In Antwerpen-Gent-Antwerpen van 1937, iets gezien van Gerrit Schulte, dat me dikwijls heeft doen denken aan Henri Van Lerberghe en zijne Ronde van Vlaanderen van 1919.
Schulte won dien Antwerpen-Gent-Antwerpen niet, maar later heeft hij wel koersen gewonnen, en veel, waarin hij niet zulk een meesterschap betoonde. Of beter, neen, dat was geen meesterschap, dat was... ja, wat was 't nu?... Hij ontliep de groep te Lier, zonder te duwen. Tusschen St. Niklaas en Lokeren, te Oordegem, te Aalst, en altijd en overal, al ‘wandelende’, en zonder te weten of te vermoeden dat hij dingen deed, die hij later nooit meer zou kunnen, of vernieuwen!
Wat het was? Het vat van zijn lichaamlijk vermogen dat boordevol zat, en overliep! Dat moest overloopen, omdat de wereld waarin hij bewoog zoo klein was, in vergelijk met de oogen zijner begeerten!
Mithouard heeft maar één Bordeaux-Parijs gewonnen. Omer Huysse klom maar één maal zoo gezwind op het Aubisque-gebergte. Zal Schulte nog ooit kunnen of presteeren, wat hij in dien koers vermocht? We gelooven het niet. En als hij het nog kan dan zal hij niet meer willen, omdat hij te slim zal geworden zijn!
Men zei hem na afloop: waarom al die nuttelooze pogingen?
- Pogingen? Welke pogingen?... Omdat ik lust had van wat rapper te rijden dan dezen die bij me waren?... Waarom zou ik me zelven dat genot ontzegd hebben, vermits ik er deugd aan had, van de tegenstrevers te hooren tempeesten, ‘omdat ik weeral uitliep’?...
Zulke dingen? Dat doet men als men oer-sterk is, en over-gezond, als men niet weet wat gedaan met de weelde van de macht, en de kracht eener speelsche jeugd!
Schulte heeft nadien bewezen dat hij eene der grootste renners van zijn tijd was, en in zijne specialiteit. Want hij verzeilde naar de piste, en was er een uitblinker. Maar dingen lijk hij verrichtte in den koers waarvan hooger spraak, dat kan men niet alle dagen. Toen Gaston Rebry zijn derde Parijs-Robaais won, zei hij: ‘Eindelijk, ik kan nu weer rijden lijk toen ik 24 jaren oud was, zoo rap als ik maar wil, zonder te voelen dat ik moet duwen’!
Schulte zal het misschien nadien ook nog wel hebben gevraagd: wanneer zal ik weer eens kunnen, lijk op dien dag van Antwerpen-Gent-Antwerpen!
* * *
En tijdens dat eigenste jaar, een derde en ander ophefmakend verschijnsel, of beter, een renner naar wie we verwonderd en bewonderend opkeken: naar Lucien Storme in Parijs-Robaais.
We zien hem nog rijden tusschen Seclin en Wattignies, op dien zijweg zonder velopad, maar met een wegelke in de grasbaan, waarop men rijden kon achter, maar niet nevens mekaar. Storme lag op kop. Hij duwde een ietske meer, en... en de tegenstrevers die achter bleven. Hij zelf was er van verwonderd. En was er benauwd van. Want hij bedacht zich: alleen, en nog zoo ver van Robaais. Daarom dat hij vertraagde en de anderen liet bijkomen.
- Want de wind blies nu zoo ongenadig en onverbiddelijk van uit tegenovergestelde richting, dat al wie zijn kop dierf steken buiten het venster van zijn groep, lijk den adem afgesneden werd.
Stan Lauwers deed er de koers van zijn leven. Maar Moest het afleggen ter oorzaak van bandbreuken. Tijdens de laatste 25 Km., maar vijf renners meer die over bleven, om den strijd uit te vechten: Lauwers, Oubron, Sylveer Maes, Hardiquest en Storme. Maar deze laatste die ze allen stukkend reed, een voor een. Hardiquest bleef nog over, op 5 Km der aankomst, als Storme bandbreuk leed. Zijn sportbestuurder gaf hem een wiel. En in min dan 2 Km. liep hij Hardiquest in, om hem te verwinnen in den sprint, van zooveel of van zoo ver of hij wilde!
Of Storme dat nadien nog ooit heeft gedaan?... Neen! Of hij nog kon? Misschien wel, om niet te zeggen zeker, want in dat sterk lichaam zaten er ongetwijfeld verborgen krachten, die nooit aangetast werden. Maar hij was nu ook zoo passief, zoo weinig wilskrachtig. Hij reed met de macht, en hij reed rapper dan d'andere, omdat hij het niet wist, niet voelde. Anders? Hij was partijganger van ‘zoo weinig mogelijk uitgeven, om zooveel mogelijk te doen inkomen’.
