terug  begin  verder
[p. 373]

Kronyk der Rederykkamers van Audenaerde.

Er bestaen by onze letterkundigen verschillende gevoelens omtrent de eerste opkomst der vlaemsche tooneel- en dichtgenootschappen, welke men opgevolgelyk Gezellen van Esbattemente, Scholen van Rhetoryke en Rederykkamers heeft genoemd. Ons komt het voor dat het begin, of liever de kiem derzelve moet worden gezocht in die vroegere tyden, wanneer onze burgergemeenten, meer en meer ruimelyk, de vruchten eener vorstelyke vrymaking begonnen te smaken, na mate de nyverheid en koophandel in voorspoed toenamen, en men ook met de beschaving vooruit ging. Het laet zich ligt begrypen dat by een bloeijend volksbestaen, de openbare vermakelykheden zich weldra eene plaets hebben doen inruimen, ja, wat meer is, dat zommigen derzelve langzamerhand eene soort van burgerregt hebben bekomen, en als tot eene gewoonte, eene noodzakelykheid zyn overgegaen. Onder dezen aerzelen wy niet de tooneeloefening, al vroeg met de rymkunst gepaerd, op den voorgrond te plaetsen, aen de zyde dier schietspelen, welke het leven onzer voorvaderen zoo zeer veraengenaemden.

[p. 374]

Schoon het woord esbattement1, waer mede men oulings de tooneelvertooningen bestempelde, van franschen bodem herkome, is het daerom niet stellig bewezen dat derzelver eerste sporen by onze zuidelyke naburen moeten worden gezocht. Trouwens, het ligt in 's menschen natuer eens anders gebreken en zwakheden na te boetsen, om dezelve of ten spotte te stellen, of zinspelend te berispen; en hoe meer het gezellige leven zich beschaefde, hoe meer men ook in dergelyke spelen, op eene boertige wyze vertoond, begon smaek te vinden. Nu, daer het bewezen is dat onze vrye burgergemeenten, waer de volksbeschaving zich meest ontwikkelde, te minste zoo oud dagteekenen, als die der Franschen, moeten wy dan by deze laetsten den oorsprong onzer rederykkamers gaen zoeken2? Mogelyk kunnen zy met de Mystères een weinig vooruit geweest zyn; doch wy laten die, benevens de bybelgeschiedenissen, speelwyze, in de kerken vertoond, onaengeraekt, om dat wy daervan geene echte bescheiden kunnen in 't midden brengen, vooral in toepassing op ons vaderland.

Willem Kops, die, in 1774, zyne verdienstelyke Schets

[p. 375]
eener geschiedenis der rederykeren1 in het licht gaf, zegt dat de oorsprong dier broederschappen volstrekt, ten minste tot nog toe, in het duister schuilt. Laserna Santander is van hetzelfde gevoelen, daer by bekent, met zyn' lettervriend den geleerden Gerard, dat, tot den huidigen dage, alle opsporingen naer het begin onzer Rederykkamers vruchteloos zyn geweest, en dat vermoedelyk de burgertwisten en oorlogen derzelver echte bescheeden zullen hebben vernietigd2.

Deze vernietiging moet gewis als zeer noodlottig voor de geschiedenis onzer oude tooneel- en dichtgezelschappen worden beschouwd, schoon er welligt weinig schriften, gewagende van het vroegst ontluiken derzelve, hebben bestaen. Doch, hoe groot een verlies dit ook zyn moge, is het ons toegeschenen dat men met sommige documenten, op vele plaetsen nog overgebleven, den sluijer, welke dit begin omhuld, eenigzins zou kunnen ligten, of althans op dien duisteren nevel eenige helderheid verspreiden. Dit hebben wy gepoogd te beproeven ten aenzien der oude rederykgenootschappen onzer geboortestad, om vervolgens tot den meer bekenden bloei derzelve neêr te komen. Daertoe hebben wy byzonderlyk onze stedelyke archieven geraedpleegd, en vooral de rekeningboeken, aenvang nemende met 1407. Jammer dat er by ons, zoo als te Gent, geene vroegere zyn overgebleven.

Het is genoegzaem bekend dat de instelling der stedelyke milicien, namelyk die der voetboogschutters, byna zoo oud is als de vorstelyke vrymaking onzer gemeenten zelf. Het is ook niet minder bekend dat deze milicien,

[p. 376]

in wettige gulden of broederschappen vereenigd, onder het oppertoevoorzigt der schependommen, elkander in vredes tyd dikmaels op wedstryden beriepen, en luisterlyke zamenkomsten hielden. Trouwens, deze wedstryden hadden hun nuttig doel: waren het niet die schutters, op welken men zich, vóór en by het gebruik der donderbussen, meest mogt betrouwen, ter verdediging der stadsmuren? Van daer dan ook dat de stedelyke overheden dezelve met voordeelen en gunsten vereerden, en tot de schietspelen aenwakkerden, ja zelfs noodzaekten. Dit waren spoorslagen voor den nayver, hierdoor grootelyks aengevuerd; want daer, waer de behendigheid den prys won, daelde de zegeprael op de gansche gemeente. Onder de behendige en dappere voetboogschutters van dien ouden tyd mogen wy, zonder vermetenheid, die van Audenaerde op een voornamen rang stellen1.

Dan, deze gulden, ter schuttery trekkende, begonnen nu en dan, volgens de plegtigheid der zelve, eenige vrolyke gezellen met zich te nemen, die met kluchtige tweespraken of andere gebaermakingen de menigte ver-

[p. 377]

vrolykten, terwyl de schutters zwoegend om den prys wedyverden.

Alvroeg werden deze spelen esbatementen genoemd, en de spelers gezellen van den esbatemente, of esbatementers. Onnoodig is het hier by te voegen dat deze boerteryen, voor verbetering vatbaer, allengs, en met hulp van triviale rymspreuken, de gunst der hoogere klassen zullen hebben verkregen; waerdoor de nayver werd opgewekt, vooral toen men ze met pryzen beloonde. Reeds in de tweede helft der XIVe eeuw schynen deze vermakelykheden op de voorname schutteryfeesten in zwang te zyn geweest; schoon het daervoor niet bewezen zy dat dergelyke spelers alsdan reeds vaste gezelschappen hadden gevormd1.

Wy stappen hier voorby de zwervende jongleurs en menestrels, die op adelyke sloten, of in de steden, en op schepenlyke gastmalen de genoodigden kwamen verlustigen; ook de schouwtooneelen, die de burgery, op de straten, by de eerste intrede van prinsen, plaetste, en wat dies meer zy. Dit alles kan zeer doelmatig in aendacht worden genomen by eene algemeene geschiedenis, maer, is onzes bedunkens, niet rechtstreeks noodig om

[p. 378]

het begin onzer vlaemsche rhetorykgezelschappen vast te stellen. Men verlieze niet uit het oog dat deze, in die vroege tyden, met hoe schrael een roem, niet wel duerzaem konden bestaen, en ten esbatemente uittrekken, 't welk hun geliefkoosd vermaek was, zonder eene milde tusschenkomst der overheid, die hun de stedelyke schatkist opende. Velen dier gezellen immers behoorden niet tot de ryke burgerklas: zy zwoegden om de eer hunner stad, en niet om het lieve brood. Aldus was het ook gelegen met de gulden van den voet- en handboog.

Zoo als de schietspelen, op vele plaetsen, aenleiding hadden gegeven om de esbatementers en klugtberymers, elders dan in den kring hunner stadsmuren, voordeelig bekend te maken, roem te doen vergaren, en aldus den grondsteen te helpen leggen van bestendige tooneel- en dichtgezelschappen; even zoo had de gelegenheid eener geestelyke instelling, ter stede zelfs, veel bygebragt, tot de vorming der zelve. Wy bedoelen het H. Sacramentsfeest, welks omgang of processie, ten jare 1316, by pauselyke bulle door geheel het christendom werd geboden. Aen het einde dezer eeuw, en vooral by den aenvang der volgende, begon deze processie, niet alleen in geestelyke, maer ook in wereldlyke pracht veel toe te nemen; zoo dat die heilige instelling, voor onze voorouders, eene gelegenheid van uiterlyke vreugde en een dag van feestiering werd. Praelsleden, wagespelen, verbeeldingen van santen en santinnen, zoo te voet als te peerd, volgden den omgang, terwyl elke straet sierlyk was behangen, en er op alle kruishoeken (carrefours) stomme schouwtooneelen waren geplaetst. Men onthaelde elkander op gastmalen, en 'savonds verlustigde men zich op esbatementspelen, die met de tegenwoordigheid der stedelyke overheden werden vereerd. Zoo was het te Audenaerde; zoo was het ook elders, in

[p. 379]

de groote en mindere steden, schoon niet met even prachtigen toestel.

