Het was my uit enkele aenteekeningen bekend dat 'er te Brussel een oud gedicht der XIVe eeuw bestond, handelende over de daden van Eduward den derde, koning van Engeland, tydens zyn verblyf hier te lande, in 1338 en volgende jaren1. De heer Van Wyn, wist ik, bezat er een kopy van. Dit gedicht, even belangryk voor de geschiedenis van Engeland als voor die van de Nederlanden, heb ik terug gevonden in een handschrift der bourgondische bibliotheek te Brussel, no 5753-5759: het beslaet de achttien laetste bladen van eene verzameling van vlaemsche ea latynsche kronyken, in-folio formaet, op papier, schrift der XVe eeuw, zynde eertyds het eigendom geweest van Edmond De Dinter, den historieschryver van Braband, die er met zyn eigen hand verscheidene brokken en tweemael zyn haadteeken in stelde. Later behoorde hetzelve tot de bibliotheek van het klooster Groenendael, blykens het volgende opschrift van het eerste schutblad:
Provenit liber iste ex monasterio nostro Viridis-Vallis ex parte venerabilis patris et confratris nostri domini Jacobi De Dynter, quondam prioris hujus domus, cui
derelictus fuerat a germano suo magistro Ambrosio De Dynter, canonico Antwerpiensi hereditaria ad eos successione devolutus ab avo eorum magistro Edmondo De Dynter, domini Philippi ducis Burgundiae secretario, cujus liber olim fuerat, qui cathalogos ducum Brabantiae et imperatorum, qui in hoc libro sunt, studiose collegit, partemque manu propria conscripsit. En een weinig lager: Bibliothecae regiae Bruxellensis ex dono Rmi et amplissimi domini prioris et monasterii Vallis-Viridis canonicorum regularum S. Augustini in Sylva Zonia.
De schryver noemt zich nergens in dit gedicht; doch het blykt dat hy de zelfde dichter is als waeraen wy de Brabandsche Yeesten verschuldigd zyn, Jan De Klerk van Antwerpen. Immers wy lezen in deze Yeesten, in 't 46ste hoofdstuk van het Vde boek, ten aenzien der togten van Eduward III:
Hy woonde te Antwerpen, zie vers 108:
Hy schynt by sommige gebeurtenissen tegenwoordig te zyn geweest, en hoorde, onder andere, het gesprek van koning Eduward, toen deze vernam dat de keizer hem niet zou ter hulp komen, vers 495:
Wel is waer, dat het laetste vers niet duidelyk genoeg is om zulks vast te stellen: er zou daertoe moeten gestaen hebben:
Nu kan Jan De Klerk het door hooren zeggen van iemand anders vernomen hebben. Wat er van zy, zeker is het dat hy een tydgenoot der gebeurtenissen was, die, zoo wel in dit werk als in zyne andere schriften, volkomen geloof verdient. Hy leefde te Antwerpen toen Eduward daer verbleef, en zal voorzeker den vorst van zeer naby hebben leeren kennen. Men weet dat deze de Antwerpenaers zeer lief had, en dat hy in hunne stad verscheidene muntstukken heeft laten slagen1. In het kabinet van de heeren Geelhand te Antwerpen zag ik twee zulke stukken in zilver, een van Antwerpen en een van Brussel, door alloy, gedaente en slag, zeer gelyk aen de oude esterlings van dien tyd, en overeenkomstig de afbeelding voorkomende in A view of the silver coin and coinage of England, London 1762, in-folio, plaet 2, tegen over bladz. 22. Een gelyksoortig stuk bewaert de heer Fr. Verachter, archivarius van Antwerpen, die de goedheid gehad heeft my daervan eene nauwkeurige teekening mede te deelen. Op de voorzyde vertoont de munt het gekroond hoofd des konings met het omschrift: Monet. Nra. Antwerp. (onze munt van Antwerpen) en op de keerzyde: Bndictu (benedictum) Sit. Nomen. Dni. Nri, verders in het midden een kruis met het omschrift: Signum Crucis.
By de uitgave van het onderstaende gedicht heb ik, ter vergelyking van den tekst, gebruik gemaekt van een handschrift der XIVe eeuw der Brabandsche Yeesten,

Bladz 300.
berustende ter archiven generael te Brussel, afkomstig van de abdy van Afflighem, in hetwelk het een en ander overgeschreven is uit dit vroeger opstel van Jan De Klerk. Ik zeg vroeger opstel; want, daer de schryver der Yeesten het vyfde boek van zyne brabandsche kronyk eindigt omtrent het jaer 1349, en daerin van zyn gedicht over Eduward den derde gewag maekt, zoo moet dit laetstgemelde kort na het vertrek diens konings uit de Nederlanden berymd zyn geweest.
J.F. WILLEMS.