Deze Vlaming mag men aen het hoofd der Belgische dichters stellen, welke op 't einde der voorgaende en by den aenvang dezer eeuw hebben gebloeid. De Laureaten der rederykkamer van Wacken en hunne navolgers bezaten in hunnen styl meer vloeibaerheid, meer Catsiaensche weelderigheid dan Robyn; doch in al wat den waren dichter boven den versmaker kenschetst, in stoutheid van wendingen, deftigheid van tael, verhevenheid van gedachten, en den daermede in verband staenden kunstigafwisselenden versbouw, stak Robyn hun de loef af.
Onbekend met Hollands grooten dichter Bilderdyk, die nogtans sedert lang nieuwe zenuwen en spieren der Nederduitsche dichtkunst byzette, had Robyn Vondel alleen tot voorbeeld genomen, eene keus waerdoor hy, de hoogere streving van zynen geest volgende, weldra zich boven zyne mededingeren verhief. Onze rhetoryken begrepen die hoogere streving niet, en het is twyfelachtig of zy die heden beter begrypen. 't Zyn doctoren, die, met den besten wil van de wereld, de patienten dooden die zy willen genezen; 't faelt hun echter aen geen loffelyken yyer, noch kunstvormen.
De verdiensten van Robyd zyn in onze oogen des te grooter, dat hy, als schryver, almede voor een kweekeling onzer maetschappyen van Rhetorica mag worden beschouwd. Al vroeg betrad hy het liefhebberytooneel, en bleef aen deszelfs belangen tot in zyne laetste dagen toe zeer gehecht. Als Poot in een dorp geboren, bliezen hem, even als den Abtswoudschen dichter, de goede
gezellen van Rhetorike de eerste zucht ter kunst in, en wist hy zynen geest van de banden dier kortzigtige kunstbroeders mede los te maken.
Pieter Johan Robyn zag het eerste licht te Vracene in 1768, en overleed te Gent in 1823. Hy woonde in 1789 nog te Vracene, tien jaren daerna te Herzeele, en omtrent 1811 was hy politiekommissaris te Zele, by Dendermonde, op welk tydstip hy zyn eerste werk openbaer maekte.
De kamer der Catharinisten van Aelst had namelyk, ten jare 1807, een pryskamp uitgeschreven, ter bekrooning van een dichtstuk, De Belgen, in drie a vyf honderd dichtregelen, en den eersten prys toegewezen aen P.J. De Burchgrave, den tweeden aen D. De Simpel, en den derden aen E. Van den Poel1, zonder het mededingende stuk van Robyn der melding of den druk waerdig te achten. Dit verbitterde den man niet weinig. Hy besloot de heeren regters zelven voor de regtbank van 't publiek te dagen. Nog in hetzelfde jaer bragt hy dus ter perse: De Belgen, een vyf honderdregelig gedicht, voorafgegaen van de volgende aenteekening: ‘Daar de kundige en hoogverlichte leden der tooneel-en dichtkundige maatschappij, onder de bescherming der bloedgetuige, de heilige Katrijn, binnen Aelst, niet aan hunnen uitgegeven prijskamp, nopens de Belgen, van den 15 october hebben voldaan, als hebbende beloofd dat de Nederduitsche dichtstukken door een Hollandsch dichtkundig genootschap zouden gekeurd worden, heb ik mijne werken van die dicht- en tooneel-kundige menschen (goede Hemel!) wedergeëischt; welke stukken zy my op eene billijke en treffelijke wijze, hoogstwaerdig dier Helikonsche bazen, door eene tweede
hand, na twee maanden dralens, hebben laten wederhalen, in plaats van ze mij, volgens verzoek, weder te sturen. Zie hier, lezer, de beide stukken, die ik den 9 dezer heb geweest ligten. Gij hebt hierdoor gelegenheid om ze met de prijsstukken te vergelijken.’
Te gelyker tyd gaf hy het dichtwerk De Belgische schilders uit, en teekende daer by aen: ‘Dit stuk diende hoofzakelijk om het kunstrijk Aalstersch Katrijngilde te toonen, dat een enkel voorwerp om vijf honderd versen er op te dichten vergenoegzaamt, en om die meesters in de kunst hunne grove misgreep te bewijzen, die zy begaan hebben, wanneer zij de Belgen in het algemeen [ter behandeling in zulk een getal] hebben voorgedragen, waaraan men ten minste vijf duizend versen kan verzingen. Dus verre van vijf honderd.’ Inderdaed die enge bepalingen, welke in onze dagen nog by sommige prysuitlovende maetschappyen worden gemaekt, zyn hoogstondoelmatig.
