De Belgische letterkunde ontwikkelt zich dagelijks gelukkiger. Reeds is zy tot eene hoogte geklommen, op welke zy nog nooit stond, ten minste in de moedertael.
De latijnsche poëzy steeg hier, vooral in de zeventiende eeuw, op een' verbazend hoogen trap; zoo dat de Nederlanden in dit vak het voor geene volkeren moeten onderdoen, ja, volgens de getuigenis van deskundigen, henallen hierin overtreffen1.
Talrijk, ja, schier onoptelbaer zijn de namen der Belgische Dichters, welke zich op de Latijnsche Poëzy toegelegd hebben.
De akademie van Brussel heeft zich verdienstelijk gemaekt jegens de vaderlandsche letteren door de vrage eener historische, letterkundige en critische verhandeling over onze latijnsche dichters. Hare prijsvraeg heeft aen de republiek der letteren twee fraeie werken geschonken:
't eene getiteld Peerlkamp Vita Belgarum qui latina carmina scripserunt (Brux. 1822), gedrukt in de werken dier maetschappy uit hoofde van deszelfs bekrooning; het andere door Hoeufft opgesteld, onder den titel van Parnasus latino-belgicus, sive plerique e poëtis Belgii latinis, epigrammate atque adnotatione illustrati (Amsterdam. 1819).
En hoe vele namen van dichters deze twee hollandsche schrijvers ook hebben opgenomen, zoo blyven er nog een aental, die hun onbekend waren. Wy drukken daerom hier den wensch uit, dat eenig Belgisch geleerde zich wille bevlytigen, om dit hoogstbelangryke deel der Nederlandsche letterkunde, zoo veel mogelijk, volledig te maken; en bevelen inzonderheid deze taek den eerweerden heer Valentyns, thands te Melle, aen: niet ongunstig als latijnsch dichter bekend, bezit hy eene ryke verzameling van onze latijnsche dichters. Aen dezen verdienstelijken schryver hebben wy de uitgave te danken van Sidronius Hosschius, te Aelst in 1822, met een naem loos dichtstukjen van zijn Eerw. (Ad patriam Sidronii Hosschii) verschenen.
Men zoude in zoodanig werk eenige verspreide stukken van de laetste tyden kunnen opnemen; en deze zouden getuigen, dat de Belgen ook de latijnsche poëzy niet geheel en al verwaerloozen. - De meeste beoefenaers der latijnsche dichtkunst zijn professors in dit vak geweest; zoo als de eerwaerde heeren Cracco en Defoere; de heeren Lesbroussart en H. Lebrocquy, van wie gedichten voorkomen in 't werk Hommages poétiques à leur majestés sur la naissance du roi de Rome (Paris, 1811, II, p. 413 et I, 270); de heer Lambilot, die een brok uit Hoogvliets Abraham heeft overgebracht, en aen wien zijn leerling in de poëzij, de heer P. Lebrocquy, eene Ode heeft opgedragen; de heer Dubois, die Delilles
Homme des champs heeft overgebracht; de heer De Glimes, die l'Art poétique de Boileau, ook na Goddeau en l'abbé Paul, gelukkig heeft overgesteld. Verdienstelijk maekten zich mede de ridder De Nieuwport; de heeren Piré, Bergeron, Ourry, van Brussel (aen wien wy de naemlooze omzetting verschuldigd zijn van Helmers vergelyking des Rhijnstrooms by Holland) te vinden in den Leuvenschen studenten almanach van 1828; en vooral de heer N.C. Cornelissen. Ook professor Fuss gaf onlangs zyne latijnsche gedichten te Luik uit.
De eenige dichter, die eene volledige verzameling zijner latijnsche verzen in onze dagen uitgegeven heeft, was de ridder Camberlyn; doch deze poëet der koningen is de koning der poëten niet.
By het overwegen des welverdienden roems, dien onze landgenoten zich in het beoefenen der oude letteren hebben verworven, zijn wy aengespoord geweest, om in onze moedertael den schoonen lierzang na te volgen, welken de vermaerde jesuiet Sarbievius aen zijne medebroeders in Belgie richtte, die even als hy de latijnsche lier bespeelden. Deze waerlijk groote dichter, door zijn tijdgenoten den Poolschen Horatius genoemd, en die, volgens H. de Groot, den venuzijnschen zanger somtijds den loef afsteekt, werd in Polen geboren ten jare 1595, en overleed 1640. L.G. Langbein gaf een bericht over zijn leven en zyne werken (Dresden, 1753, 1754).
De Belgische jesuieten, welke latijnsche schrijvers waren, en waervan Sabiewski gewaegd, zijn:
Onder zyne Elegien munt vooral uit het schoon contrasterende vers ad somnum. Er is eene aenmerking jegens dit stuk te maken, welke tot dus verre onzen letterkundigen ontsnapt is. Deze Elegie is deels gevolgd na den franschen dichter Desportes, overleden in het jaer dat Corneille geboren werd, namelijk in 1606. Malherbe oordeelde dat la prière au sommeil eene van Desportes gelukkigste stukken was1, al is hy er niet zoo rykelijk voor beloond geweest als voor zyne andere verzen. De navolging loopt in 't oog:
Welke laetste regels de bevallige versen in het geheugen van de minnaren der latijnsche dichtkunst herroepen:
Overigens weten de vremdelingen ook onzen christelyken Ovidius te waerderen. Lemaire, alsmede Baron, in de
uitgave van hunnen Ovidius, hebben Hosschius antwoord van Hippolytus, op den zendbrief van Phedra, opgenomen.
Sarbievius spreekt ten slotte van zijn gedicht over den boezemvriend van Hosschius, namelijk Wallius van Cortryk, dien Peerlkamp by misslag tot Bruggeling maekt, geboren in 1599, overleden in 1680, en overbekend.
Wy betuigen niet te weten, waerom Sarbievius onder andere jesuieten niet gewaegd heeft van den grooten Idyllendichter Becanus, geboren 1608, overleden 1683, wiens Moses zoo schoon is.
De namen van deze groote dichters zijn voldoende om den dichterlijken geest der Belgen te vereeuwigen. Wy hebben een grooten voorraed van vertalingen uit dezelven in portefeuille, en hopen die, vroeg of laet, in het licht te zenden.
Van Sarbievius leveren wy hier slechts eene verre navolging.