Voegen wy, voor onze stad in het byzonder, hier nog eene andere oorzaek by, die niet vreemd is geweest aen het in stand brengen van plaetselyke speelgezelschappen. Dit was de voorbeeldige medewerking der Minderbroeders, welke orde aldaer reeds lang bestond, en er het eenigste mansklooster was. Deze broeders, in zekere mate met de letteren bekend, en toentyds niet zoo naeuw aen een streng kloosterleven verbonden, bevorderden het zedelyk onderwys by de volksklas, beurden deszelfs lust op tot tooneeloefeningen, en waren misschien de eersten, die openbare vertooningen gaven by het H. Sacramentsfeest.

Zie daer een vlugtige opgave onzer gevoelens omtrent de opkomst of eerste vorming der vlaemsche rederykkamers in 't algemeen, en van de Audenaerdsche in het byzonder. Schoon wy ons niet vleijen het duistere der zaek veel te hebben opgeklaerd, en nog veel min de gevoelens van anderen in de onze te hebben versmolten, zoo hebben wy ten minste naer de waerheid gestreefd. In hoe verre wy daerin geslaegd zyn zal men eenigermate beoordeelen uit de volgende aenteekeningen, in welke verscheidene kleinigheden voorkomen, waerover wy den lezer verschooning vragen.

XVe eeuw.

Hoewel wy, met eenige waerschynlykheid, zouden kunnen daerstellen dat er reeds in de tweede helft der XIVe eeuw, by ons, in plegtige gelegenheden, gebaerdenspelen en zinnebeeldige vertooningen met spraek, hebben plaets gehad, mangelt het ons te zeer aen echte bescheeden van dien tyd, om deswege eenige byzonderheid

[p. 380]

mede te deelen; derhalve nemen wy een' aenvang met de XVe eeuw, die ons ook nader bekend is.

De vroegste vermelding van ebattement-spelen te Audenaerde vinden wy in de HS. kronyk der voormalige abtdy van Eename, onder het jaer 14081, ter gelegenheid van een prachtig schietspel met de voetbogen, hetwelk door hertog Jan, die toen ter tyd zyne graeflyke hofhouding te Audenaerde had gevestigd, werd bygewoond. Daer de schiet- en ebattementspelen in die tyden, zoo als gezeid is, dikmaels zamen gepaerd gingen, deelen wy hier het oorspronglyk verhael mede:

‘Int selve jaer (1408), den viijen in Julio, do was deerste incommen vander scutterie van Audenaerde van den voetboghe; dwelc een de meeste ende scoenste scutterie was, met al datter toe behoorde van batementene, van te vierne in alle hierbeerghen, van scoenen spelen te spelene, die daer te voren hadde gheweest in lx jaren, alzo die goede lieden zeiden, die daer ter scutterie commen waren om te schietene, ende oec om te ziene den staet ende die ordonnancie vander stede van Audenaerde, ende vanden steden, die daer commen waren om naer prys te schietene. Zy zeiden dat zy noyt rijckelicker spel vanden voetboghe en zaghen, noch zo wel gheordinert, elc up tzijne. Want alle die poerters vander stede ende die Wet ende die Ghezwoernen van Pamele, ende andere rijcke lieden waren alleleens ghecleet, met keerls, deen zijde groene

[p. 381]

ende dandre zijde wit; ende alle [met] caproenen. Ende die Hueverdekin [overdeken] van St Joeris gulde, ende die gezwoernen vander gulde, ende die xij scutters die scoten, in den name vander stede, die waren oec alleleens ghecleet; ende alle die poerters, ende alle dandre lieden vander stede, die yet rijcke waren, die hadden alle caproenen groene ende wit. Ende den grave Jan van Vlaendren, Hertoghe van Bourgonie, ende mijn gheduchte Vrauwe, zijn wijf, waren beede ter scutterie. Ende den grave Jan scoet metter stede van Audenaerde, ende noch menich edelman, die in die gulde van St Joeris te Audenaerde was. Ende den grave Jan moeste selve zijnen boghe draghen up zijnen hals; ende Jan Jacops [een audenaerdsch burger] die spien hem zijnen boghe. - Den uppersten prijs waren twee selverin cannen, weert zijnde xviij illustratie gro. vlaemsch. Den tweetsten, twee selverin potten, weert zijnde xiiij illustratie gro.; den derden, twee selverin vieren deelen, weert zijnde x illustratie gro.; ende den vierden, twee selverin verdecte coppin, weert zijnde vj illustratie gro. - Ende daer waren xliiij steden ter scutterien; ende daer scoeter twee sdaechs. Ende die van Ghent wonnen den uppersten prijs; ende die van Maubeuge, in Henegauwe, den andere; ende die van Brugghe den derden; ende die van A... (uitgeschrabt) den vierden. Ende dese scutterie gheduerde xxiiij daghen; ende zou schiet [zoo scheidde 't] ende verghinc met paise ende met groeter eeren.’

Aldus vierden onze voorouders hunne openbare feesten; en de Landvoogd verscheen onder hen, even als of hy maer de eerste burger zou zyn geweest. - Men zal opgemerkt hebben, dat in dit verhael geene vermelding wordt gemaekt van pryzen voor esbatementspelen. Deze achterlating ontmoet men meermaels: de kunst immers

[p. 382]

was alsdan nog in hare eerste ontwikkeling, en de beoefenaers derzelve behoorden ook veelal tot den lageren volksstand: geen wonder dan dat de kronykschryver die te gering vond om geboekt te worden1.

In de eerste jaren dezer eeuw was de Sacraments processie, te Audenaerde, nog zeer eenvoudig. Geene of slechts weinig bybelsche vertooningen, welke later, in dien plegtigen omgang zoo zeer vermenigvuldigden, trokken het oog der menigte. Alles scheen nog besloten in de statige kerkplegtigheid, bygewoond door de stedelyke overheden, die aldaer verschenen met nieuwe kostbare tabbaerden, hoeden en handschoenen2. De schuttersgulde van St-Jooris, wier leden het voorregt hadden (en maer hebben afgestaen in 1815) van den baldekyn boven den officiërenden priester te dragen, onthaelden, na de processie, ‘Heere ende Wet,’ of Bailliu en Schepenen, op een confortabel middagmael, dat overigens uit stads geldkist betaeld werd. En hiermede eindigde de dag. Zoo was het te minste nog in 1407.

Zulke eenvoudige plegtigheid duerde niet meer lang; en reeds in 1409 begonnen de Minderbroeders of Frere-Minueren feeste te maken, ‘do men met processie ghinc

[p. 383]

in Sacraments daghe, ter eeren ende ter bliscap vander eenichede vander helegher kercken, ende vanden nieuwen paus.’ Deze feeste bestond uit geestelyke vertooningen, in welke de personagien, met zinspelende spreuken op rollen geschreven, hunne bediedenis aenduidden. Zy waren op sleden geplaetst, door de Minderbroeders voortgetrokken. Van dan af geraekte dit soort van verbeeldingen in gebruik, en de goede freren ontvingen daervoor t' elke mael van de stad een present wyn van acht stoopen, boven de schadeloosstelling van kosten.

De evengenoemde vertooningen, door deze klooster-broeders ingevoerd, door de geestelyke overheden goedgekeurd, en door de heeren der Wet mildelyk begunstigd, bestonden niet lang of zy vonden navolging onder de burgery; ook lezen wy reeds op het jaer 1412 dat een present wyn gegeven werd ‘den ghesellen die met den Freren speelden te Sacraments-daghe.’ Twee wyken der stad gaven eene stomme vertooning ‘up eenen schavaute,’ wanneer de processie voorby trok.

1413. - Dit soort van spelen behaegde, zoo als van zelf spreekt, aen de nieuwsgierige menigte, en lokte veel buitenlieden in stad. Om dan dezelve meer en meer aen te moedigen, loofden schepenen, dit jaer, pryzen uit, welke bestonden in: ‘.ij. guldine vestele1, die woughen .x. haude inghelsche, ende eenen guldinen rinc, die wouch .iij. inghelsche (te zamen 6 illustratie 14 sc. par.) welcke juweelen ghegheven waren den ghesellen die tscoenste ende beste spel maecten, ter eeren van den Heleghen Sacramente.’ Vyf wyken van de stad dongen naer prys. Schepenen gaven daerenboven

[p. 384]

een presentwyn van 12 stoppen ‘an minen heere den Dekin van Pamele, die oec, metgaders den ghemeenen gheselscepe vanden dorpe, over de gheheele prochie feeste maecten, ter eeren vanden Sacramente.’

