In hoever Van Hevel aan Girardengo kon gemeten? Ja, dat hangt af van het standpunt dat men inneemt. Op piste was eerstgenoemde minstens zoo goed als de Italiaan. In koersen lijk Parijs-Robaais of Wolberprijs bijvoorbeeld, zou ik nooit geaarzeld hebben, Van Hevel een lichte voorkeur te geven. Maar daartegenover kan Girardengo stellen, zijn zooveel overwinningen in de Ronde van Italiën Milaan-San Remo, vooral in eerstvermelde koers, waardoor hij. bewees van een zeer volledig en ‘allround’ baanrenner te wezen.
Maar vermits we Jules Van Hevel vast hebben, en van het jaar 1924 sprekende zijn, zullen we trachten aan de hand van voorbeelden en uitslagen te bewijzen, dat hij zeer gemakkelijk het vergelijk met Girardengo kon ondergaan.
Eerst en vooral won hij met klank Parijs-Robaais, en in den sprint tegen een groep van 29 tegenstrevers, waaronder de rapste van die tijden als daar waren: Ville, Henri Pélissier, Henri Suter, Jacquinot, Frantz, Gerard De Baets, Bellenger en meer anderen.
Verder behaalde hij nog eene schitterende overwinning in den Omloop van Parijs, en als hij Parijs-Tours verloor tegen Mottiat, dan is 't omdat hij verwaarloosde, van in de laatste bevoorradingskontrool zijn eetzak te nemen. En waarom?... Omdat hij Matton, Berten Dejonghe, Mottiat, Brunier, Tiberghien en Frans Pélissier dievelinge ziet wegvluchten, en hij vreest dat het hier een te voren opgezet plan geldt. Zoodat hij de wegloopers achterna zet, zonder er den tijd af te doen om zijn eetzak te nemen. Met het gevolg dat hij begeeft. Op den berg van Chinon, te zeggen 30 Km. van de aankomst, gaat Mottiat ten aanval over. Brunier en Tiberghien lossen eerst. Dan Frans Pélissier, zoodat tenslotte Mottiat en Van Hevel alleen overblijven.
Halfwege den berg voelt Van Hevel zich begeven, terwille van den honger, en hij beeft niets meer te eten. Hij lost, verliest 500 meter, maar komt terug bij. Een tweede berg, en hij is los voor goed. Hij is ontmoedigd, ontredderd en geeft op.
Die koers wordt op schitterende wijze gewonnen door Mottiat.
Maar we komen op Van Hevel terug, nadat ge vernomen hebt op welke manier hij Parijs-Tours verloor, lijk hij ook bandbreuk leed in de Ronde van Vlaanderen, op 't oogenblik dat hij nog van de hoofdgroep deel miek. We gaan met hem mee naar 't kriterium der kampioenen, dat hij voor de tweede maal zal betwisten, in het park van Longchamps te Parijs, en voor de tweede maal ook winnen lijk hij wilde.
Mag ik even voorlezen wat we schreven in verband met die koers, en die overwinning in ‘Sportwereld’ van 23 September 1924?
- Op het oogenblik dat ik deze regelen schrijf, is het juist 24 uren geleden dat Jules Van Hevel voor de tweede maal zijn naam zette, op die glorierijke lijst der overwinnaars, van het kampioenschap der kampioenen.
Die overwinning en die koers, al dat volk, die ontelbare massa rondom dat prachtig park, dat tezelvertijde grootsch is en lief, die tientallen van gangmakers en rijders, die in geweldige vlucht ronddraaien, dat alles komt me voor als 'n schoone droom, als iets dat behoort tot het rijk der fantasie! 'k Heb er op staan kijken, op de koers, en hem gevolgd, aandachtig, voet voor voet; 'k lig met het verslag en de aanteekeningen voor me, en 'k heb al de moeite van de wereld, om het beeld van den koers in zijn geheel te herstellen.
Alles gaat zoo vlug en volgt zoo rap op mekaar, dat men zich met moeite terugvindt in dien warboel van gebeurtenissen, en klaarte krijgt in die bende van honderd
dertig rijders, die gedurig komen en gaan, kenteren en keeren.
Wie 't niet zag kan het zich niet inbeelden, hoe schoon die koers is, én als spektakel, én als daarstelling van sportkunde.
't Is spreekwoordelijk geworden dat er maar één Parijs is, en ik voeg er aan toe: er is maar een Kriterium en daar is maar één Parijs die 't geven kan - al 't andere is ‘erzats’.
