terug  begin  verderprepost
[p. 249]

Waarom bleven de Kempen ten achter bij de Vlaanders?

In verband hiermee zou ik een ontwerp willen aansnijden, dat we reeds meerdere keeren onder handen namen, in ‘Sportwereld’.

- Het Oostelijk gedeelte van 't Vlaamsche land, en hoofdzakelijk de streek van Kempen en Haspengouw, heeft precies lijk in de Vlaanders, zijn gezonde en krachtige jonge menschen en athleten. Hoe komt het dan dat zij inzake wielerkunde, nooit die hoogte bereikten die we in 't Westelijk gedeelte van het land wisten halen?

Dit problema is weerdig van aandachtig bekeken en zorgvuldig uitgediept te worden.

Want 't is een feit: in de Kempen en in Haspengouw hebben ze groote renners gehad, kampioenen die zoo veelzijdig waren als de allerbesten uit eender welk gewest van 't land. Maar ze bleven hangen, en groeiden niet ten toppen uit. Afzonderlijk bekeken konden ze 't vergelijk ondergaan met de besten. Maar als groepeering, als vertegenwoordigers van 'n gewest, bereikten ze nooit de hoogte der West-Vlamingen bij voorbeeld.

- Hoe dat komt? vragen we.

Naast Denis Verschueren vonden we Gust Mortelmans, die in 1927 het kampioenschap van België won, en naast Denis Verschueren zijn man stond in Parijs-Tours van 1925. Naderhand kwam die wonderbare Pé Verhaeghen, met zijn ‘peddelend pootje’ en Gerard Loncke met Fons Schepers, die twee kampioenen van het zuiverste en beste karaat, zoodat we in die tijden geneigd waren te schrijven:

- Eindelijk! De zonne van de sportglorie zal gaan doorbreken, in de mistige luchten van de Kempen!

Maar 't bleef bij... ja, hoe zal ik het nu zeggen?...

Laat ons even stilstaan en ‘inventaris’ maken.

[p. 250]

Rond de vijf vernoemden: Lode Eelen, Huysmans, Vermeerbergen, Haesendonck, Goris, Huygens, Dils, Rik Aerts, en meer anderen die voorafgegaan waren door Fons Lauwers, Leenaerts, Claes, Valckenaerts, Budts of Nijssens.

Al goede renners, flinke elementen. Maar zou men het durven zeggen dat ze in de wereld die aan sport doet, zooveel naam en faam hebben als de Flandriens bij voorbeeld van Mac Bolle?...

En hoe komt dat? Welk is de reden?

 

* * *

 

Van Denis Verschueren belijden we 't: hij bereikte wel het hoogste, en kwam de eigenlijke wereldfiguren het dichtst bij.

Maar Mortelmans?... Of hij wel uitgroeide in zijn volle lengte en hoogte als renner?...

Gerard Loncke?... Zou men kunnen zeggen waarin hij onder lag bij Jules Van Hevel?... We hebben hem dingen zien doen op piste, om er bij te blijven stille staan, en het te belijden: neen, niemand die meer en beter kan, zelfs Jules Van Hevel niet! En toch?... Deze is een wereldfiguur geworden. Heeft Loncke ooit zooveel bereikt? Neen! En waarom niet?...

En Pé Verhaegen, die we wondere dingen zagen doen en waarvan we zullen vertellen in ons boek: ‘Van menschen en dingen uit de Ronde van Frankrijk’. Wat had hij dan te kort om te worden wat. Van Hauwaert is geweest en Odiel Defraeye?... Hij heeft het zelf eenmaal gezegd aan konfrater Jaak Veltman:

- Ik heb gekoerst om wat te verdienen. Maar de passie voor de sport, en voor mijn beroep als renner? Die heb ik nooit aangevoeld!

Fons Schepers? Ik weet hem nog beginnen aan 't Aubisque-gebergte in 1931, waar hij eerst boven kwam, en 'k hoore 't Desgrange nog zeggen:

[p. 251]

- Waar hebt gij dien nieuwen Ronde van Frankrijkwinnaar nu weer uitgehaald!

Zoo sterk was de indruk die de machtige Schepers miek, op de volgende sportkronijkers!

En hij won: Ronden van Vlaanderen, Omloop van Morbihan, Parijs-Nizza in zes ritten, Luik-Bastenaken, Parijs-Belfort, kampioenschap van België en meer andere groote koersen.

