terug  begin  verder
[p. 174]

Twee charters van Karel V over het aenstellen van openbare ambtenaren, in Vlaenderen, Holland en Westvriesland.

Onze voorouders hielden niet veel van centraliseren in zaken van bestuer. Zy waren er zeer op gesteld om door hun eigene landgenooten en in hun eigene tael geadministreerd te worden, volgens de byzondere gesteldheid en het belang der onderscheidene gewesten, welke zy bewoonden. De centralisatie, zoo als die, tydens de eerste fransche omwenteling, uit het denkbeeld van de gelykheid der menschen ontstond, is een onding, waer alle jaren nieuwe wetten en nieuwe omkeeringen in het staetsbeheer en in de ministerien uit geboren worden. Zy is oorzaek dat Parys met een onverdragelyk despotismus over geheel Frankryk heerscht, en dat de nederduitsch-sprekende belgen nog voortdurend onder het juk der fransche tael gebukt gaen; want geen onzer staetsmannen durft het ondernemen een voorstel te doen tot het regelen der taelvryheid, niet tegenstaende het 23e artikel onzer grondwet hun het vermogen aen de hand geeft om de bezwaren van een overgroot getal Vlamingen te doen ophouden.

Karel de V was een vorst, die nog al wat van centraliseren hield, om zyne magt te versterken; doch voor de tael koesterde hy een hoogen eerbied. Hy had ambtenaren van al de nederlandsche gewesten in zyne cance-

[p. 175]

lery zitten, die zyne ordonnancien, naer den aerd van elk byzonder landsdialekt, afschreven en afvaerdigden. Zoo vindt men de Geldersche en Overrysselsche, ja alle andere stukken, in de spelling der provincie, waertoe zy behoorden, geëxpedieerd, schoon men zich had kunnen vergenoegen met het bezigen der algemeene nederlandsche tael.

Om te verhinderen dat de Vlamingen deswege eenig bezwaer zouden hebben te ondergaen, beloofde de keizer, toen hy nog kroonprins was, by openen brief van den 28 maert 1514, dat er voortaen in Vlaenderen geen andere dan vlaemsche ambtenaren zouden worden aengesteld, en, ten verzoeke der staten van Holland en Westvriesland, bewilligde hy almede, door eene charter van den 7 mei 1555, dat er niemand in Holland en Westvriesland zoude in officie komen dan persoonen aldaer geboren, of althans die de duitsche tale useerden. Ik laet de beide brieven hier volgen, naer de afschriften uit het Nieuw Rooden Boek, bl. 289 en 292, ten raedhuize van Gent, my door mynen vriend jonkheer Blommaert medegedeeld.

I. Nopende tbedienen van der officien in Vlaenderen.

Sur la requestre faicte à mon très redoubté seigneur, Monseigneur le prince d'Hespaigne, etc., de la part des quatre membres de son pays et conté de Flandres, afin que, en ayant regard à leur loyaulté, obeissance et bonne conduicte envers luy, et aux bons et grandz debvoirs esquelz ils se sont mis pour luy complaire, tant en dons, accords, aydes que aultrement, en plusieurs et

[p. 176]

diverses manieres à sa joyeuse entrée et reception à la seignourie de son dit pays et conté de Flandres, et en regnoissance et recompense d'iceulx, en considerant aussy que tous pays, villes et places, sont beaucoup mieulx regiz et gouvernéz par ceulx qui y sont natifz et cognoissant la nature des lieux de leur nativité que par estrangers, son plaisir fust, leur octroyer et accorder que doresenavant nulz estrangers ne puissent exercer office au dict pays de Flandres, mais quant aulcuns offices y escherront doresenavant à sa disposition, qu'ilz soient deserviz et exercéz par ceulx natifz d'icelluy pays, ydoines, souffisans et bien qualifiéz; mondit seigneur a octroyé et accordé, octroye et accorde par cesles ausdictz des membres ce que dessus, en reservant les chevaliers de son ordre, les seigneurs tenans et qui tiendront et occuperont cy-après bannières au dict pays de Flandres, de quelque nation qu'ilz soyent, ensemble les estrangers ayans presentement offices au dict pays, lesquelz les retiendront et enjoyront, comme ilz ont faict jusquez ores, tant qu'il plaira à mon dict seigneur. Faict à Gand, le vingthuictième jour de mars, l'an quinze cens quatorze avant Pasques.

