We kennen geen ander jaar uit de wielergeschiedenis, tijdens hetwelk zooveel jonge en veelbelovende renners ten onder gingen als in 1926.
Renners, van dewelke we dachten dat ze de grootste kunstdaden zouden stellen omdat ze zoo begaafd waren van athletiek standpunt beschouwd, en die bleven hangen tusschen worden en zijn.
We hebben in vorige bladzijden reeds gewezen op het tragieke in de loopbaan van Gust Verdijck, wier opgang in 1925 begon, en die reeds in 1927 een kentering naar beneden nam.
Tusschen de zooveel renners, die zich in 1926 onderscheidden noemen we: Lode Eelen, Jackie De Graevelinck, Jan de Busschere, Hector Martin, Arthur Dewit en André Verbist, al renners van dewelke we moeten zeggen: dat ze gingen kruipen op de daken van den roem, om het aan de wereld te verkonden, dat ze wat konden, dat ze zooveel konden. Maar?... Eer de haan drie maal gekraaid had!... Ik wil zeggen: dat die renners nooit geweest zijn, wat we eerst hoopten dat ze zouden worden.
En de oorzaak?... Verschilt van geval tot geval, van renner tot renner.
Lode Eelen?... Een stoere, stroeve Kempenzoon. Hij kwam de Ronde van Vlaanderen voor onafhankelijken te winnen. Was 4e in Parijs-Robaais, om van zijn andere eereplaatsen niet te spreken. Maar verder bracht hij het niet. En de reden?... Of zijn beroep hem genoeg ter herte lag?...
Karel Meunier? Wallonië bouwde er kerken op van ‘hoop op zege’. Want men wilde omhoog met de wielersport, die te laag gezakt was. Maar die kerken?... Stonden op 't zand der ontgoocheling!
Jackie De Graevelinck?... ‘Pourri de classe’ heet het in 't Fransch. Athletieke middelen te veel. Onder dat oogpunt was hij begaafd. Maar moreele?... Te kort. En veel. De willende mensch in den athleet, die begaf. En de renner meteen!
Jef Van Dam? Na zijn prachtige overwinning in Parijs-Luik, tegen Pierrard gezegd: ‘Ik heb u een nieuwen kampioen gevonden’. Maar naderhand? Een wielke dat ging haperen in 't mysterieus organisme, en Jef ging te loor voor de wielersport, precies lijk die machtige figuur en sierlijke athleet, die Arthur Dewit noemt, en door Ons Heere werd begenadigd, met de gave van den sprint. Moest een groote, zeer groote kampioen worden. En werd niets! Om er bij te wanhopen, niet zoo, Thuur?...
En dan die schoone ‘pedaleur’, die André Verbiest noemde, of die andere, Jules Deschepper, twee renners, die als Juniors hun gelijke niet vonden, en de ‘bazen’ waren van hun geweste.
Dat jaar 1926? Zoo rijk aan bottende krachten! En zoo mager aan rijp wordende vruchten!
Maar het meest tragieke geval is dat van Hector Martin. Als onafhankelijke was hij de onbetwistbare ‘meester’, deze die letterlijk al zijn tegenstrevers overvleugelde. Als beroepsrenner kon hij zich aan de beste meten. Ten bewijze zijn kampioenschap der kampioenen van Longchamps te Parijs, waarvan we vertelden op een andere plaats in dit boek.
In 't begin van 1926 zou hij, om genoegen te doen aan zijn vriend Odiel Defraeye, mee doen aan een oefenkoers op den weg Rumbeke-Middelkerke en terug. En wat gebeurt er?... De deelnemers rijden in groep tusschen Roeselaere en Torhout. Uit tegenovergestelde richting komen drie ingespannen koerspeerden, die op training zijn. Ter hoogte van den groep gekomen, verschiet een der peerden van een auto, die uit tegenovergestelde richting komt, en
springt midden in de bende renners, die allen ten gronde werden geworpen. Meerdere gekwetsten, maar Hector Martin is er het ergst aan toe: gebroken en gesplinterde arm. Zijn konstrukteur laat hem naar Parijs brengen, waar hij door specialisten wordt behandeld. Een proces volgt, dat hij natuurlijk wint, vermits de voerder van het peerd op den linkerkant van de baan reed, inplaats van op de rechterzijde. De arm werd weer in mekaar gezet, maar de loopbaan, die zoo schitterend beloofde te worden - en het al was - werd ten grooten deele gebroken.
Niemand die de schade kan schatten door Hector Martin geleden, en het verlies dat de Vlaamsche wielerwereld boekte.
* * *
Even zoo pijnlijk was het geval Kastor Notter, al was er min tragiek bij. Want zijn loopbaan werd gebroken ter oorzaak eener verzwering aan de maag. Hij genas weliswaar een jaar nadien, maar de athleet in hem, die nooit meer zijn volle macht en weergalooze kunde terugvond.
