terug  begin  verder
[p. 57]

Van der zielen ende van den lechame,
een oud gedicht,
en bedenkingen daerop.

Wy hebben onlangs, onder de archiven van een liefdadig gesticht, een geheel en een geschonden half vel parkement ontdekt, groot in-8o, welke beide dienden voor scheurbladen aen eenen bundel rekeningen van de jaren 1521 tot en met 1532.

Het geschonden half vel draegt, op de eerste zyde, in roode letteren, den nummer lxxxvij en het geheel blad den nummer lxxxviij, hetgeen bewyst dat zy beide van een en hetzelfde handschrift deel gemaekt hebben. Op elke der vier zyden van het geheel blad zyn er, in drie kolonnen, honderd vyftig regelen. Het half vel is, in het midden, van boven naer onder, doorgesneden; dus dat de middenkolonnen der twee zyden onvolmaekt zyn, en dat op de eerste zyde, de derde kolonne, en op de tweede zyde, de eerste kolonne ontbreken. Het handschrift komt ons voor te zyn van de 15e eeuw.

Op het geschonden half blad en het geheel, leest men in 450 regels, het vervolg en het einde van een gedicht, hetwelk betrekking heeft tot eene geschiedenis uit de middeleeuwen, en waerin den minnehandel van eenen ridder en de nicht van eenen hertog, welke kasteleine was van Vergy1, beschreven wordt. De namen van den

[p. 58]

eenen en van den anderen (den laetste was waerschynelyk eenen der oude hertogen van Bourgondien), vinden wy niet in dit fragment. Van deze kasteleine wordt het volgende gezegd:

 
...... ‘Alst cam tenen chinese,
 
Dattie hertoghe hilt vul hof,
 
Omme te hebbene ere ende lof,
 
Ende sende boden uut, menegerande,
 
Omme al de vrouwen van den lande,
 
Ende omme sire nichten, diere woonde bi,
 
Die casteleine van Vergy1.’

Achter dit fragment van het eerste dichtstuk volgde een ander, waervan slechts twintig regelen zyn overge-

[p. 59]

bleven. In deze wordt gesproken van de bruiloft van Kanaan, in Galileën, op welke Christus het water in wyn veranderde: den schryver eindigt aldus:

 
‘Die dit hevet gescreven
 
Onse here mochte hem geven
 
Dat hi te hemele werde verheven
 
Ende wi alle hem beneven; amen.’

Nu volgt, onmiddelyk, beginnende op de derde zyde van het geheel blad, eene brok, bestaende in 278 regelen, en getyteld, in roode letteren: Van der ziele ende van den lechame.

En, daer er, achter het werkje geheeten Theophilus, gedicht der XIVe eeuw, uitgegeven door M. Ph. B.1, onder ander, volgt een rymwerk, hetwelk ook voor opschrift heeft: Van der zielen ende van den lichame, een abel dinc ende een edel leere, inhoudende 344 regelen, en dat het fragment door ons ontdekt, en den zelfden tytel voerende, deelmaekt van een ander afschrift van het eerst-gemelde rymwerk, zoo denken wy, aengezien er, hier en daer, tusschen de twee stukken eenig verschil bestaet, dat het niet vruchteloos zoude zyn het een met het ander hier in vergelyking te brengen.

[Het was ons niet wel mogelyk de twee teksten op dezelfde bladzyden, tegen over elkanderen te laten drukken; daerom laten wy hier de vergelyking der twee stukken, het een onder het ander, volgen, benevens de woordverklaringen, die er door den uitgever van dit tydschrift bygevoegd zyn en meestal moeten toegepast worden op den bovensten tekst.]

[p. 60]
Fragment door ons ontdekt:
1
Eens nachts, in eene winter tide,
2
Als over al de werelt wide
3
Was alle dinc van ruste blide,
4
Quam mi te voren van enen stride,4
5
In minen slape daer ic lach,
6
In visioene dat ic sach
7
Ene ziele, die groot hantgeslach
8
Maecte, ende dicken riep: ‘O wach!’8
9
Bi den vate was soe gestaen9
10
Des lechamen, daer soe ute was gegaen.
11
Soe was met menegen zonde bevaen;
12
Soe seide dat hijt al hadde gedaen;
13
Soe sprac, alsoot haer geboot
14
Hare anxene ende hare noot:
15
‘O vule vleesch, nu liggestu doot,
16
Die wilen hads de weilde groot!16
17
Di daden ere rike ende gediede,17
18
Dor dinen hulde, dor dinen miede.18
19
Waer es nu dine mesniede?19
20
Dine volgen nu niet veile liede;