Hij was geboren en gemaakt om nog grooter uitslagen te behalen. Maar opeens? Die zonne, die onderging aan 't firmament van de sport, eer ze ooit het Zuiden had bereikt!

De trekwortel van dien sterken boom die geschonden was!

Van waar nu kwam dat onzalig verloop?... Bij Schepers een ontreddering van 't organisme. Denis Verschueren vloog zijn vollen afstand uit. Maar Mortelmans? Pé Verhaeghen en vooral Gerard Loncke? Van die werd meer verwacht en verhoopt. En terecht. Van waar nu die teleurgang?... Of 't soms niet lag in den aard van hun karakter en niet hong in de lucht van de streek?... Loncke was de rustige, passieve athleet: het evenbeeld van de lijdzame bewoners van de droge, dorre heide.

Pé Verhaeghen meende een andere bestemming te hebben dan deze van ‘rijden om het rapst’.

Mortelmans had een ietske van Loncke: lichamelijke kracht te veel, maar impulsieve machten te kort!

Ze misten de verbetenheid van Vervaecke, de wilskracht van Romain Maes, de volharding van Lucien Buysse, de vechtlust van Van Hevel, de overmoed van Van der Meerschaut!

Zijn moreele factoren die voor den renner zijn, wat de brandstof is voor een motor!

 

* * *

[p. 252]

Confrater Achiel Van den Broeck, die des te meer van zijn Kempenland houdt, omdat hij er geboren en gewonnen werd, heeft het vraagstuk meenen te kunnen oplossen, en zijn besluit kwam hierop neer:

De renners van Limburg, Kempen en Haspengouw, boeten hun achterstel op deze van 't andere gedeelte van het land en vooral op de West-Vlamingen:

1)- Doordien dat de nijverheid er min ontwikkeld is, faalt het min of meer - eerder meer dan min - aan voeling met de menschen van buiten hun streek, wat mee brengt dat men niet genoeg weet, wat er voor de wereld van nut en van belang is. Dus? men weet er niet genoeg af van de sport, en daaruit volgt dat de renners niet genoeg gewaardeerd werden, om te kunnen genieten van de supporterswarmte en volksaanmoediging. Die onverschilligheid van de massa brengt onvermijdelijk mee, gebrek aan bezieling bij de renners. En omdat de kunde van de sport zoowel een zaak is van innerlijken toestand, als Van uiterlijke gesteltenis, blijven de Kempische renners te veel buiten de zonne van den vooruitgang.
2)- Er wordt geen begeestering verwekt, en daarom faalt het aan leidende en steunende elementen als daar zijn clubs, velodroms, besturende menschen uit de hoogere standen, te zeggen menschen die den weg kunnen wijzen naar verbetering en vooruitgang, en die stoffelijke hulp kunnen aanbrengen, die onontbeerlijk is bij jongens uit den volke. De jonge en beginnende renners worden er te veel aan hun eigen overgelaten. Van daar zedelijke ontmoediging, naast stoffelijke ontreddering en medegaande, gebrek aan lust om te volharden.

Tot daar Achiel Van den Broeck. En wij die het beamen: zeer juist gekeken en raak gezegd. Maar die er ook een andere vraag bijhalen:

- Sport beteekent strijd. En of de Limburger en deze uit de Kempen, wel zoo strijdlustig aangelegd zijn als de

[p. 253]

West-Vlamingen bij voorbeeld?... En of deze niet war mer zijn en heftiger van karakter?...

Wat Felicien Vervaecke op een dag in Luchon-Pau van 1935 verwezenlijkte voor Romain Maes, dat kan men maar alleen gedaan krijgen van iemand, die vloekt en tempeest tegen zijn eigen. Hij vloekt, omdat hij zich voelt begeven, hoort ge 't, voelt, en algelijk niet wil!

Ik weet Loncke nog opgeven in een Zes Dagen koers van Antwerpen waarin hij gedurende 5 dagen en 23 uren de meerdere was. Hij gaf op, ‘omdat hij toch zoo moe was’!

Welnu, die woorden zou men nooit gekregen hebben uit den mond van een Vervaecke of Sylveer Maes.

En 't is in 't verschil van die karakters, dat het gebrek ligt aan diepte- en aan hoogtegang bij de renners van Limburg, en van de Kempen.

Wij zeggen dit niet om te kritikeeren, maar wel opdat deze, die na zullen en moeten komen, het zouden weten en er aan verhelpen!

prepostterug  begin  verder