Romain Gijssels was een tijdgenoot van Gerard Loncke. Ik zou niet eens durven zeggen, dat hij over meer athletieke kwaliteiten beschikte dan de Limburger, maar wat we wel kunnen verklaren is: dat Gijssels het veel verder bracht, in zake baankocrsen op internationaal gebied.
Gijssels was nochtans ook niet wat men noemt een ijzerbreker. Hij was niet meer aanvallend dan Loncke, maar ik meen te mogen zeggen dat hij meer doorzicht had, een klaarder kijk. op tegenstrevers en wedstrijden.
Maar dat het hem ook faalde aan doortastendheid, en die wilskracht, waarmee Felicien Vervaecke wonderen verrichtte, dat leerden we in de eenige Ronde van Frankrijk die hij betwistte. Daar stond hij eigenlijk ver beneden zijn eigenlijke weerde als renner, en deed meer denken aan een winkeljuffrouw, dan aan een ‘dwangarbeider van de baan’. Hij kon niet tegen de cols op, en nog min tegen de lijvelijke miserie van dat zwaar werk.
Hij was juist zoo lauw van binnen, als hij sterk was naar buiten.
Maar buiten die Rende?... Heeft hij wondere uitslagen geboekt, en kwam de groote Ronsse te bij.
Hij won in 1931 de Ronde van Vlaanderen in den sprint, en als hij Bordeaux-Parijs niet won, dan kan Van Rijsselberghe het getuigen: 't is ter oorzaak van twee bandbreuken, die rekewijs kwamen, op 't laatste van den koers. Wat nu nog niet wil zeggen, dat Bernard Rijsselberghe dien wedstrijd als geschenk kreeg. Want tegen alle verwachtingen in, reed hij bijzonder goed achter de kleine moto's, die voor de eerste maal werden gebezigd als gangmakers. Maar 'k heb toch den indruk dat de overwinnaar zich in die koers ‘een deuk gegeven heeft’?... Want nadien?... Heeft hij nooit meer die hoogten gekend, die hij
bereikte in vermelde Bordeaux-Parijs. Dat werk achter die moto's, dat zoo sloopend was!
- Die moto's, zegde mij Mithouard eens, die zoo onverbiddelijk en zoo ongenadig konnen zingen aan het lied van den zwaarsten arbeid! En ge waart verplicht van onverstoorbaar te luisteren en op te letten. Want het duwen op de pedalen, was nu eigenlijk nog niet het lastigste, en het meest sloopende werk, maar die gespannen aandacht op dat achterwiel, dat men nooit, al ware 't maar één enkele seconde, uit het oog mocht verliezen, op gevaar af van er tegen te rijden, en te vallen, dat? Dat was feitelijk het lastigste! En gaf vreeselijke pijnen in rug en lenden, ter oorzake van de stijve en onveranderlijke positie, die ge in te nemen had.
En is 't soms niet bij dat sloopend werk, dat Van Rijsselberghe een deel zijner kunde en vermogen gelaten heeft?... Misschien wel!
* * *
Maar we komen op Romain Gijssels terug en zijn ‘wonderjaar’ van 1932, na gezegd te hebben dat hij in 1931 nog even den Wolberprijs won. Drie koningen van de baan die de zege betwistten in den sprint: Romain Gijssels, Georges Ronsse en Fred Hamerlinck!
De drie beste van onze baanrenners uit die tijden, en die met kop en schouders boven hun Fransche tegenstrevers stonden!
Ieder volger verwachtte zich aan de zege van Hamerlinck, of bij gebreke aan deze van Ronsse. Maar dat Romain Gijssels zoo rap was in den spurt?... Neen, niemand die 't wist. En toch won hij het met klank!
Maar 1932 was zijn wonderjaar.
