Zeer gaerne geven wy een plaets aen den volgenden brief:
Mannekensvere, den 4 mei 1830.
Mijnheer,
Ik las in het Belgisch Museum, Ie deel, bladzijde 423, dat men de kenspreuk der Maetschappij van Rhetorica, te Nieuport, opheldert in dezer voege: ‘Van vroedschepe dinne, dat is, dun (of mager) van wijsheid.’
Als beminnaer van taal- en letterkunde, en met aangekleefdheid voor mijne vaderstad, moet ik UE. doen opmerken, dat men door vroetschepen dinne, mijns bedunkens, moet verstaan wijsheid en vermaak.
Men heeft waarschijnelijk, door de aloudheid van het schrift, by misslag, vroetschepen dinne gesteld, in plaats van vroeschep en deune.
De eenigste reden, die ik hier, tot bevestiging van mijn gevoelen bijbrenge, is, dat er, van ouds, op de gordijn van den schouwburg staat proficit et recreat, hetwelk beduidt Nut en Vermaak. In overeenkomst met deze kenspreuk is het ook dat de letteroefeningen der Rederijkers altoos gezegd worden met wijsheid en vermaak (of kortswijl) gepaard te gaan, sinds onheugelijke tijden.
Ik verzoek UEd. de goedheid te hebben die verbetering in eene volgende aflevering te doen; gij zult verpligten die de eer heeft, enz.
Uw. D.V. Dienaar,
MEYNNE VAN DE CASTEELE.
Hoezeer ik den heer Meynne van de Casteele toejuiche in zynen iever door de stad zyner geboorte, en voor de eer der kamer van Rhetorica, tot wier leden zyn Ed. ongetwyfeld behoort, zoo kan ik echter niet toegeven, dat de verklaring der kenspreuk Van vroetschepen dinne, op bladz. 423 van het eerste deel des Museums gegeven, ongegrond zy.
De geachte briefschryver heeft geen bewys aengevoerd dat men oudtyds werkelyk geschreven hebbe vroeschep en deune, welk laetste woord eigenlyk niet anders is dan toon (waervan deuntjen) by Kiliaen ook figuerlyk voor ludus, facetiae, nugae, genomen: daerentegen kan men niet ontkennen dat de kenspreuk, sints eeuwen, overal gedrukt staet gelyk zy in het Museum voorkomt.
In een HS van wylen den geleerden heer Gerard te Brussel, bevattende een geschiedkundig overzicht van al de Rederykkamers der Nederlanden, leest men, bladzyde 245: ‘Il y avoit dans la ville de Nieuport une chambre de Rhétorique, qui fut approuvé par la chambre de Gand, en 1492: elle se rendit au concours de Gand en 1539. Selon l'ouvrage imprimé de 1539, la chambre de Nieuport avoit pour dévise Van vroeschepen dunne, et selon un manuscrit de 1629 elle avoit la dévise:
Jesus fert coronam spineam.
Vroe dinne.’
Ik twyfel er echter aen of die latynsche spreuk ooit aen de Nieuwportsche kamer behoort hebbe. Wellicht werd zy door haer gebruikt op het een of ander blazoen, als tegenstelling van haren naem Onser-Vrouwe gouden croon (zoo als Laserna Santander in de notes op zyn Mémoire historique de la bibliothèque de Bourgogne, p. 191, die kamer noemt).
By den kampstryd te Gent, in 1539, vertoonde Nieuport een zinnespel van drie personnagien, de mensche, de uutvloeyende clergye, en de goddelike waerheyt. In den druk der alsdan medegedongen hebbende spelen, van het zelfde jaer, dien voor my ligt, leest men Van vroeschepen dinne. Drie refereinen derzelve kamer, te weten, een in 't wyse, een in 't sotte, en een in 't amoureuse, worden ook gevonden in de uitgave der Refereinen van 1539, by Hans Coesmans te Antwerpen van de pers gekomen ten jare 1581, doch zonder vermelding der kenspreuk.
Kops, eindelyk, in zyne Schets, eener geschiedenis der Rederykeren, bl. 326, zegt dat er te Nieuwport in Vlaenderen eene kamer bestond, onder de naem van de Roosekrans, en de zinspreuk Van vroescheepe dinne.
De spreuk op de tooneelgordyn proficit et recreat werd meermaels gebruikt in schouwburgen, en kan hier weinig in aenmerking komen, vermids de kamer eene vlaemsche devise had aengenomen. Bovendien is de opgave niet juist Vroeschepen dinne: men schreef Van vroescepen dinne. Van waer dit van, zoo het Vroescep en deune moest wezen?
Ik zeide daer zoo even dat my de woorden Jesus fert coronam spineam, vroe dinne, het opschrift van een blazoen schynen te wezen. Vroe dinne is hier moeilyk te begrypen; doch ik ben overtuigd dat er by die woorden figuren hebben gestaen, die den zin voltooiden. Men weet dat de rederykers een beeldenspraek bezigden, by de franschen Rébus genoemd. Een wan (fransch vanne) gold voor van. Waerschynlyk is het dus dat er op het blazoen, vanwaer men de latynsche spreuk gehaeld heeft, vóór het woord vroe een wan, en tusschen vroe en dinne een paer schepen, waren afgebeeld (of schapen, indien men de spelling van vroescapen dinne verkiest).
Ik behoef hier niet by te voegen, dat de ouden gewoon waren het woord vroescap of vroescip te declineren vroeschepen: dit weet ieder die met de schriften of gedrukte boeken van vroegeren tyd bekend is. Dinne voor dun staet by Kiliaen ook voor goed vlaemsch opgeteekend.
En nu, zouden de Nieupoortenaers recht hebben om ontevreden te zyn dat hunne rederykers den naem van dun of gering in wysheid droegen? Ik denk het niet. Het lag in den geest van dien tyd dat men met vreemdklinkende namen en spreuken voor den dag kwam. De leden van het Jenettebloemken te Lier noemden zich de Ongeleerden (ik heb in myn jeugd op hun tooneel verscheidenmalen medegespeeld, onder andere voor den engel Gabriel, in het stuk van den Kersnacht); de Barbaristen van Meenen voerden den naem van Hoppebruers, die van Belle hieten Jong van zinnen, en die van Strazeele stelden op hun blazoen dat zy van kleendanig beschee waren (Zie de lyst van lotinge, geplaetst voor de vertaling van Corneille's Cinna, onder den titel van Gebod der liefde gedrukt te Ipre, by T.F. Walwein, in 1774). Men mag dus veeleer gelooven dat de spreuk der Nieuwportenaers uit een prysbaer gevoel van zedigheid zal zyn voortgekomen.
J.F. WILLEMS.