Men moet bekennen dat Robyn zyn proces voor de regtbank der kenners heeft gewonnen. In dichterlykheid is hy verre boven zyn mededingeren: de onafhankelykheid zyns karakters ademt in zynen styl, en leent aen zyne poëtische uitstortingen die kracht en dat vuer, dat wy als het eerste element van een vaderlandsch gezang beschouwen.
De ontleding van het gedicht De Belgen komt hier op neêr: Voorstelling. Toestand der Belgen tydens den aenval der Romeinen; de slag van Prêle; heldenmoed der Belgen. Landbouw, Nyverheid. Brugge, Antwerpen. Inquisitie. Godsdienstigheid der Belgen. Opstand tegen Spanje. Overgang der fraeije letteren naer Holland, doch Belgies voortdurende vermaerdheid in het vak der Schilderkunst, Uitnoodiging om 's lands roem te bezingen.
Het werk vangt aldus aen:
Had De Burchgrave den roem der Aelstenaren bezongen in zyn gedicht, had hy van hunnen drukker Martens, van hunnen Catharinist, den rymer Caudron, van hunnen primus van Leuven, Egidius Goessens, gewaegd, ook Robyn wilde de gunst der prysuitschryvers op zich trekken, met Aelst eene plaets in 's lands oorlogskronyken te verleenen:
Zyne beschouwing der Inquisitie, met Rubens' allegorisch penseel afgeschilderd in De Belgen, is zeker een der krachtigste plaetsen van dit gedicht, doch, in verband met het geheel beschouwd, al te breedvoerig. Men heeft zelfs het onregt, in de beoordeeling der mededingende werken aen Robyn gedaen, daeraen toegeschreven, dat de regters over dit punt anders dachten dan hy. Zie hier zynen uitval tegen dat troetelkind van Torquemada:
Meer dan vreemd klinkt het slot van 't werk, waer Robyn zich verliest in de droomeryen van De Grave's Champs Élysées:
Het met De Belgen in verband staende stuk De Belgische schilders, is geen onwaerdig tegenhanger daervan. Wy bepalen ons tot de volgende plaets:
In 1810 verscheen er mede van hem een vliegend blad, zynde een gedicht geschonken aen zynen vriend E.B. Quaetfaslem, van Dendermonde, voor de tweede mael verwinnaer in den bouwkundigen kampstryd te Gent.
Dan, in het volgende jaer, 1811, werd voor de eerste mael een gedicht van Robyn in den dichtbundel van een rhetorikalen pryskamp opgenomen. Deynze had door het volgende lamme distichon eenen dichtstryd geopend:
Robyn, die eigenaerdig dacht en schreef, behandelde dit onderwerp weder op eene wyze, die aen andere rhetorikale poëetjes onmogelyk kon bevallen. Het gevolg dier eigenaerdigheid was dat zyn werk slechts den vierden prys bekwam, terwyl de eerste medalie aen het gedicht van zekeren Iperling werd toegewezen, een broddelstuk vol apocalyptisch mysticismus2. Robyn,
zich beledigd achtende door dit nieuw en schreeuwend onregt, weigerde het hem aengeboden lauwertakje. Men moet niet verre zoeken naer de reden, welke die arme rhetoristen bewogen hadden den man zoo verre achteruit te schuiven. Hy vangt aldus aen:
Na gezeid te hebben dat
en die aen moeder Sara vergunde, dat zy in haer gryze dagen
vermeldt hy het vreeselyk gebod ‘door de eeuwige goedheid’ uitgesproken
en voegt er by:
Abraham geeft aen zynen zoon zyne begeerte te kennen om God een slagtoffer aen te bieden. Beiden begeven zich op reis: Isaäk vraegt waer 't offer is; de Aertsvader vermaent hem om op de Voorzienigheid te vertrouwen.
Er bruist eene dichterlyke adem in deze verzen, dergelyke men vruchteloos by Robyns mededingers zou zoeken.
Hoogvliets gouden lier zelve, wiens Abraham volgens het zonderlinge gevoelen van Witsen-Geysbeek zou dienen omgewerkt te worden, geeft in deze plaets niet slechts zwakke, maer valsche toonen.
Wat ongelukkige verdichting! vooral wat lage vergelyking! Isaäk nevens een schuldige gesteld!
Ook het slotvers van Robyns Abraham is treffend:
Voor wy van den pryskamp van Deynze afstappen, moeten wy hier nog aenteekenen dat de laureaet De Burchgrave, zyn gedicht afgelezen hebbende, hetwelk aenvangt met de regels:
Robyn hem dadelyk vroeg: Hoe hy het voorregt had boven andere menschen den nacht te zien verdwynen, als de tydgordynen voor zynen geest geschoven werden?
