terug  begin  verderprepost
[p. 335]

In 1936, magere oogst

De meest schokkende gebeurtenis is geweest: de uitspraak van den rechter Cazalis, bij de aankomst van Parijs-Robaais, Hij gaf Speicher als overwinnaar, als 't meeste paart der toeschouwers het opnamen voor Romajn Maes.

- Tien centimeters ten voordeele van. Speicher,... zei Cazalis.

De Belgische sportjournalisten hadden het allen - zonder onderscheid - voor Maes. De Franschen waren zeer terughoudend, maar geen enkel die zich uitsprak tegen Speicher en Cazalis. Enkele dagen nadien verscheen er in ‘L'Auto’ zelf, van welker redaktie Cazalis deel miek - eene foto die heelemaal bleek te pleiten, in 't voordeel van Romain Maes die 't op alle tonen uitriep ter aankomst, en uitschruwelde, ‘dat hij won met minstens 15 centimeters’!

Maar wat Romain niet en nooit vertelde is 't volgende:

- Speicher, Rebry en Romain Maes vormden dus de drie leiders. En verdedigden ook alle drie de kleuren van Alcyon. Ludovic die 't hen had bevolen, op 30 Km. der aankomst: Mij is 't om 't even wie van u gedrieën wint, maar ge moet een onderling akkoord aangaan, om mekaar te helpen en te steunen, dusdanig dat niemand meer bij komen kan. Voor wat de geldelijke kant betreft, dat moet ge maar onder mekaar uitmaken ; best ware van elk uwe kans op winnen te gaan, maar te deelen wat er gewonnen wordt!

Rebry had niets in denpap te brokkelen bij den sprint. Het zou dus gaan tusschen Maes en Speicher. Deze laatste beweerde dat Romain Maes beloofd had, van hem te laten winnen, mitsgaders een grooter deel in de winst te krij-

[p. 336]

gen. En deze laatste die staande hield, dat hij nooit zijn woord gaf.

Wij maken niet uit wie van de twee won, en laten het bij de uitspraak, maar wat we met zekerheid kunnen zeggen is, dat op ongeveer 50 meters van de aankomstlijn, Speicher eene zwenking miek naar buiten-uit, waarbij hij Maes hinderde bij den sprint. En dat er van dezes klacht nooit rekening werd gehouden.

Omdat, zoo werd er nadien beweerd, men te weet gekomen was, dat er akkoord bestond tusschen Speicher en Romain Maes, en deze dan maar de gevolgen moest dragen, van de begane fout. Anderen wisten te zeggen dat Alcyon zelf tusschen gekomen was, en Maes geldelijk vergoedde, voor de geleden schade. Want Speicher weigerde nadien, van aan Maes maar iets af te staan, van de gedane winst. Genoeg en zooveel is 't dat die Parijs-Robaais alleszins een nasmaakje had, en dat het niet de eerste maal was dat de aankomstrechter eene uitspraak deed, die nadien fel werd besproken.

 

* * *

 

Elooi Meulenberg won dat jaar Parijs-Brussel, niet alleenlijk omdat hij de rapste was in den sprint, maar ook, en vooral, omdat hij zoo ongenadig te werk ging, en zoo onverbiddelijk was, bij het dwarschen van Charleroi, over de slechte steenen,

Meulenberg de rapste in den sprint?... Dat wisten we, en dat leerden we vooral in 't Wereldkampioenschap te Kopenhagen, en in de Ronden van Frankrijk die hij betwistte. Maar ook de sterkste en de geweldigste op een weg die lang was, en lastig?... Neen, zooveel waren we van hem niet gewoon en niet verwachtende! Ziedaar nu een renner van wien men gerust mocht schrijven: pourri de classe; dat beteekent: athletieke middelen te over, maar moreele te kort! Het faalde hem voornamelijk aan ijver, aan door-

[p. 337]

tastendheid, aan wilskracht, aan liefde voor zijn beroep!

Hij lag wat onder bij het beklimmen van de bergen. En niet zoo zeer omdat het hem faalde aan de lichaamlijke eigenschappen, maar wel aan de moreele krachten. Hij deed het niet geeren. Daarom dat het hem min wel ging. Jan Aerts was nagenoeg in 't eigenste geval: hij had een hekel aan 't beklimmen van Cols.. Maar op een dag zei hij het binst de Ronde van Frankrijk:

- Vandaag zal ik bewijzen van ook te kunnen klimmen als 't moet!

En Aerts won Luchon-Pau.

Meulenberg kreeg van moeder natuur al wat er noodig was, om eene onzer grootste en meest befaamde renners te worden. En indien hij het niet werd, dan kan hij het gerust voor zich zelf getuigen:

- Omdat ik niet sterk genoeg wilde!

 

* * *

 

Uit Bordeaux-Parijs van 1936 herinner ik me nog een zeer treffend en pijnlijk oogenblik.

Romain Gijssels, alhoewel nog een jonge renner, was al ‘op den weg terug’. Niemand die 't kon zeggen waarom, en hoe het kwam. Want hij was ernstig, verstandig, en leefde voor zijn beroep. In dien Bordeaux-Parjs zou hij een ‘al of niet spelen’. Hij zou er weer boven op komen. Dat hoopte hij ten minste. Want hij had zich met zorg en met ijver geoefend en bereid.

Tusschen Angerville en Orleans wilde hij opgeven. Maar zijn vriend Pierre Buyle die met ons volgde en waakte, wilde het beletten.

- Ik kan niet meer Ik ben op! Glad-op!

Meer zegde hij niet, maar begon te weenen. Pierre liet zich echter niet vermurwen en...

- Maar 100 Km. meer en ze brengen u minstens

[p. 338]

6000 franken op! Die moogt ge niet te grabbelen gooien!

En Pier die Gijssels in den zadel zette. Deze keek even op, lijk iemand die wil vragen: wie dan heb ik wel mis-daan?... Maar dat sprak hij niet uit, en instinktmatig reed hij verder.

En die blik in zijn oogen?... Die wanhoop die er in te rapen lag?... Die pijnlijke, triestige indruk die van hem uitging, die vergeet ik van mijn leven niet! Ik had er zoo oneindig veel deernis mee, lijk ik hem ten slotte algelijk nog bewonderen moest.

Deernis. Omdat hij zoo moe was, zoo óp, zoo àf, en zoo geeren zou opgegeven hebben, om een strijd te staken die hij toch niet halen kon, niet halen zou, doordien dat hij te ongelijk was! Maar hij reed voort, omdat Buyle, omdat ik het hem zegde en beval! Omdat het geschreven staat in de harde wet van zijn beroep!

We bewonderden hem, omdat hij, levend wrak, algelijk gehoorzaamde. Maar dat gehoorzamen kwam niet uit zijn wil, of begeerte, het kwam omdat... ja, wist hij zelf waarom hij voort deed?... Lijvelijk was hij gebroken. Zedelijk geknakt. Misschien zocht hij te redden wat nog te redden was. Want in zijn diepste binnenste moet hij het op dat oogenblik hebben gevoeld: tijd van komen, tijd van gaan!

De harde wet van 't leven!

prepostterug  begin  verder