terug  begin  verderprepost
[p. 265]

Het wereldkampioenschap van 1928

Ronsse won weliswaar Parijs-Brussel, maar ter waarheids-wille moet beleden, dat de bezetting van die koers niet van de sterkste was. De konstrukteurs hielden zich min of meer afzijdig, en de voornaamste renners kwamen niet starten.

- Ik heb nog geen enkele koers dit jaar gewonnen, en 'k loop gevaar van niet aangeduid te worden voor 't wereldkampioenschap. Laat me die Parijs-Brussel betwisten en 'k win hem.

Aldus Ronsse tegen Pierrard, die zich eindelinge liet overhalen en Ronsse liet starten, die won ‘op zijn één been’.

't Gevolg was, dat hij eerste kandidaat werd voor 't wereldkampioenschap, naast Jules Van Hevel en Jef Dervaes, die de eene overwinning na de andere kwamen te behalen.

Die ‘keuze’ voor 't Wereldkampioenschap liep ook niet van een leien dakje. Gust Mortelmans van Heyst op den Berg was immers Kampioen van België, en stond er op van aangeduid te worden.

- Als de nationale kampioen niet weerdig is van afgevaardigd te worden, wie heeft er dan wel recht op?...

Aldus Mortelmans en zijn clubleiders, die 't geding brachten tot op een zitting van den Hoogeren Raad van den Belgischen Wielrijdersbond, waar Mortelmans dreigde van zijn trui af te leggen en terug te sturen. De Bond liet zich echter niet beïnvloeden, des te meer dat de Antwerpsche afdeeling de kandidatuur van Jef Dervaes steunde, en het bleef tenslotte bij wat gekijf in de pers, en opstootjes onder de supporters. Maar dat wereldkampioenschap?... Had bijna een dramatisch verloop.

Italië zette zijn allerbeste renners: Girardengo, Belloni en Binda.

[p. 266]

‘Die waren niet te kloppen’. Zoo meende men in Italië, en zoo dachten al diegenen die wisten dat de weg redelijk bergachtig was. Maar?... Ze rekenden zonder den naijver die ontstaan was tusschen de ‘komende’ Binda en de ‘dalende’ Girardengo, van sedert het wereldkampioenschap dat in 1927 door Binda werd gewonnen.

De deelnemers waren geen 20 Km. ver, of daar demareert Jef Dervaes, zoo maar eens om te lachen. Hij wordt bij gehaald. Maar onmiddellijk daarop vliegt Jules Van Hevel uit, zooals hij dat alleen kan, en in min dan één minuut heeft hij 300 meter voorsprong. Op dit oogenblik zet Girardengo het verweer in. Maar Binda komt hem niet ter hulp. Belloni, die ‘voor Binda rijdt’, evenmin. En de overige deelnemers zitten mekaar zwijgend te raadplegen om te vernemen ‘wie het dan wel zal doen’.

Van die korte aarzeling maakt Ronsse gebruik, om op zijn beurt te demareeren. Nieuwe en andere aarzeling in den groep. Van Hevel ziet Ronsse afkomen. Hij vertraagt een weinig, en samen gaan ze dan een strijd ‘op leven en dood aan’, tegen de gansche groep.

Ronsse en Van Hevel! Twee volbloedpaarden! Twee bloktreinen! Twee ‘vechters’! Bezield met de vurigste begeerte om te winnen, en die kans voor 't grijpen zien! En als twee zulke renners in volle ‘actie’ zijn, wie dan is er wel bekwaam - altans over een zekeren afstand om ze in bedwang te houden, en bij te halen?...

Na 50 Km. afstand hebben ze 10 minuten voorsprong. Het gebrek aan verstandhouding bij de tegenstrevers deed het eene, de ontmoediging het andere, en de drie Italianen gaven weldra op. Van af dit oogenblik was het zeker: of Ronsse of Van Hevel zouden wereldkampioen worden!

Maar?... 't Gebeurde aan Km. 80. Ronsse lag op kop. Van Hevel aan 't wiel. Vóór hen, een gespan met ossen. Een der dieren slaat weg en weder met den steert. Ronsse op kop, rijdt er rakeling naast. Hij komt voorbij. Jules

[p. 267]

volgt. Op 't oogenblik dat hij voorbij komt, hapert de steert - lees goed, beste lezer - van den os aan het handvat der remmen op de stuurstang, met het gevolg, dat Van Hevel zoo plots als ongenadig ten gronde wordt geslingerd.

Hij is gekwetst, aan handen en beenen, en over het heele lichaam. Toch springt hij weer recht, en op 't rijwiel. Ronsse is 300 meter voren. Deze die 't zich afvraagt:

- Wat zou ik? Wachten?... Dan laat ik een gevaarlijk tegenstrever weer bij komen. Alleen voort doen? Nog zoo ver en nog zoo lastig.

Wachten deed hij eigenlijk niet. Maar hij reed ook niet al wat hij kon. Na 10 Km. achtervolging komt Van Hevel weer bij: hij ziet rood van 't bloed. En lijdt erge pijnen aan de hand. Maar?... Als het gaat om een wereldkampioenschap? Dan heeft men het recht niet te zwichten voor die ‘kleinigheden’. En Van Hevel trekt zijn streng naast Ronsse, tot dat... ja, 't was aan Km. 130 dat hij het zei:

- Aflossen? Ik kan niet meer. 't Begint me te duizelen in den kop.

Hij verloor immers veel bloed, en daarbij, en dat was 't ergste: zijn eten en zijn drinken was bij den val gebleven, en hij dierf het niet aan, van er te vragen aan Ronsse, wetende dat deze ook maar 't hoogst noodige had.

Deze laatste drong aan bij Jules om te helpen, omdat hij er niet zeker van was: of hij veinsde, met de bedoeling van zich wat te herstellen van de gedane inspanningen, om een meer vermoeiden Ronsse dan te kloppen in den sprint; ofwel, als hij werkelijk niet meer en niet beter kon!

- Het antwoord zal ik zelf halen...

Zei Ronsse bij zichzelf, aan den voet van een berg, waartegen hij wat rapper ging opklauteren. Almeteens een zucht, en een: ‘ga maar, ik kan niet meer’. Van Hevel stapte af, en 't was met hem gedaan: teenemaal uitgeput!

[p. 268]

- Nog 70 Km. alleen, en die gloeiende hitte en over die lastige bergen! Dat kan ik nooit bolwerken!

Aldus Ronsse. Maar zooveel seconden later speelde 't in zijn hoofd: wereldkampioen worden?... Daarvoor moet men heel wat kunnen lijden en verdragen. Later vertelde hij dat hij meer dan eens, op 't laatste van dien rit, voelde aan 't gevaar van te duizelen en te bezwijmen, maar telkens vocht hij er tegen met den moed van de wanhoop, en met de altijd sterker wordende begeerte om wereldkampioen te worden.

Hij won dat kampioenschap en werd te Antwerpen gehuldigd als een Prins. Samen met dien anderen Sinjoor, Jef Dervaes, die niet gewonnen had, maar zoo behendig in de kaart van de wegloopers Ronsse en Van Hevel speelde bij dezer ontvluchting, door elke poging van de tegenstrevers om na te zetten, zoo handig te neutraliseeren met een tegenaanval van zijnentwege.

Volgens mij is 1928, Ronsse's beste jaar geweest. Hij won maar één koers van beteekenis. Maar 't is juist bij die eenige zege dat hij betoonde van een groot en weerdig wereldkampioen te zijn.

prepostterug  begin  verder