terug  begin  verder
[p. 333]

Over de Lombaerden en Bergen van Barmhartigheid, in Belgie.

Sedert het tydstip van de verschyning des christendoms in Europa, is er voor de behoeftige en arbeidende klassen, in vergelyking van derzelver toestand onder het heidendom, zeer veel gedaen geweest, zonder dat men daerom kan zeggen dat er niets meer te doen overblyft. In tegendeel, er moet nog veel, zeer veel verricht worden, om het lot dier klassen, zoowel onder zedelyke als onder stoffelyke betrekking, te verzachten en te verbeteren, en dewyl het in den aert onzer samenleving ligt, dat in dezelve rykdom en armoede nooddwankelyk tegenover elkander staen, zouden de staetsbesturen de verbetering van het lot der armen onder zekere opzichten wel wat meer mogen betrachten, dan men tot dus verre veelal gezien heeft. Trouwens, om de belangen der ryken en vermogenden te regelen heeft men, in alle landen en door alle eeuwen heen, duizende wetten uitgevaerdigd; maer hoe dikwerf heeft men zich bekommerd over de belangen dergenen die weinig of niets bezitten? - Eilaes! maer al te zelden; of als men zich bywylen heeft gewaerdigd naer deze laetste belangen om te zien en er werk van te ma-

[p. 334]

ken, dan zyn de aengewende middelen meerendeels onvolledig en ondoelmatig geweest. Wie daeraen mogt twyfelen, die doorbladere onze oude nederlandsche Plakkaertboeken, het hollandsch Staatsblad en het belgisch Bulletin Officiel: in deze lyyige compilatien ontmoet men velerhande wetten en besluiten tot beteugeling en uitroeijing der bedelary, tot vervolging en aenhouding van landloopers, enz.; doch daertoe bepaelt zich nagenoeg alles: aen reglementen, strekkende om zoo veel mogelyk den welstand onder de arbeidende klassen te brengen, schynt men zoo weinig gedacht te hebben, als aen het bevorderen van het geluk der Maenbewooners, zoo schaers ontmoet men, in de bovengenoemde collectien, eenige bepalingen over deze stoffe.

Intusschen wordt het dagelyks dringender dat men zich met die gewigtige zaek onledig houde, by het staetsbestuer, wel te verstaen; want het is van ons niet dat men eene verhandeling ex professo over het armwezen, en wat dies meer zy, moet verwachten. Niet alleen zou het buiten ons bestek vallen ons in het onderzoek dezer kwestie van staetshuishoudkunde te verdiepen, dewyl er welligt geene uitkomst aen zyn zoude dan ten einde van een halfduizend bladzyden, maer het mangelt ons bovendien aen proefondervindelyke ervarenis, eene hoofdvereischte, zonder welke zulke taek niet dan zeer onvolmaekt en gebrekkig is uit te voeren. Wy zullen ons derhalve bepalen tot het beschouwen der kwestie langs derzelver historische zyde, en voor zoo veel ons onderwerp zulks medebrengt.

Het is een allezins bekend feit, dat duizenden onzer natuergenooten moeten leven van hetgeen zy elken dag winnen, en, dat zy door ziekten of werkschorssingen verhinderd zynde het dagelyksch brood te breken, van

[p. 335]

honger of ellende zouden vergaen, byaldien de steeds wakende christelyke Liefdadigheid hen niet ter hulpe kwame. Dan, deze dochter des hemels, hoe werkzaem ook, is niet altoos by de hand om den lydenden uit den nood te redden. Hoe velen onzer mede-menschen zyn er toch niet, die geduldig de hardste beroofdheden verduren, alvorens hunnen toevlugt tot de openbare armen-kassen te nemen? Wanneer een werkman, dat is een mensch van zynen dagloon levende, ziek wordt, is het hem niet gegund om, by middel van krediet, een voorspoediger oogenblik af te wachten: in onze beschaefde eeuw zyn eerlykheid en braefheid geene gangbare munt. Doch om onze tydgenooten wegens wantrouwen, ikheid en zelfzucht niet uitsluitelyk te schandvlekken, zullen wy er byvoegen dat zulke opmerking ook in vorige eeuwen is gemaekt geweest door lieden, die de baetzucht vry wat meer dan de menschenliefde bezielde, en die den armen tot een voorwerp van hunne speculatien deden verstrekken: deze lieden nu waren de Lombaerden.

Aenvankelyk werden, onder deze benaming, die italiaensche kooplieden verstaen, welke, gedurende de middeleeuwen, in Frankryk, Duitschland en Belgie kwamen handel dryven. Vele schryvers zyn van gevoelen dat die naem aen de gemelde kooplieden gegeven werd om dat de meesten hunner uit Lombardië herkomstig waren. Bilderdyk, nogtans, ofschoon hy aenneemt dat deze afleiding gegrond zy, schynt dezelve in twyfel te willen trekken. Volgens hem zoude het woord Lombaerd (in het hollandsch Lombert) van lompen, vodden, kunnen komen, zoodat men Lompert, Voddert, zou hebben willen zeggen, en deze geleerde taelkundige, om zyne zonderlinge gedachte te staven, voegt er by dat de Lombaerden op lompen, vodden en oude kleederen, geld

[p. 336]

leenden1! Doch deze uitlegging is zichtbaer te gewrongen om te kunnen aengenomen worden, en zy is des te aenstootelyker wanneer men inziet dat de benaming van Lombaerden, in Frankryk, zoowel als in België, altoos op eene en dezelfde klasse van menschen is toegepast geweest.

 

Wel is waer, die benaming van Lombaerden werd eerst in de XIIIe of XIVe eeuw algemeen gebruikt, om woekerende pandbeleeners aen te duiden, en vóór dat tydstip gaf men den italiaenschen kooplieden onderscheidene bynamen: hier hiet men ze Ultramontanen, als van over de gebergten herkomstig; ginds 's Pauzen knechten, als genietende de byzondere bescherming van Rome's opperkerkvoogd; en elders Cauwerinen, Cauwersinen, Cauwersynen, zynde verbasteringen van Cawarsini, Coarsini, Coarcini, twelk eigentlyk de geslachtsnaem was van een' der voornaemste dezer italiaensche geldschieters2; maer al deze toenamen bewyzen juist dat de persoonen, aen welke dezelve toegevoegd werden, vreemdelingen, Italianen, Lombaerden, waren.

 

Doch, hoe men verkieze deze geldmannen te noemen, het is eene historische daedzaek dat de Lombaerden, reeds van in de XIIIe eeuw, in onze Nederlanden tot een merkelyk getal waren aengegroeid. Meyer zegt ergens in zyne Jaerboeken dat deze vreemdelingen op dat tydstip schier al den koophandel dreven. Derzelver onverzadelyke

[p. 337]

heb- en schraepzucht is over vyftig jaer aengestipt geweest door Lesbroussart1; en Verhoeven, na te hebben aengemerkt, dat er onder die middeleeuwsche bankiers zekere Jood, met name Joannes, om deszelfs woekerdrift bekend is gebleven, voegt er by, dat zulks niet is te verwonderen, want dat dit volk aen den woeker kleeft gelyk de roest aen het yzer2. Het is ook om de buitensporigheid hunner knevelaryen, dat hertog Hendrik III, ten jare 1260, by testamente gebood, dat men de Joden ende Cauwersynen in Brabant gheheel en al soude te niet doen, ende uytroeyen, sonder dat er eenen enkelen soude in blyven3. Er was slechts uitzondering aen dezen maetregel voor degenen die als andere deftige kooplieden regtschapen handelden4.

[p. 338]

Dit hertogelyk gebod werd echter niet nageleefd; want ten jare 1267, of daeromtrent, vroeg de hertogin Aleydis aen den H. Thomas van Aquinen, of en wanneer het haer geoorlofd zoude zyn van de Joden geld te vorderen1, een sprekend bewys dat er toen nog altyd een deel van Israëls kinderen in de staten dezer vorstin verbleef2. Die kwade gewoonte der Lombaerden om schier by alle gelegenheden te woekeren was overigens zoo algemeen bekend, dat toen Guido van Dampierre, graef van Vlaenderen, in 1281 aen de Lombaerden Jakemon de Caloches en Centurin de Montfauchon, die hem 1400 guldens hadden geleend, oorlof gaf om zes jaer te Brugge te woonen, en aldaer drie winkels te openen, in welke zy alle slach van handel zouden mogen dryven, dit verlof slechts verleend werd met besprek dat zy zich met geenen woeker zouden inlaten: konden zy van dit laetste misdryf overtuigd worden, dan verbeurden zy eene boet van 100 ponden vlaemsch3.

 

Anno 1284, den 18 april, op den dag van Close Paske (Beloken Paesschen), werd Wouter Volkaert, een antwerpsche ridder, door hertog Jan-den-Eersten, tot deszelfs ontvanger in Braband benoemd, en belast met het heffen en ophalen der cynzen, renten, penningen, enz., voortskomende van 's hertogen waters, bosschen, munten, enz., alsmede van de Lombaerden en Joden4.

 

Deze aenhaling moge strekken tot versterking van onze zoo even geopperde meening, wegens het voortdurend bestaen der Lombaerden in Braband, ondanks den uitersten wil van hertog Hendrik III. Niet alleen blykt uit deze

[p. 339]

benoeming van den ridder Volkaert, dat, eer de XIIIe eeuw nog ten einde was, de bepalingen van Hendriks testament werden voorby gezien, en dat Joden en Cauwersynen hier te lande hebben mogen blyven woonen, maer ook dat men, om zoo te spreken, van hen eene matière taillable et corvéable à merci et miséricorde gemaekt had, en hen eene zekere jaerlyksche schatting deed betalen1.

