Het is in 1927, als we ons niet bedriegen, dat we 't zegden tegen Automoto's sportbestuurder:
- We hebben een nieuwe en kostelijke aanwinst voor uw ploeg: Fred Hamerlinck.
Inderdaad, deze kwam van bijna zooveel juniorskoersen te winnen als hij er betwistte. En die overwinnigen?... Haalde hij thuis met een weergalooze sprint, waarmee hij scheen begaafd, of met voorsprong, al naar beliefte, of naar gelang het paste.
Menschen uit zijn onmiddellijke omgeving beweerden, dat hij een groot kampioen in wording was. Van daar onze aanbeveling bij Pierrard, want persoonlijk hadden we hem nog niet zien rijden, omdat we nooit den tijd vonden om ons bij de juniors op te houden.
En dat jaar 1927 verliep, zonder dat Hamerlinck zich bijzonder onderscheidde bij de beroepsrenners; hetzelfde voor 1928, al bewees hij nu en dan wel eens, dat er meer in hem stak, dan hij er tot dan toe uithaalde.
Aardig toch? Maar zooveel beste juniors die, bij den overgang naar de beroepsrenners, blijven nestelen gedurende een zekeren tijd, tusschen ‘hangen en wurgen’. Zoo was Ronsse in 1927, en Hamerlinck in 1927 en 1928. Alleen Deolet miek eene uitzondering, die in 1929 beroepsrenner werd. en zich bijzonder onderscheidde in Parijs-Robaais, waarin hij de zege aan 't betwisten was tegen Ronsse, toen hij samen met deze ten gronde stuikte, op 100 meter r der aankomst. Daar hebben we 't verder over; eerst houden we 't bij Hamerlinck, die in de eigenste Parijs-Robaais met Ronsse, Deolet en Meunier ontsnapt was, en zoo goed als eender wie, zijn kans op winnen had, toen hij op 40 Km. der aankomst bandbreuk leed.
Ik herinner me nog dat bevel van Ludovic tegen de
drie voornoemde renners, die bij den groep Alcyon behoorden:
- Hamerlinck zal zijn deel aan de leiding gaan, ofwel zult ge hem niet meer laten colleeren.
Gebeurde te Henin-Lietard.
En Fred, die, zonder beschutting en tegen den van bezijden komenden wind, aan 't worstelen was, één tegen drie dus, toen zijn band begaf. Of hij het anders zou uitgehouden hebben? Weten we niet.
Maar waarin hij het wel uithield, dat was in de kermiskoersen, waarin hij den ongekroonden koning werd. Ik weet het nog van die week toen hij er drie won: te Wondelgem, Heusden en Balgerhoeke. In dat slag was hij werkelijk onklopbaar. Maar 't belette hem algelijk niet op 't einde van 't seizoen, den grooten Wolberprijs te winnen, en daarmee bediende hij deze van antwoord die dierven schrijven en beweren:
- Een beste kermiskoerser, dat, ja, maar baanrenner naar den eigenlijken zin van 't woord, dat is Hamerlinck niet!
De waarheid is, dat deze door Ons Heere bedeeld werd, met uitzonderlijke athletieke eigenschappen, zonder daarom over een sterke gezondheid te beschikken. Van daar een klein tekort aan uithoudingsvermogen. Misschien wel omdat de nerveuse tert van den sprinter niet genoeg getemperd was.
Van sprinters gesproken, het is in dat eigenste jaar 1929, dat we Jef Scherens een baankoers wisten winnen bij de onafhankelijken, namelijk te Melsele. Maar laat het ons voorloopig bij Hamerlinck houden, want in wezen en zijn als renner, is hij altijd voor sportkronijkers meer geweest, dan een groote kermiskoerser en kampioen op de piste: ook een schier ondoordringbaar raadsel.
* * *
Inderdaad. Het mangelde hem wat aan dat onverstoorbaar uithoudingsvermogen, van den Bordeaux-Parijs-winnaar Ronsse; en als tegenstelling daarvan moeten we aanstippen: dat hij in achtervolgingsmatch op de piste, schier onklopbaar was, en geweest is.
Het is ons niet te doen om hier een eerelijst af te kondigen, van Hamerlinck's overwinningen allerhande, vooral op de piste en in achtervolgingen en omnium's. Maar veel van dit slach koersen zal hij er toch niet verloren hebben. Voor een begin haalde hij het, alhoewel niet gemakkelijk, tegen den sterken Jules Van Hevel en den schier onklopbaren Girardengo.
In zijn verdere loopbaan heeft hij al de specialisten dier vertakking van de wielersport ontmoet, en beurt om beurt verwonnen ook, en ondermeer den ongenaakbaren Raynaud in achtervolging, lijk het een andere waarheid is, dat hij het, tegen alle verwachting in, op een dag moest afleggen tegen Jan Pijnenburg, die weeral een artist-kunstenaar was in de pistekoersen. Hamerlinck, we zegden het al - was een dankbaar onderwerp voor den sportjournalist, die naar den mensch wil gaan zoeken in den athleet.
Zelfs van buiten-uit bekeken was hij een tastbaar raadsel. Men zag het hem aan dat hij niet uit hard, zeer hard hout gesneden was. En nochtans, als men zijn vader bekeek, dan zou men bang geworden zijn van in die handen terecht te komen. De schouders van een reus en de armen van een smid.
Van vader kreeg hij een zeker deel van die macht. Werd men gewaar in zijn beruchte achtervolgingsmatchen. En in zijn ‘kilometer om in den minsten tijd’. Of hij zich weren kon, en sterk inspannen?... Alleen Scherens en Kaers konden hem, op dat gebied, te bij komen. Als Hamerlinck een achtervolgingsmatch te loopen had, was het altijd een ‘of winnen of er bij vallen’. Of hij er soms niet aan bezweken is?... Want hij heeft ten slotte aan 't koersen
moeten verzaken, om gezondheidsredenen, nog eer hij het hoogste had bereikt, en toen de zon van zijn sport-glorie nog in een zeer hooge hemel hong. Er altijd zooveel spijt van gehad, meer dan we zeggen en schrijven kunnen, om die voorbarige aftocht, want Hamerlinck was sympathiek, zeer sympathiek zelfs, zonder dat we zelfs kunnen zeggen waarom, en hoe het kwam.
Hij zocht nooit te vleien. Hij was noch handig noch kunstig van voorkomen. Volstrekt niet aanstellerig. Hij drong zich niet op, tenzij... ja, tenzij in de arena, als het vuur van den strijd hem te pakken had, of de vlam van de achtervolgingskoorts hem verteerde Dan was hij meer dan schoon: hij was subliem!
Prachtig in het ontplooide machtsvertoon en heerlijk in de uitgestalde en weergalooze kunde.
Indien ik dierf, 'k zou zeggen dat Hamerlinck schoon was in zijn leelijkheid! Niet het minste aanstellerig en juist zoo groot van kunde, als eenvoudig van manieren en gebaren of voorkomen.
Een heerlijke figuur uit de wereld der wielerkunde, en waarvan we nog zullen vertellen, en wondere dingen verhalen, uit de eenige ronde van Frankrijk die hij betwistte; en een van wien men zei bij zijn vroegtijdig afscheid: hij laat een leemte!
Spijtig dat de wielerbeweging niet meer van dat slach kampioenen voortbrengt.