In 1819 vroeg de zelfde maetschappy van Deynze een lofdicht op den toen kortelings overleden De Burchgrave, die veertien medaillen in dergelyke pryskampen had bekomen. Robyn, met diens dichtery niet zeer hoog loopende, vierde zyne vitzucht ook by deze gelegenheid bot, en zyn werk werd letterlyk achter de deur der kamer gehangen. Wy hebben het ons niet kunnen aenschaffen.
In 1812 werd de Gentsche kamer van Rhetorika, de Fonteinisten, plegtig hersteld. Robyn was er een der yverigte leden van, en beklom mede het tooneel. Men zegt dat hy in de rol van Philoctetes uitmuntte. Hy vervaerdigde ter gelegenheid dier plegtigheid eenige vlaemsche rymregelen, en, ja, eenige fransche; doch Robyn was geen ambidexter. Men kan er zich van overtuigen door het lezen van 't Recueil des discours et poëmes qui ont été prononcés à l'occasion de l'installatton publique et solennelle de la Société de Rhétorique à Gand, le 20 avril 1812. In het zelfde jaer zat hy als regter over de vlaemsche gedichten, aen 't genootschap gezonden over den slag van Friedland. Vier jaren daerna verscheen er van hem een lykdicht op den beroemden tooneelspeler Frans Watthée, fonteinist. Het vangt aldus aen:
Deze aenvang heeft eenige overeenkomst met de volgende vier regels van den schoonen lykzang, door Antonides gedicht:
Doch Antonides spreekt van geen wratig Niet, en te regte: want wat niet is, kan dat wratig wezen? Ook loopt er in dit lykdicht, volgens 's mans gewoonte, weêr wat schimps onder:
Horatius zeide het wel: Naturam expellas furca...
Het laetste gedrukte stuk, dat wy van Robyn kennen, bevat dichtregelen uitgesproken in den schouwburg, by gelegenheid eener vertooning, ten voordeele der gekwetsten van Waterloo gegeven. De gelegenheidsdichter sprak daerin geheel anders over Napoleon dan in 1812: de omstandigheden waren veranderd, en de gevoelens van den schryver mede:
Wy zullen thans tot zyne in handschrift overgeblevene stukken overgaen, en eerst van zyne tooneelkundigen arbeid gewagen.
Reeds in 1797 vervaerdigde hy, te Herzele, een treurspel in vyf bedryven: Nuno en Evora of de Vadermoord, thans in handen van den heer D'Haenens, te Gent. Nuno, veldheer van den Tartarschen koning Magog, is verslin-
gerd op Evora, welke door Magogs zoon mede bemind wordt. Van daer tusschen beide mededingers vreeselyke worstelingen, die met eene vadermoord eindigen op den koning, die Nunoos liefde begunstigt, en wiens troon Tarahan wil beklimmen om Evoras hand te bekomen. Dit stuk is nooit vertoond, en is ongeschikt om het te worden; want Tarahan weet dat Magog zyn vader is en gaet in alles wetens en willen te werk. Afschrik is geen synoniem van schrik, noch gruwelspel van treurspel.
De dichter schreef destyds den volgenden brief aen zynen kunstvriend Jan De Pauw, te St-Gillis, later notaris te Dendermonde, onder dagteekening van den 11 vendimiaire, vyfde jaer der Republiek, welke brief wy met 's mans verdere handschriften bezitten:
‘Nu weêr over mijn treurvodde. Waerom dat Voltaire zijn meesterstuk le Fanatisme de Mahomet noemde, dit is heel makkelijk te bevroeden: die man wist de huik naar den wind te hangen, en zag het diep in. Indien hy dit wareldberoemd stuk had getijteld: de dood van Zopir, gepleegd door zijnen zoon Seïd, dan was die groote coup de théâtre, daer het stuk leven van ontvangt, te vroeg door 't volk gekend geweest. Maer Mahomet is berugt, en daarom moet het stuk zijn naam voeren; doch de rechte tytel waar, mijns bedunkens: de onwillige Vaderslagt.
‘Nuno en Evora of De vadermoord door minnenijd, zoo wil Jan het, niet waar? maar waarom er nog niet bygelapt: veroorzaakt door de staatszucht vant Badur, en uitgevoerd door Tarahan, zoon van Magog, koning van Tartarijen. Dan waar 't naar eisch!