Elke wyk of strate, die te dier gelegenheid eene vertooning gaf, 't zy op eene slede of op eenen wagen, 't zy op een' schavaute, wordt van nu voortaen begiftigd van wege de stad, met acht of twaelf stoopen wyns, volgens verdienste.

1414. - Dit jaer ontmoeten wy eerst in stadsrekening het woord ebattement, waeruit wy bevroeden dat de spelen niet meer stomme vertooningen waren, maer dat nu de personagien ook hunne rymen uitspraken: ‘Item den Freren te hulpen tharen coste waert, die sy hadden vanden spele ende habatement, die sy maecten ter eeren vanden heleghen Sacramente, vij illustratie x sc. pars. - Item oec de goede lieden van Pamele, die met haren spele ende habatementen de processie verchierden, x stope wijns, enz.1’ - Voorts nog twee of drie straten die insgelyks vertooningen gaven.

1415-1421. - Gedurende deze jaren hebben wy geene andere byzonderheden ontdekt, wegens de opkomende gezellen van ebattemente, dan de gewone spelen in de Sacraments processie, die men ook begon te hernemen in den namiddag, voor Heere ende Wet, vrouwen en jonkvrouwen van de stad.

1422. - De goede lieden van den ebatemente trekken, met de voetbooggulde van St-Jooris, naer Kortryk, ter schuttery, alwaer deze laetste eenen prys behalen. - Zy spelen ook, op een schietspel, te Brugge, en winnen een juweel.

[p. 385]

1426. - Groot ebatementfeest te Duinkerke. De gezellen van Audenaerde trekken derwaerts, ‘omme daer te spelene ende embatement te doene, naer tinhauden van haerlieder ordonnance [kaerte], dewelcke wonnen twee juweelen, die zy der stede presenteerden;’ waer voor zy, op hunne terugkomst, feestelyk werden onthaeld, en van wege de stad beschonken met 12 stoopen wyns, boven eene hofschede1 van 48 ponden parisis, ter bestryding hunner kosten.

1427. - Dit jaer kwamen te Audenaerde twee herauten: de eene van Brugge ‘die spel en esbatement beriep’; de andere ‘van Mecheline die oec spel beriep.’ De stedelyke overheid, als na gewoonte, begiftigde die boden met 20 of 30 schelen par. Het schynt niet dat onze speelgezellen aen deze uitnoodigingen hebben beantwoord.

Voor de eerste mael ontmoeten wy den tytel van een spel of vertooning, door de gezellen, niet op den H. Sacramentsdag, maer wel in de eerste dagen der maend mei ten tooneele gevoerd, en waervoor zy van schepenen met acht stoopen wyns werden begiftigd. Dit spel was de historie van den miracle van Cambroen, voorgevallen ten jare 13222; waerlyk een dramatisch onderwerp, dat toen veel byval zal hebben gehad.

1429. - De gezellen, - want aldus vindt men ze nog altyd genoemd, - worden op nieuw uitgenoodigd door die van Mechelen, ‘ten esbatemente, gheordineert up

[p. 386]

de bliscap van Onzer Vrauwen.’ Zy trekken er naer toe, met andere goede lieden van de stede, en hebben het geluk eenen prys te verdienen. De Wet verwelkomt de overwinnaers met acht stoopen wyns, en komt te hulpe voor de reiskosten.

1431. - Dit jaer, in de H. Sacramentsprocessie, worden drie verschillende spelen op wagens gegeven. De gezellen van den ebattemente van Gent namen deel aen deze plegtigheid, en gaven insgelyks eene vertooning op een' wagen.

1432. - Groote feesten in Vlaenderen, ter gelegenheid der geboorte van den eersten zoon van Karel den Goeden, te Gent. Figuervertooningen, ebattementspelen, beijaerden, pipen, trompen, vuer maken, en, ten slotte, presentwyn uitdeelen, waren de voornaemste vreugdeteekenen binnen Audenaerde. - ‘Die van Ghent stelden prijzen uut up de vraeghe: Wie best het Kerstendom ende dedelheit vanden kinde van hertoghe Philips, ghenaempt Joes, nieuwe gheboren te Ghent, declareren saude. Die van Mechelen wonnen den upperprijs; die van Audenaerde den tweeden; ende die van Dermonde den derden1.’

Onze gezellen, op hunne terugkomst, vertoonen voor Heere ende Wet het spel waermede zy den prys hadden behaeld. Zy ontvangen, boven den presentwyn, eene hofschede van xxiiij illustratie par.

1434. - Dit jaer wordt een luisterlyk schietspel gehouden te Meenen, alwaer ook pryzen opgesteld waren voor ebattementspelen. Audenaerde laet er zich vinden en keert met een' dubbelen prys terug. De stad, als naer gewoonte, helpt mede in de kosten, en betaelt lviij illustratie p. aen ‘Janne Cabillau, als dekin van St-Joerysegulde van

[p. 387]

den voetboghe, ende die ghesellen, die met hem waren ter schutterien te Meenene, aldaer zy wonnen eene silverine scale; mits den ghesellen vanden esbatemente die mede waren, ende wonnen oec eene silverin scale.’

1440. - Na verscheidene jaren van beroerten en verdeeldheden in Vlaenderen was er eindeling eenige rust in de hoofdstad, en men nam die te baet om er een prachtig feest te houden, 't welk door hertog Philips van Bourgogne werd bygewoond. Zie hier hoe een gelyktydig kronykschryver daervan gewaegd:

‘Ontrent St-Jansmesse, int jaer XIIIJc XL, so waren rijkelicke prijzen upghestelt in de stede van Ghent, te wetene, zes zelverin cannen, elc weghende acht vlaemsche maerc, als over de upperprijzen, die te winnene waren met scieten met den edelen voetboghe, tusschen twee doelen, scotterlic; ende vele meer andere prijzen waren daer te winnene. Daer scoten zeven ende vijftich loten; ende bovendien mijn gheduchte Heere over een lot. Ende hi scoot zeere wel ende zelve in persone met die van Ghent, jeghen die van Ludeke, omme den wijn. Ende gheduerde de feeste wel zes wouken [weken] of meer. Die van Brussel hadden den danc van scoenst in te commene van buuts lands; ende waren wel vijfhondert paerden; ende al tgheselscap van eenre parure. Ende die van Oudenaerde hadden den prijs van bins lands, ende waren een scoen gheselschap, al wit ghecleet. Item die van Mechline hadden den prijs van scoenste te commene te watre, ende quamen met zes of zeven scepen. Ende die van Dunkerke hadden eenen prijs van verst te watre te commene. Ende was gescoten up scavotten, met twee alleyen verdect met groenen lakene, daer de halle plach te stane..... Die van Berghen up den Zoom wonnen den upperprijs; die van Vuerne

[p. 388]

den tweeden prijs, die van Brugghe den derden prijs, ende die van Curtricke den vierden prijs1.’

Schoon de hier aengehaelde schryver ook alleenlyk melding maekt van de schietspelen met den edelen voetboge, is het nogtans zeker dat er tevens schoone pryzen voor de ebattementspelen waren opgesteld, en dat onze gezellen er den voornaemsten van wegdroegen. Dit blykt uit de stadsrekening van dit jaer:

‘Item van zekere costen ghedaen ter scutterie te Ghent, bi den coninc, dekin [van St-Joris gulde], ende andere goede notabele lieden vander stede van Audenaerde, mitgaders den scutters, ende den goeden lieden vanden esbattemente, die daer speelden; daer ghewonnen was viere selverine potten, te wetene de twee over tscoenste ende eerbaerste Incommen, ende dandre twee over den hueversten ende deghelixsten esbatemente. Danof de costen draghen int gheheele vijc li illustratie xviij sc. par. - Item ghepresentert tgheselscap van den esbatemente van Audenaerde, doen zy quamen met huerlieder prise, die zy te Ghent ghewonnen hadden, viij stope wijns... heft iij illustratie iij sc. par.’

1441. - De schitterende overwinning, door de Audenaerdsche liefhebbers te Gent behaeld, boven vele andere vlaemsche gezelschappen, schynt hun voordeelig geplaetst te hebben in de achting hunner medeborgers, en vooral in eene eervolle vermaerdheid by de kunstgenooten des lands, welke zy opvolgelyk hebben gepoogd te blyven bewaren. Ook staen zy nu, voor de eerste mael, in stadspapieren bekend als Ghesellen van der Retorike; van welk woord men Retorisienen, en vervolgens rhetorykers, vormde.