--------------------------------------------------------

Stuk door Mr Ph. B. in het licht gegeven:
3
Alle dinc es van rasten blide,
8
Maecte ende riep dic: o wi! o wach!
11
Met groten sonden wasse bevaen,
14
Haer pine, haer anxt, haer noet
15
O vule vleesch ligdi nu doot,
20
Nu en volghen u niet vele liede
[p. 61]
21
Dijn stert es di of te broken;21
22
Nu en bestu niet in dire roken,22
23
In dinen palayse wide ontploken;23
24
Maer in eene clene graf beloken.
25
Wat doen die nu dine grote lene,
26
Dine hoge borge, dine stene?26
27
Dijn huus, van vij voeten clene,
28
Der worme eist, ende dijn gemene.
29
Ic, die eydele creature,
30
W.............
31
E.............
32
G.............
33
Doe di..........
34
Wach arme, of ic noit worden ware!
35
Dor di moet ic die pine zware35
36
Dogen in ere duvele scare36
37
(Hets goet recht) Ic liet mi dwingen:
38
Dine liets mi gere doget gehingen,38
39
Ende trac mi tallen quaden dingen:

--------------------------------------------------------

22
Dune best niet in dinen roeken
24
Maer in een cleine vat besloten.
26
Dijn hoghe borghe, dijn hoghe stene
28
Es der wormen al ghemene.
30
Was ghemaect na Gods figure,
31
Ende in doepsel worden puere,
32
Ben besmet in corter ure.
33
Vore u ben ic voer Gode ommare,33
35
Doer di moet ic doeghen zware
36
Pine in der duvelen scare.
38
Dune liets my ghene doghet beghinnen.
39
Du trox mi tallen quaden dinghen.
[p. 62]
40
Dat sal mi ter pine bringen,
41
Daer ic ewelike in moet blaken.
42
Al de tongen, die noit spraken,42
43
Sine conden niet geraken43
44
Die minste pine die ic moet smaken;
45
Nochtanne torment mi veile mere
46
Die pine, die ic doge van zere
47
Dat ic dat scauwen van onsen Here
48
Hebbe verloren emmermere!
49
Waer zijn nu die dyere stene,
50
Dijn gout, dijn zelver algemene,
51
Daer du Gode omme vergaets al rene?
52
Nu doocht di dine rijcheit clene.52
53
Waer es dijn graeu ende dijn bont,
54
Dijn menech marc, dijn menech pont,
55
Die diere spise, die di cont55
56
Dicken was, te menegen stont?
57
Nu ne hevettu niet dine everzwine,57
58
Dine herten, dine hinden, dine conine,
59
Dine kelnaren metten wine,
60
Dine scone nappe zelverine.60

--------------------------------------------------------

42
Alle die noit met tonghen spraken
43
En consten, aerme! niet gheraken
44
Nochtan soe torment mi mere,
45
Dat ic danschijn van onsen Here,
48
En mach scouwen nemmermere.
51
Daer ghi Gode omme vergaet allene,
52
Nu doech u u rijcheit clene.
57
(Blom. 53) Du heves nu niet dine everzwine,
59
(B. 55) Dijn grote kelderen metten wine,
[p. 63]
61
Nu moetstu selve spise werden
62
Der vulre worme, in der erden:
63
Dit es hare ende, die begerden
64
Die vette morsele ende verterden.63, 64
65
Hoe es di bequame dine woninge?
66
Soe es wel donker ende wel hinge.
67
Dine hoors no sies sonderlinge.67
68
Di versmaden alle dinge,
69
Lant, zant, huus ende scure,
70
Dine hoge vesten, dine mure;
71
Ende al datti oyt wart te zure
72
Es di genomen in corter ure.
73
Dine vriende hebben di gelaten,
74
Die metti gingen ende zaten:
75
Si sullen omme di pensen te maten,75
76
Mogen si dijn goet hebben te baten.
77
Tgoet dat dinen wive es bleven
78
Heift de rauwe van haer verdreven.
79
Dine kindre souden ooc cume geven79
80
Vier peneweider omme dijn leven;80

--------------------------------------------------------

63
(B. 59) Dits hare inde die begherden
64
(B. 60) Die vette morsele ende verteerden.
65
(B. 61) Hoe es u bequame dese woeninghe,
66
(B. 62) Si es wel doncker ende wel dinne,
69
(B. 65) Valut, scat, huus ende scuere,
70
(B. 66) U hoghe vesten, ende muere,
77
(B. 73) Ende 't gout dat uwen wive es bleven,
78
(B. 74) Hevet van haer den rou verdreven,
79
(B. 75) Ende u kinderen souden cume gheven.
80
(B. 76) Viere penninghen om u leven.
[p. 64]
81
Sine gaver ooc niet een iaer te pande
81
Twe gemeite van haren lande,
83
Ende so di mochten uten bande83
84
Verlossen van des vyants hande.
85
Onsalech vleesch, nu weitstu wel
86
Dat bedriegelijc ende fel
87
Die werelt es, ende haer spel;
88
Ende hare glorie es wint, ende niet el.88
89
Nune hevettu niet van den sindale89
90
Dine cledere gescepen wale?90
91
Omme dine gewaden altemale
92
Gavic niet ene nootscale.
93
Du leiges gewonden in enen gere;93
94
Van dinen goede hevestu nemmere:
95
Dat mach di rauwen veile zere
96
Datture noit of wordes here,96
97
Enture de helle omme moets beiagen.97
98
Dat mach u qualike behagen!
99
Die pine moet ic allene dragen;
100
Maer, du moets meide, in corten dagen,