Wat meer is, omtrent hetzelfde tydstip begint men de Lombaerden in de Keuren of gemeentecharters vermeld te vinden, zoo als in de groote keure der Gentenaers van den jare 12962 en in de keure van Antwerpen van het jaer 1292. Deze laetste drukt zich deswegens in dezer voege uit:

‘Vort willen Wi (de hertog van Braband), dat monniken, nonnen, papen ende alrehande ordene, Lombarde ende Joden, vte onsen lande ende onse warranden, ende onse rigtheren, wat dat men ane hen duet dat tonsen wille si3.’

Dat is: dat van des souvereins welgevallen afhingen al de straffen, welke men zoude opleggen aen moniken, nonnen, priesters, Joden en Lombaerden, tot s' hertogen landen en waerdschappen behoorende. En uit dit artikel der antwerpsche Keure kan men afleiden, dat de Lombaerden te dien tyde in Bra-

[p. 340]

band, zoo niet weder merkelyk vermeerderd, ten minste altyd in vry groot getal waren, anderszins zou de bepaling, ten hunnen opzichte in de gemelde Keure gebragt, een bloote overtolligheid hebben mogen heeten.

Opmerking verdient het, dat in 't aengehaeld artikel de Lombaerden onmiddelyk vóór de Joden worden genoemd: zoude men daerdoor hebben willen beduiden dat zy niet veel meer achting verdienden dan deze laetsten? 'T kan zyn, dewyl de eenen en anderen, als erfzondaren, altoos zekere pratyken zyn blyven aenkleven, bestaende in gedurig het zevende der tien geboden te overtreden, van welke ongeoorlofde handelwyze de vlaemsche kronyken ons op het jaer 1221 een merkwaerdig voorbeeld opleveren in Joanna van Konstantinopel, gravin van Vlaenderen, welke haren gemael Ferrand van Portugael uit de handen van den koning van Frankryk, die hem gevangen hield, willende verlossen, zich tot de Lombaerden wendde, doch kon van dezen het noodige losgeld slechts bekomen tegen een' interest van twintig ten honderd; zelfs hadden sommige schrokken tot dertig, veertig, ja vyftig ten honderd durven eisschen, een bewys dat de verordeningen van Boudewyn van Konstantinopel, tegen den woeker, binnen weinige jaren in vergetelheid waren geraekt en misschien nooit uitgevoerd zyn geweest1.

Behalven deze onmatige interessen, vorderden de Lombaerden ook roerende of tilbare panden, en zoo groot was hun krediet dat zy zelve meermalen borgtogten stelden, gelyk men, onder andere, in 1287 zag

[p. 341]

gebeuren, wanneer hertog Jan I, van zyne moeije Beatrix van Kortryk, 4,300 pond parisis ter leene hebbende bekomen, de uitkeering dezer somme, by brieven van den 28 april deszelfden jaers, gewaerborgd werd door Godfried van Braband, broeder des hertogs, door de Magistraten van Leuven, Brussel en Antwerpen, en den Lombaerd Joannes Thadeus Chavachon, mitsgaders door eenige brabandsche ridders1.

Het was voornamelyk in Henegouw en in fransch Vlaenderen dat de Lombaerden bescherming genoten en talryk waren. Blykens eenen brief van graef Jan van Avesnes, waerin hy klaegt over de geldafperssingen door de officieren van den koning van Frankryk op de Lombaerden begaen, bestonden er in 1299 zulke pandbeleeners te Bouchain en te Valencyn. In 1303 vindt men er te Binche en te Maubeuge2. In 1313 kwamen er zich te Aeth, te Forest en te Quesnoy vestigen, na daertoe een grafelyk octroy voor vyftien jaren te hebben bekomen. Dergelyk octroy, voor gelyken termyn, werd in 1323 verleend aen acht Lombaerden, die zich te Valencyn kwamen nederzetten3.

Deze en andere octroyen, magtigende de Lombaerden leeningtafels te openen, schynen veeleer in het belang der vorsten dan in dat der burgers te zyn gegeven geweest. Inderdaed, men ziet in de oude rekeningen van Henegouw van de jaren 1376, 1380 en 1396, dat de Lombaerden voor hunne leeningtafels jaerlyks eene zekere somme gelds aen de graven van dit gewest betaelden, en vermoedelyk is het ook uit erkentenis voor de hun verleende octroyen, dat de Henegouwsche Lombaerden,

[p. 342]

in 1376, 1386 en 1389, aen graef Albrecht van Beijeren, en aen diens zoon Willem van Oosterbant, zeer gewillig geld schoten1.

Overigens, buiten de opgenoemde Henegouwsche steden, ontmoette men in de XIVe eeuw ook Lombaerden te Bergen en te Bavay2, en het blykt uit de rekenings-registers der hertogen van Braband, dat er in 1369 almede zulke uitheemsche pandbeleeners bestonden te Brussel, te Leuven, te Maestricht, te 's Hertogenbosch, te Thienen, te Nyvel, te Herenthals, te Vilvorde, te Lier, te Genappe, te Yssche, te Haelen, te Landen, te Hannut, te Eyncourt en te Waver3.

De stad Antwerpen wordt op die Brabandsche rekeningen niet gevonden, om de eenvoudige reden dat zy destyds tot het gebied van den graef van Vlaenderen behoorde; maer er bestaet voor ons geen de minste twyfel of de Lombaerden hadden zich reeds eene eeuw vroeger in die koopstad nedergeslagen. Behalve de reeds aengevoerde Keure van 1296 en het feit van het bestaen der Lombaerde-vest in 13964, hebben wy het hertogelyk privilegie van 6 december 1306, om onze meening ten

[p. 343]

vollen te kunnen staven; trouwens, men leest in hetzelve:

‘Vort ane en willen wi niet dat die Lombarde, te Antwerpen woenede ende woenen zelen, dat zi niet en moghen lenen onsen portren van Antwerpen dierre (duerder) dan tpont omme twee penninghe de weke, en den vremden lieden omme drie penninghe; ende ware oec dat sake dat ander liede wouden lenen ghelt, omme meer ghelts te coste, zone (zoo en) moghen sijt (niet) dierre (duerder doen) dan die Lombarde die vore ghenoemt sijn1.’

In Vlaenderen vinden wy vooreerst Gent, als eene stad waer zich in de XIVe eeuw Lombaerden gevestigd hadden. Men noemde ze aldaer Pussemiers en Pussemehouders, dat is woekeraers, volgens de verklaring van Kiliaen2, behalve dat een gedeelte der Sersanderswalle, alwaer men het Lombaerden steen aentrof, den naem van Lombardien voerde3.

Onder de andere vlaemsche steden waer zich, gedurende de XIVe eeuw, Lombaerden met der woone ophielden, bemerken wy Brugge (1359), Kortryk (1364), en denkelyk ook Yper, want er bestaet in de Archieven van West-Vlaenderen afschrift van een vonnis, in dato 16 december 1364, door hetwelk de graef van Vlaenderen de stad Yper verwyst om aen de Lombaerden-kompagnie der Boinacours, binnen acht jaren, uit te keeren de somme van twee duizend livres parisis, wegens leeningen door die kompagnie aen de stad Yper gedaen4.

[p. 344]

Eindelyk ontmoet men de Lombaerden tot in Noord-Nederland. Anno 1327 bewoonden zy te Schiedam een steenen huis, iets 't welk toen zeer zeldzaem was1. Eene fondatie, waermede de stad Delft, ten jare 1342, door Willem IV, graef van Holland, was begiftigd geweest, werd niet lange daerna een Lombaerd2. Ook de benaming van Kauwerinen was aen gene zyde van den Moerdyk bekend, en den onmatigen interest, door de uitheemsche pandbeleeners geeischt, noemde men spotswyze Kauwerinenkost3.

Voornamelyk in de XVe eeuw grimmelde het in alle onze groote steden van Lombaerden. In zeker opzicht waren deze lieden de bankiers van de venetiaensche kooplieden, welke te Antwerpen en te Brugge kwamen handel dryven; maer door de ongeoorlofde middelen, welke zy aenwendden om zich te verryken, hadden zy zich alom in haet gebragt. De fransche dichter Villon, die in de evengemelde eeuw leefde, zegt ergens dat de benaming van Lombaerd ten zynen tyde een schimp- en scheldnaem was geworden, en pater Ducerceau bemerkt deswegens dat Lombaerd en Woekeraer toen allang synonymen waren4.

Inmiddels, en ondanks deze algemeene smaed op de Lombaerden, vond men nog vorsten om dezelve te beschermen en octroyen te vergunnen. Zoo zag men, ten jare 1433, Philips-de-Goede aen twee Lombaerden toelaten om te Forest en te Cateau-Cambresis leeningtafels te openen5, en men leest elders dat er by sche-

[p. 345]

pen-act van 23 december 1462 kenbaer (werd) gemaect, dat Anthonise Serendis ende Jorisse Garret, gebroeders, gheboren van Ast in Piemont, gheoctroyeert (waren) gheweest tafel te houdene ende leeninghe te doene binnen de stede van Ghend, in het huus gheheeten den Paeu, aen den Cauter1.

De goede hertog had toen echter reeds de noodzakelykheid begrepen om de toenemende goudzucht dezer Italianen eenigzins in te toomen. Derhalve had hy, door zyne ordonnantie van den 16 december 1453, allen tafelhouderen verboden van te leenen op voorwerpen tot den godsdienst behoorende2; en door de ordonnantie van den 27 september 1454 werd door dezelfde vorst bevolen van al de beleende panden een jaer en eenen dag te houden, alvorens dezelve te verkoopen; byaldien deze panden van goud of zilver waren moest de stempel der stad er op gesteld worden3.

