Wy zullen andermael een uitstap doen in 't rijk der latijnsche dichtkunst, en dit wel by onze landgenooten, welke in voorleden eeuwen bloeiden; want by dezen, en by dezen-alleen, kan men zich overtuigen van de verheven vlucht, welke de Belgische dichtkunst in de zestiende eeuw bereikte. Zy klom in onderscheiden vakken zoo hoog op, dat zy zelfs hedendaegs daerin by ons niet geevenaerd is geworden, vooral in den lierzang en de elegie. Men denke dus niet, dat de beitel van Duquesnoy, en 't penceel van Rubens destijds alleen wonderen schiepen. O neen: ook de lier werd door de Belgen meesterlijk bespeeld.
Ten opzichte der ontwikkeling onzer letterkunde moet men bejammeren, dat de dichters toen aen de tael der geleerden den voorkeur gaven, om hunne gewaerwordingen uit te drukken. Zeker zouden zy anders een voordeeligen invloed op de vroegere verspreiding der tael en volksbeschaving uitgeoefend hebben. Wel is waer dat zy thands niet slechts in hun vaderland roemrijk bekend zijn; maer men schrijft toch eerst van al voor zijn landaert. De groote latijnsche dichters van Belgie gebruikten 't latijn, gelijk eenige van onze schrijvers tegenwoordig 't fransch, om hun werk verder te verspreiden. Doch de uitslag heeft bewezen, dat zy zonder 't nageslacht dit slotsommetjen opmaekten. Hadden zy voor den volke geschre-
ven, zy hadden de letterkunde in Vlaenderen alvroeg op de goede modellen gevormd, en waren in 't spoor van Hollands adelaren opgeklommen; terwijl het gebrek aen opzettelijke taelbeoefening in Belgie te wege heeft gebracht, dat men in die dagen schier algemeen 't effengebakend pad van Cats heeft betreden, zoo dat de zoo gezegde dichtkunst tot een gerekten stijl uitdijdde, en tot een zoetvloeiende slaperigheid verviel, welke byna tot op onze dagen voortgeduerd heeft, en wier wortel nog niet geheel is uitgeroeid.
Wie zal twyfelen, of Erasm en Lipsius zouden, by 't behandelen der vlaemsche penne, op de geleerdheid, beschaving en verlichting van Nederland een breederen invloed uitgeoefend hebben, dan hun latijn te wege bracht? Doch wat wil men? Alles heeft zijn tijd: thands dat het publiek nagenoeg uit de mindere burgerklassen samengesteld is, en dat de wetenschappelyke zon hare stralen tot den laegsten stand der samenleving wil doen doordringen, is 't de moedertael-alleen die aen die zucht en zielbehoefte kan voldoen. De vyand der tael is ook die des volks.
Dan, keeren wy tot onze latijnsche dichters in Vlaenderen terug. Onder dezen behoorden de Jezuieten vast tot de gelukkigste beoefenaers der klassische letterkunde. De meesten stelden zich in de elegie den weelderigen Ovidius tot model voor. Becanus echter, die zich eervol naest den mystieken Hugo, den gekuischten Wallius, en den gevoelvollen Hosschius verheft, was niet arm in zyne weelderigheid. Becanus verdiende door den geestelyken broederband en door den druk Hosschius tot medegezel te hebben. Schoon zyne werken min talrijk zijn, staet hy by ons even hoog. 't Is met dichtkundige werken als met getuigen in rechtszaken gelegen: men weegt ze naer hunne waerde, niet naer hun getal: pensantur, non
numerantur. Zelfs zijn de voortbrengselen van Becanus niet ontsierd, als die van Hosschius, door de allegorie, de koudste aller dichtwyzen; noch bevlekt, als die van Hugo, door de mythologie, de meest versletene aller eerediensten.
Twee geleerde jezuieten hebben den naem van Becanus gedragen, Martinus namelijk en Wilhelmus. De eerste, vooral als schryver, onderscheidde zich in de godsgeleerdheid; de tweede schitterde in de latijnsche poëzy. De tweede is bekend, de eerste foliantschryver nagenoeg vergeten1.
Willem Becanus, wiens naem waerschijnlijk Van der Beeck of Verbeeck was, zag het daglicht te Ypre, in 1608. Hy trad in de Societeit Jesu ten jare 1624. Na 't eindigen van zijn noviciaet, onderwees hy gedurende zes jaren de humaniteiten, en gaf twee jaergangen van wijsbegeerte. Vervolgens zonden hem zyne oversten naer Leuven, waer hy, gedurende negen jaer, in 't huis der jezuieten, het H. Schrift uitlegde. Hier na werd hy bestuerder van het collegie van Aelst. Wedergekeerd binnen Leuven, omtrent 1674, sliep hy aldaer in, 71 jaren oud zijnde.
