Op het einde van 1923 bereikte de tweestrijd Henri Pélissier-Girardengo zijn hoogtepunt. Een Fransch sportblad had namelijk de vraag gesteld aan zijne lezers:
- Wie van de twee is de beste, Pélissier of Girardengo?
Meer dan 11.000 antwoorden liepen binnen, waarvan 9.000 voor Pélissier, wat niet eens te verwonderen is, als men rekening houdt met het Fransch fanatisme, en slechts 2.000 voor den Italiaan.
Dat verwekte natuurlijk meer dan ijverzucht in Italië, ook wel wrokkigheid. De dagbladen bemoeiden er zich mee, en eindelijk na zooveel dagen moeizame en langdradige onderhandelingen, en mitsgaders groote toegevingen op geldelijk gebied, kwam het bestuur van den Parijzer wintervelodrom er toe, de lang verbeide en nog langer te voren aangekondigde match op touw te zetten, in den vorm van omnium op Kerstdag van 1923.
Die match werd druk besproken, in de bladen van alle kleur en kaliber in Frankrijk, en als de dag kwam van te pronostikeeren, dan helden 90 % der Fransche sportkronijkers over naar een zege van Pélissier. Waartegen we zelf hebben gewaarschuwd met de volgende bewoordingen:
- We weten dat ge naar de overwinning van Pélissier smacht, lijk verloofden naar den dag van hun huwelijk, maar 't is altijd gevaarlijk van een pronostiek te grondvesten op gevoelens en begeerten, vooral als deze gemaakt zijn van fanatisme! Mijn persoonlijk oordeel is, dat Girardengo niet te verslaan is, omdat hij meer lichamelijke eigenschappen heeft, die bij het pistewerk passen, dan Pélissier. Hij heeft een leniger tert en wat meer snelheid bij den sprint.
Pélissier werd dien dag meer dan verslagen: effenaf verpletterd in de drie reeksen! Nooit kwam een koeler bad
over de koppen der toeschouwers, dan op dien namiddag in den wintervelodrom van Parijs. En de sportkronijkers?... In plaats van eenvoudig en groothertig het meesterschap van Girardengo te belijden, werden er zijsprongen gemaakt om tot de slotsom te komen:
- Girardengo is inderdaad de ‘meester’ op de piste, maar in de wegwedstrijden?... Is Pélissier de baas! Want er is geen enkele renner ter wereld, die kan bogen op een eerelijst lijk hij.
- Dat Girardengo eerst de Ronde van Frankrijk en Bordeaux-Parijs kome winnen en dan zullen we zijn meesterschap erkennen!
Aldus de Fransche konfraters, die er vergaten bij te voegen: dat Girardengo al zooveel keeren de Ronde van Italië won, en nooit te voren aan Bordeaux-Parijs deelnam.
Een paar jaar later waagde hij het weliswaar in Desgrange's Ronde te starten, maar 't verging hem niet te best. Daar vertellen we meer van, als we dat kapitel onder handen zullen nemen.
Intusschen houden we het bij die nederlaag, die haast een nationale rouw meebracht, juist omdat Frankrijk te hoog opliep met zijn Henri Pélissier. Of hij dan werkelijk zulk een groot kampioen was? Zeker! Een der grootste van alle tijden, vermits hij naast de lichamelijke eigenschappen, bovendien een zeer klaren kijk had op de dingen en tegenstrevers. Rap met de beenen, maar nog vlugger van geest. Zeer strijdlustig en impulsief van karakter. Altijd slagveerdig en vooral altijd gereed, om uit de omstandigheden en toestanden het nut te halen dat er bij lag. Niet gemakkelijk in zijn omgang, juist omdat hij zoo driftig was als impulsief. Als mensch heeft het hem veel onaangenaamheden berokkend, zelfs kostte 't hém een voorbarigen dood. Maar als renner haalde hij zooveel of mogelijk nut uit die vecht- en slagveerdigheid.