 

Maer buiten die twee hertogelyke ordonnantien, vinden wy, gedurende de XVe eeuw, schier geene andere maetregelen tegen de houders van leeningtafels uitgeschreven. Op sommige plaetsen had men eenen vasten interest gesteld, boven welken zy niets meer mogten eisschen: men vindt daervan een voorbeeld in

[p. 346]

de stad Bergen-op-Zoom, alwaer de vryheer, ten jare 1461, aen de Lombaerden had toegelaten wekelyks eenen interest van twee-en-half grooten op elken gulden Brabands te nemen1. Te Amsterdam, alwaer de houders van leeningtafels eerst in den loop der evengemelde eeuw schynen te zyn opgekomen, was den 6 january 1477 van stads wege eene ordonnantie uitgegaen, bevelende de panden voor Vetten Dingsdag uit de Lombaerden te lossen, zonder daerom eenigen woeker-interest te moeten betalen2.

De Lombaerden leenden niet alleen aen gemeene burgers maer ook aen vorstelyke persoonen, en men weet dat aertshertog Maximiliaen zich ettelyke malen gedwongen vond de juweelen zyner gemalin Maria van Bourgondië te verpanden, om de kosten zyner gestadige oorlogen te kunnen bestryden. Zulks blykt byzonder uit eenen akt van overeenkomst, in 1478 te Antwerpen gesloten, in welken akt wordt gezeid, dat de florentynsche Lombaerd Portis May aen de hertogin 40,000 livres op een manteltjen geleend had3. Een brief van Maximiliaen, van den 24 september 1479, spreekt ook van juweelen, beeldjes en baggen (joyaulx, imaiges et bagues) by twee Lombaerden van Brugge verpand, welke verscheidene van die voorwerpen aen eenige Engelschen verkocht hadden4.

Ten langen laetste werden de misbruiken zoo schreeuwend, dat het landsbestuer besloot er een einde aen te stellen, met het kwaed zelve tot in deszelfs wortels uit te roeijen: diensvolgens werden door een plakkaert

[p. 347]

van den 9 april 1510 alle beleening-kantooren afgeschaft, en al de octroyen, welke de opregting dier kantooren hadden gemagtigd, vernietigd1.

Het zy dat dit plakkaert niet met de behoorlyke strengheid werd uitgevoerd, het zy dat hetzelve by tydverloop in verval geraekte, het had geenzins het uitwerksel, dat men er mede bedoelde. Zeker was het de overheid niet die aen de uitvoering van het gemeld bevelschrift de hand hield. Edoch, het moet vreemd luiden, dat, terwyl keizer Karel-de-Vyfde, door zyn plakkaert van den 30 january 1545, diegenen, welke leeningtafels hielden, met de woekeraers gelyk stelde, en hun verbood van gedurende de goddelyke diensten in de kerken te komen2, hy nog hetzelfde jaer aen Bartholomeus Banelly toeliet eene bank van leening te 's Gravenhage op te rechten, met deze bepaling dat alle beleening op pand mogt geschieden, tegen eenen interest van eenen stuiver per week voor ieder pond groot, hetgeen gelyk staet met 43%3.

Dat het verbod om de roomsche kerkplegten by te woonen, uitgevaerdigd op het oogenblik dat de godsdienst- reformatie in de Nederlanden aen alle kanten uitbrak, weinig geschikt moet geweest zyn om de woeker-woede van vreemde gelukzoekers te beteugelen, is meer dan waerschynlyk; maer men zou er ten onregte uit opmaken dat de calvinistische en luthersche leeraers den woekerhandel ongemoeid door de vingeren zagen. Het tegendeel had plaets, dewyl er by een synode der gereformeerde kerken, ten jare 1574 te

[p. 348]

Dortrecht gehouden, besloten werd van de Lombaerden niet toe te laten tot de gemeenschap der geloovigen aen 's Heeren tafel1, welk besluit door de protestantsche synoden van latere tyden meermalen is vernieuwd geworden.

 

Dan, het anathema, door roomschen en onroomschen tegen de openbare woekery uitgesproken, was zoo onmagtig als het verbod in 1510 door de wereldlyke overheid afgekondigd. Hoe vurig men aen den eenen kant algemeen wenschte dat de Lombaerden uit het land wierden gedreven2, men scheen ze aen den anderen kant volstrekt niet te kunnen missen, dewyl Philips-de-Tweede zich gedwongen zag het bestaen der leeningtafels in de Nederlanden te blyven dulden. Wel is waer, defn houderen dier tafels werden zekere voorwaerden ter naleving opgeleid; by voorbeeld, van de meerdere opbrengst der verkooping van overjaerde panden aen de ontleeners of verpanders uit te keeren, terwyl die bovenbaten, welke door de regthebbenden niet zouden worden terug geeischt, in de staetskas moesten gestort worden. Deze laetste bepaling is uitdrukkelyk vervat in het koninglyk bevelschrift van den 22 december 1578, 't welk de Magistraten belastte eenen persoon aen te stellen, die de verkoop-registers op gezette tyden zoude komen nazien3.

 

Zeer vermoedelyk is er omtrent hetzelfde tydstip voor de eerste mael eenen opperintendent over de Lombaerden aengesteld, aen welken deze jaerlyks een zeker regt ten

[p. 349]

behoeve der koninglyke schatkist betalen moesten1. Doch het liep niet lang aen of men bemerkte dat men verkeerd gehandeld had, want de daerstelling van dat regt strekte den houderen van leeningtafels ten voorwendsel tot het plegen van nieuwe en zware woekeryen. Edoch, korts daerna eischten de Lombaerden tot drie en vier oorden per week voor elk pond groot, gelyk ten overvloede blykt uit het plakkaert der aertshertogen Albertus en Isabella, van den 8 mei des jaers 1600, door welk plakkaert het ambt van opperintendent der Lombaerden en het regt dat dezen aen hem betaelden werden afgeschaft, met oogmerk, wordt er gezeid, om den woeker te verminderen. Wyders verbood dit plakkaert van wekelyks meer dan twee oorden voor ieder pond groot te vergen, en voortaen geene leeningtafels op te richten dan in het geval van volstrekte noodzakelykheid, en slechts met byzondere toestemming van den Souverein2.

Of nu deze maetregelen van meerdere kracht zyn geweest, dan al degenen die men tot het beteugelen van den woekerhandel genomen had, zouden wy geenzins durven verzekeren3. Ja, het tegenovergestelde

[p. 350]

komt ons zelfs aennemelyker voor, dewyl de roomsche geestelykheid, eenigen tyd nadien, raedzaem vond kerkelyke straffen uit te spreken tegen de persoonen, zich met woekeren geneerende, en van welken het spreekwoord zeide:

 
Een woekereer, een meuleneer, een wisseleer, een tolleneer,
 
Zyn de vier evangelisten van Lucifer.

Reeds, en wel in den jare 1586, had het synode van Kameryk verboden van de openbare woekeraers aen de H. Tafel te ontvangen, en aen de pastoors van met hen eenige gemeenschap te hebben, op straffe van den kerkban. Het synode van Mechelen, 't welk deze bepalingen meer dan twintig jaer daerna, in 1607 vernieuwde, moet daertoe redens gehad hebben1.

Intusschen was het staetsbestuer van zynen kant meer dan ooit bedacht om den alverslindenden woeker uit te roeijen. Het ontveinsde zich echter niet dat groote zwarigheden het bereiken van zyn doel zouden komen verhinderen, en dat de algeheele afschaffing der openbare leeningtafels onmisbaer door het oprichten van heimelyke Lombaerden zoude gevolgd worden,

[p. 351]

zoo dat men niet alleen daerdoor den bal mis zou slaen, maer ook een groot kwaed door een erger vervangen. Het was derhalve noodzakelyk van by de ontworpen hervorming het grondbeginsel der pandbeleening te handhaven, en zulks kon slechts geschieden met in elke voorname stad een algemeen leenhuis, van het Magistraet afhangende, op te richten. Zoo kwam men van lieverlede tot het ontwerp om hier te lande Bergen van Barmhartigheid te stichten, welk ontwerp echter in den aenvang door zoo vele hinderpalen werd gedwarsboomd, dat er byna eene halve eeuw verliep eer deze instelling tot stand werd gebragt.

Het algemeen gevoelen der historieschryvers is dat de Bergen van Barmhartigheid of Banken van Beleening1 eerst in de XVe eeuw zyn opgekomen. Doch een duitsch regtsgeleerde, met name Reiffenstuhl, berigt ons dat er reeds in de XIIe eeuw, te Freisingen, in Beijeren, eene leenbank bestond, welke aldaer door een weldadig genootschap was opgericht, en ten jare 1190 door paus Innocentius III bevestigd werd; maer. niets duidt aen dat deze instelling zich in Duitschland verder verbreid hebbe, weshalve men de meening, die de opkomst der eerste Bergen van Barmhartigheid in de XVe eeuw stelt, veilig als gegrond kan beschouwen.

Zekere pater Barnabas, Minderbroeder van Terni, in Italië, die omtrent het midden der gemelde eeuw leefde, mag inderdaed als de stichter onzer hedendaegsche Bergen van Barmhartigheid beschouwd worden. Deze pater, op eenen tyd te Perusa predikende, zag, niet zonder

[p. 352]

diepe smart, op welke onmenschelyke wyze de Lombaerden aen de arme ambachtslieden alles ontwoekerden. Hy werd dus te rade daerin te voorzien, en bewoog eenige vermogende persoonen om hem met eene somme gelds by te staen. Uit dit kapitael werden aen de behoeftigen leeningen op pand gedaen, mits eenen geringen interest, bestemd tot het onderhoud der daertoe aengestelde beambten. De onderneming viel gelukkig uit, maer schoon de eerste Berg van Barmhartigheid, gelyk de instelling aenvankelyk werd genoemd, te Perusa was tot stand gekomen, dezelve mogt slechts in 1467 de pauselyke goedkeuring erlangen, na dat de Berg van Barmhartigheid van Orvieto, in 1464, de bekrachtiging van Paulus II had verkregen1.

