By het bewerken myner uitgave van Jan de Klerk's Brabantsche Yeesten, bemerkte ik, dat het gedicht van den Leuvenschen kampvechter reeds gedrukt was in Lelong's uitgave van Velthem's Spiegel historiael, en ik heb dan ook van deze myne bevinding naricht gedaen1 (natuerlyk, dat ik, te voren, de Brabantsche Yeesten voor gansch onuitgegeven hield). Op dezen vroegeren druk maekten my ook de heeren L. Ph. C. Van den Bergh en Ph. Blommaert opmerkzaem, en nu ontvang ik daerover den volgenden brief, dien ik gaerne hier eene plaets inruime.
J.F.W.
sGravenhage, 13 Februarij 1839.
Weledele Heer!
Toen ik vroeger in Uw geacht Museum, Ie deel, bladz. 26-32, het stukje las, getiteld: De Leuvensche kampvechter, ten jare 1236, kwam het mij voor dat dit gedicht mij niet vreemd was, en ik hetzelve reeds elders had gelezen, zonder dat ik mij echter op dat oogenblik konde herinneren wáár. Eindelijk is het mij gelukt de
plaats op te sporen, waar ik het onderhavige stuk vroeger had gevonden. Bij het herlezen van Velthem's Spiegel historiael vond ik het gedicht bijna letterlijk zoo als het in uw tijdschrift voorkomt (hoewel met eenige toevoegselen en kleine veranderingen), weder, en wel in het I boek, cap. 28, 29 en 30.
Dikwijls heldert uwe uitgave het gebrekkige werk van Lelong op; maar ook op sommige plaatsen wordt uw afschrift door Velthem verbeterd, wiens tekst, dit zij in het voorbijgaan opgemerkt, veelal meer met het Brusselsche HS. overeenkomt dan met dat van Affligem, welk eerste ook door prof. Bormans voor zuiverder van tekst verklaard wordt (Belg. Museum, I, bl. 457.)
Dan, om op onze verbeteringen te rug te komen: zie hier een paar voorbeelden. Men leest bij U, vers 55:
hetwelk geen zin oplevert, en waarvoor men by Velthem leest:
hetgeen blijkbaar de ware lezing is, en ook met uwe verklaring overeenkomt. -
Achter vers 72 ontbreekt een regel; want wien ontbloot de hertog? - Lees dus liever met Velthem, l.c.c. 29 (p. 40):
Daar UEd. Velthem wel zal houden voor een ‘onzer historieschrijvers,’ zoo vervalt natuurlijk uw aangemerkte in het naschrift.
Mogten deze letteren u voorkomen, Mijnheer, als niet geheel ongeschikt voor uw Museum, zoo zal het mij aangenaam zijn.
Ik heb de eer met hoogachting mij te noemen,
Weledele Heer!
Uw Ed. D. Dienaar,
W. JONCKBLOET.