Storme zal door Ons Heere twee maal bediend geweest zijn van macht en gezondheid, maar niets gekregen hebben uit den winkel van energie en wilskracht!
Spijtig dat zulke ‘Stormen’ zoo gemakkelijk gaan liggen! En zeggen dat er zooveel jongens zijn, die met veel min athletieke vermogens, eene fortuin vergaard hebben!
* * *
Medard Barbe won dat jaar al wat hij betwistte. Toen was hij Onafhankelijke en onklopbaar. Hij wordt beroepsrenner, doet een Parijs-Tours, waarin hij best presteerde, en dan... 't Is gedaan geweest! Hij ging wonen in 't zelfde straatje van Storme, maar in een ander huis!
Marcel Kint won Parijs-Brussel. 't Was 't jaar der jongeren. Maar of het Romain Maes niet zou geweest zijn, zonder die vergissing in den sprint?
't Is Kint zelf die 't na afloop zei:
- 'k Heb goed gereden, maar ook een paar minuten geluk gehad, zonder dat was 't Romain die won.
- Hoe dat kwam?... Wel Romain Maes die naar de eindmeet sprintte, en won met wel 10 lengten voorsprong, als we voor de eerste maal over de meet bolden. Toen hadden we nog maar een halve ronde van den Omloop gedaan, en het reglement dat zei: ‘een ronde en half!’
De koersleiders en het publiek hadden goed te schreeuwen en te schruwelen tegen Maes, want eer hij opnieuw in den zadel zat, en in gang gekomen was, waren zijne tegenstrevers al voorbij. Hij haalde de eene na de andere weer bij, uitzondering gemaakt voor Marcel Kint, die won met een tiental meters. Romain Maes tweede!
't Jaar voordien verloor hij op eene ‘jammerlijke wijze’ Parijs-Robaais ; Parijs-Brussel bij... bij vergissing zullen we maar zeggen!
En 't was des te spijtiger omdat hij eene inzinking te boven te komen had, - gevolg zijner Ronde van Frankrijk van 1935 - die hem even zooveel naar de ziel als naar het lichaam ontredderde!
- Maar 'k heb toch een troost, zei hij na afloop: van te weten dat ik opnieuw goed rijd!
En naast zijn troost lag er voor ons eene hoop: in de jonge maar zooveel belovende Marcel Kint, die ten andere enkele weken later op schitterende wijze het Wereldkampioenschap won!
* * *
De inrichters van Bordeaux-Parijs hadden het voor goed geleerd, en onthouden: hun wedstrijd was te veel geworden een pistekoers voor baanrenners. Daarom dat de manier van gangmaken weeral eens veranderd werd. Het zou gaan achter het Derny-Rijwiel, een gewone fiets dus, maar waarop een motor werd geplaatst om de snelheid te kunnen verhoogen.
Het was weeral een nieuweling die den wedstrijd won, namelijk de Fransche renner Laurent.
Veel schoone dingen gezien in dien koers, waarin er. zooveel meer werd gevraagd van den athleet, en min van den ‘gemekaniseerden mensch’, De snelheid verlaagde maar de athletieke verdienste stond veel hooger.
Schoone dingen gezien, zeggen we. Lijk van Trialoux, de Sportbestuurder van Stan Lauwers, die zijne tranen niet bedwingen kon, toen hij het vertelde: zonder die bandbreuk, zou mijn renner gewonnen hebben!
- En zou ik denkelijk mijne plaats hebben veroverd in de Ronde van Frankrijk!... Kwam van Lauwers zelf, die er aan toevoegde: want 'k heb vrouw en kinderen, en... en die moeten eten!
Emiel Masson-vader die zijn zoon tot gangmaker diende. Diezelfde Masson die, 15 jaren te voren, zegevierend het Prinsenpark van Parijs binnen reed, in den eigensten Bordeaux-Parijs!
Wat zal hij beleefd hebben aan roerende en treffende herinneringen!
We zien Rossi nog rijden vóór Tours: hij geleek een zwevenden arend in de zonnige luchten. Maar rond Orléans?... Daar verloor hij een zijner vleugelen en... en hij stuikte ten gronde!
René Walschot, wier haar nog blonder is dan het zand van de zee, en die zoo moedig streed, hij de David, tegen die Goliath die ook Laurent noemde!
Lauwers moest van zijn rijwiel genomen - zoo àf was hij. En Masson?... Hij keek rond lijk iemand die bedronken geweest is, en geslapen had, zoodat hij niet meer weet wat er gebeurde, en waar hij was!
Schruwelijk en schoon dien Bordeaux-Parijs.