Deze leenbanken, ondanks de lastverligting welke de werkende klasse er by vond, en ondanks den yver der Minderbroeders om ze voort te planten, verspreidden zich zeer traegzaem. De steden van Viterbo en Savona hadden in 1471 elk eene openbare beleeningsbank verkregen; Innocentius VIII had in 1488 die van Cesena bevestigd; Julius II had in 1501 aen degene van Bolonië zyne goedkeuring gegeven; er was sedert de opkomst dier gestichten byna eene halve eeuw verloopen, en nog was derzelver beslaen tot de pausselyke staten beperkt! Zulks kwam daer van daen dat deze instellingen, door het toedoen der Joden en Lombaerden, by velen voor woekerwinkels werden uitgekreten. De twist desaengaende was zoo hevig en aenhoudend dat paus Leo X goedvond, in de vyfde algemeene kerkvergadering van Lateranen (1513-1518), de Bergen van Barmhartigheid te doen wettigen, en door zyne confirmatie-bulle

[p. 353]

van 4 mei 1515 het stilzwygen over deze zaek gebood, op eene kerkstraf voor al wie nog tegen de meergemelde beleeningsgestichten zoude spreken1.

De Bergen van Barmhartigheid aldus door den opper-kerkvoogd voor nuttig en weldadig erkend zynde, werden in de voornaemste italiaensche steden opgericht: Rome en Napels zagen er in 1539 tot stand komen2. Het zyn deze italiaensche beleeningsbanken, die tot model gediend hebben aen al degene welke men naderhand in Europa heeft zien oprichten, en het is uit Italië dat de schryver der Annales de Flandre, Pieter d'Oudegherst, het denkbeeld medebragt om zulke gestichten in zyn vaderland in te voeren, volgens de getuigenis van don Louis Valle della Cerda, raedsheer by het spaensche hof te Madrid, die in een werkje over die stoffe zich in dezer voege uitlaet:

‘Dewyl het billyk is te doen kennen wie de eerste het ontwerp dezer nuttige onderneming [der Bergen van Barmhartigheid] opvatte, moet ik verklaren dat ik my in de Nederlanden bevindende (alwaer Z.M. my voor hoogstgewigtige zaken by den hertog van

[p. 354]

Parma had gezonden), ik daer kennis kreeg met eenen vlaemschen edelman, geboortig uit Ryssel, en genaemd P. d'Oudegherst, zynde een persoon begaefd met zeldzame deugden en schoone hoedanigheden. Daer hy my, zoo zeer als hy-zelf, genegen vond om tegen de openbare elende hulpmiddelen te zoeken, zeide hy my eens, dat hy na lange reizen in Europa te hebben gedaen, en getroffen over de kwalen, door den woeker in de christenheid voortgebragt, een zacht en gemakkelyk middel had gevonden om die kwalen te verhelpen. Dit middel bestond, namelyk, in het daerstellen van openbare kassen en Bergen van Barmhartigheid, welke (tot 's vorsten welzyn en dat der onderdanen) den woeker zouden uitroeijen, zonder eenig geweld of wettelyken dwang te moeten aenwenden. Hy zeide my ook dat toen hy in Spanje was geweest, hy zyn ontwerp aen Z.M. had medegedeeld, en desaengaende met eenige ministers in gesprek was getreden. Dezen, hem hoogst genegen vindende om de Nederlanden te dienen, hadden hem derwaerts gezonden om over dìt ontwerp met den landraed te beramen, die ook oordeelde dat het eene gewigtige instelling was, waerdig om aen alle volkeren te worden voorgesteld.

Maer de afgunst en tegenstribbelingen, van wegens diegenen, die dit ontwerp ambsthalve zouden hebben moeten aemmoedigen, verhinderden de ten uitvoerbrenging, gelyk ook hedendaegs gebeurt met al wat goed en nuttig is. Oudegherst, my over dit ontwerp onderricht hebbende, verzocht my van er Z.M. over te spreken. Zoodra ik in Spanje was terug gekeerd, stelde ik hetzelve voor, en ondersteunde het met al den yver waertoe ik bekwaem was, zooveel myne zwakke kundigheden toelieten. Ik vroeg ook dringend dat men den

[p. 355]

gemelden Oudegherst in Spanje zoude doen terug komen. Hy kwam er werkelyk, en de zaek in goeden gang vindende, had hy er zoo veel genoegen over, dat hy my nadien geen oogenblik meer verliet. Dadelyk deed Z.M. eenige voorname ministers vergaderen, en gedurende meer dan zes maenden, dat deze vergadering gehouden werd, beraedslaegde en verhandelde men dikwerf in het byzyn van ons beiden de aengelegenheid van het ontwerp. Met eenparige stemmen werd er beslist de Bergen van Barmhartigheid op vaste grondslagen te vestigen, en zulks ging ten uitvoer gebragt worden, toen P. d'Oudegherst in 1591 overleed, latende my zoo treurig als ontmoedigd, dewyl ik onbekwaem was om zulk een gewigtig ontwerp uit te voeren1.’

Uit deze aenhaling blykt dat het ontwerp tot het stichten van Bergen van Barmhartigheid in de Nederlanden, reeds van in den jare 1590 door Oudegherst hy den raed des konings van Spanje was voorgedragen. Maer, het zy door de aenhoudende landberoerten, het zy door de kuiperyen der Lombaerden, het zy door deze beide oorzaken te samen, ongeveer dertig jaren verliepen er, eer de nieuwe instelling kon tot stand komen, en het was Wentzel of Wenceslaus Coeberger2,

[p. 356]

een groot yveraer voor het verzachten van het lot der armen, aen wien het was voorbehouden byna alle de stedelyke verpandingsbanken in België op te richten.

Mogelyk zal het velen vreemd voorkomen dat men eene zoo lange wyle tyds met het instellen van Bergen van Barmhartigheid gewacht hebbe: de twee zoo even aengevoerde redenen van vertoeving zyn echter zoo eenvoudig, dat zy schier geen betoog behoeven. Inderdaed, indien de buitenlandsche oorlog belette dat het spaensch staetsbestuer zich naerstig met de binnenlandsche verbeteringen onledig hield, de Lombaerden waren er van hunnen kant op uit, om, zoo niet hunnen ondergang geheel te verhoeden, ten minste de zaek op de lange baen te krygen, en wie weet hoe vele ten hove invloedhebbende persoonaedjes door den schyn misleid, of door klinkende dukaten omgekocht zyn geweest? Zeker is het dat vele voorname persoonen voor de gevolgen der vernietiging van al de partikuliere woeker-tafels beschroomd waren of veinsden zulks te wezen. De aertshertogen Albertus en Isabella zelven werden des aengaende eerst gerust gesteld na dat Matthias Hovius, aertsbisschop van Mechelen, en Joannes Malderus, bisschop van Antwerpen, aen het plan van Coeberger hun zegel gehangen hadden1.

Het was diensvolgens eerst na de bekrachtiging der hooge clergie voor de Bergen van Barmhartigheid te hebben erlangd, dat de aertshertogen het wagen dorsten deze gestichten in te voeren. Door hunne decreten

[p. 357]

van den 9 january 1618 en van den 14 january 16191, wierpen zy al de partikuliere leenbanken en leeningtafels om verre, benoemden Wenceslaus Coeberger tot opperintendent over de Bergen van Barmhartigheid, en magtigden hem om soortgelyke gestichten op te richten in alle steden waer Lombaerden bestaen hadden2.

De stad Brussel was de eerste in België welke een' Berg van Barmhartigheid bekwam, namelyk in 1619. Deze instelling diende aen de infante Isabella, om van stonden aen, tegen verpanding van hare juweelen, eene somme gelds te bekomen, welke zy aen staetsnoodwendigheden besteedde, en nadien nimmer heeft kunnen uitkeeren. Deze juweelen, voor 566,000 guldens verpand, werden den 25 september 1643, voor 290,000 guldens verkocht3.

De andere steden, waer Coeberger dergelyke leenbanken stichtte, waren: Antwerpen en Mechelen in 1620; Gent in 1622; Aeth in 1624; Doornyk, Bergen, Valencyn en Kameryk, in 1625; Brugge, Ryssel en Duway

[p. 358]

in 1628; Namen in 1621; Kortryk in 1630; en Winoxbergen in 1633.1.

Ingevolge eene aertshertogelyke ordonnantie van den den 23 mei 1621 waren al deze Bergen van Barmhartigheid met elkander vereenigd2, en geplaetst onder het opperbestuer van den meergemelden Coeberger, die hetzelfde jaer in druk had laten uitgaen eene Apologia, ofte Bescherm-redenen teghen het kekelen van de onredelijcke vyanden ende oock de teghenraeders van de Berghen van Bermherticheyt, mitsgaders vertooch aen de redelijcke persoonen, aengaende de voorghenoemde Berghen, onlanckx opgerecht in de Nederlandsche provincien onder de ghehoorsaemheyt van haere doorluchtigste hoogheden, door Venceslas Coeberger..... in vermaeckelijcke dicht ghesteld door Amator Pietatis. Mechelen, A. Jaye, 1621, in-4o, p. 583.

Paquot4 maekt nopens dit werkje de gegronde aen-

[p. 359]

merking, dat er andere dingen noodig waren dan zulke rymelary om de nieuwe instellingen den openbaren byval te doen verwerven.

