
Bl. 381.
Onder dezen titel is onlangs door den heer Hoffmann von Fallersleben, professor by de universiteit van Breslau, en door my, een boekjen in het licht gegeven, waerin verslag wordt gedaen van drie gedichten uit de negende eeuw, gevonden in een handschrift der abtdy van Elno (St-Amands), thans berustende in de bibliotheek van Valencyn. Deze gedichten zyn I. Een latynsch vers ter eere van de H. Eulalia, van zevenentwintig regels, den titel daeronder begrepen; II. Een berymd opstel van 29 versen in de romaenfransche tael, op de marteldood derzelve heilige, en III. Het beroemde oudduitsche zegelied wegens de overwinning ten jare 881 op de noordmannen behaeld door koning Lodewyk den derde, zoon van Lodewyk den Stamelaer, in 118 versen, welk laetste gedicht men verloren achtte, sedert Mabillon daervan een afschrift maekte, hetwelk Schilter in het jaer 1696, met de menigvuldige schryffeilen daerin voorkomende, voor de eerste mael heeft laten drukken.
Daer deze gedichten, naer alle waerschynlykheid, in het Henegouwsche zyn opgesteld, en dus tot de letterkundige geschiedenis van Belgie behooren, zoo acht ik het niet ongepast dezelve alhier met myne vertalingen en eenige aenmerkingen in te lasschen, benevens het facsimile van het schrift.
Reg. 1 Her, heer; schoon men het ook voor het hoogd. er (hy) nemen kan. Ik verkieze het eerste, om dat heet, zonder byvoeging van hy, een oudere vorm oplevert. Men schreef voor heer hêrro, hêrre en herre (hier by contractie her): zie Grimm's Deutsche Grammatik, III, bl. 320.
Reg. 3 Sar, terstond, kort daerop. Vergelyk Grimm's Grammatik, III, bl. 213 en Hoffmann's Fundgruben, I, bl. 388.
Reg. 3 Buoz, geboet, gebeterd; van Boeten, reparare. In het Glossarium van Scherzius-Oberlin heeft men deze voorbeelden: Buos wird mir, compensatur mihi; mir werd kummers buos, dolor mihi levatur. Men zegt nu baten, voor het oude boeten, in den zin van goed-doen.
Reg. 4 Holoda, holde, houdde, suscepit. Iemand holt of houd zyn, was iemand liefhebben. Zie Vander Schuren's Teuthonista, op het woord Holt, en mynen Reinaert, op Vs 2257.
Reg. 4 Inan, het hoogd. ihnen, hem.
Reg. 4 Truhtin, de heer. Kiliaen stelt Trutin, Deus. In het Yslandsch drottinn, deensch drot (heerscher), en dronning (koningin).
Reg. 4 Magaczogo (Maga-czogo), kindleider; van mag, Gothisch magus, zoon, kind; en van togen, trekken. Maegd, als contractie van maget, komt van dit mag.
Reg. 5 Dugidi, deugden; doch niet in den zin gelyk wy nu dit woord verstaen; maer als afgeleid van deugen (valere) en dus hier eigenschappen waerdoor men deugt.
Reg. 5 Fronisc, vroonsche, dienstgetrouwe. Wegens vroon, vroondienst, en wat dies meer zy, kan men raedplegen by Bilderdyk, Verhandeling der geslachten, nieuwe uitgave, bladz. 203.
Reg. 5 Githigini. Als of men zeggen zoude getyg, getrek, gevolg; van het verbum tigen, nu tygen.
Reg. 6 Stual, stoel, koningszetel.
Reg. 8 Czala, tal, hoogd. zahl. Al heb ik vertaeld een aental zoo is 't echter letterlyk die of dit tal.
Reg. 8 Uuunniono, genitief van wunne, nederduitsch wonne of wonst, by Kiliaen gaudium; waertoe ook wonnemaend, de meimaend.
Reg. 10 Tholon, dulden, lyden; eveneens als in de Niederdeutsche Psalmen aus der Karolinger Zeit, uitgegeven door Vonder Hagen, Ps. LVIII, Vs 7 Hungger tholon also hunda.
Reg. 11 Lidan, lyden, trekken. Naer de eeuwigheid overgaen wordt dus nog overlyden geheeten. Zie boven bl. 109, Vs 1, bl. 110, Vs 5 en bl. 277, Vs 23.
Reg. 12 Thiot, diet, volk; weshalve dietsche of duitsche tael gelyk staet met volkstael.