[p. 389]

Dit jaer ontvangt de stedelyke Overheid uitnoodigingskaerten voor hare rhetorisienen op ebattementspelen, te Antwerpen, te Brugge, ter Sluis en te Berchem [by Antw.], alwaer tevens ook schietspelen werden gehouden. Zy trekken naer dit laetste dorp, en behalen er een' prys, waervoor de stad hun begiftigd met xij illustratie par. en een' presentwyn.

1442. - Groote pryskamp in de stad Sluis, alwaer het gezelschap der Rhetoryke van Audenaerde den opperprys wegdraegt. De stad betaelt aen Bussaert Snypin, amman, met zyne speelgenooten, clxxv illustratie par. ‘over den cost die sy ghehad hadden int winnen van den upperste prise, die ter Sluus metten esbatemente ghewonnen was.’

Een presentwyn wordt gegeven ‘den ghesellen die te paerde reden, ende dicht seiden vor Onser Vrauwen, in de processie van Sacramentsdaghe.’

Eene uitnoodigingskaert wordt ontvangen op een ebattementfeest te Brugge, waeraen niet wordt beantwoord.

1443. - Pryskamp te Nieuport. De stad betaelt eene hofschede ‘an den bode vander Nieuport, die de copie van den ebattemente brocht.’

1444. - Dit jaer speelden de rhetorykers voor Heere ende Wet in den namiddag van H. Sacramentsdag ‘het spel ende dicht van den VII blommen van Onser Vrauwen.’ Dit spel werd nog in de opvolgende jaren vertoond.

Groot schietspel met den voetboge te Brussel, alwaer vele gulden zamenkwamen, en tevens pryzen te winnen waren voor de rhetorykgezelschappen. De St-Joorisgulde van Audenaerde behaelt er den opperprys. ‘Het was, zegt onze reeds gemelde HS.-kronyk, de laetste stadt, het laetste jock [spel], den laetsten man, de laetste scheute, daer mede dat den prijs beschoten was, ende

[p. 390]

dat waren ses verguldine selverin cannen. De schutter was ghenaempt Gheraert De Tavernier; ende hem was ghegheven dofficie vander huerclocke te bewaerene, met xxvi illustratie parisise tsiaers, sijn leven lanc ghedurende1.’ De gezellen van de rhetoryke waren niet zoo gelukkig, want geene vermelding van pryzen wordt gemaekt in stadsrekeninge, blykens het volgende artikel van bekostiging:

‘Item van costen ghedaen ter scutterie van Bruesele, daer de zes verguldine cannen, als over den oppersten prijs gewonnen waren; mitsgaders den cost van den vi scutters; ende huerlieder huushuere, die daer blijven moesten al de scutterie ghedurende; midsgaders oec van den costen ghedaen bi den ghezellen van der Retorike; van al desen betaelt vic xx illustratie p.’

1445-1455. - Op deze jaren hebben wy niets ontmoet wegens onze Retorisienen, dat opmerkenswaerdig is. Slechts by voortdurende gewoonte blyft men vertooningen geven op den Sacramentsdag. Eene algemeene onrust, veroorzaekt door den opstand der Gentschen tegen den vorst, had buiten twyfel den drift der Vlamingen bekoeld voor kostbare en luidruchtige vermakelykheden, zoo als de Intreijen op schiet- en ebatementspelen destyds waren.

1456. - Schietspel te Doornyk, alwaer onze schutters vier zilveren juweelen behalen. Te gelyken tyde had het

[p. 391]

doornyksch dichtgezelschap, genaemd Puys d'amours, ook pryzen uitgeloofd. Een rhetorisien van Audenaerde, Meester Willem De Zomere, schroomde niet zyne rymen speelkunst met de mededingers op dien waelschen wedstryd te beproeven, en behaelt een' prys: ‘een zelverin juweel dat hy met dichtene ende met spelene ghewonnen hadde, te Dornick, ende dat hy der stede presenterde,’ waervoor de stad, ‘in hoeschede voor zijnen cost,’ hem begiftigde met eene zekere somme gelds.

Dewyl hier van geene andere gezellen wordt gewaegd, zoo mag men vermoeden dat meester Willem zyn juweel bekwam, om dat hy zyn dichtstuk speelwys had uitgegalmd, zoo als het in de waelsche gewesten veelal gebruikelyk was.

1457. - Geboorte van Marie van Bourgogne, te Brussel (13 february). Te dezer gelegenheid werden er, te Audenaerde, op den pape vasten-avonde1, vele vreugdefeesten gemaekt. De stedelyke overheid, om dezelve aen te moedigen, had bestemd ‘Vijf zelverin prisen an den ghenen die scoenste habatementen maecte, ende verchieringe in de straten, ter eeren ende blijtscip dat onse gheduchteghe princhesse van Charolois gheleghen was van eener schoner dochtere.’ Zes wyken en een voorgeborgt wedyverden met ebattementspelen, ‘voor Heere ende Wet.’ De pryzen werden plegtiglyk uitgereikt, en elk met een presentwyn beschonken.

1459. - Nieuwe feesten binnen Audenaerde, ‘voor de geborte van den jongen Daulphin2.’ - Deze feesten

[p. 392]

werden gehouden ‘achtervolghende der begherten ende scrivene an onsen gheduchten heere ende prinche, dat hy wilde dat zijne goede lieden van Audenaerde met hem verblijden zouden, ende houden feeste van alle ghenouchten, angaende der vorseider gheborte. Dwelc hier ghedaen was den xijen in ougste.’

Behalve de ebattementspelen der Rhetorykers, vertoonde elke straet hare groep van figuren, op eene estrade of théater, welke zy gewonelyk uitstelde, op den Sacramentsdag. De stad kocht drie schapen voor pryzen: ‘welke prisen uutghegheven waren op de ghone die tscoenste toebrengen zouden scoene figuren...’ voort werden er nog drie zilveren juweelen uitgeloofd, ‘vor die snavonds tscoenst ende triumphantelixt vieren zoude.’

1461. - Schiet- en ebattementspelen te Peteghem (by Deinze). Onze Rhetorykers winnen aldaer een zelverin scmijnckele1.

1462. - Grammaye2, en na hem W. Kops en anderen, deelen ons mede dat de Rederykers van Kortryk, de Barbaristen geheeten, te Audenaerde, in dit jaer, pryzen zouden hebben behaeld. In hoe verre dit waer zy hebben wy niet kunnen ontdekken. Indien echter alsdan een pryskamp plaets had gehad, zou onze stadsrekening hiervan gewagen; want dergelyke plegtigheden gebeurden nooit zonder tusschenkomst der stedelyke schatkist.

[p. 393]

1468. - Dit jaer werd Karel van Bourgondie, in zyne vlaemsche steden, als graef, en als heere ende prins, gehuldigd, en deze plegtigheid gaf oorzaek tot pragtige onthalingen, kostelyke presenten en groote volksfeesten. De stad Audenaerde, die veel adel en ryke kooplieden in haer midden had, bleef ook hieraen niet te kort. Wy vinden dat Schepenen ditmael de Rhetorykers hadden aengesteld om de openbare feesten in te richten en te bewaken. Eene belooning wordt gegeven aen ‘Janne Van den Vivere ende den ghesellen vander Rhetorijke, van dat zy bezich gheweest hadden, ende ghestelt in ordinancie, hoe men onsen gheduchten heere, tsijnen blijden eersten incommene binnen deser stede, ontfanghen zoude.’

1471. - Wy vinden voor de eerstemael, op dit jaer, twee Rhetoryke gezelschappen met onderscheidene benamingen aengeduid, te weten, de Rhetoryke van Audenaerde en de Rhetoryke van Pamele. Hier vandaen meenen wy te mogen afleiden dat nu twee bestendige kamers waren gevormd, hebbende elk hare Reglementen, schoon zy echter nog niet als wettige gulden waren aengenomen.

1472. - Daer onze stadsrekening van dit jaer grootendeels verloren is geraekt, kunnen wy niet stellig opgeven of er toen wezenlyk te Audenaerde eene zamenkomst van Rederykeren mag hebben plaets gehad, zoo als Kops na Grammaye heeft aengeteekend, en alwaer de kamer van Ninove eenige pryzen zou hebben behaeld. Dit valt echter zeer te betwyfelen, vermits men alsdan, ter stede, meer bezorgd was om schattingen en wapenknechten aen den oorlogzuchtigen vorst, gedwongener wys, te verschaffen, dan wel om genootschappelyke beschryvingen te doen. Overigens, zoo wy de woorden van Grammaye goed hebben begrepen, heeft die schryver

[p. 394]

slechts het oog gehad op eene zamenkomst van schuttersgulden.1.