 

Signé Haneton.

II. Nopende tbedienen van de officien in Hollandt ende Westvrieslandt.

Alzoe die staten van den lande ende graefscap van Hollandt, hier voortijts te meermalen, ende jeghenwordelic int acoorderen van den leste gheheeschte ordinaris ende extraordinarissen beden, hebben verzocht, dat hem by den keyser onsen alderghenadichsten heere gheaccordeert zouden worden, dat van nu voortaen nyemandt

[p. 177]

in den landen van Hollandt ende Westvrieslandt gheadmitteert zouden worden, eenich officie te bedienen, dan wesende ingheboren van den zelven lande, oft dat ten minsten nyemandt gheboren uyte landen, die de voorseyde van Hollandt excluderen van den officien in hueren bedrijfve, vallende tot eenigh officie in de voorseyde landen van Hollandt ende Westvrieslandt, en zouden worden gheadmitteert, van ghelijcken nyemandt gheen ondersaet wesende van zyne Majts. landen van herwaerts overe, noch oock yemandt van den landen, die de Duytsche tale nyet en useren, wel verstaende dat die ghene, die althans in officie zijn, blijven, ende tzelve tot zijnder majesteyt beliefte bedienen zullen1. De Keyserlicke Majesteyt, verstaen hebbende 't rapport van 't voorseyde verzouck van de voornomde van Hollandt, heeft den zelven, in aensieninghe van huere goede ende ghetrouwe diensten, naer rijpe deliberatie van rade, geoctroyert, gheconsenteert

[p. 178]

ende gheaccordeert, octroyeert, consenteert ende accordeert uyt zonderlinghe gratie by desen, dat van nu voortaen nyemandt gheboren uyte landen, die de voorseyde van Hollandt excluderen van den officien in hueren bedrijfve vallende, tot eenich officie in de voorseyde landen van Hollandt ende Westvrieslandt en zal worden geadmitteerd, noch insgelijcx eenighe nyet geboren zijnde uyter zijnder Majesteyt's landen van herwaerts overe, ende dat die ghene, die uyte voorseyde landen van herwaerts overe gheboren zijn zullen, die Duytsche sprake, die men in Hollandt ghebruyct, kunnen verstaen ende spreken, ende anders nyet, tot eenich officie binnen den voorseyden landen van Hollandt ende Westvrieslandt gheadmitteert werden, willende nochtans dat die ghene, die althans aldaer in officie zijn, hoe wel zy in dese declaratie uytghesloten zouden moghen wesen, in de zelve officien blijven, ende die tot zijnder majesteyt beliefte bedienen zullen, dat oock hierinne uytghenomen zullen wesen de stadthouders ende die ridders van der ordene van den Gulden-Vliese. Ende op dat deze jeghewordighe gratie, octroy, declaratie ende verclaringhe vastelic ende onverbrekelic onderhouden werde, soe heeft zijne voorseyde Majesteyt dese acte met zijnder eyghener handt, onderteekent. Ghedaen tot Bruessele, desen zevensten dach van mey, anno vijftien hondert vijf ende vijftich. Gheteekent Charles, ende wat neder Bave.

1Men leest dien aengaende in het Register gehouden by meester Adriaen Vander Goes, advocaet van de staten 's lands van Hollandt, deel IV, bl. 24: ‘Ende aengaende de voors. geeyschte somme van twee hondert duysent guldens, verklaerden de Edelen ende die van Amsterdam, by manieren van communicatie, dat sy te vreden souden wesen, de voors. geeyschte somme te vinden een derden-deel by margen-geldt, onder conditie, dat van de voors. somme tot profijt ende assistentie van de haringhvaert geemployeert souden werden thien duysent guldens, ende oock dat er geen uytheemschen in den lande van Hollandt ofte Westvrieslant eenighe officien en souden bedienen, ofte dat ten minsten niemandt geboren buyten landen, die de voors. van Hollandt excluderen van de officien binnen haren bedryve vallende, tot eenige officien in den lande van Hollandt of Westvrieslandt geadmitteert en sal werden, van gelijcken oock niemant, geen ondersaten wesende van Uwe Majesteyts landen van herwaertsover, insgelijck niemandt van de ondersaten van den landen, die de duytsche tale niet en useren; wel verstaende, dat die gene, die thans in officie zijn, blijven, ende het selve tot de Majesteyts beliefte bedienen sullen, enz.’
terug  begin  verder