Wij zien het nog gebeuren te Zottegem, in de Ronde van Vlaanderen. Nog zes renners aan de leiding: Gijssels,
Fons Deloor, Jan Aerts, Felicien Vervaecke, Kemper Horemans en Hamerlinck. Even buiten de stad, een lange helling. Gijssels zet zich aan de leiding, en tegen dat hij boven komt, heeft hij er vier uit het wiel gereden: Hamerlinck, Vervaecke, Aerts en Horemans.
Fons Deloor houdt stand. Maar te Erpe, in de kontrool, verloor Deloor nagenoeg 30 meter bij het teekenen van het kontroolblad, en die 30 meter achterstel?... Heeft hij nooit meer goed kunnen maken. Romain Gijssels was onweerstaanbaar! Lijk hij onweerstaanbaar was in Parijs-Robaais en Bordeaux-Parijs, waarin Frans Bonduel de tweede plaats behaalde.
Ik zei het al: we moesten terug keeren naar Ronsse's besten tijd, om op dergelijke uitslagen van een renner te kunnen wijzen.
- Het wereldkampioenschap? Dat zou en dat kon hij niet verliezen!
Zoo redeneerden wij, en al wie van die koersen iets af wist. Ook hij geloofde er aan. Daarom dat hij er zich speciaal voor wilde uitrusten en bereiden. Met dit inzicht ging hij zich te voren aan de zee vestigen, waar hij in alle eenzaamheid en rust leefde, in afwachting van het groote gebeuren.
Enkele dagen te voren, herbegon hij de oefening: kwestie van de lenigheid te bewaren. Maar de tert die lijk zoo zwaar geworden was, en de bewegingen zoo log, en zoo moeilijk. Het kwam hem voor dat de zee lood in zijn armen en beenen gegoten had. Hij was dezelfde niet meer van Bordeaux-Parijs en zijn andere koersen.
Wat was het dan?... Romain Gijssels die zelf 't antwoord schuldig bleef op de vraag. Hij kon maar niet begrijpen. Die rust, na de zooveel inspanningen, moest hem toch deugd doen, hem verkwikken en opknappen? Zoo dacht Romain, en zoo moesten allen denken die van de sport iets afwisten. Maar dat wereldkampioenschap kwam, en
den berg van de Roca di Papa, waartegen Gijssels niet op kon!
- Mijn fiets die lijk niet meer voorwaarts wilde... zei Gijssels, die er op liet volgen: wat mag het toch wel zijn?
- Ik weet het, schreef Joris van den Berg, enkele jaren later in zijn boek ‘Geheime krachten in de sport’: 't is het gemoed in den renner dat vastgeloopen was. Bij de rust aan de zee liet hij zijn gedachten aan de koersen los, en met de stemming ging er ook de forme uit.
Daarmee heeft Van den Berg willen betoonen, van welk een sterken invloed de geestelijke vermogens van den mensch inwerken, op de lichamelijke krachten van den athleet.
Wij gelooven vast aan de stelling van Van den Berg, maar of het ‘geval Gijssels.’ nu wel juist dat was?... En niet een voorbijgaande inzinking van lichamelijke vermogens, waarvan datgene gemaakt is, dat in sporttaal noemt: de forme?... Het raadsel is nooit opgelost geworden, zelfs niet door Romain Gijssels in hoogst eigen persoon. Genoeg en zooveel is 't, dat hij ‘niet goed ging’, in dat wereldkampioenschap, dat met klank gewonnen werd door Binda, die iedereen los reed bij de bestijging van den berg Roca di Papa.
Romain Gijssels is een groot kampioen geweest. Naast Binda en Guerra een der grootsten van zijn tijd. Maar op Ronsse en Van Hevel heeft hij dat achter, precies lijk Fons Schepers ten andere, en Hamerlinck: dat hij niet zoo lang op den hoogsten trap bleef staan, of beter, dat de draad zijner loopbaan eerder stukkend werd gesneden.
Anders een zeer sierlijk kunstenaar geweest, die bovendien van verstandelijk standpunt beschouwd, misschien wel het hoogst stond van de drie!