Belgisch museum voor de Nederduitsche tael- en letterkunde en de geschiedenis des vaderlands. Deel 10


auteur: J.F. Willems en [tijdschrift] Belgisch Museum


bron: J.F. Willems (red.), Belgisch museum voor de Nederduitsche tael- en letterkunde en de geschiedenis des vaderlands (Tiende deel). Maatschappij tot Bevordering der Nederduitsche Taal- en Letterkunde, Gent 1846.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 364]

Tooneelgenootschappen te Gent.

De dramatische dichtvorm was onzen voorouders gedurende het duitsche heidendom onbekend. Hunne godsdienstige ceremonien echter sloten den zang en harpspel niet uit; integendeel is het bewezen dat de scalden, of zangers, schoon zy niet als by de Gallen een afzonderlyk en gesloten gilde vormden, tot den geestelyken stand behoorden. By de groote offerfeesten bezongen zy de oneindige magt der godheid (Alvader), en derzelver veropenbaringen, in de verscheiden natuerkrachten, meest in de persoonen van Thor, Woden en Freir aengewezen. In de Edda zyn ons eenige dezer heilige zangen overgebleven. Vaderlandsche sagen als die van Mannus, door Tacitus aengeteekend, werden ook opgeluisterd en den volke voorgezongen. Met de groote landsgebeurtenissen in samenhang gebragt, gedyden zy tot groote gedichten, en strekten ongetwyfeld den zangers van 't nevelingenlied en andere heldengedichten tot grondstof. Hunibald zelfs maekt melding van eenen opperpriester Theocal genaemd, die den dienst in Thor's godshuis, te Niemegen, waernam en op de groote feesten de heldendaden der vorsten den volke voorzong1. De scalden vergezelden ook, by vyandlyke aenvallen, de krygsbenden, wier moed zy door oorlogszangen in het dringendste gevaer ondersteunden,

[p. 365]

en waren by den lykbrand van vorst of held tegenwoordig; daer verhieven zy weder hunne krachtige stem en zongen den welverdienden lof des verstorvenen, zyn kloek en moedig gedrag aen de menigte voor.

Tydens de overheersching der Romeinen kwamen met romeinsche zeden de tooneelen eerst in zwang, en schoon het gezag van dit volk hier haest ten onder ging, bleven deze vertooningen nogtans voortduren, zoo als de wetsbepalingen door Karel-den-Grooten jegens tooneelisten genomen, en de besluiten der kerkvergaderingen genoegzaem bewyzen1. Zelfs zou men tooneelstukken kunnen aentoonen, die tot dit vroege tydvak behooren2; maer de werken der geleerde non Roswithe3, van Gandersheim, in Nedersaxen, maken den voornamen schakel uit, die het middeleeuwsch tooneel aen het romeinsch verbindt.

Mone echter, La Rue en andere oudheidkundigen denken dat de kerkelyke liturgie, in het spelen van mysterien, als de oorsprong moet aenzien worden van ons hedendaegsch tooneel. De eerstgemelde meent dit, om dat de middeleeuwsche tooneelstukken naer andere grondregels dan die der Grieken en Romeinen werden opgesteld: ‘De tooneelkunst der middeleeuwen, zegt hy, volgt andere grondregels dan die der oude of hedendaegsche volkeren: zy bekommert zich niet om de dramatische eenheden, maer vat de opeenvolgende handelingen als een

[p. 366]

geheel op, dat zy van het begin tot het einde in eenen ontwikkelingsgang den aenschouwers voor oogen stelt, zoo dat het drama slechts dan eindigt, wanneer de gansche cyclus der bedryven is ontrold. Dit character van het drama is episch en toont zich byzonder duidelyk in de schouwspelen, wier onderwerpen uit het Nieuw Testament genomen zyn, doordien zy het Leven Christi van zyne geboorte tot aen zyne dood, de heilige geschiedenis der Hemelvaert tot het verwoesten van Jerusalem, of ook wel tot het einde der wereld, de voorzeggingen der profeten uit het Oud Testament tot op Christus geboorte, enz., voorstellen. Zelfs de spelen van heiligen behooren tot deze vertooningswyze, daer zy meestendeels hun geheele leven, niet een enkel tydstip van 't zelve vervatten. - Met één woord: het hedendaegsch tooneel stelt een aengewezen feit voor oogen, het drama der middeneeuwen alle bedryven die een geheel vormen. Deze hoedanigheid van het drama houdt met de beeldende kunsten dezes tydvaks gelyken tred; de specula humanae salvationis, de biblia pauperum, de oude schilderstukken, enz., stellen zoo veel mogelyk den ganschen loop der heilige geschiedenis voor; zy plaetsten hunne groepen in dwerggestalten nevens elkander om de volstandigheid des bybels te bereiken.’ (Zie hier over Badisch. Archiv. II, 152, 338.) En verder tracht hy dit nog op de volgende wys te staven: ‘De latynsche tael, vervolgt hy, waerin de mysterien oorspronkelyk vervat waren, en de godsdienstige inhoud derzelve bewyzen, dat de geestelykheid als stichter van dezen dramatischen dichtvorm moet aenzien worden, des te meer daer zulke spelen eene godsdienstige bestemming hadden. Zy werden voornamelyk op drie feestdagen, die het naest op Kerstdag vielen, vertoond, op Ste Stevens-, Ste Johannes- en Onnoozelekinderendag van 26 tot 28 december (Gerbert de cantu

