Van aloude tyden af hebben wysgeeren, redenaers en geleerden, die in hunne studiën over de zwakheid van 's menschen geheugen nadachten, middelen pogen te bedenken om dit zielsvermogen ter hulp te komen. Men beweert dat Plato en Cicero reeds deswegens zekere regels hadden uitgevonden en volgden. Men kent het werk van Schenckelius en de stelsels van zyne navolgers Aimé Paris en Castilho. De studenten van het einde der verleden en van het begin der loopende eeuw herinneren zich nog de leerverzen van hunne latynsche en fransche Grammatica, waeronder die van Desroches wel de laetste zal geweest zyn. De Bachalaureus Thamara bragt het stelsel nog veel verder: hy gaf eene gansche grammatica op rym: Suma y erudicion de Grammatica en metro Castillano. Instrucion Latino. Por el Bachiller Thamara. Anvers, Martin Nucio, 1550, in-8o. Maet en rym waren zeer goede middelen om de regels in het geheugen der jonge studenten te printen; doch wy willen hier niet de voor of nadeelen van dit stelsel overwegen. Genoeg is het te zeggen, dat onze hedendaegsche pedagogen in de rudimenta zulk leerdicht hebben afgekeurd.
Onze eenvoudige dorpsscholen hadden ook in zekere gevallen hunne Mnémotechnie.
Te Capellen, ten noorden van Antwerpen, en in andere omliggende dorpen, en, zoo wy later vernamen, ook in eenige dorpen van Noord-Braband, leerden de kosters (die tevens schoolmeesters waren) hunnen leerlingen de
negen figuren der arabische cyfers, door middel van hare overeenkomst met de letters van het gotisch a.b.c. De opgave van dit stelsel schynt ons des te belangryker dat wy deze leerwyze in geene schoolboeken hebben aengetroffen, en dat de zaek een karakter van oudheid met zich draegt, die mogelyk wel tot het tydstip van het invoeren der arabische cyfers opklimt, wanneer derzelver gedaente zeer verschillend van de hedendaegsche was. Zie hier, in de nevenstaende plaet, hoe men deze figuren vóór de tyden der fransche overheersching in gemelde dorpsscholen aenleerde.
De figuer der dry eerste letters leveren voor ons geene moeijelykheid op, wat niet het geval is met q, die men kuve noemde, dewyl die letter immer van u of v (dat hetzelfde was) gevolgd werd. In het voorbygaen zullen wy aenmerken dat de beide namen aen de twee vormen hoorden. Men zegde u-ve en daervan q-u-ve. De overeenkomst van q met 4 is dan ook niet zoo ligt te vatten; daertoe moet men tot de gedaente der cyfers in de XIVe en XVe eeuw opklimmen. Zoo is het ook met vyf gesteld. De overeenkomst van onze 6 met de gothische s stelt mede een karakter daer van de XVe eeuw. Men ziet dat men niet altyd in het a.b.c. de letter heeft gevonden die aen de cyfer beantwoordt. Dus heeft men voor zeven een haeksken, dat, hoewel zeer onbepaeld, met behulp der voorstelling van het gedachte haeksken toch voldoen kon. Wat zal nu konneke zyn? Zouden de ouden ook de verkortingteekens, die men in het schryven bezigde, in de school, aen boerenkinderen geleerd hebben? In dit teeken kunnen wy toch niets anders erkennen dan de verkorting by de latynschryvers vóór het woord geplaetst, con of cum beteekenende: by voorbeeld in 9ferre voor conferre; men weet dat hetzelfde teeken op het einde van het woord voor den uitgang us gold. In de

Blz: 222
zamengestelde cyfers, van de tienheden beginnende, ging men vervolgens voort, als in de plaet is aengestipt.
Het is opmerkelyk dat de tachtigjarige man, die ons de geheele reeks van gemelde herinneringsteekens, even als een kleine schooljongen, opzegde, met groote verwondering vernam dat men heden de cyfers zonder behulp van mnemonieke versjes kan aenleeren.
H. MERTENS.
Antwerpen.