Voor de tweede maal dus is Van Hevel de kampioen der kampioenen, en hij kan het evengoed nogmaals worden in 1925.
De visschen zijn gemaakt om te zwemmen, en bloedpeerden om te loopen. Welnu, Van Hevel is... neen, de vergelijking is niet goed. Laat ons de lokomotieven nemen: d'eene is voor d'express-treinen, d'andere voor goederenvervoer. Bij d'eene dus vluchten, bij d'andere trekken. En om een koers te winnen lijk in Longchamps, moet men de eigenschappen hebben der twee lokomotieven. En dat heeft Van Hevel bij uitmuntendheid. Hij is min vluchter dan Van Kempen, maar heeft meer macht. Hij is meer vluchter dan Pélissier, en beschikt terzelvertijde over meer geweld.
In andere woorden, hij heeft juist genoeg van de twee, om de perfectie te zijn in 't vak.
En wij, Vlamingen, die fier zijn op onzen kampioen, betreuren terzelvertijde dat Girardengo er niet bij was, al heb ik de persoonlijke overtuiging, dat ook de Italiaan van 't zelfde laken een broek zou krijgen.
* * *
Jules Van Hevel wisten we als renner beginnen. Maar dat begin was voor ons de zekerheid, dat er in hem een groot kampioen stak, omdat zijn optreden getuigde van ongemeene kunde.
Daarom ook dat we met den slag veel van hem zijn gaan houden. En als dan, in 1923, er tusschen ons en hem eene breuk kwam, met het gevolg dat onze betrekkingen ophielden van vriendschappelijk te zijn, op dien dag heb ik er veel, o, zooveel spijt van gehad. 'k Heb er om geleden, meer dan ik zeggen wilde en kon En 't is onder den indruk van dat spijtig scheiden, dat we schreven na afloop van dat kampioenschap der kampioenen in 1924:
- Jules, hoe gij en uwe vrienden dit schrijven zult opnemen, laat me redelijk onverschillig. Mitsgaders ik mijn geweten gerust stellen kan, laat me al 't andere koud. Menschen van wien ge gelooft en hoopt, dat het betere vrienden zullen worden dan ik het was, zijn er in geslaagd een wig, te wringen tusschen uwe vriendschap ten mijnen opzichte, en mijne genegenheid vooru. Het zij zoo. Is de eeuwige gang van dingen.
Maar toch zult ge naar me luisteren.
- Toen ik u Zaterdag triomfantelijk rond de piste zag zwieren, en elk van uw pedaalstooten een slag was op 't open wezen van 't Fransche sportvolk, dat gekomen was om Pélissier te zien winnen, toen heb ik het gevoeld, o! zoo tastbaar gevoeld, dat ik van buiten uit veranderd ben ten uwen opzichte, maar van binnen nog niet. Want m'n herte heb ik voelen kloppen: 't was van voldaanheid omdat ge zegevierdet, 't was van fierheid omdat ge nog altijd dezelfde groote renner, groote kampioen zijt!
- De mensch in u is veranderd, Jules, althans ten mijnen opzichte. Dat voel en dat zie ik. Ge zijt niet meer wat ge waart toen ge naast me stondt, in 1913 op de markt te Ichtegem na uwe eerste groote overwinning, en waar ik zegde: ‘Hier staat een kleine jongen die een groot kampioen zal worden’.
- Toen heb ik een traantje in je oog weten komen. 't Was van voldoening. 't Was van erkentelijkheid. Aan dat traantje had ik mijn eigen voldoening, en mijn eigen trots,
Daaraan had ik meer dan genoeg. Maar van sedertdien?... De evolutie deed haar werk. Roem en fortuin brengen andere gedachten, begeerten en gevoelens. Bij u brachten ze ook andere vrienden. Het zij zoo. Ik zal denkelijk min gaan houden van den mensch in u; Zal ten andere wederzijdsch zijn. Maar als renner blijft gij voor mij wat ge waart: een groot kampioen. Misschien de grootste van uw tijd!
- Gij vraagt niet naar deze belijdenis? Best mogelijk. Toch moet ze er uit. Voor mij is 't nood. Ik vraag er niets voor in vergelding. Ook geen erkentelijkheid. Want aan dingen die er maar bovenop liggen, heeft men niets. Die overwinning was 'n groote. Ze verdient een groot woord, uit een groot hert. Dat woord is er. En het kan er bij blijven.