--------------------------------------------------------

81
(B. 77) Sine setten niet te pande
82
(B. 78) Twee ghemate van haren lande.
84
(B. 80) Roven van 's duvels hande.
86
(B. 82) Dattu bedriechlijcheit es ende fel,
87
(B. 83) Dese werelt ende haer spel,
89
(B. 85) Du hebs niet van dinen sindale,
90
(B. 86) Ende dijn cleedere ghescepen wale
96
(B. 92) Dat ghire noit of wordt here.
97
(B. 93) Ende ghire de helle om moet bejaghen.
[p. 65]
101
(Die lettre diet ons doen verstaen)
102
Ten ionxsten, alse sal sijn gedaen
103
Dat vonnesse: danne moetstu zaen103
104
Met mi ooc dinen loon ontfaen.
105
Tote dan moetstu in derde drogen,
106
Die worme sullen di eiten dogen.106
107
Dune cons hier toe, wanic, niet togen.107
108
Ic moet gaen mine pine dogen.’
109
Alse de ziele hadde gedaen
110
Hare reidene, ende soude gaen,
111
Doe dochte mi die lechame zaen111
112
Thooft up heffen, ende hietse staen.
113
Hi gaf een zuchten, ende seide doe:
114
‘Bestu mijn geest, die mi spreex toe?’114
115
Die ziele andworde: ‘iaic (seit soe).115
116
‘Hoe machtu dit seggen (seit hi), hoe?
117
Ic hebbe gehoort al dijn gescal;
118
Du wijts my al onse ongeval.118
119
Som eist waer, ende ooc niet al,
120
Als ic bi redenen proeven sal.

--------------------------------------------------------

101
(B. 97) Als ons die leren doen verstaen,
102
(B. 98) Ten jonxten daghe als 't sal sijn ghedaen,
103
(B. 99) Dat vonnesse dan sal tu gaen,
104
(B. 100) Met mi en dinen loen ontfaen.
105
(B. 101) Tot dan moetti in d'erde droghen,
106
(B. 102) De wormen selen eten dijn oghen,
107
(B. 103) Dune caens hier toe niet ghetoghen
110
(B. 106) Haer reden ende soude wech gaen,
111
(B. 107) Doen begonste de lichame saen
116
(B. 112) Hoe machtu dit ghesegghen,... hoe?
[p. 66]
121
Ic lijts wel dat het waer si121
122
Dicken deide ic dolen di;
123
Maer dattuut al souts witen mi,
124
Dat ware onrecht, ic segge u twi.124
125
Met mi haddic noch twee gesellen,
126
De werelt enten vyant fellen:
127
Si pijnden hoe si mi bedwellen127
128
Mochten, ende di der meide vellen;128
129
Maer, alstu seits hier te voren,
130
Goet ende eydel warstu geboren:130
131
God maecte di bove mi vercoren,
132
Dattu souts heten ende ic horen.132
133
Vroescap die was di gegeven;133
134
Du was mijn vrouwe, ende ic was bleven
135
Dine dierne hier in dit leven.135
136
Soutstu ons houden sonder sneven136
137
Du sout mi hebben, nu ende echt,137

--------------------------------------------------------

121
(B. 117) Ic lie wel dat waer zi,
122
(B. 118) Dic hebbic doen dolen di,
124
(B. 120) Dat ware onrecht seggic di.
125
(B. 121) Met mi haddic twee ghesellen,
127
(B. 123) Die pinden hen hoe si ons bedwellen
128
(B. 124) Mochten, entaer nedervellen.
129
(B. 125) Alsi du seits, hier te voren,
131
(B. 127) God maecte di vore mi te voren,
133
(B. 129) Vroetscap ende sin was di ghegheven,
135
(B. 131) Dine dierne in dit leven.
136
(B. 133) Soudi ons houden sonder sneven.
[p. 67]
138
Bedwongen, ende in dine plecht;138
139
Maer ic wart here ende du knecht:
140
Dat was al gader iegen recht!
141
Sonder di mochtic niet sijn,
142
Eiten broot, no drinken wijn.
143
Al dat wi daden, dit es tfijn,143
144
Cam eerst van di; de scouden sijn dijn.144
145
Tvleesch bi hem ne doet geen quaet,
146
Van di ne comt eerst die daet.145, 146
147
Al eist dat ic geve raet
148
Endene niemen wederstaet,148
149
Oftu dan volges minen rade,
150
Ende dune houds altoos gestade,
151
In can niet ondersceden tquade.151
152
Sijn dijn dan niet de mesdade?
153
Die vyant leget sine netten:
154
Ic bem broos, gereet ten smetten,