Hy beoefende de welsprekendheid en dichtkunst even gelukkig2.
Onder andere geachte latijnsche werken, bezitten wy van hem:
Er zijn acht idyllen, alle van eene gewyde stoffe en waervan er drie uit den bybel genomen zijn; vier elegien, welke over 't kindeken Jezus loopen, en twee boeken, waervan de tytel, Austriaca, de strekking aenduidt.
Onder deze valt onze smaek het meest op de idyllen, welke door die aenvallige losheid, die onbedwongen natuerlijkheid (ingenieuse naiveté zeggen de franschen), het ware karakter van 't herderdicht, gekenschetst zijn. Wy vinden die echter wat al te rijk aen herinneringen uit de klassische schryvers, niet slechts wat de verzen, maer ook wat den vorm-zelven van 't stuk betreft. Van alle deze Idyllen zouden wy den voorkeur aen de twee geven, welke over Mozes handelen. Hier in zijn wy het eens met Le Mayeur, die zegt dat men moeite heeft om van dit stuk af scheiden2.
Wat 's mans Elegien betreft, kunstrechters oordeelen de tweede en tiende byzonder fraei1.
Wy weten niet, dat iemand buiten Coupé iets van Becanus hebbe overgesteld. Deze schryver heeft de voorkeur gegeven aen de opdracht aen Christina, na 't nederleggen van de Zweedsche kroon, toegericht, en aen het gedicht op de geboorte van keizer Karel, waer de vertaler zeer hoog mede liep2.
Becanus offerde dit laetste stuk aen den aertshertog Ferdinand, by diens intrede, en ter gelegenheid dat deze den roem zijns grooten voorvaders plechtig wilde vernieuwen. Ons dunkt dat er de geest van 't orde, waer toe de dichter behoorde, wat al te sterk in doorstraelt, zoo als dit ook by Hosschius wel eens het geval is. Met weerzin leest men heden in dit geboortedicht verzeu als deze:
Het overige is niet zeer verdraegzaem. Becanus heeft zijn vers den vorm eener prophetie gegeven, doch alles komt hier zoo onverbloemd en niet omsluierd voor, dat er den lezer niet te raden blijft, en de kunst schijnt hier nagenoeg zonder kunst aengewend.
Om onze landgenooten algemeener met den zoo ge-
moedelyken Idyllendichter bekend te maken, hebben wy onze vertalingskeuze laten vallen op den te vinden geleiden en ontdekten Mozes.
De dichter, in 't beschryven van 's Hebreeuwers ten toonstelling, schijnt die van Romulus en Remus by Ovidius in 't oog gehad te hebben, en voert aldus de moeder sprekende in:
De dichter der Fasta (II, 400 seqq) had reeds gezeid:
Hoe veel eenvoudiger en schooner is dit parva vehit fati (wat voert dit brooze mandetjen al lotgevallen meê?), hoe veel treffender hetgene er op volgt by Becanus, dan het valsch vernuft van Poot, in zijn stuk: Mozes gebergde kintsheit.
Het gebrek dat wy den Mozes van Becanus misschien te laste zouden mogen leggen, is het gemis aen de zoo gezeide plaetselyke kleur. De Moïse van Victor Hugo, waer Van der Hoop ons eene vertaling heeft van geschonken, toont ons, by eene eigenaerdiger schildering, dit gemis te duidelyker aen. Zoo spreekt by hem de dochter van Faraö:
En zouden wy hier van den Rotterdamschen dichter Bogaers kunnen zwygen, die onlangs geheel Nederland aen zich verplicht heeft door zijn dichtstuk Jochébed, waerin hy den Israelitischen vondeling zoo fiks heeft geschilderd?
In onze vertaling zijn wy Becanus nagenoeg op den voet gevolgd. De woorden quales parvi pinguntur amores hebben wy opzettelijk veranderd. Zoo had Malherbe in zijn dichtstuk les larmes de St-Pierre gesteld:
waerop Menage1 te recht aenmerkt, dat hy, om 't ge-
wyde met het ongewyde niet te mengelen, moest gesteld hebben:
Wy sluiten met het opschrift op Becanus, dat ons Hoeufft in zijn Parnasus latino-belgicus geeft:
Dat is nagenoeg:
Pr. VAN DUYSE.