1478. - Niet tegenstaende de akelige tydsomstandigheden, waerin het geheele land verkeerde, werd er te Leuven een groot schiet- en ebattementfeest geopend. Onze Rhetorykers laten er zich vinden. De stad komt te hulp in hunne kosten; doch het schynt niet dat zy eenigen prys behaelden.

[p. 395]

1482. - De Rhetoryke van Audenaerde vinden wy in de stadsrekening van dit jaer voor het eerst bekend gemaekt met den naem van schole, en met de kenmerkende zinspreuk Pax vobis (vrede zy met ulieden), genomen uit het H. Schrift (Joan. xx, v. 19). Wy hebben niet ontdekt welk figuer deze school aenvankelyk op haer vaendel en in haer blazoen voerde, anders dan het stedelyk wapen. Doch er bestond alsdan nog een ander Audenaersch dichtgezelschap, waeraen men, eene wyl, den naem gaf van Schole van den H. Geest; deze vereenigde zich welhaest met die van Pax vobis, en alsdan werd de symbolische duif, onder welke gedaente de H. Geest wordt verbeeld, tot kenteeken of blazoen aengenomen. Zy stelde zich onder de geestelyke bescherming van de H. Maegd, en vierde den feestdag van hare Presentatie.

De Rhetoryke van Pamele staet nu ook als schole bekend, en had voor blazoen de Kersouwe of Madelieve. Zy nam, nu of later, de zinspreuk aen Jonst souct const, en had zich gesteld onder eene gelyke bescherming, voor feestdag vierende O.L.V. Visitatie.

De baron van Pamele, op wiens heerlykheid deze school werd gevestìgd, maeckte er zich welhaest de begunstiger van, schoon toch het Collegie van Schepenen van Audenaerde dezelve, voor hare spelen, even als de anderen, bleef aenmoedigen met presentwyn en geldelyke begiftingen.

Er bestond alsdan nog een vierde gezelschap, genaemd de Jonge Rhetorike, 't welk vermoedelyk aen de beide andere scholen kundige kweekelingen opleverde. Het schynt maer eenige jaren in wezen te zyn gebleven.

Aldus was het met de Rhetorykgenootschappen van Audenaerde op dit tydstip gelegen. Men zal welligt hebben

[p. 396]

opgemerkt dat zy maer langzamerhand zich in wel ingerichte maetschappyen hebben gevormd, naer mate eene meerdere beschaefdheid en weetgierigheid zich by de volksklas kwam indringen. Eene heilzame nayver, steeds door schepenlyke gunsten aengevuerd, bragt niet weinig toe om den bloei derzelve te vermeerderen, en kundige mannen te doen verschynen.

Vergeten wy niet, ter loops, hier aen te merken dat de boekdrukker Arend De Keysere zich te midden van deze arbeidzame dicht- en tooneelminnaren had nedergezet, en gewis met dezelve was verbroederd. Niet onwaerschynlyk komt het ons voor dat een voortbrengsel zyner drukpers, namelyk de Historie van Saladin1, zal berymd zyn geweest door een' excellent Retorisien van Audenaerde, met name Andries Vander Muelne, hoewel het echter onder dezen naem niet aen het licht kwam; wat ook het geval was ten aenzien van den drukker zelf.

Staen wy hier een' oogenblik stil by dien vlytigen en weinig bekenden rhetoryker, wiens dichterlyke verdienste, dank den gentschen lettersteker, Joos Lambrecht, nog met zekerheid kan gewaardeerd worden. De laestgenoemde gaf immers, in 1543, een zuverlic boucxkin2 uit, dat door

[p. 397]

denzelven, by vertaling, in vlaemsche rymen was gesteld, en zyn naem draegt. Wie weet of er van dit werkje geene oudere uitgave hebbe bestaen, door Lambrecht slechts herdrukt; want de schryver was toen reeds lang overleden.

Andries Vander Meulne, of Vander Meulen, was niet, zoo als men geloofd heeft, een Gentenaer, maer wel een Audenaerdsch burger, wiens naem reeds op vroegere jaren in onze stadsschriften vermeld staet. Dikmaels namen Schepenen zyne geleerdheid en goede uitspraek te baet, zoo in het openbaer aflezen der plakkaerten van hoogerhand toegestuerd, als in andere gelegenheden. In 1476, en volgende jaren, bediende hy, ter stedelyke greffie, het ambt van buitengewonen klerk of onder-greffier, uit hoofde der menigvuldige bezigheden, die de binnenlandsche onlusten zoo vaek deden geboren worden. In 1482 werd hy benoemd als adjoint-commissaris by den raedsheer Baude de Grospré, procureur-generael der hertoginne weduwe van Bourgondie1, ten onderzoeke van eene confiscatie van engelsche lakenen, te Audenaerde gedaen door den Hoogbailliu. Dergelyke benoeming bewyst dat Andries Vander Meulne een bedreven en kundig man was, zynde deze post doorgaens bekleed door een schepen of een pensionnaris. Schoon hy tot dus verre in de stadsrekening, met name, als rhetorisien niet vermeld staet, was hy toch één der voornaemste, zoo als men in de opvolgende aenteekeningen zal kunnen ontwaren.

[p. 398]

1483. - Ter gelegenheid van het sluiten van den vrede te Atrecht (in january 1482, oude styl) waren er door geheel Vlaenderen, van wege de Gentsche Schepenen van der Keure1, vreugdefeesten geboden. Te Audenaerde werden dezelve byzonderlyk met ebattementspelen gevierd: trouwens, de stremming van koophandel en nyverheid, in die beroerde tyden, had deze feesten zoo al wat minder kostbaer en vrolyk gemaekt; want de staetszaken stonden nog op geen beteren, ondanks het Atrechtsche vrede-tractaet. In verscheidene vlaemsche steden scheen men de Gentsche oppermagt toe te juichen, doch heimelyk verwenschte men die. Van daer ook eene bron van onlusten.

Intusschen, het zy uit een staetkundig vooruitzicht, het zy uit loutere verbroedering, zyn ‘de ghesellen vande Retorijke vander Fonteynen van Ghend te Audenaerde commen spelen ende abatementen, ter feesten vanden payse.’ Zy hadden de eer het eerste spel te spelen voor Heere ende Wet, waerop volgden de vertooningen van Pax vobis, van de Kerssauwe, en van de Jonge rhetoryke. Verscheidene wyken maekten ook feest, en werden door Schepenen beloond met eenige pryzen. ‘Snavons, naer de abatementen, was een bancket ghegheven den heeren, vrauwen ende joncvrauwen vander stede, upt scepenenhuus, ende coste xiiij illustratie ij sc. par.’

De gezellen van de Fonteine waren gulhartiglyk op hunne aenkomst onthaeld geworden, en met presentwyn beschonken. Men betaelde daer en boven ‘an de weerdinne in den Baes, xij illustratie p. voor zekere costen, aldaer vertheert by Her Catelaen, Jan Valke, ende andre ghe-

[p. 399]

sellen vander Retorijke van Ghend, die alhier, ter feesten van den paise, quamen spelen, ende die de stede deffroyhierde, ter eerbaerheit vander goede stede van Gent.’

Nauwelyks waren er eenige maenden voorby, of nieuwe feesten werden geboden van wege Schepenen van der Keure, ‘ter bliscap vanden paise ende eendrachtichede vanden lande;’ met andere woorden, ter gelegenheid der bezegeling van den vrede van Atrecht, en der huwelyksverloving onzer driejarige princes Margareta, met den dolfyn van Frankryk. De rhetorykgezelschappen herhaelden hunne spelen voor Heere ende Wet, en men deelde ‘wijn, fruut, keyte (bier) ende andere zaken, alsmen abatemente, ter feesten vander eendrachtichede.’ En hiermede liep deze ten einde. De stad moest dit jaer eene geldleening doen, om de groote zettingen en wapeningskosten te betalen; derhalve bleef er weinig over om nog daerby vermakelykheden te bekostigen.

De stad Brussel, die den aertshertog Maximiliaen als voogd van den jongen Philips had herkend, en met hem in vrede leefde, had dit jaer een beschryving gedaen, op schiet- en ebattementspelen. Die van Audenaerde waren ook uitgenoodigd, en hadden er zich toe voorbereid. Doch de Gentsche gezagvoerende magt, een' staetkundigen list hierin vermoedende, verboodt de vlaemsche genootschappen zich aldaer te begeven. Daerentegen werd er een groot schietspel te Gent ingericht. De Audenaerdsche schutters behaelden er den opperprys, die bestond in een hert en eene hinde. Goud en zilver waren schaers geworden, en nauw toereikend tot de wapenrusting tegen den aertshertog. Dit was zekerlyk de reden waerom de rhetorykers, buiten gewoonte, waren te huis gelaten; althans wy vinden er geene melding van gemaekt.