--------------------------------------------------------

138
(B. 134) Bedwonghen in dine plecht,
140
(B. 136) Dat was al jeghen recht.
143
(B. 139) Al wat wi daden dats aenschijn,
144
(B. 140) Quam ierst van di, die sculden sijn dijn.
145
(B. 141) Dat vleesch bi hem en doet gheen quaet,
146
(B. 142) Van di moet comen ierst die daet,
148
(B. 144) Alse mi niemen wederstaet.
150
(B. 146) Ende du hils altoes ghestade,
151
(B. 147) Ende conste niet onderscheiden 't quade
152
(B. 148) Sijn dan niet dijne de mesdaden?
153
(B. 149) De viant liet altoes sijn netten,
154
(B. 150) Ic ben altoes bereet ten smetten,
[p. 68]
155
Dat soutstu altoos vanden letten,155
156
Ende dinen raet niet ane mi setten.156
157
Wel hebbic di geprouvet claer
158
Die mesdaet es dijn, uppenbaer.158
159
In spreke nemmer; ga ic van daer,159
160
Die worme doen mi so groten vaer!’160
161
Doe sprac de ziele: ‘ic moet staen
162
Ende geven di antworde zaen,
163
Up de redene die du gedaen
164
Heves, danne willic gaen.
165
Vul vleesch, ic hebbe ommaer;165
166
Dine worden si gaen mi te naer;
167
Nochtanne lye ic uppenbaer167
168
Dattu van somegen segges waer.
169
Ic weet wel de wareit dies,
170
Dat ic di liet doen dinen kies
171
Ende dinen wille, des was ic ries:171
172
Die vyant deit, diet mi in blies.172
173
Vleesch, als ic di soude berecken,173
174
Begonste de werelt an di lecken,

--------------------------------------------------------

155
(B. 151) Dat soutu altoes beletten
155
(B. 152) Ende dinen raet an mi niet setten.
158
(B. 154) Dine es de mesdaet oppenbaer,
159
(B. 155) Ic spreke nemmere over waer,
164
(B. 160) Hebts te mi, dan moet ic gaen.
166
(B. 162) U worden vallen mi te zwaer,
168
(B. 164) Dat u van somen segghes waer.
170
(B. 186) Ic liet u doen uwen kies,
172
(B. 168) Het dede de viant die 't mi inblies.
174
(B. 170) Began die werelt ane di lecken,
[p. 69]
175
Ende di met lusten an haer trecken.
176
Dus vincste mi met dinen strecken.
177
Dus wardic dierne, ende tu vrouwe.
178
Du oreborers iegen mi ontrouwe,178
179
Daeromme bem ic in groten rouwe.
180
Die valsce.........
181
Int ende .........
182
Soe toget .........
183
Dor haer verloren wi die crone
184
Metten salegen in den trone.184
185
Ic lyes wel, ic hebbe mesdaen;
186
Maer du meer, na minen waen.
187
Ende ne mochte di niet weiderstaen,
188
Daer du mi iamerlike bedroges
189
En tie werelt du mi loges,189
190
Tote du mi an haer getoges,
191
Ende onder hare voete boges.

--------------------------------------------------------

175
(B. 171) Ende die met listen ane hare te trecken,
176
(B. 172) Dus vinc se mi met harenstrecken.
177
(B. 173) Dus was ic dierne ende di vrouwe,
180
(B. 176) De werelt maecte ons die mouwe.
181
(B. 177) In dinde es si van crancken loene,
182
(B. 178) Si toent ons van buten scoene,
186-bis
(B. 183) Ic liet an dinen wille gaen,
187
(B. 184) Ende mochte hebben wederstaen.
188
(B. 185) Maer du die mi jammerlijc bedroech,
189
(B. 186) Entie werelt die mi loech,
190
(B. 187) Want du mi ane haer boech,
191
(B. 188) Ende onder dine voet toech.
[p. 70]
192
Als die werelt up di louch,192
193
Ende soe di gaf al dijn gevouch,193
194
Du wanets leven lanc genouch.194
195
Die doot cam sciere, die di slouch.195
196
Die werelt den bedriegers slacht:
197
Dien soe meest elst ende up lacht197
198
Dats de gone dien soe wacht,
199
Ende eerst metten doot bedacht.199
200
Die di te voren daden ere
201
Ne willen di scauwen nemmermere.’201
202
Doe wart de lechame uten kere,202
203
Ende gaf andworde, wenende zere:
204
‘Ic hadde gebot over al:
205
Gout, selver, berech ende dal,
206
Het was al mijn, groot ende smal.
207
Inne duchte niet der zielen val;
208
Inne peinsde niet dat mi mochte deren
209
Die doot; nu sie ic wel, hets sceren:209