Reg. 13 Sum sar uerlorane. By dit vers wordt het woord uuurdun (worden) van het volgende vers, onderverstaen.
Reg. 14 Haranskara, anders Haramskara, smadelyke bejegening, geeseling, en geenzins hair-scheering, als velen hebben geloofd. Zie over dit oude woord Grimm's Deutsche Rechtsalterthümer, bl. 681.
Reg. 14 Ther er misselebeta, die eer mis-leefde; die voorheen zondigde.
Reg. 15 Thanana ginas, danen genas, daervan verlostte (vry werd). Men zei eertyds: die vrouw genas van eenen zoon, voor zy baerde eenen zoon. Wegens Thanan (indè), leze men Grimm's Deutsche Grammatik, III, bl. 173.
Reg. 16 Sidh, ons oud sident, sedert; in Vlaenderen sichtent.
Reg. 18 Inder, (ind-er) ende hy, Gebuozta sih thes, geboette (beterde) zich des.
Reg. 19 Eruirret, oudnederd. ververret, vervoerd (van zinnen). By Kero: Si eruirrit, auferatur.
Reg. 19 Girrit (ge-irrit), verdoold; van irren, erren, by Kiliaen errare. Uit een Geldersch plakkaertboek haelt Van Hasselt aen: allen onverstanden, irrungen ende gebreken. Andere voorbeelden van girrit staen by Graff, Althochdeutscher Sprachschatz, I, bl. 454, 455.
Reg. 20 Leidhor, leider! - Eene oude uitroeping, waervoor wy nu O wee! zeggen.
Reg. 21 Uuisser (Wiss-er) weet hy.
Reg. 22 Tharot, daer, illuc; waer tegenover staet huarot. Zie Grimm, Gramm. III, bl. 174.
Reg. 24 Heigun, hebben. In Vlaenderen hoort men nog: hy heit en zy heijen, voor hy heeft en zy hebben.
Reg. 26 Rette, belette. Redden zou eigenlyk weren, fr. défendre, zyn.
Reg. 26 Al thaz thu gibiudist, in 't oudnederduitsch: Al dattu gebiedest.
Reg. 28 Ingagan, tegen, jegen; hoogd. entgegen.
Reg. 30 Quadhun, spraken; van quedhan of quethan, gelyk het woord voorkomt in de Niederd. Psalmen aus der Kar. Zeit, Ps. LX, Vs, 9: So sal ic louan-quithan, zoo zal ik lofzeggen. Later schreef men quedden, vanwaer het freq. kwetteren. Zie Reinaert, Vs 1108, 2390.
Reg. 30 Fromin (Fro min), myn heer. Fro, gotisch fráuja, oudsaksisch frôho, angels. fréa, oudduitsch fro, is dominus, en het daervan afgeleide vrouw thans nog domina. Meer voorbeelden van fro min zyn aengewezen by Grimm, Gramm. III, bl. 320.
Reg. 32. Notstallon. Elders leest men notgestallen (Fragmentum de bello Caroli M. contra Saracenos, by Schilter, Vs 2659), de zulken die in nood zich by iemand stellen; volgens Scherzius-Oberlin, Auxiliatores in necessitatibus. By Kiliaen vindt men slechts Noodstal, statumen.
Reg. 33 Ioh, de conjunctie en, gothisch jah; ysl. ok, deensch og, zweedsch och; met onze nederlandsche woorden ook en nog (n-och) verwand. Vergelyk Grimm's Grammat. III, bl. 272-274, waer men vindt dat het fr. aussi uit ook-zoo (contr. ogso, osso) geworteld is.
Reg. 34 Uncih (unc-ih) tot ik. Later unz, oudsaksisch unti, angels. odh, deensch indtil, engelsch until. Het woord is onzer tael niet vreemd: Huydecoper (op Stoke, I, bladz. 179), las in het Utrechtsch plakkaertboek: Ont der tijt toe dat, voor tot der tyd toe dat. Men heeft almede het oude onthier.
Reg. 34 Gineriti, redde; van generen of neren, solvere, salvare, fovere, recreare; ysl. naeri, anglos. nerian, deensch noere. Zie Kiliaen op neeren en Scherzius op neren.
Reg. 36 Godes holden, godsgetrouwen; zynde holt of houd genegen, gunstig, lief; waeruit volgt dat ons hulde eigenlyk genegenheid is. Zie boven de aenmerking op regel 4.
