terug  begin  verderprepost
[p. 222]

Masson tegen Frans Pélissier in Bordeaux - Parijs

Er zijn van die dingen die men zag in 't leven, en die een ‘altijddurend teeken in de ziele prenten’, lijk... lijk de doodzonde, naar we leerden.

En wat we gezien hebben in dien Bordeaux-Parijs van 1924, neen, dat vergeten we nooit meer!

Daags na dien eigensten Bordeaux-Parijs, de gangmakers ontmoet aan de statie te Parijs voor hun afreis, en zoo de een, zoo de ander, die het er uitsmeet:

- Vergeten we nooit meer in ons leven!

- 't Ging allemaal zoo danig rap en zoo geweldig, zei Cyriel Buysse, dat ik goed na te denken heb, en te peinzen, 'k weet niet eens meer wat ik al heb gezien en beleefde.

Voor mijn paart onthoud ik mijn leven lang dat stuk weg, dat ligt tusschen Chatellerault en St. Maure, zijnde 36 Km. in 49 minuten afgelegd.

Als ge wilt halen we aan wat we daags na den koers schreven in ‘Sportwereld’:

- Volg me een oogenblik met uw verbeelding en zet u nevens mij in den auto.

De gangmakers hebben post gevat in de kontrool van Chatellerault, twee per rijder. Ik spreek natuurlijk maar van de renners van ‘La Sportive’. Dus met den slag gaan er 12 rijders en 24 gangmakers aan den strijd.

Wij, dat zijn de auto's, staan te wachten, vijf kilometer buiten laatstgenoemde stad. We bevinden ons op 't einde eener rechte lijn, en zien de bende afgestormd komen vanuit de verte.

De aanblik is prachtig, en ieder van ons gevoelt in zich die nerveuse gewaarwording, die bange verwachting in iets dat komen moet!

Achter de bende is lijk een muur opgetrokken van stof,

[p. 223]

alsof er buiten dat niets meer bestond in de wereld. De 36 rijders stormen voorbij met ongeveer 20 auto's. Nu komen de 12 wagens der rijders onder stoom, die aan echte tanks gelijken, beladen met gangmakers, wielen, velo's, tuben, eten, drinken, en al wat er noodig is voor rijders en verzorgers. Nu eerst begint de eigenlijke slag, iets dat terzelvertijde gruwelijk is en schoon.

De eerste gangmakers moeten afgelost worden, door versche, en de afgeloste gangmakers moeten opgeladen worden, om later op hun beurt vooruitgebracht te worden, en weer in strijd te komen.

De gangmakers vooruit brengen? Maar hoe?

Vóór u rijden 30 tot 40 auto's en 30 tot 40 rijders, die een wolk van stof doen opwarrelen, waardoor ge geen 10 meter ver ziet!

Doch hier valt niet te aarzelen, niet te redeneeren, hoe, waar of wanneer: het moet!... en daarmee al! Het moet! Het gebeurt!

't Is niet te gelooven, 't is niet mogelijk, maar 't gaat! En zoo zien we nu uren en uren lang, dat wonderbaar en altijd nieuw spektakel van rijders, die demareeren, van auto's, echte tanks, opgepropt met menschen, die vooruitstormen met versche rijders, altijd maar gedurig halen en brengen, en herbeginnen, in die wolken van stof, die uw keel verschroeien, omdat er de zonne zit op te laaien en te branden.

En op en om dat alles hangt het één en eenig problema: wie? wie is er de sterkste? En al die hier bewegen en werkzaam zijn: rijders, verzorgers, gangmakers, bestuurders, fabrikanten, toeschouwers, alles en allen gaan op in dezelfde vraag, die zich herhaalt vanaf het ontstaan van de wereld en van de menschen: wie is er de sterkste? En ik denk op die zee van menschen die zich bevond te Orleans, te Tours, te Angerville, te Dourdan, en dan tusschen Versailles en Parijs ik denk op die onmetelijke som-

[p. 224]

men van geld, van energie en wilskracht die aangewend worden, om dat grootsch en eenig spektakel, en ik schreeuw het er uit: neen! dat vergeet men niet zoo gemakkelijk!

En dan die ongenadige strijd tusschen Frans Pélissier en Masson.

Hier een woordje uitleg.

Automoto zette drie renners in den strijd: Frans Pélissier, Oktaaf Bottechia en Lucien Buysse.

- Gij, zei sportbestuurder Pierrard tegen mij, zult het kommando voeren over de ‘groep Buysse’, ik neem voor mijn deel Pélissier en Bottechia. Want deze wil niet dat iemand anders het kommando neemt over zijn groep. Ge kent hem en weet hoe eigenzinnig hij is. Als ik hem onder dat oogpunt geen voldoening geef, dan zal hij met zijn gedacht niet rijden en is hij een verloren man eer hij uitzet.

‘Alcyon’ streed met Masson, Sellier, Mottiat en Frantz; ‘Peugeot’ met Alavoine, Thijs, die toch zoo geeren een Bordeaux-Parijs op zijn eerelijst zou schrijven, en Tiberghien. Berten Dejonghe startte voor J.B. Louvet. En daarmee hebt ge de voornaamste deelnemers.