--------------------------------------------------------

192
(B. 189) Alse die werelt op u loech,
193
(B. 190) Ende si u gaf al haer ghevoech,
195
(B. 192) Maer die doot quam; die sciere sloech.
197
(B. 195) Dien si meest helst ende lacht
199
(B. 196) Ende 't ierst met der doot behaecht.
207
(B. 202) Ic ontsach gheen ongheval,
208
(B. 205) In waende niet dat mi mocht deren
[p. 71]
210
Alse soes niet langer wille ontberen210
211
Mach mense in gere wijs verweren.211
212
Bede hebben wi zere mesdaen;
213
Maer du meer, na minen waen.
214
Ic salt bi redenen proeven zaen,
215
Wilstu hier bi mi gestaen.
216
In de scrifture es bescreven:
217
Dien meest de gratien es gegeven
218
Es meest gebonden in dit leven
219
Hem te houdene sonder sneven.219
220
God gaf di sin ende vroetheide,
221
Verstannesse, daer du ons meide
222
Gerechten souts in elke steide,
223
Quaetheit scuwen ende onseide.
224
Dit gaf di God, bi sire genade;
225
Entu volgets minen rade?
226
Du weiderstonts mi te spade.
227
Sijn dijn dan niet die mesdade?’
228
Noch sprac de lechame sine woort:

--------------------------------------------------------

210
(B. 207) Al sijs niet langher wilt ontberen.
213
(B. 210) Maer soude recht na recht gaen,
215
(B. 211) Du meer dan ic waent verstaen,
220
(B. 217) God gaf u sin ende wijshede,
221
(B. 218) Ende verstanesse daer wi ons mede
222
(B. 219) Berecken soude in elke stede,
223
(B. 220) Scuwen quaethede ende onsede.
224
(B. 221) Ofte God by siere ghenaden
225
(B. 222) Gaf ende du volghes minen rade,
226
(B. 223) In conste niet onderscheiden 't quade.
228
(B. 225) Noch sprac de lichame dese wort.
[p. 72]
229
‘Ziele (seit hi), verstant mi voort.229
230
Alse die lechame wart te stoort230
231
Tast hi, siet hi, ofte hoort,
232
Neen hi (dat mogestu kinnen)
233
Daer ne ware de ziele binnen.
234
Wiltu dinen sceppre minnen
235
Tvleesch ne machti niet verwinnen.
236
Hadstu gemint onsen Here
237
Die werelt ne hadde niet so zere
238
Di no mi brocht uten kere,238
239
No noit bedrogen aldus zere.
240
Newaer, om dat ic was dijn vat240
241
Was ic gesteken in dit gat,
242
In derde, daer die worme sat
243
Van mi sullen eiten; ooc wet ic dat
244
Dat ic hier na verrisen sal,
245
Alse God sal comen domen al.245
246
Danne comt al mijn ongeval;
247
Danne moet ic in der hellen dal.’

--------------------------------------------------------

229
(B. 226) Ay ziele nu verstant mi vort,
232
(B. 229) Neen hi niet dat moghdi kinnen,
235
(B. 232) 'T fleesch en macht u niet verwinnen
236
(B. 233) Haddi ghemeint onsen Here,
238
(B. 285) No di, no mi bracht ten kere,
240
(B. 237) Daerom dat ic was dijn vat,
242
(B. 239) In d'erde daer de worme scat
243
(B. 240) Van mi eten oec, wet dat.
246
(B. 243) Dan comt mijn ierst ongheval,
247
1 (B. 245) Daer moet ic werden dijn ghenoot,
247
2 (B. 246) Met di dan doghen pinen groet,
[p. 73]
248
Doe riep die ziele ende creet:
249
‘Wach, dat God wiste ende weet249
250
Hoet met mi staen soude, ende staet,
251
Ende mi liet werden, dats mi leet!
252
Vermaledijt so si die ure
253
Dat ic oyt moeder wart te zure,
254
Ende ic ye aldus wart creature,
255
Ende emmermeer aldus gedure!255
256
Wach, hoe salech es de beeste
257
Die stereft met lichaeme ende met geeste!
258
Mocht ic also, dies haddic feeste;258
259
Maer neenic niet; dats mi tmeeste.’
260
Die lechame noch der ziele vraget,
261
Die so jamerlike claget:
262
‘Die ter helle wart gejaget,
263
Sech mi, hoet hem daer behaget?
264
Die ter hellen es gedaen
265
Mach hi nemmermeer ontgaen?
266
Sullen daer bi den armen staen
267
Die rike? ende effenen loon ontfaen?267
268
Die rike mach hi omme scat
269
Verdingen, dies hem wert te bat?’269

