terug  begin  verderprepost
[p. 343]

Prachtige uitslagen in 1937

Parijs-Robaais van 1937 kwam. De Franschen hoopten op de zege van een hunner renners, wij rekenden op de onze. Dat het een Franschman of een Vlaming zou zijn, daarvan waren we zeker Maar ten slotte won de eenige Italiaan die mee dong: Rossi!

Ik herinner me een artikel over die Parijs-Robaais te hebben geschreven, waaraan we 't volgende ontleenen:

Iemand die koersen volgt, om iets meer te doen, dan er op te kijken met het bloote oog, weet na elk van die koersen iets te vertellen, van wat hij er leerde. Omdat er altijd iets nieuws is, iets anders. En gelukkiglijk, anders zou de sport te rangschikken zijn bij stukken stof die men meet, en biefstukken die gewogen worden. En die dingen, de stof en de biefstukken trekken toch maar aan, als men geen broek meer heeft om aan te doen, of dreigt te vergaan van den honger!

In de sport echter zit er 'n ziele die de heffende macht is, en de stuwende kracht. En zoo lang of we er de ziele kunnen in houden, zal de sport niet vermaterialiseeren, niet ontaarden, en dienvolgens niet vergaan. We moeten er de opleidende, opvoedende kracht in houden, anders zou ze ophouden van nuttig te zijn, en van noode.

Iemand die wil beroeren, bewegen of beïnvloeden, moet met de ziele spreken. Maar om met de ziel te spreken, moet men in de ziel gaan kijken. En dat hebben we, op dat stuk weg van Arras naar Robaais.

't Is daar dat Rossi zijn meesterschap scheen te leggen, in eene ontvluchting die gebroken werd door een gesloten ijzerenwegbareel.

In den loop van de jaren leerden we Rossi waardeeren. Al laten we ons niet overhalen, ter wille dier onverwachte

[p. 344]

overwinning, hem hooger te stellen dan moet. En toch is er weêral iets uit te leeren. Namelijk dat Italië ten allen tijde renners had, en nog heeft, die meer en beter presteeren in 't buitenland, dan in eigen streek.

Ten tijde dat Girardengo, Brunero en Belloni in Italië blinkende sterren waren, was Bottechia slechts een flikkerend lichtje. Maar deze laatste klom met de vlagge van de zege op de Fransche Alpen en de Pyreneeën, waar de Brunero's en andere Girardengo's bleven voren staan! Omdat ze er niet op konden!

Zijn dat geen wonderbare verschijnselen die doen nadenken, doen zoeken en tasten met de oogen van de ziel?

Ik zeg dat de sport zoo rijk is aan kleuren, aan verscheidenheid, aan leerrijke dingen, maar men moet dieper gaan kijken dan op de schouders en naar de beenen. Men moet in de ziele gaan zoeken, en zekere inspanningen ontleden.

 

* * *

 

't Is Albert Bekaert die Parijs-Brussel won. Een renner van wien we zouden willen belijden, lijk van Michel Dhooge: hij ging heen, en we weten niet eens wat hij te zeggen had!

En daardoor verstaan we, dat de loopbaan van Bekaert op zeer korte tijd eene duizelige hoogte nam, maar dan zoo onmiddellijk een kringloop miek naar beneden, waar hij bleef hangen, zonder dat we kunnen zeggen hoe het kwam.

We vergelijken hem aan Michel Dhooge. Die vergelijking echter telt maar voor zoo ver of het betreft, dezelfde lijnen die door die wederzijdsche levensloop als renner gaan.

Want Bekaert was niet een gesloten dag, lijk Dhooge, maar wel eene warme, lachende zon, met open wezen en

[p. 345]

oogen waarin te lezen stond: ik ben zoo blij van te leven en gezond te zijn!

Door vader en moeder op 't kruispunt van 't leven gezet met de vermaning:

- Jongen, ge zijt gezond, ge zijt sterk, omdat ge van een gezond ras zijt; ge moet nu maar zien dat ge bij middel van die sterkte en die macht, u een weg baant door 't leven en de wereld!

