Wy hebben onlangs, onder de archiven van een liefdadig gesticht, een geheel en een geschonden half vel parkement ontdekt, groot in-8o, welke beide dienden voor scheurbladen aen eenen bundel rekeningen van de jaren 1521 tot en met 1532.
Het geschonden half vel draegt, op de eerste zyde, in roode letteren, den nummer lxxxvij en het geheel blad den nummer lxxxviij, hetgeen bewyst dat zy beide van een en hetzelfde handschrift deel gemaekt hebben. Op elke der vier zyden van het geheel blad zyn er, in drie kolonnen, honderd vyftig regelen. Het half vel is, in het midden, van boven naer onder, doorgesneden; dus dat de middenkolonnen der twee zyden onvolmaekt zyn, en dat op de eerste zyde, de derde kolonne, en op de tweede zyde, de eerste kolonne ontbreken. Het handschrift komt ons voor te zyn van de 15e eeuw.
Op het geschonden half blad en het geheel, leest men in 450 regels, het vervolg en het einde van een gedicht, hetwelk betrekking heeft tot eene geschiedenis uit de middeleeuwen, en waerin den minnehandel van eenen ridder en de nicht van eenen hertog, welke kasteleine was van Vergy1, beschreven wordt. De namen van den
eenen en van den anderen (den laetste was waerschynelyk eenen der oude hertogen van Bourgondien), vinden wy niet in dit fragment. Van deze kasteleine wordt het volgende gezegd:
Achter dit fragment van het eerste dichtstuk volgde een ander, waervan slechts twintig regelen zyn overge-
bleven. In deze wordt gesproken van de bruiloft van Kanaan, in Galileën, op welke Christus het water in wyn veranderde: den schryver eindigt aldus:
Nu volgt, onmiddelyk, beginnende op de derde zyde van het geheel blad, eene brok, bestaende in 278 regelen, en getyteld, in roode letteren: Van der ziele ende van den lechame.
En, daer er, achter het werkje geheeten Theophilus, gedicht der XIVe eeuw, uitgegeven door M. Ph. B.1, onder ander, volgt een rymwerk, hetwelk ook voor opschrift heeft: Van der zielen ende van den lichame, een abel dinc ende een edel leere, inhoudende 344 regelen, en dat het fragment door ons ontdekt, en den zelfden tytel voerende, deelmaekt van een ander afschrift van het eerst-gemelde rymwerk, zoo denken wy, aengezien er, hier en daer, tusschen de twee stukken eenig verschil bestaet, dat het niet vruchteloos zoude zyn het een met het ander hier in vergelyking te brengen.
[Het was ons niet wel mogelyk de twee teksten op dezelfde bladzyden, tegen over elkanderen te laten drukken; daerom laten wy hier de vergelyking der twee stukken, het een onder het ander, volgen, benevens de woordverklaringen, die er door den uitgever van dit tydschrift bygevoegd zyn en meestal moeten toegepast worden op den bovensten tekst.]
--------------------------------------------------------
--------------------------------------------------------
--------------------------------------------------------
--------------------------------------------------------
--------------------------------------------------------
--------------------------------------------------------
--------------------------------------------------------
--------------------------------------------------------
--------------------------------------------------------
--------------------------------------------------------
--------------------------------------------------------
--------------------------------------------------------
--------------------------------------------------------
--------------------------------------------------------
--------------------------------------------------------
Wy hebben alreede gezegd dat wy alleenlyk in vergelyking brengen de regelen van de twee stukken, tusschen welke er een wezenlyk verschil bestaet. Nu zullen wy overgaen tot eene nadere beschouwing van het geheel, en mededeelen de korte aenmerkingen welke wy daerop te maken hebben.
Het deel van de tweede helft van het geheel blad, boven en in het midden, is door verrotting weggeraekt, en dus de regelen 30 tot 33, en 180 tot 182, op de eerste woorden na, verloren.
De versen 53 tot 56 van ons fragment zyn in het gedicht van den heer Phs B. niet te vinden.
Tusschen de 186e en de 187e regels ontbreekt er eenen, welken hy opgeeft vers 183.
In zyne uytgave zyn verplaetst de versen 194 en 195; dit laetste voor het eerste staende, en, by middel van de vier versen 53 tot 46, daer ontbrekende, maken de twee eerste onze regelen 197 en 198 uit.