Dat hij een ‘lastige kliënt’ was, leerde Baugé, destijds sportbestuurder van ‘La Sportive’, eene vereeniging van Fransche construkteurs. Op een dag kwam het tot de zooveelste botsing van gedachten, tusschen de gebroeders Pélissier en Baugé, en tenslotte tot een scheiding; de twee renners met hun jongeren broeder Charles, die ‘overgingen’ naar J.B. Louvet, die niet bij ‘La Sportive’ aangesloten was. Van af dat oogenblik kwam het tusschen de Pélissiers en de renners van ‘La Sportive’, tot geweldige botsingen, en alhoewel in de minderheid voor wat het getal betreft, bleven de Pélissier's dikwijls de meerderen op het ‘slagveld’.
Het duurde echter ook niet te lang bij J.B. Louvet. De zeer bevoegde Pierrard was sportbestuurder geworden, bij het jonge, maar sterk opkomende merk ‘Automoto’. dat zich van ‘La Sportive’ Wou afscheiden, om zijn eigen koerszaken te beredderen. Pierrard, die vernomen had, dat het niet meer vlotte met de Pélissier's bij Maisonnas, droomde van een ploeg renners met de drie gebroeders Pélissier aan de leiding. Deze laatste vroegen niet beter en weldra werd het kond gedaan:
- Automoto trekt zich terug uit ‘La Sportive’, en zal met een eigen ploeg renners aan de komende baankoersen deelnemen, met Henri Pélissier als ‘chef’ van de groep.
Alcyon volgde het voorbeeld van Automoto, La Française eveneens, terwijl Baugé overging als Sportbestuurder bij Peugeot.
En zoo kwamen, precies lijk vóór den oorlog, alle Fransche rijwielfabrieken weer tegenover mekaar te staan in de koersen, met hun wederzijdsche ploegen, tot meerder genoegen van Henri Desgranges, de groote inrichter van Parijs-Robaais, Bordeaux-Parijs, Parijs-Tours, Parijs-Brussel en de Ronde van Frankrijk.
Om nu tot Henri Pélissier terug te komen, en de overwinning in de ronde van Frankrijk, waarmee de Fransche
sportkronijkers zoo hoog opliepen, bij hun ‘debat’ tegen Girardengo, ik meen hier even een woordje van toelichting te moeten bijbrengen.
Dat Henri Pélissier de Ronde van Frankrijk van 1923 gewonnen heeft, kan hij in de eerste mate schrijven, op de rekening van zijn uitzonderlijk athletiek vermogen. Want wij herhalen het: hij was een groot, zeer groot kampioen. Maar die Ronde? Heeft hij ook voor een ander deel te danken, aan de hulp van Bottechia en Lucien Buysse, lijk we later zullen zien. Want Pierrard wilde kost wat kost voor zijn ‘heroptreden’ een overwinning, die populair zou zijn, en van sedert Faber, had nooit meer een renner in zulke hooge mate de volksgunst verworven, als Henri Pélissier in Frankrijk. Wat uit te leggen is door het feit dat, buiten de Pélissier's, Frankrijk geen groote renners meer had. Hier en daar een Bellenger, een Jacquinot, een Lacquehaye of Brunier, maar 't bleef over 't algemeen bij een hoop die geen waar- of werkelijkheid werd. Daarom dat de Fransche sportmassa ziich halsstarrg vast bleef klampen, aan de Pélissier's, bij gebreke aan andere of betere kampioenen.
En vandaar ook de fijne zet van Pierrard, die wel wist dat een overwinning voor zijn merk met Henri Pélissier, veel meer zou bijbrengen dan deze van Bottechia of Lucien Buysse. Daarom ook dat deze twee renners in den dienst moesten gaan staan, binst die ronde, van Henri Pélissier, die ten andere goed reed.
* * *
Na dit woordje uitleg komen we terug tot den tweestrijd, tusschen den Franschman en den Italiaan.
- De Franschen schrijven dat ge betere pisterenner zijt, maar het op de baan niet halen kunt tegen Pélissier. Welnu, ge zult bewijzen dat het tegenovergestelde waar is.
Aldus de Italiaansche leiders tegen Girardengo. En met het oog op Parijs-Robaais van 1924, werd een flinke ploeg
uitgerust, om aan dezen wedstrijd deel te nemen met Girardengo, Belloni en Linari als leiders, en enkele helpers om bij te springen in geval van nood.