Inderdaed, er was geheel iets anders noodig dan de bewuste Apologia van Coeberger. De inrigtende ordonnantien van 1618 en 1619 lieten veel te wenschen overig. Deze laetste had onder andere bepaeld - in afwachting dat de Bergen van Barmhartigheid van genoegzame kapitalen voorzien waren - dat het aen eenieder geoorlofd zoude zyn renten ten laste dier gestichten te koopen, ten intereste van 6% par cent 's jaers. Wyders was er bevolen dat er, tot bestryding der kosten van inrichting en beheer, op elke pandbeleening 15 ten honderd, voor interest, zoude worden genomen1.

Deze zware lasten verhinderden dat de pandbeleeningen koosteloos geschiedden2. 'T is waer, de interest van 15%, vergeleken by dengenen welken de gewezene Lombaerden eischten, was eene verligting voor de arbeidende klassen, en evengemelde ordonnantie van 1619 gaf genoegzaem te kennen dat die interest slechts voorloopig bestond, verklarende dat men denzelven niet alleenlyk zoude verminderen, naer mate de kapitalen en eigendommen der Bergen van Barmhartigheid zouden vermeerderen, maer ook geheel afschaffen, hetgeen men rekende dat binnen weinige jaren, met behulp der begiftigingen van liefdadige menschen, zoude kunnen geschieden3.

Doch deze hoop is nimmer verwezentlykt geworden4.

[p. 360]

Misschien is het aen de veelal slechte en kostbare administratie der Bergen van Barmhartigheid te wyten, dat dezelve nooit eigenlyk het doel hunner instelling bereikt hebben, namelyk dat van te dienen tot ondersteuning der behoeftige klassen. Intusschen bezaten die gestichten onderscheidene voorregten, welke de trapsgewyze vermindering hunner uitgaven zouden hebben kunnen bevorderen, indien men er de hand had willen aen houden. Dus waren, door eene ordonnantie der infante Isabella, in dato 30 july 1627, de huizen, aen de Bergen van Barmhartigheid toebehoorende, vrygesteld van alle lasten op eetwaren en dranken, alsmede van de inkwartiering van krygsvolk; en deze voorregten strekten zich uit tot op de huizen van de beambten dier beleeningsbanken1.

Zoolang de opperintendent Wenceslaus Coeberger leefde2, schynt het met de Bergen van Barmhartigheid nog al tamelyk wel te zyn gegaen; maer zyn dood was als het sein van het verval dier gestichten3, en omtrent

[p. 361]

het midden der XVIIe eeuw waren derzelver financien in groote verwarring geraekt. Natuerlykerwyze hoorde men dus de rentedragers en schuldeischers over dezen staet van zaken klagten aenheffen. Om die te doen ophouden benoemde het staetsbestuer in 1652 eene vyfledige kommissie, ten einde in tyds de misbruiken te weren, welke de Bergen van Barmhartigheid ondermynden, en vele huisgezinnen met armoede en ellende bedreigden1.

De uitslag van de werkzaemheden dezer kommissie was een reglement, strekkende om den interest van al de renten op eenen eenvormigen voet te brengen, en den interest der beleende panden, zonder onderscheid, op 15 ten honderd 's jaers te stellen. Dit reglement werd den 7 december van hetzelfde jaer door aertshertog Leopold-Willem goedgekeurd2. Overigens, indien de schikkingen in dat reglement vervat, niet tot, gevolg hadden de volksklassen onder betrekking der pandbeleening te verligten, ten minste konden de Bergen van Barmhartigheid hunne werkingen blyven voortzetten, en wel zoodanig dat er, eene eeuw gedurende, geene nieuwe verordeningen ten opzichte dier gestichten van noode zyn geweest; immers, buiten eene naemrol van opper-intendenten, hebben my desaengaende niets gevonden3.

[p. 362]

Wy komen derhalve tot het midden der XVIIIe eeuw, wanneer de oude Lombaerden weder den kop schenen te willen opsteken. Wy vermeenen zulks te mogen opmaken uit het keizerlyk plakkaert van den 10 july 1742, 't welk bepaelde dat de Bergen van Barmhartigheid alléén op pand en tegen interest mogten beleenen, verklarende tevens dat de overtreders dezer bepaling voor woekeraers zouden gehouden en hunne goederen verbeurd verklaerd worden, terwyl de eigenaers der panden dezelve zouden mogen wedervragen, zonder de daerop ontleende somme te moeten uitkeeren1.

Soortgelyke poogingen tot het herstellen der oude leeningtafels schynen te hebben doen afkondigen het plakkaert van den 11 maert 1758, waerdoor aen de dragers en draegsters der Bergen van Barmhartigheid verboden werd van ongeoorlofde salarissen te eischen of heimelyk op pand en tegen interest te leenen2. Een ander plakkaert, in dato 29 july 1779, verbood aen dezelfde bergdragers, zoowel als aen de Bergen van Barmhartigheid, van minder dan 25 pond zyde en 50 pond wol te ontvangen, op boete van 25 guldens3. Het doelwit van dit verbod was te beletten, dat de beleeningsbanken nog langer tot bergplaetsen zouden verstrekken voor de zyde en de wol, welke dagelyks uit de fabrieken gestolen werden.

Op dit tydstip bestond er nog altoos te Leuven een

[p. 363]

Lombaerd of leeningtafel, doch wy zouden niet kunnen zeggen waeraen deze anomalie moet worden toegeschreven. Zeker is het dat de Berg van Barmhartigheid dier stad eerst in 1782 werd opgericht1.

Thans moeten wy, tot vervolging van deze historische schets, een blik werpen op den toenmaligen toestand der Bergenvan Barmhartigheid by onze zuidelyke naburen.

Toen de partikuliere leeningtafels hier te lande werden afgeschaft, weken de houders derzelven naer Frankryk. Lodewyk XIII in 1626, en Lodewyk XIV in 1643, betuigden een oogenblik het inzicht te hebben in hun ryk Bergen van Barmhartigheid te stichten, doch lieten dit voornemen varen2. Echter bekwam de stad Marseille in 1696 oorlof om er eene beleeningsbank op te richten. Die van Parys werd slechts in 1777 geopend3.

Zoo stond het in Frankryk en België met de Bergen van Barmhartigbeid geschapen, wanneer de groote staetsomwenteling van 1789 byna al die gestichten in de beide landen kwam omverre werpen.

Den 4en pluviose jaer II (23 january 1794) werd door de Nationale Conventie een decreet gestemd, bepalende dat de goederen der armen, in de Bergen van Barmbartigheid verpand, zoowel te Parys als in de departementen aen de eigenaers moesten wedergegeven worden, zonder

[p. 364]

uitkeering der geleende gelden. Door goederen der armen verstond men de kleederen, gereedschappen, en huisraed, waerop ten hoogsten 20 livres was geleend; zulke voorwerpen, voor welke men boven de 20, doch niet meer dan 50 livres had ontvangen, mogten insgelyks wedergeeischt worden, zonder dat men voor dezelve iets meerder moest uitkeeren, dan hetgeen zich boven de waerde van 20 livres bevond. De gouden en zilveren juweelen, alsmede alle voorwerpen van pracht en weelde, werden van de gunst dier onvergelde teruggave uitgesloten1.

Dit decreet is hetzelfde jaer, kort na de terugkomst der Franschen in België, uitvoerig verklaerd geworden; maer in die regeringslooze tyden kon de uitvoering van dezen maetregel onmogelyk met geschiktheid plaets grypen. In sommige steden sproot er byna een oproer uit, dewyl het grauw in zulke menigte naer de openbare leenbanken toesnelden, dat die gestichten letterlyk belegerd, ja, byna ingestormd werden; ieder begerig zynde om dit voorbygaende voordeel te genieten. Men haestte zich de onvergelde teruggave zyner panden te komen eischen, niet zonder ysselyke bedreigingen tegen de beambten, van welke sommigen in levensgevaer stonden. Zoodra de spanning voorby was, en dat de Bergen van Barmhartigheid hunne gewoone werkzaemheden konden hervatten, werden zy op eene andere wyze niet min zwaer geteisterd, en leden overzware verliezen, dewyl men hun by het lossen der panden, gewoonlyk in assignaten betaelde, welk papieren geld schier geene waerde had. Geen wonder derhalve dat vele openbare leenbanken, dergelyke herhaelde schokken niet kunnende doorstaen, te gronde gingen.

[p. 365]

Dit voor de Bergen van Barmhartigheid zoo noodlottig tydstip, werd tevens eene gelegenheid tot het herleven der Lombaerden, die oude volksplagers, welke men voor eeuwig meende uitgeroeid te wezen. In korten tyd waren de partikuliere leenhuizen zoo verbazend vermenigvuldigd, vooral te Parys, dat het uitvoerend bewind van Frankryk, den 26 brumaire jaer VII (16 november 1798), raedzaem vond de aendacht van den raed der Vyf-Honderden in te roepen op die woekernesten, waer de eerlykbehoeftige beroofd werd van de laetste lompen die hem overig bleven1. Den 22 germinal jaer VII (11 april 1799) deed Lesage-Senault deswege verslag:

‘Sints lang, zeide hy, roept de openbare verontwaerdiging wraek tegen deze leenhuizen, waervan de houders schaemteloos genoeg geweest zyn eenen gouden louis tegen den interest van 5 en 6% ter weke te leenen. De opschorting der Bergen van Barmhartigheid deed over drie jaer eene menigte van zulke huizen ontluiken, die zich om het zeerst het goed der ongelukkigen betwisten en hunne bestaenmiddelen verslinden. Een gedeelte van het kwaed is geweerd, sedert dat de Berg van Barmhartigheid van Parys zyne werkzaemheden heeft hervat2, en dat de prys van het

[p. 366]

geld is verminderd; maer dit gesticht, in al de behoeften niet kunnende voorzien, omdat de kapitalisten hunne gelden elders aenlegden, zoo vond men zich genoodzaekt die byzondere leenhuizen te blyven dulden. Sommigen, wel is waer, verdienen uitgezonderd te worden van die klasse welke de openbare verachting schandvlekt, maer derzelver onwettig bestaen, alsmede de woeker, welken zy dryven, vorderen dat zy zoo wel als de anderen worden te niet gedaen1.’