Al deze renners waren nog tezamen in de omgeving van Tours. Sedert 'n heel tijdeke was René Vermandel, die dienst deed als gangmaker voor Masson, druk in de weer en reed gedurig over en weer, van zijn renner tot bij dezes sportbestuurder Ludovic. Zoodat we 't vermoedden: er was iets op til.

Wat werd er beraamd of ontworpen?...

- We mogen ons aan een aanval van ‘Alcyon’ verwachten, zei Pierrard.

- Zeg tegen Buysse dat hij opgeeft, want hij rijdt toch maar verder om ons genoegen te doen, maar met de overtuiging van ‘een geslagen man te zijn’ Hij vraagt wellicht niet beter dan te mogen stoppen, en dan zet gij al zijn gangmakers in den dienst van Pélissier, van welker groep gij het kommando neemt. Ik houd me bij Bottechia.

[p. 225]

Zoo gezegd, zoo gedaan. En Buysse gaf op.

Voor de zooveelste keer komt Vermandel om bevelen bij Ludovic. Dan zien we hem naar voren rijden, en iets vragen aan Masson. Deze knikt en Vermandel gaat zich aan de leiding zetten met Masson aan 't wiel. Wat we sedert een heel tijdeke verwachten gebeurt: de aanval is begonnen.

Onmiddellijk verhoogt de snelheid en bereiken we de 40 Km. per uur.

Al de gangmakers zijn in den strijd gemengeld en worden gedurig vernieuwd en afgelost.

Toury is een klein gemeentje op 12 Km. van Angerville. De doortocht is lastig uit hoofde der slechte steenen. Masson roept gedurig: Rapper! Rapper! De strijd heeft zijn hoogtepunt bereikt. Sellier lost eerst, dan Tiberghien, dan Alavoine, en dan Mottiat. Masson richt zich even op en kijkt om, Dejonghe is nog mee, met Thijs, Frantz en Pélissier.

Een oogenblik verpozing valt in. Is 't Masson die even adem wil halen? Zijn 't de gangmakers die niet in slagorde zijn? Genoeg en zooveel dat er 'n oogenblik inviel van kalmte, doch 't is de kalmte vóór het orkaan.

Intusschen komt Alavoine terug bij, terwijl Sellier nadert en Mottiat verachtert.

De verpozing duurt niet lang. Masson heeft zich diep op zijn guidon gebogen, de ruggen plooien, de beenen verdapperen, een nieuwe aanval is begonnen.

Sellier verachtert opnieuw, Tiberghien en Mottiat zijn al ver, terwijl Alavoine voor de tweede maal lost.

We komen in 'n voorstad van Angerville. Albert Dejonghe heeft bandongeval en gaat een ‘haastige boodschap’ doen, op den boord van den weg. Frantz heeft bandongeval, evenals Thijs en Alavoine. Dit alles gebeurt in min dan 6 minuten tijd.

Masson en Pélissier zijn nu alleen aan de leiding. De Waal kijkt even om, ziet dat zijn werk vruchten draagt en hop!... hij beveelt een nieuwen aanval.

[p. 226]

Intusschen zijn we te Angerville gekomen, op 85 Km. van Parijs. Aan de leiding: Masson en Frans Pélissier. Volgen op afstand: Alavoine, Thijs, Frantz en Dejonghe.

Opeens blijft Alcyon's sportbestuurder achter. Wat verder vernemen we waarom. Hij deed Mottiat opgeven, om dezes gangmakers te kunnen stellen in den dienst van Masson. Pierrard deed hetzelfde met Bottechia, en hij zond me een briefje met een motorrijder:

- Ik zit in ‘panne’ met mijn wagen. Ik zend u de gangmakers van Bottechia. Neem het bevel over de geheele groep.

Masson schijnt een oogenblik te willen verpozen. Ik rijd naast Pélissier om te vragen, of een tegenoffensief soms niet te wagen is. Niet wetende dat ik met zijn gangmakersdienst gelast ben, kijkt hij me wantrouwig aan alsof hij vragen wilde:

- Met wat komt ge u hier bemoeien?

‘Alcyon’ laat niet los en werpt nieuwe gangmakers in den strijd. Masson volgt gedwee. De strijd is geweldig, bitsig, ongenadig. De ‘tanks’ komen gedurig maar voorwaarts met nieuwe en versche gangmakers. Het gelijkt een stormloop, waarbij altijd en gedurig versche troepen moeten, omdat de vesting niet begeven wil.

Er zijn nooit min dan 10 gangmakers rond elk der twee kampers.

Dourdan. In de kontrool zelf veranderen ze van rijwiel: om een kleiner verzet te nemen, vermits er nu heel wat bergen te beklimmen zijn. Voorbij de stad, een steile hoogte van nagenoeg 2 Km. lang. Pélissier demareert. Boven heeft hij 75 meter voorsprong. Maar Masson komt terug bij en gaat onmiddellijk zelf ten aanval over. Pélissier springt recht op zijn pedalen en laat niet los. Hoe onverbiddelijk is die tweestrijd!