Het schoonste, wat we van hem zagen, was zijn Parijs-Tours met zijn oefenmakker en ploegmaat Henri Suter.
We zien het nog gebeuren in de bevoorradingskontrool van Bourgeuil. Te voren hadden zij hun voorzorgen genomen, en zich van eten voorzien. Alle renners, die te Bourgeuil stoppen om hun eetzak te nemen. Maar Notter en Suter, die voorbij stormen, en met den slag wel 300 meter voorsprong nemen.
Gust Verdijck is de eenige die 't snapt en gebeuren zag. Hij zet de vluchters onmiddellijk na, en slaagt er in ze te krijgen. Maar, spijtig voor hem, wat verder heeft hij bandbreuk. Suter en Notter bevinden zich weldra met 500 meter voorsprong aan de leiding. Op dit oogenblik komt het tegenverweer, van de samenwerkende krachten, uit den
grooten groep. Elke renner komt om de beurt zijn streng trekken aan de leiding, maar hoe zij zich ook inspannen, Notter en Suter verhoogen gedurig hun voorsprong. Ze gelijken twee lokomotieven op vollen stoom, tegen zooveel anderen bij dewelke het aan brandstof mangelt.
Suter heeft bandbreuk. Notter rijdt op 't gemak verder, wachtende naar zijn ploegmaat. Kostte een tijdverlies van 2 minuten. Intusschen naderde de groep, die er zoo flink op los stormde, van sedert hij Suter en Notter in 't oog kreeg. Maar deze laatste? Bekommerde zich niet eens om de naderende bende. Eerst wat gegeten en gedronken, en dan?... Met de zelfzekerheid van menschen, die zich de sterksten weten, zetten zij zich weer in gang en zwier, en het achterstel van de bende, dat zienderoogen vergroot. Suter wint in den sprint, omdat hij de rapste is, en ook, omdat Notter zich niet eens verweert.
En enkele dagen later hernieuwen zij hun kunststuk in de Ronde van Keulen. Samen weg, en door niemand meer bij te halen.
Naar het oordeel van meer bevoegde sportkronijkers uit die dagen, was Notter de beste temporenner zijner generatie.
Spijtig dat zulke sterke boomen zoo vroegtijdig worden ontworteld in de stormen van 't leven!
* * *
Zelfs Georges Ronsse sloeg tegen in dat onzalig jaar van 1926. Wij hadden hem bij ‘Automoto’ aanbevolen, met de mare:
- Ik denk; de grootste renner der laatste tijden!
En 'k hoore het Pierrard nog zeggen op 't einde van het seizoen: ‘ik geloof dat ge u van dezen keer misrekend hebt’.
Verder zullen we zien, dat ik het algelijk bij 't goed einde had, maar 't is eender: het kwaad dat er lijk mee bemoeid was in 1926. En de eenige, die stand hield en de verwachtingen, die in hem werden gesteld, niet beschaamde, is
Denis Verschueren, want hij won Parijs-Brussel, Parijs-Longwy en de Ronde van Vlaanderen, om tijdens den winter 1926-27 met Pé Verhaeghen, het sterkste koppel te vormen dat onder Van Hammée's beleid startte, in den wintervelodrom van Brussel.
De kunde van dat koppel? Was gemaakt van kracht en macht. Ze deden meer dan hun tegenstrevers verwinnen: ook verpletteren!
Als ik van den ‘opkomenden Denis Verschueren’ spreek, dan denk ik onwillekeurig en terzelvertijde aan mijn ouwen vriend Eugeen Wauters. Want onze kennismaking ging eerder in aardige voorwaarden.
De club van Heist op den Berg, waarvan Wauters voorzitter was, kwam het Interclub-kampioenschap te winnen met renners, die over meer kunde beschikten dan naam en faam. Die verrassende uitslag bracht kritische beschouwingen mee, waarvan de toon te Heist op den Berg niet bevredigde. En ik herinner me een brief te hebben gekregen van Eugeen Wauters, waarin onder meer werd gezegd:
- Ge twijfelt aan de kunde van onze clubrenners? Wel, ik zal u onmiddellijk in de gelegenheid stellen van uit te maken, of dat twijfelen ja dan neen gegrond is. Uit name van Denis Verschueren, doe ik dan een uitdaging aan eender welke renner, om over den afstand van het clubkampioenschap een rit aan te gaan, om in den minsten tijd. Inzet naar beliefte. En 'k dring er op aan: ge kunt gerust uw beste en sterkste Flandriens zetten!
Het bleef natuurlijk bij die uitdaging, en maar best ook, want nadien heeft Denis Verschueren het bewezen, van in dien tijd de beste temporenner van 't land te zijn.
En wat wonderbaar mag heeten: vanaf dien dag heb ik met Eugeen Wauters, en de mannen van Heist op den Berg - Sportief, vriendschapsbanden aangeknoopt, die nooit meer werden doorgehakt - en aan die vriendschap altijd veel genoegen gehad!