[p. 124]
De Witte Berg.
Ode.
˘ - ˘ ˘ - ˘ ˘ - ˘ ˘ - ˘
˘ - ˘ ˘ - ˘ ˘ - ˘ ˘ - ˘ ˘ - ˘
˘ - ˘ ˘ - ˘ ˘ - ˘ ˘ - ˘
˘ - ˘ ˘ - ˘ ˘ - ˘ ˘ - ˘
˘ - ˘ ˘ -
Van
nev'len en wolken omschaduwd, verheft zich
In reuzengestalte de koning der bergen ten hemel;
De klippen der Alpen omringen zyn zetel,
Als kruipende slaven ter aarde gebogen,
In boeijen gekneld.
Trots winden en stormen, die donderend razen
Om de oude met eeuwigen sneeuw en met eeuwige misten
Omgevene kruinen, verheft hij zijn tinnen
En staart hij omhoog in den afgrond des hemels,
Met adelaarsblik.
Zijn troon staat gebouwd op onwrikbare rotsen,
Op rotsen, als puinen in 't uur van de schepping vergeten;
Zijn schouderen dragen een' mantel van wolken,
En bosschen van Alpische lorken omring'len
Als gordels zijn leên.
Geen vlek ooit bezoedelt zijne edele kleeding;
Hij ziet de eerste stralen der opgaende zonne verschijnen
En 't laatste geflonker des stervenden daglichts.
De sterren versieren als edelgesteente
Zijn koninkiijk hoofd.
[p. 125]
Niets kan zijne magt wederstaan noch beteug'len:
Hij wenkt, en daer schieten de sneeuwklompen neder en dondren,
En onder het schrik'lijk gevaarte verbrijs'len
Zijn vuisten de huizen en dorpen, als ware 't
Het speelgoed eens kinds.
O! toen ik dien alpreus voor de eerste maal aanzag,
Verbleekte mij 't voorhoofd, en klopte van schrik mij het harte,
En 'k kruiste op mijn' boezem mijne armen te gader,
En 'k stamerde: ‘O Godheid! daar boven regeert gij,
Maar magtiger nog!’
(
Te Chamouny
).
Andr.
VAN HASSELT.