--------------------------------------------------------

247-3
(B. 247) O doot! dats sonder inde doot,
247-4
(B. 248) Altoes te wesen in der noet.
256
(B. 249) O wach! hoe salech es die beeste,
257
(B. 250) Die sterven met live ende met geeste
261
(B. 254) Die alsoe jammerlike claecht.
262
(B. 255) Oftu ter hellen wert ghejaecht.
253
(B. 256) Soe segt mi hoe 't daer behaecht?
265
(B. 258) Machire nemmermeer ontgaen?
[p. 74]
270
‘Du vrages, ende dune weits wat.
271
Nu hoort, ic sal di seggen dat:
272
Die de helle hevet beweven272
273
Emmermeer moet hire in cleven:273
274
Hem ne worde niet om al die leven
275
Ter hellen eenen dach respijt gegeven,
276
Al bade al dat van Gode singet,
277
Ende vaste, ende gave al dat bringet
278
Die werelt, sone worde niet verdinget.’278

--------------------------------------------------------

268
(B. 261) De rike mach hi iet om scat,
270
(B. 263) Du vraghes ende ghine wet wat,
266
(B. 273) Eewelijc moet hi daer in cleven,
276
(B. 269) Al bade al dat van Gode singet,
277
(B. 270) Ende vaste ende gave al dat brinct,
278
(B. 211) De werelt sone wordi niet verdinct.

Wy hebben alreede gezegd dat wy alleenlyk in vergelyking brengen de regelen van de twee stukken, tusschen welke er een wezenlyk verschil bestaet. Nu zullen wy overgaen tot eene nadere beschouwing van het geheel, en mededeelen de korte aenmerkingen welke wy daerop te maken hebben.

Het deel van de tweede helft van het geheel blad, boven en in het midden, is door verrotting weggeraekt, en dus de regelen 30 tot 33, en 180 tot 182, op de eerste woorden na, verloren.

De versen 53 tot 56 van ons fragment zyn in het gedicht van den heer Phs B. niet te vinden.

Tusschen de 186e en de 187e regels ontbreekt er eenen, welken hy opgeeft vers 183.

[p. 75]

In zyne uytgave zyn verplaetst de versen 194 en 195; dit laetste voor het eerste staende, en, by middel van de vier versen 53 tot 46, daer ontbrekende, maken de twee eerste onze regelen 197 en 198 uit.

Het vers 202 van den heer Phs B. (zynde het 207e van onze brok), staet achter het 204e. Er is ook verplaetsing van het 211e vers van het gedrukte dichtstuk: dit bevindtzich achter het 212e. Zie 214 en 215 van de brok door ons ontdekt.

De vier regelen 245 tot 248, van het uitgegeven rymwerk, ontbreken in ons fragment, en de versen 248 tot 255 van dit laetste, zyn in het eerste niet te vinden.

Eenen oogslag op de, in volgorde, opgegeven vergelykingen, getrokken uit het werk van den heer Phs B., zal voldoen om het verschil tusschen beide de stukken te leeren kennen. Wat dit laetste verschil aengaet, het spruit, ongetwyfeld, voort uit de meerdere of mindere bekwaemheid der naschryvers van het oorspronkelyk stuk.

Het aenzienlykst onderscheid, dat in de spelling der twee stukken gevonden wordt, bestaet hierin, dat den eene naschryver achter de letter g, naer het oud gebruik, eene h stelt, als in ghedaen, ghegaen, gheboet, enz., en dat den andere deze overtollige letter in die woorden en in alle degene van dit slach, heeft uitgelaten.

Ook komt het ons voor, dat het afschrift, van hetwelk ons fragment overgebleven is, vroeger gemaekt is geweest dan hetgene in druk gegeven, om dat men in deze uitgave, op vele plaetsen, vindt u en uwen, en in onze brokken altyd daervoor ontmoet di, dine, dinen, du, dijn, ti en tu, welke laetste voornaemwoorden in oudere tyden algemeen in gebruik waren: wy besluiten hieruit dat den naschryver welken den heer Phs B. heeft gevolgd, zich veranderingen heeft veroorlofd. Het voornaemwoord u, op zich zelven gebruikt, komt slechts tweemael voor in

[p. 76]

onze brokken, namelyk regel 98 en 124. Het bevindt zich, wyders, aldaer in verscheidene zamengestelde woorden, als in: alstu, bestu, dattu, datture, dattuut, entu, enture, hadstu, hevettu, machtu, moetstu, mogestu, oftu, soutstu, warstu, weitstu, enz.

