat zet, na een korte aarzeling, de achtervolging in. Alleen Vermandel kan zijn wiel houden. Deze is een jonge beroepsrenner, die een maand te voren in de Ronde van België bewezen had, dat er van hem heel wat te verwachten was. Hij had echter ook den naam - en terecht - van niet genoeg ‘vechter’ te zijn, niet genoeg zijn streng te trekken, en het gemakkelijk op te nemen in de koersen, aan de wielen van deze die voor hem den weg baanden naar de zege. Want in den sprint was hij moeilijk te verslaan. Bewees hij ten andere in de Ronde van Vlaanderen van 't jaar nadien, waar hij den rappen Jules Van Hevel verwon.

Mottiat dus zet Henri Pélissier na, bij de bestijging van den berg voorbij Waver; René Vermandel aan 't wiel. Mottiat vroeg dezes hulp. In andere woorden: als hij een stuk weg aan de leiding ging, vroeg hij aan Vermandel van even zooveel te doen. Deze weigerde, onder voorwendsel dat hij niet kon. Wat ten andere waar bleek te zijn. Want omdat hij weigerde, demareerde Mottiat met de razernij van den verbetene, en na dit twee of driemaal herhaald te hebben, gaf Vermandel zich eindelijk over. Bemerk wel dat we intusschen gekomen waren tot op 15 Km. der aankomst, en Henri Pélissier had nog altijd iets van 300 meter voorsprong. Maar Mottiat die niet versaagde. Wij zien hem nog altijd rijden: hij op den steenweg, Pélissier op het voetpad. Meter voor meter haalde de Belg in. Nu en dan zien we Pélissier omkijken, lijk iemand die 't gevaar der nederlaag voelt komen, en het afweren wil. Even voorbij Onze Lieve Vrouw ten Bosch, geraakt Mottiat ter hoogte van Pélissier. Deze snapt het gevaar en wipt van het voetpad op den steenweg, om aan 't wiel van den Waal te gaan

[p. 183]

hangen. Nog 10 Klm. van de aankomst. Mottiat gaat te werk lijk een bezetene. Hij demareert slag op slag en almeteens gebeurt het fatale: ook Pélissier begeeft!

Te voren kromde hij zich dubbel toe, om toch maar de prooi niet te moeten loslaten. Want hij wist en hij voelde het: loslaten beteekende verloren zijn! Hij streed wanhopig. Maar 't mocht niet baten. Hij begaf. Hij was los. Wij volgden Mottiat, zonder ons nog om Pélissier te bekommeren. Omdat we ervan overtuigd waren dat het met deze uit en gedaan was. De wintervelodrom van Brussel lag immers reeds in 't zicht. Even omgekeken om te zien dat Pélissier een klein fleschje haalde, uit een zak zijner trui om het in één teug te ledigen. Dan weer vooruit bij Mottiat.

Nog 5 Km.! 4!... Zouden we ons vooruit spoeden om de triomfantelijke intrede bij te wonen?... Even nagedacht. Op 't eigenste oogenblik hoorden we gedurig trompen achter ons. Wat het wel mocht zijn?... 't Was de wagen der rijwielfabriek van Pélissier, die doortocht vroeg. Doortocht? Voor wie?... Even gekeken en de Franschman die maar 50 meter achterstel meer had op Mottiat. Na het drinken van zijn fleschje dus, was hij weer bekomen, en haalde meter voor meter weer in. Wij wachtten. Want die ontknooping van het geweldige sportdrama wilden we zien van dichtbij.

Pélissier bekeken. Zijn wezen geleek dat van iemand die stuiptrekkingen heeft. De oogen glariëden in den kop. Om den mond een bittere, uitdagende trek. Men zag het: hij beet zich het bloed uit de lippen! Hij was leelijk in zijn ongenadige nijdigheid. Leelijk en schoon terzelvertijde: schoon van verbeten woede en strijdlust!

Nog 3 Kmn. en Pélissier kwam ter hoogte van Mottiat, die hem aankeek met oogen waaruit een vervaarlijke wraaklust puilde.

- En toch moet ge er aan!...

[p. 184]

Dat lazen we in Mottiat's kijkers. Hij demareerde opnieuw, en nog, tot dat ze aan de poort van den velodrom gekomen waren. Pélissier lag aan de leiding op een halve ronde van 't einde. Mottiat kwam er naast. Maar gerocht er niet over. Dan haalde hij er een gebaar bij, waarvan hij later spijt heeft gehad: hij trok Pélissier bij den trui naar achter, en kwam eerste over de meet!

Ik zeg niet zegevierend, wel eerste. Want de aankomstrechter besliste onmiddellijk, van Mottiat te deklasseeren ten bate van Pélissier, die overwinnaar werd uitgeroepen van dien dramatischen Parijs-Brussel.

Mottiat is de eerste geweest om naderhand zijn ongelijk te bekennen, en aan Pélissier zijn verontschuldigingen aan te bieden.

- 't Gebeurde onder den invloed van den strijdlust, en de begeerte om te winnen, die sterker was dan het beter weten dat men algelijk eerlijk en ridderlijk moet zijn!

En zoo eindigde deze heerlijke Parijs-Brussel.

prepostterug  begin  verder