Albert Bekaert is niet een serrebloem, of een prachtboom uit een rijken hof. Hij is een eik die groeide uit de veie grond en in de gezonde lucht van Vlaanderen, met een kruin die te waaien stond, in de gure wind van 't blonde Noorden!

Renners lijk Bekaert, die doen denken aan kleppers die winnen omdat ze sterk zijn, lijk hanen kraaien omdat het ochtend is, en baren rollen omdat ze van de zee zijn! Kerels die gemaakt zijn over winter, en getemperd in de smisse van te lande, waar dat de koude door de spleten van de deure komt, en de wind in de schouwe zingt!

 

* * *

 

Ik weet niet of gij Jef Somers kent?... Ik in elk geval niet meer en niet beter dan gij. Ik weet dat hij Bordeaux-Parijs won van 1937, en dat hij het zei van daags voordien: ‘Die koers? Die win ik. En ge moet er niet een oogenblik aan twijfelen.’

Was tegen zijn Sportbestuurder Pierrard, die hem daarop vroeg: ‘of hij wel wist wat het beteekent, 600 Km. achter een motor?’

- 'k Weet er niets van, maar 'k weet dat ik winnen zal!

[p. 346]

En hij won. Om te zeggen dat het moeilijk is, om zulke typen te leeren kennen.

Ik heb hem persoonlijk vorengesteld aan Pierrard, voor dien Bordeaux-Parijs, maar 'k voegde er bij:

- Een van wien ge alles kunt en moogt verwachten, zoowel het beste als het slechtste. Hij heeft een onstandvastig karakter, maar hij heeft ook enorm veel athletieke vermogens. En 't ergste, ge kunt niet eens vinden waar ze zitten, want hij heeft noch buik, noch bil, noch armen noch beenen, noch breede borst, noch zware schouders. Maar hij heeft een binnenste dat sterk is!

En hij trok naar dien Bordeaux-Paris, lijk iemand vogelen gaat vangen, of paling visschen! Zonder meer! En hij kwam terug om te zeggen: ik heb gewonnen, ja, maar of dat nu zoo wonderbaar is? Ik startte de laatste achter mijn moto. Maar 'k sprong van de eerste keer in de derde positie, en dan zei ik: hier zijt ge vergenoeg, voor 't oogenblik althans. Bonduel leed bandbreuk, en ik kwam in tweede positie. Ik kreeg het zoo. En dan? Halfwege, Lapébie had eene inzinking, en toen zei ik: wat rapper - 't was tegen mijn gangmaker. En 't overige? Ge kent de omgeving van Dourdan, dat me min of meer uit den haak snakte. Ik wist me ver voren, en was daarom niet haastig. Maar te Versailles kwam men mij zeggen: Thiétard heeft maar 2 minuten achterstel meer ; dan: maar 1 minuut, meer. En 'k snakte er een vloek uit, en tegen mijn gangmaker zei ik het: rapper, nog rapper! Want toen? Kon ik juist zoo snel rijden als bij den uitzet!

- En nu, vroegen we hem na afloop?

- Ja, nu, weet ik het? Ge zegt me dat ik nu 70.000 franken rijker ben als te voren. En 'k ben al aan 't uitrekenen wat ik met dat fortuin ga doen!

Tot daar Somers, en Pierrard die er bij voegde:

- Nooit te voren zulk een renner gekend. Weet ge dat hij een groot gedeelte van den afstand aflegde, al fluitende

[p. 347]

en zingende op zijn rijwiel? Anderen zaten te zwoegen en te zweeten, en gingen onder in dien wervelwind van snelheid achter die motoren. Hij, Somers, vond het zoo eentonig en zoo langdradig, en daarom zocht hij afwisseling en afleiding in 't fluiten van 'n deuntje, en 't zingen van een liedje! Neen, zulk een klepper nog niet dikwijls tegen gekomen!

En lijk hij daar was, vóó, in en na Bordeaux-Parijs, is Somers gebleven: rijk aan athletieke kunde, maar arm aan standvastigheid.

God schept den dag en we gaan er door!

'k Weet niet van wie die spreuk komt, maar z'is voor Somers gemaakt lijk 't water voor de visschen!

prepostterug  begin  verder