Men ziet dat Lesage-Senault byzonderlyk de leenhuizen van Parys bedoelde, alwaer de Berg van Barmhartigheid wezentlyk eenigen tyd gesloten was gebleven. De conclusien van het verslag van dien volksvertegenwoordiger waren, dat men in elk departement een of meer leenbanken behoorde daer te stellen, volgens dat de noodwendigheden van het publiek zulks zouden vereischen, latende aen het uitvoerend bewind de zorg van reglementen op te stellen, en belastende de municipaliteiten over die gestichten het opzicht te houden. Het oprichten van alle partikulier leenhuis moest gestraft worden met eene geldboet van 3000 franken, ten behoeve der verlaten kinderen2.

Ondanks het dringende der zake, werd er aen deze conclusien eerst na verloop van vyf jaren gevolg gegeven. Immers, het was slechts den 16 pluviose jaer XII (6 february 1804), dat er een decreet van den eersten consul Bonaparte werd afgekondigd, luidens hetwelk alle ongemagtigde leenhuizen, binnen de zes maenden na die afkondiging, moesten gesloten worden. Tevens werd er verboden van andere zulke huizen zonder voorafgaendelyke vergunning op te richten, en de overtreders dezer

[p. 367]

bepaling strafbaer verklaerd met eene boet van 500 tot 1000 franken1.

Nu bleef nog het bestaen der Bergen van Barmhartigheid te regelen. Napoleon, wiens verheven geest zoo dikwerf het nut van de eene of andere instelling heeft weten te doorgronden, had de heilzaemheid van die gestichten spoedig ingezien, en bouwstoffen tot derzelver heroprichting doen byeen verzamelen. Den 8 thermidor, jaer XIII (27 july 1805), liet de fransche keizer een decreet uitgaen, goedkeurende het reglement voor den Berg van Barmhartigheid van Parys. De heer Arnould zegt dat dit reglement tot model heeft gediend aen al de gestichten van dien aerd, welke men naderhand hersteld heeft2.

Wat ook daervan zy, dank aen tien jaren inwendige rust, op tien jaren woeling en wanorde gevolgd, men zag nu de belgische Bergen van Barmhartigheid over het algemeen vooruitgaen, tot in de noodjaren 1815 en 1816, wanneer de duerte der eetwaren zulk eene menigte panden deed bezetten, dat verscheidene dier gestichten aen kapitalen te kort kwamen, en geld moesten opnemen om in hunnen dienst te kunnen voortgaen. Doch deze nieuwe spanning had geenen duer, en, zoodra dezelve geeindigd was, zag men al onze openbare beleeningsbanken haren normalen gang hervatten.

Inmiddels, zoo de financieele toestand der Bergen

[p. 368]

van Barmhartigheid niets of weinig te verlangen over liet, geheel anders was het gelegen met derzelver bestuer, in hetwelk tallooze gebreken en misbruiken waren blyven bestaen, waeruit menigvuldige en niet geringe zwarigheden sproten. Eenige dier misbruiken waren zelfs zoo ongerymd en belachelyk, dat men zich niet genoeg zoude kunnen verwonderen dat dezelve zoo lang gehandhaefd zyn gebleven, indien men niet wist dat de beambten er hunne rekening by vonden. Aldus trof men directeurs aen, die, behalve jaerwedde en vrye wooning, jaerlyks twee of drie stukken wyn kregen; eenige beambten hadden wooningen aen het gesticht toebehoorende, en mogten dezelve verhuren aen al wie en voor zooveel het hun lustte. Anderen genoten, buiten hunne jaerwedden, zoogenaemde Hang- en Excressentiegelden, enz.1.

Eindelyk liet koning Willem het inzicht blyken om dit verouderde en gebrekkige besturingstelsel geheel te vernietigen, en door eene doelmatiger administratieve regeling te vervangen. Door zyn besluit van den 31 october 1826, stelde Z.M. werkelyk eenige algemeene grondbeginselen vast, betrekkelyk de inrichting der Bergen van Barmhartigheid. Deze eerste regels hadden hoofdzakelyk ten doel de belangen van diegenen te bevorderen, welke zich genoodzaekt zien hunnen toevlugt tot de evengemelde gestichten te nemen. De interest, door de beleeners te betalen, werd door hetzelfde koninglyk besluit vastgesteld op 9, 10, 12 en 15 par cent, naer

[p. 369]

gelange van het bedrag der ontleende sommen en der mindere of meerdere bevolking der steden.

Overbodig ware het de verdere byzonderheden van dat besluit mede te deelen, vermits hetzelve nimmer algemeen is uitgevoerd, en slechts door enkele steden nageleefd geworden. Ten dien opzichte blyft er dus nog veel te verrichten door het gouvernement uit de september-revolutie gesproten.

Thans bestaen er in ons land twee-en-twintig Bergen van Barmhartigheid, in een evengelyk getal belgische steden verdeeld; te weten:

Te Antwerpen, waer men tegen 9 à 15% beleent.
Mechelen, waer men tegen 10 à 12% beleent.
Brussel, waer men tegen 12 à 15% beleent.
Diest, waer men tegen 12 à 15% beleent.
Nyvel, waer men tegen 12 à 15% beleent.
Thienen, waer men tegen 12 à 15% beleent.
Leuven, waer men tegen 15% beleent.
Brugge, waer men tegen 8 à 15% beleent.
Oostende, waer men tegen 8 à 15% beleent.
Yper, waer men tegen 8 à 15% beleent.
Kortryk, waer men tegen 8 à 15% beleent.
Gent, waer men tegen 6 à 15% beleent.
S. Nikolaes, waer men tegen 10 à 12% beleent.
Dendermonde, waer men tegen 10 à 12% beleent.
Bergen, waer men tegen 6 à 14% beleent.
Doornyk, waer men tegen 8 à 14% beleent.
Luik, waer men tegen 7 à 15% beleent.
Verviers, waer men tegen 7 à 15% beleent.
Huy, waer men tegen 7 à 15% beleent.
Namen, waer men tegen 10 à 12% beleent.
Dinant, waer men tegen 12% beleent.
Sint-Truyen (niet opgegeven)1.  

[p. 370]

De volgende tabelle geeft de beweging der beleeningen van al deze Bergen van Barmhartigheid, gedurende het tienjarig tydperk van 1830 tot 1839.

Jaren. Geleende sommen.
1830 Fr. 6,232,108 - 12.
1831 Fr. 5,486,860 - 28.
1832 Fr. 6,009,806 - 81.
1833 Fr. 6,475,741 - 91.
1834 Fr. 7,266,197 - 28.
1835 Fr. 7,526,800 - 71.
1836 Fr. 8,134,595 - 92.
1837 Fr. 8,258,085 - 58.
1838 Fr. 8,579,039 - 40.
1839 Fr. 8,810,704 - 82.
Totael. Fr. 72,779,940 - 83.
Dus gemiddeld per jaer, Fr. 7,277,994 - 08.

Uit deze tabelle blykt dat er sedert 1831 eene trapsgewyze vermeerdering in de beleeningen heeft plaets gegrepen, en indien het waer is dat het getal en de waerde der panden gewoonlyk in verhouding staet met het vermogen en de middelen der ontleeners, zoo zoude men er uit moeten besluiten dat 's lands bloei en voorspoed gedurig vermeerderd is. Doch velen zullen dit voor eene wonderspreuk houden, en daer ons onderwerp

[p. 371]

thans ook niet medebrengt dat wy deze stoffe dieper inzien, zullen wy hier de slotsomme der onderhavige historische schets opmaken.

De Lombaerden waren de eerste pandbeleeners; maer hun vergedreven woeker dwong onze souvereinen de byzondere leenbanken te vernietigen. De aertshertogen Albertus en Isabella, den behoeftigen werkman echter een laetste redmiddel willende aen de hand geven, richteden de Bergen van Barmhartigheid op. Een samenloop van ongelukkige omstandigheden heeft tot nu toe verhinderd dat deze gestichten het hoofddoel hunner bestemming bereikten, te weten, dat van aen nooddruftige maer eerlyke werklieden kostelooze beleeningen te verschaffen. Doch ondanks de gebreken en onvolmaektheden, waermede onze openbare leenbanken behebt zyn, is men gedwongen dezelve als een noodzakelyk kwaed te dulden, om een nog erger te vermyden; in een woord, men kan ze niet afschaffen zonder de poort voor de oude Lombaerden open te stellen, en jaerlyks zes, zeven of acht millioenen aen den woekerhandel ten prooi te werpen. De geschiedenis van de laetste jaren der XVIIIe eeuw is dáér, om te bewyzen dat dusdanig het gevolg zoude wezen van de roekelooze vernietiging der Bergen van Barmhartigheid.

Van eenen anderen kant mogen die gestichten niet langer op den tegenwoordigen voet blyven, en vorderen verbeteringen, zoowel in hun belang als in dat van het volk. Welke zyn die verbeteringen? Moeijelyke vraeg, die het staetsbestuer moet doen oplossen, niet door dolle utopisten of waenwyze krantenschryvers; maer door mannen van practyk en ondervinding. Intusschen, en ofschoon wy ons onbevoegd erkennen om van eene kommissie ad hoc deel te maken, kunnen wy ons niet onthouden hier ten slotte drie wenschen te uiten,

[p. 372]

namelyk: 1o dat er by al de Bergen van Barmhartigheid eene gratis-kas worde daergesteld, gelyk er eene te Gent bestaet; 2o dat er by dezelfde gestichten eene afrekenings-kas, gelyk te Parys, worde ingerigt, waerdoor den werkman zoude in staet gesteld worden om allengskens panden van eenige waerde te lossen, hetgeen hem nu veelal onmogelyk is; en 3o dat de kosten van de verkooping der panden voortaen niet meer komen ten laste van den verkooper of verpander, maer van den kooper: zulks zou de ontleeners by de veiling hunner panden meer baet doen vinden dan tot nu toe gebeurt, en de schandelyke speculatien van zekere schacheraers eenigermate beteugelen. De verwezentlyking dezer drie maetregels, in afwachting van andere verbeteringen, zoude, wy zyn er van overtuigd, eene gevoelige verligting wezen voor die menschen, welke door onvoorziene ongelukken gedwongen worden tot de Bergen van Barmhartigheid hunnen toevlugt te nemen.