Reg. 37 Giskeret, gescheret, beschoren; van bescheren, by Kiliaen proefinire, praestituere, destinare.
Reg. 37 Hier uuist, hier-wezen, hierzyn; ons bestaen hier op aerde.
Reg. 39 Uuer, het hoogduitsch wer, wie.
Reg. 39 In ellian, in iever; van Ellinon, aemulari, waertoe ook elle behoort, dat is, sterkte, dapperheid. Zoo leest men in Gottfried von Strassburg's Tristan, Vs 7010:
Vergelyk Graff, Sprachschatz, I, bl. 203.
Reg. 41 Kunnie, geslacht, familie; by ons alleen nog gebruikelyk voor sexus.
Reg. 43 Uuolder (wold-er) wou hy.
Reg. 43 Errahchon, wreken (ver-reken, ver-raken), hoogduitsch rachen.
Reg. 44 Buro lang, niet lang. Later schreef men porlange, eveneens als men ook porvile had, voor niet veel, poregrôz voor niet groot, en porguet voor niet goed. Vergelyk Hoffmann's Fundgruben, I, bl. 361 en Grimm's Gram. II, bl. 550, 551. Door Ypey (Beknopte Gesch. der Nederl. tale, I, bl. 271) en Van Bolhuis (De Noormannen in Nederland, tweede stuk, bl. 52) wordt dit buro verkeerdelyk van gebeuren afgeleid.
Reg. 46 Lioth frano, heilig lied, in 't oudnederduitsch vroonlied. De Teuthonista verklaert hijllich door vroen. Zie ook Van Hasselt op Kiliaen, II, bl. 772.
Reg. 48 Uuig, wijch, oorlog; gelyk wijgant krygsman was. Zie Van Heelu, op Vs 5925.
Reg. 50 Thegeno, degen, held (nu zwaerd). Vergelyk Kiliaen verbo deghen, en Bilderdyk's Verklarende geslachtlijst, I, bl. 142.
Reg. 51 Gekunni, aengeboren. Zie de aenmerking op regel 41.
Reg. 52 Thuruh, door, hoogduitsch durch.
Reg. 53 Ce hanton, te hant, thans. Zie boven bl. 280, Vs 100.
Reg. 54 Lides, dranks. Het substantivum lide, gothisch leith, is in zyne samentrekking ly nog overgebleven in ly-koop, de drank welke men by openbare verkoopingen ten beste geeft (in Vlaenderen heet het wyngeld). Over dit woord kan men nazien Von Schmid, Schwäbisches Wörterbuch, bladz. 557.
Reg. 54 Hio, ons oud ie, ye of je, immer, ooit; waerover Huydecoper op Melis Stoke, II, bl. 215.
Reg. 54 Thes libes, des lyfs. Dat lijf leven beduidt, heb ik aengetoond by Van Heelu Vs 136, Reinaert, Vs 236, enz.
Reg. 56 Iah, zeg, beken; van Iehan, fateri, dicere, nieuwhoogduitsch jehen; weshalve ons ja-zeggen of be-jaën eigenlyk bekennen, affirmare, moet wezen. Vergelyk Graff, Sprachschatz, I, bl. 581-587.
Reg. 59 Gihalte, houdt, hoogduitsch erhalte.
Reg. 59 Ergrehtin, eergerechten, eerrechten. Het woord komt by Otfried zeer dikwyls voor, en by Graff, l.c. I, bl. 444 heeft men eragrehti.
De gapingen van het handschrift, in de regels 57 en 58, zouden, naer het gevoelen van den heer Hoffmann von Fallersleben, op de volgende wyze kunnen aengevuld worden:
Uuolar zou dus voor uuola-r (wola er) te nemen zyn; abur is het hoogduitsch abermahls, andermael; garo, bereid (gaer), en thurft ons oud woord durft; van durven, derven (opus habere, indigere). Ten aenzien
van wigosalig (krygszalig) zal ik doen opmerken dat zalig eigenlyk zooveel als ryk, of in eene ruime mate bezittende, te kennen geeft. Zie Weiland op het woord. De gemelde twee regels kunnen derhalve vertaeld worden:
Men gelieve myne vertaling van dit zegelied te vergelyken met die van Schilter, van Van Wyn of van Bolhuis, om te zien hoezeer zy van de hunne verschilt, en om te bezeffen hoe gewichtig de ontdekking van den heer Hoffmann is voor de duitsche letterkunde in het algemeen.
J.F. WILLEMS.