‘Gij zegt mij, dat Magog geenen invloed in het stuk heeft, maar gij bedriegt u. Zonder dezen vorst was er geen stuk. Hij is het gezigtpunt, waar de oogen der
der geliefden op gevestigd zijn: zij rigten zich naar zijne bevelen. Zonder zijn dood ware er geen tooneelslag.
‘Nu ga ik weder waarommen: Waarom gaf Corneille den tytel niet van Rodrigo en Chimene aan den zoo beroemden Cid? Weten de aanschouwers, na het eindigen van het stuk, waarom het de Cid wordt genoemd? Waarom gaf de groote Joost van Vondelen (want die is toch zulk een sukkelaar niet als je wel waant) de tytel van De val der Engelen niet aan zijn Lucifer?..... Om dat hij wel wist wat de naam van Lucifer uitdeed.
‘Waarom hebben Eschyles, Euripides, Sophocles, Philocles, Xenocles, Lycofron, Seneca, Corneille, en voornamelijk Voltaire de tytel van Edipus aan dit befaamde treurspel der treurspelen, in plaats van de Bloedschennis, toegeëigend? Zeg nu dat eens? Je weet het nogtans heel wel. En waarom zou ik dan niet Vadermoord mogen stellen in plaats van Nuno en Evora of de vadermoord door minnenijd. Ja, Frans, de tytel van een treurstuk moet zoo wat grootsch inhouden. En Vadermoord is toch ook nog zoo slecht niet.
‘Maar maken wij ons niet begekkelijk met alle die groote mannen hier aan te halen, en over eene zoo groote konst te handelen? Men spreekt van Voltaire, Corneille, Vondel, juist of men zoo maar van Dominé Vander Poorten sprak1. Laten wij die mannen daar, en handelen wij van Knelis De Bie, Goessey, Cammaert, Volkerik, Jan Vos, Isak Vos, enz. Dat deze ons in treurspeltrant tot geleistar strekken, en dat Kuyper van Gend, Eyers van Lokeren, Ogier van Antwerpen, ons
in comedien ter baek wezen. Een ander, Montagu1, vergeet ik nog, of om beter te zeggen: laat ons Butteel te rade gaan: die is nog de baas van allen.’
Robyn moet nog meer tooneelstukken vervaerdigd hebben; onder deze noemt men: De zwarte Man of De Spleen, blyspel; Werther, drama, en een omgewerkt treurspel op Egmond en Hoorne, voor 't Rhetoryk van Sotteghem, by gelegenheid van het ontdekken van Egmonds gebeente in dit dorp, ten jare 1819. Alle de handschriften van deze stukken zyn verloren geraekt.
Hy vertaelde het treurspel Semiramis van Voltaire, en den eersten zang der Dichtkunst, en van den Boeklessenaer, van Boileau, beide in versmaet, en eenige alleenspraken. Wy gelooven dat die op den dood van Alcides door hem oorspronklyk geschreven is. Men hoort ze nog dikwyls by pryskampen van onze vlaemsche Rhetoristen. Daerom lust het ons dit stuk hier mede te deelen:
Of Robyns verzen ter gedachtenis van Martijn Van Herzeele, rederyker (overleden binnen Sotteghem, den 27 van lauwmaend 1807), en die aen zynen overleden vriend, J.B. Heirwegh (gestorven te Zele, den 26 augustus), gedrukt zyn, weten wy niet. Den laetste noemde hy eenen onvergelykelyken tooneelkunstminnaer.
Doch waer toe zulke nauwgezette opsporing naer Robyns' letterkundige nalatenschap? Men weet het, tien verzen van een schryver zyn genoeg om uitspraek te doen over zyn dichterlyken geest, en dien zal men in Robyn zeker niet ontkennen. Men moet hem beoordeelen naer zynen tyd, zoo ongunstig voor de vaderlandsche poëzy; hy had alles aen zich zelven alleen te danken. Omtrent 1820 was hy voornemens zyne voortbrengsels in een bundeltje te vereenigen, maer de opvolgers der Plantynen en der De Keyzers wilden er hun papier niet aen wagen.
De naem van Robyn is in zyne dochter Diana, echtgenoote van den heer Daenens, verloren gegaen; doch, even als haer vader, is zy, uit hoofde van haer uitstekend talent op het tooneel, benevens dat van haren gade, een sieraed der Maetschappy van de Fonteinisten, binnen Gent. De rederykers van Vlaenderen zyn regtvaerdiger jegens haer dan zy jegens haren vader geweest zyn, en menigmael zagen wy den lauwer der overwinning of der volkserkentelykheid, wegens haer heerlyk spelen, op haren schedel gedrukt.
Pr. VAN DUYSE.