En, daer wy zien dat den opsteller in zyne rymslagen naeuwkeurig is, zoo hebben wy reden om te gelooven dat er in de volgende regelen van het gedrukt dichtstuk feilen bestaen, namelyk in:

Regel 24 slotwoord: besloten, in ons afschrift beloken.
Regel 38 - beghinnen, - gehingen {gehengen, toelaten toestaen.
Regel 92 - dinne - hinge (eng).
Regel 196 - behaecht - bedacht,

om dat het eerste moet rymen met ontploken, het tweede met dwingen, het derde, met woeninghe, en het laetste met lacht: dit kan alleen van eene gebrekkige overschryving voortskomen. Hoe het zy, men ontmoet geene valsche rymwoorden in de brokken, welke ons in handen zyn gevallen.

De rymslag liede van het 17e vers van het gedrukte stuk, is ook niet naeuwkeurig, het komt in den 20e regel. Het 127e vers, zynde het 131e van ons fragment, schynt ook gebrekkig, en de rymslag te voren vindt men reeds regel 125. Volgens ons, is mede oneigen het woord scat, het laetste vas het 239e vers. Uit het fragment ziet men dat het moet zyn sat in de aerde, waer de wormen zich, aen de lichamen, zat (vergenoegd, vol) eten.

Wy zullen hier nog byvoegen, dat het dichtstuk, in het licht gebragt door den heer Phs B., bestaet uit afdeelingen van vier regelen; dat het andere, op weinig uitzonderingen na1, niet alzoo ingerigt is; dat het schryven

[p. 77]

van ei in meide, weider, steide enz., voor mede, weder, stede, zeer opmerkelyk in hetzelve is, en, eindelyk, dat de versen van het een en ander stuk niet regelmatig zyn: het meeste getal is van 8 en 9 lettergrepen, eenigen zyn (en wel op meer dan twaelf plaetsen van het gedrukt werk), van 10, van 11 en zelfs van 12 en 13. Zoude men hieruit mogen besluiten dat de dichters der middeleeuwen de regelmatigheid in de lettergrepen over het hoofd zagen1?

 

LAMBIN,

 

Archivist der regering van Ypre.