Maar 't verliep weeral verkeerd met de Italianen. Belloni deed een val in 't begin van die koers, en bezeerde zich dusdanig dat hij wat verder opgeven moest. Linari had bandbreuk. Ook in 't begin. Vervoegde de groep na een zeer geweldige inspanning, waarvan hij de weerbots onderging, voorbij den berg van Doullens, waar Jules Van Hevel, Henri Suter en Masson tot het offensief overgingen. 't Is tijdens deze aanval dat Girardengo bandbreuk leed. We stopten om te zien en te vernemen, hoe hij zich uit den slag zou trekken. Hij herstelde en verloor ongeveer twee minuten. Dan begon hij aan de achtervolging. De groep, die te Doullens nog 50 koppen sterk was, werd een lange reke. Girardengo die een voor een die gelosten bijhaalde of overstak. Hier en daar een die zijn wiel zocht te houden, om weer bijgetrokken te worden. De wind blies van uit tegenovergestelde richting. En 't was bitter koud. En toch hield Girardengo er een tempo in, van boven de 30 per uur. Hij geleek een bloc-trein, die de omnibussen zijner geloste tegenstrevers voorbijvloog. We zagen hem zienderoogen naderen op den hoofdgroep, die nochtans alle zeilen bijzette, vermits ze wisten een ‘lastigen kliënt’ op de hielen te hebben. De Fransche sportkronijkers en sportbestuurders, gingen hun renners aanmoedigen en opjagen met de vermaning:
- Als ge niet rapper door drijft, dan komt Girardengo terug bij. Want hij nadert geweldig.
En inderdaad, te Arras is hij zoo dicht bijgekomen dat iedereen het voorspelde: nog enkele Km. en Girardengo zal zijn onbetwistbaar meesterschap bewezen hebben.
Zoo leerden de ketters, die dolen. Want te Arras gekomen, vinden we ongeveer 40 renners die opgeven terwille van den wind, die van langs om nijdiger geworden was, en de koude, die zoo bitter beet.
Girardengo komt in de kontrool. Zegt niets, maar voegt zich heel koelbloedig bij de bende, die statiewaarts gaat om den trein naar Robaais te nemen.
Onnoodig te zeggen dat de Italiaansche volgers hem te lijve willen, en bezweren van voort te doen, maar...
- Ik kan niet meer, ik ben letterlijk bevrozen!
Was 't eenige antwoord dat hij gaf.
En daarmee eindigde de zooveelste match op den weg tusschen Pélissier en Girardengo, die altijd spaak liep tengevolge van band- of andere breuken, zoodat het feitelijk nooit kon uitgemaakt, wie van de twee de beste was op de baan. Tenware de Groote Wolberprijs van 1924 kon gelden als maatstaf?... Want dat is feitelijk de eenige koers waarin de twee tegenover elkaar staande kampioenen, hun kans op winnen met gelijke middelen konden betwisten, te zeggen zonder band- of andere breuken, al moet het toegegeven dat Pélissier het voordeel had van in eigen land, voor eigen volk en in een gunstiger 'atmosfeer te rijden. Girardengo bleef de overwinnaar in den sprint, tegen Henri Pélissier. 't Verschil was niet groot. Maar verschil was er, en in 't voordeel van den Italiaan.
Wij gebruiken deze uitslag niet om een uitspraak te doen ten bate van Girardengo. Henri Pélissier is een te groot kampioen geweest, zoo van athletisch als van verstandelijk standpunt beschouwd, om hem onder Girardengo te willen plaatsen. Maar toch?... De Italiaan, die bewezen heeft dat hij de betere was op piste: een ietske vlugger van tert. En de eenige keer dat hij het tegen Pélissier kon opnemen in den sprint, in den Wolberprijs waarvan hierboven spraak, bleef hij den overwinnaar. Verder willen we het problema niet uitdiepen. We houden het bij deze enkele vaststelling om tot de slotsom te komen: dat Henri Pélissier en Girardengo twee renners waren, lijk Lapize vóór den oorlog en Jules Van Hevel of Ronsse nadien bewezen te zijn: zeer groote en uitzonderlijke kampioenen,