[p. 400]

1485. - De politieke twisten ea bloedige worstelingen, welke het ryke Vlaenderen aen den rand van het verderf bragten, deden, voor eenigen tyd, de vrolyke zamenkomsten der voetboogschutters en der rhetorykers, zoo niet gansch opschorten, ten minste veel zeldzamer worden; schoon de oefeningen te huis daerom niet geheel werden verzuimd.

Onder de warme voorstaenders van Maximiliaen, te Audenaerde, vinden wy ook Andries Vander Meulne, met zyne gezellen de Rhetorisienen. Men weet - of mogelyk weet men niet, dat op den 6den van lauwmaend 1485 (1484 oude st.), de stad en het bourgondisch kasteel van Audenaerde door de Magistraten heimelyk aen dien vorst waren overgeleverd, terwyl de Gentsche overheid nog waende dezelve aen hare hand te hebben. Weldra hadden onze wethouders en de burgery dien vorst plegtig als voogd van zynen zevenjarigen zoon Philips herkend, en hem den eed afgeleid; waervoor een hevige verstoordheid in de vlaemsche hoofdstad oprees.

‘Om desen eet wille, zegt onze HS.-kronyk, ende allianche met Maximiliano, was sulcken nijt tusschen die van Ghent ende die van Audenaerde, dattet heinschelick [ysselyk] es om scrijven. Andries Vander Meulene, een excellent rhetorisien van Audenaerde, screef eene bittere invective teghen die van Ghent. Die van Ghent antworden daer op. De voornoemde Andries repliquierde wederom. Men vas zo bloetdurstech op malickander, dattet wonder es om lesen..... Wat die van Ghent vinghen van Audenaerde, zy doodent. Wat die van Audenaerde vinghen van Ghent, zy deden tselve; zo dat mijn vader (vervolgt de kronykschryver) up eenen tijt ghesien heeft seventhien oft neghenthien Ghentenaren, deen an dander ghebonden, steken van

[p. 401]

de Steenbrugghe in de Schelde, alwaer zy verdroncken...’

Dusdanig eene gesteldheid der gemoederen zal ligt te bevroeden geven hoe het destyds met de zamenkomsten en wedstryden der rederykkamers moest gelegen zyn; derhalve zyn wy genoodzaekt eenige jaren met stilzwygen over te stappen.

1490. - Nu begon men in sommige steden van Vlaenderen, en namelyk binnen Audenaerde, eenige rust te smaken, en op middelen bedacht te wezen, om zoo wel de wonden der stedelyke schatkist, als die der openbare zedelykheid te heelen. By dit alles verloor de Magistraet hare rhetorykers niet uit het oog. ‘Int jaer XIIIIc XC, zegt onze HS.-kronyk, passeerde wettelick dordonnancie van de camere van Pax vobis.’

Dat wil, met een paer woorden meer, zeggen dat nu eerst, by wettelyke ordoonancie van Schepenen en Raed, ter kennisneming van den Hoogbailliu, de school van Pax vobis verheven werd tot eene vrye kamer, met de gewone voorregten, even als die der andere vrye gulden van de stad. Jammer is het dat dit stuk voor ons verloren zy. - Indien wy ons niet bedriegen waren de onrustige tyden grootendeels de oorzaek geweest der zoo late wettiging van een genootschap, dat reeds herhaelde blyken van yver en kundigheid had aen den dag gelegd. Des niettegen-staende waren toch onze rederykers, en vooral de Paxvobianen, zoo als men die noemde, op de kampstryden van gewettigde kamers nitgenoodigd geweest, gelyk men reeds heeft kunnen opmerken. - Ofschoon zy voor hun inwendig bestuer tot dit oogenblik geen bezegeld charter hadden bezeten, behoorden zy echter tot eene vrye en geprivilegieerde stad, wier schependom hen onophoudelyk begunstigde. Dit was genoeg om niet gehouden te

[p. 402]

zyn, door eene zoogezeide hoofdkamer van Vlaenderen, gelyk men voorgeeft dat de Fonteine zich noemde, eerst te moeten herkend zyn geworden. Later nogtans kan dit vereischte voor de nieuw opkomende kamers in onvrye plaetsen hebben stand gegrepen.

Op dit zelfde jaer vinden wy dat de stedelyke overheid aen de kamer van Pax vobis eene groote zael, boven de korenhal, verhuerde, alwaer de dicht- en speel-oefeningen ruimer konden geschieden. In deze verhuring was het genootschap vertegenwoordigd door: ‘Isaac Vander Moten, als coninc, (die verscheidene malen schepene was geweest), Her Jaspaert Vander Vergiere, pbre, als dekin, Jan Van Asselt, ende Arekin Vanden Ostende, als officiers van tghemeen gheselscap vander scole van Pax vobis.’

Korten tyd na dien verpacht de stad insgelyks een lokael boven de Steenpoort1 aen de schole van de Kersouwe, die onder de byzondere bescherming stond van den baron van Pamele. Wy vermoeden dat alsdan de baron, even als de schepenen van Audenaerde, ook deze kamer van Rhetoryke eene charter, zoo niet van wettelyk bestaen, dan toch van plegtige goedkeuring, zal hebben gegeven. Meer dan éénmael hadden 's barons hoogedele voorzaten, ten aenzien van sommige voorregten de graeflyke wethouders van Audenaerde en zelfs den vorst, in zyne regten, nageaept; en meer dan éénmael waren daer conflicten en gedingen uit gerezen. Doch

[p. 403]

hier was dit niet het geval, en de Kersouwe bleef steeds der schepenlyke gunsten deelachtig.

1493. - De aertshertog Philips, die nu den ouderdom van vyftien jaren had bereikt, en zyn vorstelyk hof nog te Mechelen hield, by zyne grootvrouw, de douairiere van Karel den Stoutmoedigen, ‘was draghende goede affectie ende gheneghentheit totter weerdegher conste van der Rhetorijcke; ende omme die te eeren, weerdeghen ende vermeerderen, ooc in goeden state ende policie te stellene ende onderhoudene, dede hy, by zijnen beslotene briefven, in date vanden xxen dach van maerte, anno XIIIIc XCII (1493 n. st.) ontbieden ende bescriven, by hem in dezer stad van Mechelen, alle de cameren ende broederscepen vander zelver Rhetorijcken, vander dietschen tonghen, van desen Nederlanden... ten eersten daghe van meye eerstcommende.’

'S vorsten kapellaen Pieter Aelturs was gelast met de uitzending der brieven, niet aen de Rederykkamers zelf, maer aen de plaetselyke wethouderen; ‘ten hende dat zy... zoe vele doen, dat eeneghe ghedeputeerde vanden zelven cameren, daer zy ghebodt over hebben, hier by ons commen, ten daghe ende stede voors., voorsien met battementen, refereynen, of alzulcke andere solaselicheden van Rhetorijcken...’

Men twyfelt niet of een groot getal dezer kunstgezelschappen zullen zich tot eere hebben gerekend de vorstelyke oproeping te beantwoorden; te meer, daer de prins ‘groot solaes, ghenouchte ende recreatie nam in de spelen ende batementen, die voor zijnen persoon ende in zijne presentie moesten gespeelt worden1.’

[p. 404]

De gezellen der Audenaerdsche kamer Pax vobis, hebbende Andries Vander Meulne en Jan van Asselt aen het hoofd, lieten er zich ook vinden, en verheerlykten welhaest den naem hunner geboortestad, met het behalen van een' prys ‘van ebattementene.’ Na het eindigen van dit feest trekken zy rechtstreeks ten ebattementspele van Brussel, van 't welk wy niet byzonders hebben mede te deelen. Op hunne terugkomst worden zy gulhertig onthaeld. Zy geven ‘voor Heere ende Wet, vrauwen ende joncvrauwen,’ eene vertooning ‘van tspel waer medt den prijs ghewonnen was te Mechelen,’ waerna zy ‘up eenen bankette ten scepenenhuuse’ worden genoodigd.

Dit Mechelsch rederykfeest, zoo wel ingericht om verscheidene vlaemsche genootschappen een' nieuwen nayver by te zetten, had voornamelyk ook ten doel eene Souvereine Kamer te Gend te vestigen, onder de zinspreuk: Jhesus met der balsem blomme. Van deze kamer maekten Maximiliaen en Philips den zoo evengenoemden Pieter Aelturs, Prince souverain, met volle magt aen hem en aen zyne naerkomers, ‘omme binnen alle onsen landen ende steden te ordonnerene ende makene nieuwe cameren, broederscepen, ofte gheselscepen van Rhetorijcken, ende dat om allen den ghone diet versoucken zullen; ende ooc voort insghelicx allen den anderen, die nu zijn, te vernieuwene, indien dats noodt werdt... ende gheven opene letteren van confirmatien1.’