1Dorp in Bourgondien, hetwelk, voormaels eene kasteleinye had, onder het bisdom van Autun. Er was daer een kasteel, dat door Henrik den IV geslecht werd. Wy weten dat Eudes den III, hertog van Bourgondien (1192), in tweede huwelyk trouwde met Alix de Vergy; dat ten jare 1196, den ouden twist, welken bestond tusschen de hertogen van Bourgondien en de heeren van Vergy, met meer hardnekkigheid hernam; en eindelyk, dat dezen twist hieruit scheen te spruiten, dat Hugo den III, vader van Eudes, in 1185, het kasteel van Vergy belegerde, om dat den heer van dezen naem den hertog voor leenheer weigerde te herkennen.
1Dit verhael schynt vertaeld naer het fransch gedicht, te vinden in Barbazan en Méons Fabliaux et contes, tome IV, pag. 296-326. Ik bezit de kopy van eene andere vlaemsche beryming, van het zelfde stuk, volgens een handschrift van den heer Van Hulthem. Daerin luidt deze plaets aldus:
Te sinxenen, dat daer quam bi,
Soude houden hof die hertoge vri,
Ende hi ontboet al te hande
Al die vrouwen van den lande,
Entie joncfrouwen mede;
Want het was altoes sijn sede:
Dierste was die borchgravinne
Die ten ridder droech minne.
Eerstdaegs zal myn vriend, de heer P. Blommaert, deze andere vertaling met nog meer oude gedichten in druk geven.
[Aenmerking van J.F. Willems.]
1Theophilus, gedicht der XIVe eeuw, gevolgd door drie andere gedichten van het zelfde tydvak, uitgegeven door Ph. B[lommaert]. Gent, by D. Duvivier, 1886, in-8o.
4Te voren, te voorschyn.
8Dicken, dikwerf.
9Soe, zy.
16Die voorheen groote weelde hadt.
17De ryken en welhebbenden deden u eer aen.
18Om uwe vriendschap om uwe geschenken.
19Mesniede, adelyk gezin.
21Te broken, gebroken.
22Dire roken, dynre (uwe) reuken (ook rotsen).
23Wide ontploken, wyd openstaende.
26Stene, kasteelen.
35Dor di, om u.
36Dogen, lyden; in ere, in eene.
38Gy en liet my tot geen deugd toe.
33Ommare, verfoeielyk, of eigenlyk het fransch infâme.
42Noit, thans ooit
43Zy en zouden niet kunnen afschilderen. Geraken is treffen.
52Nu doocht di, nu deugt u, nu strekt u.
55Cont, bekend, aengekondigd.
57Hevettu, hebt gy (lees hevestu).
60Uwe schoone zilveren nap (beke r).
63, 64Dit is het gewoone uiteinde van de zulken die begeerig waren naer vette brokken, die zy verteerden.
67Dine hoors (lees dune hoors), gy en hoort.
75Zy zullen naeuwelyks om u denken.
79Cume, naeuwelyks.
80Peneweider, lees pennewerde (zekere penningen).
83Zy zouden geen enkel jaer twee gemeten lands willen te pande geven, mochten zy alzoo u uit de banden verlossen.
88Niet el, niet anders.
89Nune hevettu, lees nune hevestu, en hebt gy nu niet. Sindale, zyden stoffe.
90Gescepen, geschapen, gemaekt. Wale, wel.
93Gere, geer, slip. Men zegt nog de geer van een hemd.
96Dat gy er nooit meer heer moogt over worden.
97Enture, en gy er.
103Zaen, spoedig.
106Dogen, d'oogen.
107Gy en kunt hier tegen, zoo ik wane, niets inbrengen.
111Toen scheen my het lichaem dadelyk.
114Bestu, Zyt gy.
115Seit soe, zeide zy.
118Du wijts, gy verwyt.
121Ic lijts, ik belyde 't.
124Twi, waerom.
127Si pijnden, zy werkten, zy trachten.
128Di der meide vellen, u daer mede ten onder brengen.
130Eydel, edel.
132Dat gy zoudt gebieden en ik gehoorzamen.
133Vroeschap, vroedheid, wysheid.
135Dine dierne, uwe deerne, uwe slavin.
136Indien gy begeerd hadt ons beiden te behoeden.
137Echt, daerna. Nu ende echt, nu en dan.
138Plecht, dienst.
143Dit es tfijn, dit is 't geen ik zeggen wil, hierop doel ik.
144Kwam eerst van u: de schulden zyn u, het is uwe schuld.
145, 146'T vleesch op zich zelven en doet geen kwaed, indien de daed niet eerst van u voortkome.
148En dat dien niemand wederstaen. Ende ne is ende hem.
151In can, ik en kan.
155Dit behoordet gy altoos te gaen beletten. Vanden was oudtyds bezoeken. Zie Reinaert, Vs 1453.
156En my niet te rade gaen.
158Uppenbaer, klaerblykelyk.
159In spreke nemmer, ik en spreek niet meer.
160Vaer, vrees.
165Vul, vuil. Ic hebbe ommaer, ik walg er van.
167Lye, belyde.
171Ries, dwaes.
172Deit, deed het.
173Berecken, bestieren; gelyk berecker bestuerder was. Het woord komt voor by Diericx, Mémoires sur la ville de Gand, II, pag. 543. Te Ypre waren er voorheen huis-bereckers, dat is, rechters over zaken van huizen, volgens de oude costuimen dier stad.
178Gy behandeldet my op een ontrouwe wys.
184Troone, uitspansel, hemel.
189En de wereld die gy my voorloogt.
192Up di louch, u tegenlachtte.
193Soe di gaf, zy u gaf.
194Du wanets, gy waendet.
195Sciere, plotseling.
197Dien soe meest elst, dien zy meest omhelst (liefkoost).
199Bedacht, bedenkt; van het oude dachten, cogitare. Zie Kiliaen op het woord.
201Scauwen, zien.
202Nu was het lichaem (door deze redenering van de ziel) buiten staet te antwoorden, buten keer (afgewend).
209Hets sceren, 't is dwaesheid (zoo te denken). Men zegt nog den gek scheren, dat is, met hem spotten, of, wellicht, hem met vuilnis bewerpen, hem plagen; van het noordsche skarn (stercus).
210Wanneer zy (de dood) zich daervan niet langer wil onthouden (van het deren).
211In gere wijs, in geenre wyze.
219Sonder sneven, zonder vallen.
229Verstant, versta.
230Zoodra het lichaem wordt verstoord (in beweging gebracht).
238Noch u noch my van dien weg afgebracht.
240Newaer, maer.
245Domen, vonnissen.
249Wach, ach.
255Gedure, lyde.
258Dies haddic feeste, ik zou er blyde om zyn.
267Effenen, gelyken.
269Lospleiten, op dat het hem beter worde.
272Hevet beweven, in haer netten heeft.
273Hire, hy er.
278Sone, zoo en.
1Reg. 113, 161, 202, 248 en 260.
1De regelmatigheid was hy by hen niet gelegen in de evenredigheid of het gelyk getal der syllaben van iederen regel; maer in de toonslagen. Er zyn vier zulke slagen in elk der bovenstaende versen, en deze vallen altyd op de wortelsylben.
[Aenteekening van J.F. Willems.]
terug  begin  verder