Ook de Nederlandsche Vrouwen hebben de letterkundige eer van haer geslacht op eene waerdige wyze, door alle tyden heen, gehandhaefd.
Het is vooral opmerkenswaerdig, dat de Franschen, hoe veel verdienstelyke Dichteressen zy, vooral in dezen tijd, bezitten, gelijk eene Delphine Gay, Desbordes-Valmore, Amable Tastu, om van de misschien verdichte Clotilde de Surville by de ouderen niet te gewagen, toch nimmer eenige schitterende treurspeldichteresse hebben kunnen opnoemen, terwijl Nederland op eene Juliana de Lannoy, op eene Lucretia van Merken en op Bilderdijks gade, als met vasten tred Sophokles voetspoor betreden hebbende, mag roemen.
Vooral Holland was vruchtbaer in min of meer verdienstelyke Dichteressen, waervan de voorgemelde niet de geringste sieraden zyn. Wy hebben er een lijstjen van opgemaekt, dat reeds tot omtrent de tachtig namen beloopt, en waeronder Elizabeth Coolaert, die ook eene goede latijnsche dichteresse was, de vriendinnen Deken en Wolff, benevens de nog levende jufvrouw Petronella Moens, welke laetste ook voor het toonel gewerkt heeft, onderscheiding verdienen.
Het lijstjen van de Vlaemsche dichteressen, waerin wy de verre weg alle andere overtreffende mevrouw
Van Ackere, geboren Doolaeghe, niet opgenomen hebben, is als volgt:
Lindanus, in zyn voortreffelyk werk de Teneraemonda, teekent het volgende over Rosiana aan: ‘Rosiana Coleners, poetria, Annae Bincianae aequalis, cui et nota et amica fuit: quam Marcus Vaernewyck publicis suis monimentis commendavit. Haec, licet illiterata, imo analphabeta, non tamen amusa fuit: supersunt enim in sodalitate Rosiana, in qua nomen dederat, flandrica ejus poematia, quae etiam in meliore sexu laudem mereantur. Obiit circa annum CI
DLX, tumulata hic ad D. Virginis1.’
Maestertius, die nagenoeg niets meer dan eene vertaling van Lindanus gegeven heeft, schrijft: ‘Dese is in de rijm-konste seer ervaren geweest, na by comende Anna Bince, aen de welke sy in goede vrindinschap bekent is geweest, die Marcus Vaernewyck in sijne boucken van de Nederlantsche oudheden heeft aengedient. Dese, al ist, dat sy noch lesen, noch schryven konde, is nochtans eene goede Redenrijcke geweest, gelijck hare gedichten, die in de camer van de Rosiers noch zijn, ten vollen betoonen. Sy is gestorven den jaere 1560, ende begraven in de kerck van de H. Maget.’ Maestertius slaet in deze vertaelde plaets tweemael den bal mis. De vriendin van onze Rosiana was de bekende Anna Bijns, en beiden worden door Van Vaernewijck geprezen; niet aengediend, dat onzin is. Lindanus voegt er by, dat Rosiana
haren naem aen eene onzer Rhetoryken gaf, dien dit gezelschap tot aen zyne vernietiging behouden heeft. Doch wy denken dat onze Rosiers hunnen naem van de koningin der bloemen ontleenden; even als het gezelschap, waervan men leest: ‘On a formé a Paris, il y a quelques années, une société du genre des jeux Floraux; c'est celle des Rosati. Le lieu des séances s'appelait Éden ou Bosquet des Roses; et pour être reçu Rosati, il fallait avoir chanté la Rose. (La corbeille de roses. Paris 1816, pag. 7.) - Trouwens men weet, dat onze Rhetoryken veeltijds hunnen naem van een bloem ontleenden. Ook zegt Sanderus dat het zinnebeeld van de hier gevestigde Rhetorijk van St-Dorothea een roos was. ‘Collegia sunt SS. Dorotheae, Hilduardi, Rochi, quorum symbola Rosa, Alauda, Carduus (Flandria Illust. Col. 1641, tom. 1, pag. 599); en in hetzelfde boekdeel, bladz. 583 zegt hy, sprekende van de Rosieren van Ypre: Secundum Gymnasium, sive cameram poëticam, vernaculo nomine vocant de Rosieren, quorum patrona Virginis Mater Anna.
Wat de bedoelde plaets uit Vaernewyck betreft, deze schrijver, na bekend te hebben, dat hy ‘noyt meer dan een maent, om lesen ofte schrijven te leeren scholen en ghijnck,’ verstout zich eenigzins, als geschiedschryver op te treden, by het denkbeeld, zoo hy zegt, ‘dat oock vrouwen constige wercken volbracht bebben, noch in onsen tijden; soo dat constighe ende cloucke mannen, daermede te wets souden gheweest hebben. Zoot emmer ghebleken is aen die eersaeme ende sonderlinghe van God begaefde Maecht, Anna Bijns, te Antwerpen, die soo eerlick ende treffelick gewrocht heeft in die conste van Rhetorijcken, aenvoerende oock soo pointelijck die auctoriteyt der heiliger Schriftueren, soo dattet sommighe docteuren niet verbeteren en souden.
‘Ende oock aen die behendighe ende troengieuse dochter Rosiane tot Dendermonde, oock in 't feyt van Rhetorijcken, die noch lesen noch schrijven en conde.’
Tot dus verre Vaernewijck. Hetgene Willems in zyne Verh. over de Nederd. Letterk., Witsen-Geysbeek in zijn Critisch-anthologisch woordenboek der Nederduitsche dichters (sub voce) over Rosiana aenteekenen is uit Lindanus overgenomen. Foppens in zyne Bibliotheca Belgica had zulks mede reeds gedaen.
De voorzeide kamer der Rosiers bestaet niet meer. Zy werd, tydens den inval der Franschen in ons land, op het einde der voorgaende eeuw afgeschaft, vernietigd. Onmogelijk is het my geweest op te sporen, wat er van de papieren dezer Rhetorijkkamer geworden is. Rosianas graf is thands in O.L.V. kerk niet te vinden: ook koomt het niet voor op een handschrift van den jare 1786, dat alle de grafschriften, destijds aldaer bestaende, behelst, en dat wy bezitten. Wy zijn gelukkiger geweest dan Willems en Witsen-Geysbeek, en hebben een van hare gedrukte stukjens ontdekt.
Lucas de Heere, geboren in 1534, heeft, gelijk Karel van Mander getuigt1 ‘in poësy verscheyden dinghen ghedaen. Onder andere den boomgaert der Poësyen, in welcken hy eenige dinghen uyt den fransoyschen heeft vertaelt, te weten, den tempel van Cupido van Marot, en andere dingen; oock veel van zijn eyghen vindingen, doch niet op de fransche mate, die hy naderhandt wel gevolght heeft.’ Dit boekjen is ons in de hand gekomen. Bladz. 47 en 48 treft men aldaer de volgende verzen aen:
Deze regelen ademen eene reine, dichterlyke ziel, en wy stellen die gereedelijk boven degene aen welke zy tot antwoord dienen. Men steke slechts de aenvallige Rosiana in een min ouwerwetsch kleed, en oordeele!
In onze dagen zou zy hare gedachten omtrent op de volgende wyze voorgedragen hebben:
En hiermede vermeenen wy bewezen te hebben, dat Rosiana, onze stadsgenote, onder de verdienstelyke dichteressen van haren tijd mag geteld worden; haer naem vereert eene Stad, die ons boven alles dierbaer is.
Dendermonde, maert 1838.
P. VAN DUYSE.