
De Moeder Gods is in de middeleeuwen voor schilders, beeldhouwers en dichters het meestgeliefkoosde voorwerp van kunstbeoefening geweest: Zy was voor hen, en voor onze zoo gemoedelyk-christene voorvaders in het algemeen, de geheimzinnige rooze der poezy (rosa mystica), het ideael der maegdelyke schoonheid, de koningin der hemelen, het hoogste toonbeeld van moederlyke liefde, de voorsprekerin van het menschelyk geslacht by haren Zoon, onzen eenigen Middelaer!
Ik bezit een groot getal oude liedjes ter eere van Onze Lieve Vrouwe opgesteld. De meeste zyn vol verheffing en gevoel; doch geen van deze overtreft de verdienste van het latynsche gezang Stabat Mater dolorosa, hetwelk men gewoon is aen Jacobus de Benedictus (Jacopono da Todi) toe te schryven1. ‘Die vrome monnik, zegt Wieland,2 heeft tydens de diepste duisternis der middeleeuwen dit lied in de eenvoud zyner ziel, by den drang van zyn gevoel, met innig mededoogen, weemoed
en boetvaerdigheid uitgestameld, geenszins om, door zyne platte rymen, aenspraek te maken op de lauream Apollinarem: neen; maer zyne strophen zyn louter uitboezemingen van eenen eenvoudigen kloosterling, die, in godsdienstige verrukking, het kruis van zynen goddelyken verlosser omarmt, en in de smarten der heiligste moeder begeert deel te nemen. By het hooren van dit stuk ziet men, als het ware, den dichter, op eenen goeden vrydag in zyne kleine donkere cel voor een crucifix geknield, zyn gebed storten, en by de strophe:
hem werkelyk, in de dronkenschap der liefde, blakend van godsdienstig gevoel, zyne tuchtroede aengrypen, en zich bloedig geeselen, om met zynen gekruisten zaligmaker en dezens moeder te lyden.’
Om te toonen hoe ryk onze vlaemsche letterkunde aen allerlei slach van vertalingen in versen is, wil ik hier eenige vlaemsche berymingen van dat stuk mededeelen, gevolgd door een drietal hollandsche overzettingen. Met verwondering zag ik, dat dit fraye gedicht niet voorkomt in het boekje getiteld Himni, quorum usus est in ecclesiastico dei cultu, una cum aliquot praeclaris canticis, prosis et orationibus, positi in latino idiomate atque etiam Teutonico, utroque textu sibi mutuo respondente: in gratiam et extimulationem piarum mentium in Deum, diligenti opera et studio fratris Caroli Wynkii, Yprensis, Sacroe Theologioe Baccalaurei, ordinis Proedicatorum. Gandavi apud Gislenum Manilium, 1573, in-12o1.
Het ontbreekt ook aen geene vrye navolgingen (of zeg ik liever imitatien) van het Stabat Mater, en een der beste is de Clachte van Maria beneven het cruys in de Goddelycke lofsanghen van Justus de Harduyn,1 vooral wanneer men er eenige kleine verbeteringen aen toebrengt. Men oordeele!
Komen wy nu tot onze oude vertalingen van het Stabat Mater terug. Zie hier dezelve, volgens tydsorde:
Tusschen de 30e en 40e regels van dit stuk heeft de afschryver eenige versen overgeslagen, en andere ten tweedenmale ingevoegd. Al de coupletten zouden zesregelig moeten wezen. Het gebruik der letter z is zeer merkwaerdig in dit stuk. Nopens den ouderdom, en het handschrift waerin hetzelve voorkomt berigt my de eerwaerde heer J.V. uit Brugge, hetgene volgt:
‘Dat onze boekzalen nog vele taelkundige schatten, die nooit in het licht gegeven zyn, behelzen, wordt dagelyks bewezen door het ontdekken van nieuwe stukken. Onder de oude handschriften bevinden zich menigvuldige gebedenboeken, in het latyn geschreven, en met loof- of bloemwerk rykelyk versierd. Doch men treft er weinig in het vlaemsch aen.
Een der fraeiste van dit laetste slach berust ter bibliotheek van het bisschoppelyk seminarie, te Brugge. Wy zullen daervan een beknopt inhoudsoverzigt geven. Het boekje, in klein octavo-formaet, op perkament, is, sa-
mengesteld uit onderscheidene stukken, door eenen onbekenden dichter vervaerdigd. De manier van schryven en de zamenvlechting van het loofwerk, dat den kant van elke bladzyde versiert, schynen aen de laetste helft der XIVe eeuw toe te behooren.
Het eerste stuk, waermede dit boekje aenvang neemt, zyn de Getyden van O.L.V., welke de dichter door deze regelen doet voorafgaen:
Deze vertaling kan niet ouder zyn dan het jaer 1334, in hetwelk paus Jan XXII overleedt.