In hoe verre deze centraliserende verordeningen zyn uitgevoerd geweest, elders dan in de hoofdstad van

[p. 405]

Vlaenderen, hebben wy niet kunnen ontdekken; doch wy aerzelen niet te zeggen dat deze nieuwigheid, hoe wel ingevoerd ‘om die weerdeghe excellente conste van rhetorijcken vermeerst ende gheheert te werdene,’ geen byval zal hebben gekregen, vooral in vrye steden, alwaer de voornaemste rederykkamers zich bevonden, en geen ander gezag herkenden dan dat van hare wettelyke overheid.

1494. - Dit jaer wordt de H. Sacramentsdag te Audenaerde vereerd met de tegenwoordigheid der gezellen van de Rhetoryke van Aelst, die den voorrang hebben in het vertoonen van twee ebattementen voor Heere ende Wet; waervoor zy ook begiftigd zyn met een' dobbelen presentwyn van acht stoopen.

1495. - Groot schietspel te Korteryk. De Audenaerdsche schutters, benevens eenige rederykers, nemen er deel aen. De stad betaelt eene zekere som aen Andries Vander Muelne en Jan van Asselt, ‘thulpen tharen coste waert, die abatementen ter scutterie vanden voetboghe te Curtricke.’

1496. - Behalve de kamers van Pax vobis en der Kersouwe, vertoonen, op den Sacramentsdag, nog twee andere scholen elk een ebattement voor de stedelyke overheid, namelyk de schole van Ste-Adriaen, en de schole van Ste-Mauritius. Deze beide laetsten blyven slechts eenige jaren stand houden.

Groot landjuweel te Antwerpen, op de vraeg: Welk het meeste misterie ende wonderlickste werk was dat God oyt dede tot des menschen salicheidt. Zes-en-dertig vlaemsche marken zilvers en zes-en-twintig zilveren schalen boven de roozenhoeden, waren voor pryzen bestemd aen de mededingers. Acht-en-twintig kamers, in even zoo vele loten verdeeld, verschenen ter plegtige

[p. 406]

intrede. De hoogste prys van spelen werd gewonnen door de kamer van Lier, de tweede door die van Romerswal, de derde door de Barbaristen van Gend. Des niettegenstaende verliet elke andere kamer het strydperk niet zonder toch eenigen prys te verkrygen. Aldus was:

‘Dat sesde lot die van Oudenaerde. Sy speelden voor de meeste mysterie ofte gratie: De incarnatione; dat hy (Christus) bloet ende vleesch ontfinck. Haren prijs eene schale ende eenen roosen hoet1.’

Het is zeer waerschynlyk dat het mysterie, waermede onze Paxvobianen te Antwerpen ten tooneele kwamen, vervaerdigd was door Andries Vander Muelne; want Schepenen geven hem eene vergelding van xiij ponden parisise: ‘voor zekeren goeden dienst die hy der stede dit jaer ghedaen heeft, int faict vander Rhethorijcke ende anderssins.’

Overigens maekt de stadsrekening geen gewag van de schale en roozenhoed, te Antwerpen door onze rhetorykers bekomen; en geen wonder: want deze voorwerpen waren, zoo ons voorkomt, eerder eene heuschede aen elk aenwezig genootschap, volgens verdienste, aengeboden, dan wel een prys.

In dit jaer, en in de volgende jaren, worden aen de beide kamers, van Audenaerde en van Pamele, door de stad kwytgescholden de jaerlyksche pachtsom hunner lokalen, ‘mits dat ghesellen zijn van Rethorijken, ende te diverschen stonden batementen achter der stede.’

1499-1500. - Gedurende den zomer van 1499 hielt de hertoginne douairiere een langdurig verblyf in hare

[p. 407]

residentie te Audenaerde, alwaer zy bezocht werd van Margareta van Oostenryk, van den aertshertog Philips, en van zyne gemalin, de princesse van Castillien, als ook van een groot gevolg van hovelingen. Laetstgemelde vorstin kwam alsdan voor de eerste mael binnen de stad. Te dezer gelegenheid, ‘als tharen eersten ende blijden incommene wiert haer ghesconcken van Scepenen eenen selverin verguldinen cop, weghende xxxiij onchen te iij illustratie par. de onche (onbegrepen voor gout ende verghuldine xxvij illustratie p.) - Item een pinchoen [94 stoopen] wijns van Beanen, costende xxxvi illustratie iij sc. par.’

Na eenige dagen by de hertoginne te hebben verbleven, vertrokken de doorluchtige reizigers naer Gent, alwaer, in het hof ter Walle, op den xxiiijen van sporkel, XIIIJc XCIX (1500 n. st.), de jonge princesse gelag van eenen zoon die, by den doop, werd Karel genoemd, (namaels Karel V.), en met het hertogdom van Luxembourg begiftigd. Dus, eer het jaer, volgens ouden styl, ten einde was, vierde men, door geheel Nederland, groote vreugdefeesten, ter gelegenheid dezer blyde geboorte.

Te Audenaerde waren dezelve zeer luisterlyk, op den eersten zondag van maerte. Eene processie generael werd gedaen, met lofzangen tot den Allerhoogsten, en met alle de HH. Reliquien der kerk. De stad begiftigde de kloosters en godshuizen met buitengewone presentwynen. De Freremineuren waren vooral zeer vrolyk. Vyf schoone pryzen werden uitgeloofd aen de wyken en straten, die het sierlykst met figuervertooningen, tapytversieringen en andere vermakelykheden zouden vieren. De rederykers Yan Pax vobis en van de Kersouwe, de kinderen van St-Adriaen en die van St-Janne, vertoonden elk een zinspelend ebattement ‘voor Heere ende Wet, vrauwen ende joncvrauwen vander stede;’

[p. 408]

en eindelyk werd 's avonds, op de Groote Merkt een monstervuer aengestoken, waerin ‘xvc [fasseelen] houts’ werden verslonden.

 

D.J. VANDER MEERSCH.

 

(Het vervolg in eene aenstaende aflevering.)

1Dit woord schynt voorheen meer bepaeldelyk by de Vlamingen dan by de Franschen gebruikt te zyn geweest, in den zin van farce, comédie bouffonne, kluchtvertooning met verscheidene persoonen. Onze voorouders namen het ook wel eens, by mangel aen een ander doelmatig woord, in den ernstigen zin, zoo als men in den loop onzer aenteekeningen zal gewaer worden.
2‘Wat hunnen oorsprong aengaet, zegt Siegenbeek, deze schynt eene navolging van soortgelyke inrigtingen onder de Franschen gezocht te moeten worden, en zoo niet reeds tot de dertiende, althans zeker tot de veertiende eeuw op te klimmen.’ Bekn. geschied. der nederl. letterkunde, bl. 39. - De heer Cornelissen doet die hooger opklimmen, en wel tot het tydstip der eerste kruisvaerden (1195-99). Discours sur l'origine, etc. des chambres de rhetorique, p. 4.
1In de werken van de Maatsch. der nederlandsche letterk., te Leyden. II d., bl. 215-371.
2Mémoir. hist. sur la biblioth. de Bourgogne, p. 152.
1‘Int jaer xiijc lvi, den xvien ougste, als grave Lodewijc van Male den slach ghewonnen hadde teghen Wenceslaus, hertoghe van Brabant, wiert Brussele ghewonnen. Ende de eerste die de voorn, stat innamen, waren die van den cruusboghe van Audenaerde; ende wierden daer voren beghifticht met sekeren wijn die sy alle sondaghen drincken moghen.’ (HS. kron. der st. Aud. fo 64, op het archief aldaer). - De stad gaf voor dien wyn eene jaerlyksche som, die, eeuwen lang, in de rekening heeft gefigureerd: ‘Item... der gulden van minen heere sen Joeryse, elcx sondaeghs vanden jare, x sc. p. dewelke ons gheduchte heere in tijden vorleden hemlieden beval te ghevene, omme goeden dienst dien sy hem ende der stede ghedaen hadden, xxvi illustratie parisis.’ (Stadsrek. 1406-7).
1Onmogelyk is het voor ons, met het gevoelen dat wy omtrent de zaek hebben opgevat, eenig geloof te hechten aen hetgeen goede schryvers zelven, schoon twyfelenderwyze, na Grammaye hebben aengeteekend, wegens de oudheid der rederykkamer van Diest. Aldaer zou reeds, in 1302, een genootschap hebben gebloeid, onder de kenspreuk: Christus oogen (Lychnis coronaria). Maer waer is het bewys? Zekerlyk in de opgave van een rhetoryker, toen de geschiedschryver onzer doorluchtige aertshertogen zyn omreisje, ter plaetse, deed. Wat toch was dit Seigneuriale dorp, in 1302, om alsdan in dicht- en tooneelkunde den voorrang te hebben genomen op de andere brabandsche steden? Overigens Grammaye zelve schynt hier aen te hebben getwyfeld, daer hy zyn gezegde niet in texto, maer slechts ad marginem heeft geplaetst.