 

Antwerpen, Herfstmaend 1842.

 

J.H. DARINGS.

1Bilderdyk's Geslachtlijst, in verbo Lombert.
2Van Wyn, Huiszittend Leven, I deel, bl. 93. De Reiffenberg (Mémoire sur l'état de la pppulation, etc., dans les Pays-Bas, pendant les XVe et XVIe siècles, p. 224.) schynt met Boccacio te denken dat Caorsini van Cahorsinen, Cahorsynen (inwooners van Cahors) moet worden afgeleid. Zie ook Ducange, Glossarium, op Caorsini.
1In zyne aenteekeningen op Oudegherst, Annales de Flandre, tom. II, p. 207.
2Verhoeven, Mémoire, année 1777, p. 154.
3Luyster van Brabant, I d., bl. 46 en 47.
4Het was toen overigens de eerste mael niet dat onze vorsten goed vonden den woekerhandel te beteugelen; want reeds in 789 had keizer Karel-de-Groote te Aken een Capitularium laten uitgaen, waervan het vyfde artikel allen woeker strengelyk verbood (zie Balusius Opera, I, 215). Boudewyn van Konstantinopel, graef van Vlaenderen, ging hierin nog veel verder: door eene Charter van den jare 1199 verbood hy geld op interest te leenen, en verklaerde tot zynen vyand al wie zulke leeningen zoude durven bestaen. Diensvolgens bepaelde hy dat voor alle erkende schulden geenen welkdanigen interest mogt betaeld worden, maer dat die schulden, in drie jaren, by derden zouden worden afgelegd. Voorts moest men voor de verpande paerden, op de wei staende, een billyk voederloon betalen. Indien iemand in 't vervolg een paerd op de wei te pande stelde en hetzelve binnen de vyftien dagen niet afloste, dan mogt de schuldeischer het rybeest verkoopen, mits de meerder opbrengst der verkooping boven de schuld aen den schuldenaer uit te keeren (Warnkoenig, Histoire de Flandre et de ses Institutions au moyen-âge, I, p. 342).
1Haraeus, Anneles Duc. Brab. I. p. 271.
2Verhoeven, Memoire, bl. 155.
3P. Delepierre, Archives de la Flandre-Occidentale, I, p. LXXXVII.
4Willems, Codex. diplom. op Van Heelu's Rymkronyk, p. 574.
1Dit is des te waerschynelyker om dat de woekeraers toen in den kerkban waren. Ook vindt men dat Johannes Syrik, bisschop van Utrecht, in 1294 gebood van de Lombaerden, en andere vreemdelingen zich met woekeryen behelpende, tweemael's jaers, namelyk op den eersten zondag van den Advent en den eersten zondag van den Vasten, openbaerlyk uit te roepen als in den ban vervallen zynde (Batavia Sacra, II deel, bl. 228).
2Diericx, Mémoire sur la ville de Gand, II, p. 677.
3Willems, Mengelingen van vaderlandschen inhoud, bl. 451.
1Verhoeven, Memoire, bl. 155, alwaer hy het Thesaurus anecdotorum, vol. I, bl. 886, aenhaelt. Anderen beweeren dat dit losgeld vroeger werd geligt en bestemd was voor den vader der gravin, dien de Bulgaren gevangen hadden genomen.
1Willems, Codex diplom. op De Klerks Kronyk, bl. 668.
2De Saint-Genois, Monumens anciens, I, p. 410.
3Ibidem, ibidem.
1De Saint-Genois, Monumens anciens, I, p. 410, 411.
2Ibidem.
3Bibliothèque des Antiq. Belgiques, II, 107.
4In eene scabinale protocol van den 17 maert van dat jaer, volgens Marshalls Essai historique sur la ville d' Anvers, heet deze straet de Oude Lombaerdstraet. Intusschen wordt zy in eenen schepenbrief van den 7 juny 1415 nog aengewezen met den naem van Gillis-Sandersvest. Vermoedelyk dat deze oude stadsvest eertyds de twee namen te gelyk voerde, en dat elke naem op een verschillend gedeelte dier straet toegepast werd. Wat aengaet de Lombaerdstraet, dezelve is in de XVIe eeuw door Gilbert Van Schoonbeke gebouwd. De Eikenstraet had weleer den zelfden naem (zie Willems, Topographie van Antwerpen, bl. 134, 201 en 248).
1Willems, Codex diplom. op De Klerks Kronyk, p. 737.
2Men heeft er nog het Pusceme-straetje, by verbastering Bessemstraetje (Steyaert, Beschryving van Gent, I, bl. 217).
3Diericx, Mémoire sur la ville de Gand, II, 326, 675.
4Delepierre, Archives de la Flandre-Occidentale, I, p. CLVI, II, p. LXXXIV et LXXXIX.
1Matthaei Analecta, II, p, 608.
2Van Bleiswyck, Beschryving van Delft, p. 607.
3Van Wyn, Huiszittend Leven, I, bl. 93.
4OEuvres de Villon, édit. de 1742.
5Saint-Genois, Monumens anciens, tome II, p. 411.
1Diericx, Memoire, II, p. 676.
2De volgende anecdoot schiet ons by deze gelegenheid te binnen. Een woekeraer bevond zich in het artikel des doods: zyn biechtvader vermaende hem van in Gods wille te berusten en toonde hem een zilveren kruisbeeld. De zieltogende zondaer aenschouwde hetzelve met strakke oogen, en de biechtvader, meenende dat hy hem getroffen had, bood hem het kruisbeeld te kussen aen. De lyder nam hetzelve, maer gaf het dadelyk weer, zeggende: Mynheer, ik kan er niet veel op leenen.
3Diericx, Mémoire, II, p. 677.
1Boxhorn, Kronyk van Zeeland, ad Am.
2Wagenaar, Beschryving van Amsterdam, II, p. 35.
3Chronique de Maximilien I, p. 464.
4Ibidem, page 462.
1Plakkaertboek van Vlaenderen, I d., bl. 529.
2Ibidem, I d., bl. 785.
3De Reiffenberg, Mémoire sur l'état de la population et du commerce des Pays-Bas, pendant les XVe et XVIe siècles, p. 184-186.
1Boey, Woordentolk van regts-termen, II, bl. 434.
2In 1547 had men zulks te Amsterdam beproefd, maer de zaek had geen gevolg gehad. (Boey, Woordentolk, II deel, bl. 434.)
3Plakkaertboek van Braband. I, 527.
1In Noord-Nederland had men destyds ook zulk een' ambtenaer. In eene resolutie der staten van Holland en Zeeland, van den 16 november 1578, waerby de Magistraten der steden gemagtigd werden op de banken van leening behoorlyke orde te stellen, wordt zekere François Mazzazia als kommissaris-generael dier banken genoemd. Het octroy, door denzelven verkregen, is in 1582 door de staten verlengd. (Zie Groot Plakkaertboek van Holland en Zeeland, VIII deel, bl. 422 en 429.)
2Plakkaertboek van Vlaenderen, II deel, bl. 464.
3Het schynt dat het volk van zynen kant de Lombaerden met paskwillen en schimpdichten vervolgde; doch de woekeraers wilden niet altoos kortswyl verstaen. Zoo leest men in de Vlaemsche Kronyk van Ph. De Kempenare, bl. 182, het volgende voorval: ‘Den 25 july 1577 werd de zoon van Wouter Allaert omtrent den middernacht gedood door eenen Italiaen, dienaer van eenen Lombaert, omtrent den Brabanddam [te Gent], alwaer de bruiloft gehouden werd van de dochter van eenen lombaertschen woekeraer, getrouwd met de dochter van Lieven Tayaert, op welke bruiloft deze jongeling, met sommige andere, gemaskeerd was gekomen, dragende kleine windmolekens, strooiende perkamente briefkens, die de dieveryen der woekeraers meldeden.’
1Plakkaertboek van Vlaenderen, II deel, bl. 85 en 104. Overigens bleven de Lombaerden niet onverdedigd. Behalve de in zynen tyd beroemde Salmasius, heeft Joan-Jacob Gerbin, tafelhouder te Franeker, in 1629 een tractaetje ter regtvaerdiging zyner confraters geschreven. (Oudheden van Rhynland, Inleiding bl. LXIII).
1Volgens Menage komt de benaming van Bank van leening daer van daen, dat de geldleeners in Italië op banken ter markt zaten. (Zie ook Boey, Woordentolk, I, bl. 85.)
1P. Visschers, Het liefdadig Roomen 147-148, alwaer Wadding, Annales Minorum, tomus XIV, p. 93, wordt aengehaeld.
1Ibidem, bl. 148.
2De wel eerw. heer Visschers heeft ons in zyn Liefdadig Roomen, bl. 147 en volgende, vele belangryke byzonderheden over den Berg van Barmhartigheid dier wereld-stad medegedeeld; ons bestek laet ons niet toe die byzonderheden hier te herhalen; men leze dezelve in het boek van den yverigen pastor van Heist-op-den-Berg. Wat aengaet den Sacro-Monte van Napels, die op geringe panden zonder interest leent, en van diegene welke boven de waerde van 10 dukaten (43 franken) zyn, slechts 4 à 5% 's jaers eischt, het gemeen volk dier stad beweert dat de panden, in dat gesticht bewaerd, van motten, weegluizen en ander ongedierte bevryd blyven; ook is de Sacro-Monte, by de hevigste napelsche beroerten altoos door de Lazzaroni en ander gepeupel geëerbiedigd geweest.