Het vers 202 van den heer Phs B. (zynde het 207e van onze brok), staet achter het 204e. Er is ook verplaetsing van het 211e vers van het gedrukte dichtstuk: dit bevindtzich achter het 212e. Zie 214 en 215 van de brok door ons ontdekt.
De vier regelen 245 tot 248, van het uitgegeven rymwerk, ontbreken in ons fragment, en de versen 248 tot 255 van dit laetste, zyn in het eerste niet te vinden.
Eenen oogslag op de, in volgorde, opgegeven vergelykingen, getrokken uit het werk van den heer Phs B., zal voldoen om het verschil tusschen beide de stukken te leeren kennen. Wat dit laetste verschil aengaet, het spruit, ongetwyfeld, voort uit de meerdere of mindere bekwaemheid der naschryvers van het oorspronkelyk stuk.
Het aenzienlykst onderscheid, dat in de spelling der twee stukken gevonden wordt, bestaet hierin, dat den eene naschryver achter de letter g, naer het oud gebruik, eene h stelt, als in ghedaen, ghegaen, gheboet, enz., en dat den andere deze overtollige letter in die woorden en in alle degene van dit slach, heeft uitgelaten.
Ook komt het ons voor, dat het afschrift, van hetwelk ons fragment overgebleven is, vroeger gemaekt is geweest dan hetgene in druk gegeven, om dat men in deze uitgave, op vele plaetsen, vindt u en uwen, en in onze brokken altyd daervoor ontmoet di, dine, dinen, du, dijn, ti en tu, welke laetste voornaemwoorden in oudere tyden algemeen in gebruik waren: wy besluiten hieruit dat den naschryver welken den heer Phs B. heeft gevolgd, zich veranderingen heeft veroorlofd. Het voornaemwoord u, op zich zelven gebruikt, komt slechts tweemael voor in
onze brokken, namelyk regel 98 en 124. Het bevindt zich, wyders, aldaer in verscheidene zamengestelde woorden, als in: alstu, bestu, dattu, datture, dattuut, entu, enture, hadstu, hevettu, machtu, moetstu, mogestu, oftu, soutstu, warstu, weitstu, enz.
En, daer wy zien dat den opsteller in zyne rymslagen naeuwkeurig is, zoo hebben wy reden om te gelooven dat er in de volgende regelen van het gedrukt dichtstuk feilen bestaen, namelyk in:
| Regel | 24 | slotwoord: | besloten, | in ons afschrift | beloken. |
| Regel | 38 | - | beghinnen, | - | gehingen {gehengen, toelaten toestaen. |
| Regel | 92 | - | dinne | - | hinge (eng). |
| Regel | 196 | - | behaecht | - | bedacht, |
om dat het eerste moet rymen met ontploken, het tweede met dwingen, het derde, met woeninghe, en het laetste met lacht: dit kan alleen van eene gebrekkige overschryving voortskomen. Hoe het zy, men ontmoet geene valsche rymwoorden in de brokken, welke ons in handen zyn gevallen.
De rymslag liede van het 17e vers van het gedrukte stuk, is ook niet naeuwkeurig, het komt in den 20e regel. Het 127e vers, zynde het 131e van ons fragment, schynt ook gebrekkig, en de rymslag te voren vindt men reeds regel 125. Volgens ons, is mede oneigen het woord scat, het laetste vas het 239e vers. Uit het fragment ziet men dat het moet zyn sat in de aerde, waer de wormen zich, aen de lichamen, zat (vergenoegd, vol) eten.
Wy zullen hier nog byvoegen, dat het dichtstuk, in het licht gebragt door den heer Phs B., bestaet uit afdeelingen van vier regelen; dat het andere, op weinig uitzonderingen na1, niet alzoo ingerigt is; dat het schryven
van ei in meide, weider, steide enz., voor mede, weder, stede, zeer opmerkelyk in hetzelve is, en, eindelyk, dat de versen van het een en ander stuk niet regelmatig zyn: het meeste getal is van 8 en 9 lettergrepen, eenigen zyn (en wel op meer dan twaelf plaetsen van het gedrukt werk), van 10, van 11 en zelfs van 12 en 13. Zoude men hieruit mogen besluiten dat de dichters der middeleeuwen de regelmatigheid in de lettergrepen over het hoofd zagen1?
LAMBIN,
Archivist der regering van Ypre.