1Deze kronyk, in klein fo, op papier met een en dezelfde hand fraei geschreven, is thans het eigendom van Mr J. Ketele: zy bevat byna woordelyk de voornaemste daedzaken vermeld in de kronyke, die onlangs is in 't licht gegeven door de Maetschappy der vlaemsche Bibliophilen, te Gent. De kronykschryver eindigt met het vermelden van den vrede van Tours, in 1489. - Het geschrift behoort tot de eerste helft der XVIe eeuw.
1Welligt hadden wy nog eenige byzonderheden wegens dit feest, en de pryzen voor de Ebatementers, kunnen mede deelen, ware juist de stadsrekening van dit jaer niet verloren geraekt. Doch wy kunnen er byvoegen dat hertog Jan, nog in dezelfde maend, de St-Jooris gulde van Audenaerde met eene privilegie begiftigde, gedagteekend uit Gent, waerby den schutters toegelaten werd om buiten de stad, in harnas en wapenen, ten schietspele te trekken, hetwelk alsdan een groot voorregt was.
2Men weet dat destyds alle jaren het personneel der overheden veranderd werd. Deze nieuwe kleeding was de eenige vaststaende vergelding dier burgerambten; ook was men zeer kiesch, en nog al kostelyk op dit stuk.
1Vestele, schynt af te komen van het latyn fistula, pypje, enz. Mogelyk kan het hier de beteekenis hebben van schryfpen of stilet, ingezien de geringe zwaerte van beiden (een halve once mark, of 15 1/2 gramm.), of is het misschien een klein schaeltje, in oudfransch vesselet, volgens Roquefort?
1Men bemerke dat hier dit woord, by afwyking van zyn' oorspronkelyken zin, een ernstig spel beteekent.
1Hofschede, hoeschede, heuschheid, gratificatie.
2Wegens de wonderbare omstandigheden van dit mirakel kan men nazien: Les principaulx Miracles advenuz par l'intercession de la très-glorieuse Mère de Dieu, ès chapelles de Tongres, Cambron et Chierves; par Robert de Hauport, escuyer, etc. Mons, 1602, in-32, p. 35. - Annales du Hainaut, par Vinchant, liv. IV, ch. 35. - Dewez, Dict. géograph., verbo Cambron.
1HS.-Kronyk van Audenaerde, fo 63.
1Kronyk van Ol. van Dixmude, uitgegeven onder den titel van: Merkwaerdige Gebeurtenissen, enz.
1De gulde van den voetboge te Audenaerde had 16 gezworene schutters, die men frokkenaren noemde, om dat zy jaerlyks van de stad een kleed of frok kregen, waervoor zy ook zekere diensten moesten doen, en zich alle zondagen oefenen. Deze schutters nam men ook wel uit de lagere volksklas, en de beste derzelve trokken mede ten schietspele. Geeraerd De Tavernier was een frokkenaer, en huisschilder van beroep. Hy leefde tot in 1475, en heeft altyd zyn pensioen, dat nog vermeerderd werd, blyven genieten.
1Aldus noemde men den zondag quinquagesima. Nu zegt men in sommige steden de kleine vastenavond.
2Eerste kind van den Dolfyn van Frankryk, namaels Lodewyk XI, van noodlottiger gedachtenis voor Vlaenderen. Men weet dat hy in bittere oneenigheid leefde met zynen vader Karel VII en, in 1456, by Philips-den-Goeden was gevlugt, in wiens landen hy verbleven heeft tot in 1461, alswanneer koning Karel is overleden. - Gedurende dit ballingschap betrok hy verscheidene malen het Burgondisch kasteel te Audenaerde.
1Scmynckele, quid? Scheminckel is eene zimme, un singe. Killaen.
2Antiq. Fland., p, 63.
1Commandat supradictos guldarum collegas [nempè D. Georgii et D. Sebastiani] quod anno 1460 Curtraci; 1472 Aldenardae; 1515 Alosti, in ludis ampla retulerint donaria. (Antiq. Fland., p. 46.)
De bovenstaende bemerking kan ook toegepast worden op hetgeen Kops, na den zelfden schryver, mededeelt, wegens de rederykkamer van Dixmude, in 1394. ‘De eerste intrede, zegt hy, waar van ik gewag gemaakt vind geschiedde te Doornik in het jaer 1394. Dan al het bescheid dat ik er van bekomen heb, is alleen dit, dat de Rederijkers van Dixmuiden aldaar den tweeden prijs behaalden. Ook werd hun in den jare 1404, by eene diergelyke gelegenheid, te Oudenaarden, de eerste prijs toegelegd.’ (Loc. cit. p. 226.)
Grammaye schynt hier al wederom geene rederykers maer wel schutters bedoeld te hebben: E lectiore populi parte constare solent tria sagittariorum collegia, et totidem poetarum, tutelaribus, munere, privilegio iisdem, quibus alia alibi gaudentia, et non rarò ampla in ludis proemia, ut Tornaci, anno 1394, secundas; Aldenardae, anno 1404, primas tenuêre. (Ibid. p. 127). - Jacob Meyer, breedvoerig sprekende van het groote schietspel, in de fransche stad Doornyk, in dit jaer gehouden, bewyst klaer, dat het de voetboogschutters van Dixmude waren die niet den tweeden, maer den derden prys, bestaende uit twee zilveren vergulden schalen, wegdroegen. Van geene rederykgezelschappen maekt hy gewag. (Annal. Fl. p. 213.)
Wat aengaet den eersten prys, dien de Dixmudenaren te Audeaer de in 1404 zouden hebben behaeld, hiervan bezitten wy geen bescheed; doch wy aerzelen niet te gelooven dat het ook de voet-boogschutters zullen zyn geweest.
1Dystorie van Saladine. - aen het einde: t' Audenaerde gheprendt. Zonder naem van drukker (Arend De Keysere) en zonder jaertal (tusschen 1480 en 1482), kl. in-4o. (Recherches bibliogr. sur la Bibliothèque de Gand, par M. Voisin.)
2Een zuverlick Boucxkin vander ketijvigheit der menschelicker naturen, overghestelt uten latine in vlaemsche dichte, duer Andries Vander Meulen. Gheprent te Ghent, teghen over tstadhuus, by Joos Lambrecht, lettersteker. 1543, in-8o. (M. Voisin, dans le Mess. des Sciences hist., 1842, p 53.) - Men vergelyke de dicht- of rymtrant van dit werk met de Historie van Saladyn, om onze gissing op de proef te stellen. - De heer prof. Serrure is bezitter van beide deze bibliographische zeldzaemheden.
1Men weet dat de hertoginne van Yorck, weduwe van Karelden-Stouten, behalve andere douairen, zoo als de heerlykheden van Mechelen, van Binche, enz., ook Vrouwe of Dame was van de stad en kasteleny van Audenaerde, alwaer zy dikmaels haer verblyf hielt.
1Deze heeren Schepenen behandelden wel de staetszaken, uit naem der drie leden 's lands, doch zy hadden de uitvoerige magt zich geheel en al aengematigd.
1Eene oude poort, aen den linker oever der Schelde, die met eene steenen brug den overtogt op dezelve maekte, en tevens eene grenspael aenwees tusschen Vlaenderen onder de kroon, en Vlaenderen onder het keizerryk. Deze poort werd gansch afgebroken ten jare 1777; en tot dien tyde toe hadden de Kersouwieren aldaer hunne vergaderingen gehouden.
1Zie de Charters van inrichting, confirmatie enz., der Rederykkamer Jesus met de balsem bloem, uitgegeven door jonkheer Ph. Blommaert, achter zyne Beknopte Geschiedenis der kamers van Rhetorika te Gent, bylage V, bl. 48.
1Ibidem, bl. 50.
1Zie eene omslagtige optelling van alle de pryzen op deze intrede door de steden behaeld, in Belg. Mus., Iste deel, 1837, bl. 149 en volg.
terug  begin  verder