Dan volgen achttien strofen van acht verzen, uitbreidende het latynsch gezang Salve flos florum, met eene uitbreiding van den psalm Miserere, in 320 dichtregelen.
Na zes bladzyden van berymde gebeden, komen vervolgens 10 strofen, ieder van twaelf regelen, handelende van ons Heren wonden. De heeren J.A. Clignett en
J. Steenwinkel, in hunne uitgaef van den Spiegel Historael (D.I. Bl. XLIX.) schryven die strofen aen Van Maerlant toe; doch my dunkt ten onregte, dewyl men daerin de zelfde schryfwyze ontmoet als in de andere stukken van ons handschrift.
Eene vertaling in rym van het Stabat Mater dolorosa sluit dit gebedenboekje. Ten einde de taelminnaers zouden kunnen oordeelen over de verdienste van den vertaler, deel ik u hier dit lofgezang mede: het bestaet uit zeven strofen, alle regelmatig, behalve de zesde, die drie verzen meer bevat dan de andere.’
Uit een HS der XVe eeuw, op papier, in-folio, berustende in de Bourgondische bibliotheek te Brussel (Inventaire nis 837-845), folio 157, verso. De vertaling is regel op regel gevolgd, en, op een paer rymen na, veel getrouwer dan die van het Brugsche HS.
[Hier zou een derde oude vertaling uit de XVe eeuw moeten volgen, welke men aentreft in een gebedenboekje op perkament, te Ryssel, en bevattende twaelf strophen, elk van zes regels; doch de kopy, my daervan beloofd, heb ik tot dus verre niet ontvangen. Mone spreekt van deze vertaling, gelyk ook van de vorige, in zyn Uebersicht der niederl. Volksliteratur, bl. 153 en 154. Zy begint met deze regels:
en eindigt met den volgenden:
De heer en Mr L. Ph. C. Van den Bergh, te Utrecht, heeft in Frankryk eene berymde vertaling van het Stabat Mater gevonden. Waerschynlyk is dit hetzelfde stuk.]
Getrokken uit Het paradys der gheestelyker vreuchden, verciert met uytghelesen gheestelyke liedekens, Antwerpen by J. Trognesius, 1617, in-12o, bl. 37. Het staet ook in Het prieel der gheestelicker melodye, inhoudende vele schoone leysenen, [vierde druk]. Antwerpen., by H. Verdussen, 1620, klein 8o. bl. 105, en in den druk van 1630, by den zelfden Verdussen, bl. 105; - In de Geestelijcke Harmonie van veelderley ende uytghelesene soo oude als nieuwe Catholijke kerckelijcke lofsanghen, leysenen ende liedekens. Emmerick, 1637, in-8o, bl. 78, en in verscheidene andere liedekensboeken.
Getrokken uit De baene des Hemels ende der Deugden; vol schoone ghebedekens, liedekens, vermaeninghen ende meditatien: naer maete, dicht, ghetal, ende ophef ghestelt door Anselmus Boetius De Boodt, licentiaet in beyde de rechten ende medecine. Te Brugghe by N. Breyghel, 1628, in-8o bl. 276. Deze De Boodt was in zynen tyd een der beroemdste natuerkundigen, en lyfarts van keizer Rodolf den II, na wiens dood (1612) hy in zyn vaderland terug keerde. Des dichters levensberigt vindt men in F.V. Goethals Lectures,
tome IV, p. 98. By het bearbeiden van zyne vertaling, in welke de inversien niet gespaerd zyn, had hy vermoedelyk de Hortulus animae, gedrukt te Nuremberg in 1503, of eene andere Hoogduitsche uitgave van kerkzangen voor zich, die hy aen het hof van genoemden keizer had leeren kennen; want de oude Hoogduitsche vertaling van het Stabat Mater begint met de zelfde rymen als de zyne:
Uit de Rymende uytlegginghe naer den letterlycken, verholen ende sedelycken sin van de psalmen ende van de lofsanghen, enz. overgeset en gedicht door den eerw. heer ende meester Peeter De Vleeschoudere, pastoor van Ter Alphene. Brussel, by Jan Mommaert, 1660, in-4o, bl. 239.
Vertaling van Vondel (Gezangen IIe boek); doch Vondel niet volkomen waerdig. In de eerste coupletten kan men grove fouten aenwyzen: zy krielen van pleonasmen, B.V. terwijl ze steende, hem betreurde, en drukkigh weende!
Volgens de gewoone vlaemsche kerkboeken. De vertaler is my onbekend. Met eenige verbeteringen zou dit stuk veel winnen. Vs 5 Zy was bevangen met een zee van druk en smert, en in Vs 51 worden dronk' voor worden dronken, kunnen er waerlyk niet door.