Versailles met zijne bosschen en kasteelen, zijne bergen en valleien. Drie of vier ‘tanks’, die gedurig versche

[p. 227]

mannen aanvoeren. In den achtergrond drie andere ‘legers’: van Alavoine, Frantz en Dejonghe.

- Wie zal 't halen?...

De vraag brandt op ieders lippen.

Opeens wordt er van in den achtergrond gedurig getrompt. Dat moet een renner zijn die in aantocht is. Berten Dejonghe, meenen we. Een wagen met gangmakers komt voorbij. Maar die dragen de roode truien niet van J.B. Louvet maar wel de ‘baai’ van Peugeot. Wie mag het dan wel zijn?...

- Alavoine! roept een verzorger, die van achter naar voren kwam, om 't nieuws mede te deelen.

- Vooruit, schreeuwt Ludovic tegen de gangmakers van Masson. Maar deze die juist een ei kwam op te slorpen. 'k Zie 't nog gebeuren: onder de viaduc van Buc, op 16 Km. der aankomst. Maar enkele seconden later wil dat ei er weer uit. 't Was een slecht en 't ontstelde Masson dusdanig, dat hij overgeven moest. Het duurde niet lang: enkele minuten. Maar toch?... Daar verloor hij dien Bordeaux-Parijs, daar onder die brug.

- Masson is ziek! ging ik tegen Pélissier en zijn helpers schruwelen. Een groep versche gangmakers wordt onmiddellijk afgezet: Ville, Verberkt, Fierens, Van Hoorebeke, Rich, Gerbaud, en Cyriel Buysse aan wien ik zegde: een bijzondere premie als ge Masson kunt los krijgen.

Cyriel vezelt iets in 't oor van Pélissier, en deze gaat aan 't huilen en aan 't tieren. Slechte steenen en berg op. Hij schreeuwt nu zelf: nog rapper! 't Is tegen zijn gangmakers. Masson is los. Van niet veel: 50 meter. Maar 't is genoeg. Want Pélissier gaat te werk lijk een vermetele, lijk een wanhopige. Boven gekomen. heeft hij maar twee gangmakers meer: Buysse en Verberkt. Al d'anderen zijn los.

De strijd bereikt zijn hoogtepunt. Verzorgers en gangmakers schreeuwen en schruwelen nu mee. Zoowel deze van Masson als van Pélissier. Deze gelijkt een gekwetsten

[p. 228]

tijger. Masson doet onmenschelijke pogingen om bij te houden. Maar 't gaat niet. Die ongesteldheid! Een slecht ei! En daardoor Bordeaux-Parijs moeten verliezen, op 16 Km. der aankomst. Want Pélissier is op, glad-op! Maar de moed van de wanhoop die hem recht houdt. Hij zwenkt en hij zwinkelt. Hij valt. Staat weer op. Valt nog eens, nog drie, vier keer. Maar altijd weer recht, en vooruit. Altijd schruwelende en tierende. Hij weent en hij legt zijn kop op den schouder van Cyriel Buysse, die naast hem rijdt. Hij kan niet meer en toch doet hij voort. En roept: ‘nog rapper’. Al kan hij niet volgen. Hij raaskalt en hij doolt. Maar hij rijdt voort! En hij wint!

Hoe betreur ik het van niet de kleuren te vinden, en de kracht van schepping om dat gruwelijk tafereel van tragische schoonheid te borstelen. Het doet bijwijlen denken aan de ‘Kruissprook’ van Multatuli.

Het volk van de baan, dat heet: duizenden, honderd duizenden van toeschouwers, die wuiven met hoeden en zakdoeken, om Pélissier aan te moedigen.

Het schouwspel is eenig. En nooit, nooit zien we nog zoo iets. Kan niet meer.

Pélissier doet een triomfantelijke intrede in het Prinsenpark, toegejuicht door een begeesterende massa van wel 50.000 toeschouwers. Een minuut later komt Masson toe, Hij weent lijk een kind.

- Een onpasselijkheid die 5 minuten duurde, en in die korte tijdspanne ‘mijn’ Bordeaux-Parijs verloren. 't Is zoo wreed, zoo ongelukkig!

Meer zegde hij niet. Maar in die enkele woorden lag een wereld van verdriet, die hij loosde in een vloed van bittere tranen.

En daarmee eindigde een der meest indrukwekkende koersen, die ik in mijn lange loopbaan van sportkronijker heb gevolgd.

[p. 229]

Met de Pélissier's heb ik nooit zeer vriendschappelijke betrekkingen gehad. Laat ons mekaar verstaan: nooit ruzie gehad of woordenwisselingen. Maar ieder van ons die op zijn stuk stond, en op zijn plaats bleef, en Frans Pélissier heeft eerst 13 jaar nadien, van mij persoonlijk vernomen dat ik het kommando had bij den ‘slag’ van Buc tegen Masson. 't Gebeurde op een dag binst de Ronde van Frankrijk, te Perpignan, dat ik het hem vertelde.

Pierrard, die er hem nooit iets van gezegd had.

prepostterug  begin  verder