1Het werkje van don Louis Valle della Cerda verscheen in het jaer 1600, te Madrid, in de spaensche tael, onder den titel van Lossing van het erfgoed van Z.M. en van deszelfs ryk, zonder benadeeling van den koning of deszelfs onderdanen, by middel van openbare Kassen van Barmhartigheid (Zie Lesbroussarts uitgave der Annales de Flandre, in de levensschets van Oudegherst).
2Deze man was in 1550 te Antwerpen geboren. Hy was schilder en bouwkundige, had onder Martyn De Vos gestudeerd, en in Italië gereisd. In zyn vaderland terug gekomen zynde, was hy door de aertshertogen Albertus en Isabelle tot de waerdigheid van raedsheer verheven, en tot hunnen schilder en bouwmeester benoemd geworden, in welke laetste hoedanigheid hem eene jaerwedde van 1500 livres werd toegelegd. Onder de monumenten welken men aen Coeberger te danken heeft, behoort de kapelle van O.L. Vrouwe van Scherpenheuvel.
1Butkens, Trophées du Brabant, IV, 527.
1Plakkaertboek van Brabant, III, bl. 175. Volgens Briavoinne, Mémoire couronné en 1840, p. 21, zoude het eerste octroy voor de Bergen van Barmhertigheid in 1615 verleend geweest zyn.
2De Noord-Nederlanders waren ons ten dien opzichte reeds voorgegaen. Anno 1588 had zekere Simon Lux oorlof bekomen om te Leiden eenen Lombaerd te houden, mits betalende 400 guldens ten behoeve der armen-kas (De Reiffenberg, Mémoire, p. 183). In 1606 ging deze Lombaerd, benevens die van Rotterdam en 's Gravenhage, bankeroet, waerna eindelyk in 1614 te Amsterdam en vervolgens in andere steden begrepen werd, dat het belang der ingezetenen vorderde, dat de leeningtafels voor rekening der steden zelve moesten worden gehouden (Boey, Woordentolk, II, 434). Het is in den Berg van Barmhartigheid van Amsterdam dat de groote Vondel eenigen tyd beambte is geweest.
3Briavoinne, Mémoire couronné en 1840, p. 21.
1Christyn, Délices des Pays-Bas, tome I, p. 128. Het octroy van het huis van leening van Rotterdam is van den jare 1635. (Groot Plakkaertboek van Holland en Zeeland, VIII, bl. 443.) Voor de zeldzaemheid verdient hier ook melding eene Bauk van Leening omtrent den zelfden tyd op een hollandsch dorp gesticht.
Eene Bank van Leening op een dorp is ongetwyfeld iet zeldzaems. Frederik-Hendrik, prins van Oranje, richtte zulk eene bank op te Katwyk aen den Rhyn, volgens octroy-brieven van den 30 maert 1644, met verbod van aen iemand binnen de heerlykheden van Wassenaer, Katwyk op zee en Katwyk aen den Rhyn, eenige beleening te doen, niet alleen tot geenen meerderen, maer zelfs tot geenen minderen interest, als dengenen welken de gemelde Bank gemagtigd was te eisschen. (Lelong, Kabinet van Nederlandsche Oudheden, III deel, bl. 56).
2Plakkaertboek van Braband, III, 180.
3[Coeberger was echter de opsteller van dit gedicht niet. Aenmerking van J.F.W.]
4Mémoires littéraires, I, p. 633, édit. in-folio.
1Plakkaertboek van Braband, I, 175.
2Arnould, Des avantages et des inconvénients des Monts-de-Piété. Brux. 1833.
3Plakkaertboek van Braband, III, 175.
4De stad Gent maekt hier eene loffelyke uitzondering. Op den gevel van den Berg van Barmhartigheid aldaer leest men: Hier leent men den aerme oock sonder intrest. Het is de gentsche bisschop Antonius Triest, die dit gesticht met 90,000 guldens begiftigd heeft, en tot heden toe genieten de armen de vruchten dezer donatie, genaemd de Gratis-Kas: immers zy mogen er tot eene waerde van 12 franken panden inbrengen en dezelve zonder interestbetaling aflossen; hiervan zyn uitgenomen de gouden en zilveren voorwerpen, welke, even als andere panden boven de 12 franken beleend, den gewoonen interest betalen (Steyaert, Beschryving der stad Gend, bl. 273).
1Plakkaertboek van Vlaenderen, III d., bl. 495.
2Foppens en al de biographen stellen dat Coeberger in 1630 is overleden, en in de Minderbroeders-kerk, te Brussel, begraven. Doch de heer Gachard, zich vestigende op eene rekening van den jare 1635, stelt Coebergers sterfdag op den 23 november 1634. (Zie Trésor National, I, p. 180.)
3Er bestaet ter archiven van Mechelen een HS. betrekkelyk de liquidatie tusschen de Bergen van Barmhartigheid en de erven Coeberger; doch, daer wy dit stuk niet te zien hebben gekregen, kunnen wy ten voor- of ten nadeele van dezen laetsten niets concluderen. Wy zullen er misschien later eens op terug komen.
1Plakkaertboek van Vlaenderen, III deel, bl. 500.
2Plakkaertboek van Vlaenderen, III deel, bl. 502.
3Deze naemrol komt voor in Butkens Trophées du Brabant, IV, p. 270. De eerste opper-intendent, gelyk reeds gezeid is, was Wentzel Coeberger, in 1618. Indien het nu waer is dat hy in 1634 is overleden, gelyk Gachard onderstelt, dan moet hy in 1630 zyn ontslag gegeven hebben, dewyl de naemrol van dat jaer Karel Coeberger als opper-intendent noemt. Na dezen komen Peeter Foppens, in 1673; Arnoldus-Franciscus Van Gutschoven, heer van Gentischart, in 1694; en Richardus-Guilhelmus Lecomte, heer van Hernesse in 1721. Het vervolg dier opper-intendenten hebben wy niet kunnen opsporen.
1Plakkaertboek van Braband, IX, bl. 20.
2Ibidem, V deel, bl. 53-55.
3Staes, Lovensch Nieuws, XIV d., bl. 154.
1Staes, Lovensch Nieuws, X deel, bl. 179 en XX deel, bl. 212. In den loop der zelfde eeuw ontmoet men Bergen van Barmhartigheid te Axele en te Neusen (1739), te Oudewater (1749), te Maestricht (1750), en te 's Hertogenbosch (1779). De openbare beleeningsbank dezer laetste stad bestond echter vroeger. (Zie het Groot Plakkaertboek van Holland en Zeeland, VI, 89; VII, 883, 799, IX, 553.) Er bestaet ook een Berg van Barmhartigheid te Utrecht, welke, zoo men ons verzekert, deze merkwaerdigheid oplevert, dat al de beambten kinderen uit het weeshuis zyn.
2Noël et Carpentier, Dict. des Origines.
3Arnould, Avantages et inconvénients, etc.
1Moniteur universel, 1794, tom. I, no 126.
1De fransche tooneeldichter Picard heeft deze woekerhuizen bedoeld in zyn blyspel Les Provinciaux à Paris, 't welk omtrent dien tyd voor de eerste mael ten tooneele gevoerd werd. In den aenvang van het tweede bedryf van dat stuk, vertelt zekere boer Gaulard, als eene buitengewoone byzonderheid, dat hy van de diligentie tot aen zyn logement ten minste tien Lombaerden heeft geteld.
2Zulks was geschied by middel eener geldligting. Te dien tyde was het kwaed zoo diep ingeworteld, dat de heropening van dit gesticht, door de Paryzenaers als eene weldaed werd beschouwd, ofschoon hetzelve tegen 5% interest ter maend leende. (Arnould, Avantages et Inconvéniens des Monts-de-Piété.)
1Moniteur universel, 1799, no 209.
2Ibidem, n. 210.
1Bulletin des Lois, an XII, no 340.
2Op dat tydstip waren de Lombaerden nog niet overal uitgeroeid. Wy zien door eene publicatie van den maire van Antwerpen, van het begin des jaers 1806, dat er toen nog ongemagtigde leenhuizen in die stad bestonden. Door eene andere publicatie werden de eigenaers der voorwerpen, in zulke huizen verpand, verwittigd dat zy zich by eenen policie-kommissaris konden aenmelden, die hun hunne panden kosteloos zoude doen wedergeven. (Annales Antverpiensis Mss. ad annum.)
1Het is ons niet onbewust dat deze misbruiken thans over het algemeen geweerd zyn; maer uit hoofde van derzelver verband met ons onderwerp hebben wy gemeend dat het ons vry stond dezelve bescheedelyk te vermelden: dit zy gezeid ter gemoetkoming van hen, die aen ons geschryf eene verkeerde uitlegging zouden willen geven.
1Deze en de volgende tabelle ontleenen wy aen het Resumé des rapports sur la situation administrative des provinces et des communes de la Belgique pour 1840, door den heer Liedts. Ondanks het hoogambtelyk karakter dezer compilatie, vermeenen wy te moeten doen opmerken dat er vele misslagen zyn in geslopen, en dat menige opgaven ons onjuist toeschynen. Te Antwerpen, by voorbeeld, is de interest voor de beleeningen in den Berg van Barmhartigheid, onveranderlyk 12 per cent. Dienende deze aenmerking op dat men ons voor die misslagen niet aensprekelyk make.
terug  begin  verder