[p. 367]

et mus. II, 83). Op deze dagen passen slechts de spelen der Drie Koningen, maer niet de Passie- of Paeschspelen, die, naer de overgeblevene stukken te oordeelen, veelvuldiger waren en tot de plegtigheden der Goede Week behoorden. De voorlezing der Passie-geschiedenis op Palm-zondag en Goeden-vrydag, naer de evangelien van Matthaeus en Johannes, geschiedde op eene wys, die ongedwongen tot het dramatisch gezang voerde, daer de voorlezer den text der evangelien in een eentoonig recitatief voordroeg: de woorden Christi werden echter naer den inhoud van 't evangelie gezongen. (Gerbert, I. I. I. 533.) Indien voor deze voordragt slechts twee stemmen werden gebruikt, zoo was de dramatieke beurtzang voor handen. Dit gezang (de zoogenaemde Passie) wordt heden nog in vele kerken uitgevoerd: het bestaet in den text van gemelde evangelien, welke wegens zyne dramatieke vorm zich gemakkelyk naer deze voordragt voegt. Het verhalende deel des texts zingt de evangelist als recitatief; de overige stemmen zingen, elk in eigene melodie, de textwoorden, die verscheidene persoonen toekomen, by voorbeeld, Christus, zyne leerlingen, Pilatus, enz., zoo dat er zoo veel zangers zyn als er persoonen in den text sprekende worden opgegeven. De choor begint traegzaem en met feestelyken ernst: ‘Het lyden Ons Heere Jesus-Christi, als ons Ste Matheus beschryft.’ Daerop volgt de evangelist met den text des evangelies (Matth. c. 26 en volg.) en de overige persoonen op hunne beurt. - De leeken en de volkstael kwamen door deze inrigting tot het kerkelyke drama. Hiertoe waren vele persoonen noodig, daer zy niet na elkander optraden, maer allen tegelyk groepsgewys voorgesteld werden, zoo dat elk persoon slechts éene rol vervullen kon, somtyds zelfs maer eene enkele plaets opzeggen moest. Tot een zoo groot personeel waren de geestelyken eener kerk zelden toereikend; men

[p. 368]

moest ook leeken daerby nemen; en daer deze gewoonlyk geen latyn verstonden, zoo waren dietsche texten der stukken een noodwendig gevolg daervan. Bewerkingen in de volkstael, byzonder door leeken vervaerdigd, weken immer meer en meer van de dogmatische leer af, en voerden ongevoelig tot eene menigte valsche begrippen die de kerkeleer verwarden; en door de vertooningen, die den toehoorder dieper dan eene gewoone predikatie indrongen, werden zy eindelyk schadelyk. (Zie Chronicon San-Petrinum en Rohte's Thuringische Chronik, by Menken II. 1784 III. 326).’ De mysterien nogtans bleven lang nog op de schouwburg voortheerschen, daer zy in den geest der eeuw vervat de algemeene strekking volgden. Op christelyke hoogdagen werden de mysterien, die deze feesten verheerlykten, den volke voorgesteld. Te beginnen met november, wanneer de stervende natuer zich met de winternevels als met een rouwfloers omhult, op Allerzielendag, gaf men eene vertooning van het spel dat het Laetste Oordeel verbeeldde; by den winter-zonnekeer, op Kerstdag, het spel der Drie Koningen of de Geboorte Christi; by de verryzende lentezon, omtrent Paesschen, werd de Passie of het Lyden Christi vertoond, die wel als het voorname schouwspel dezes tydvaks mag gehouden worden. Feestdagen van heiligen, vooral der patronen van gilden of neringen, werden niet zelden gevierd door het vertoonen van een tooneelstuk dat het leven dezes heiligen voorhield. De spelen, die als de oudste van dit slach mogen aenzien worden, zyn degene van Ste Catharina, van de HH. broeders Crispyn en Crispinian, van Ste Joris, enz. Reeds in vroegere eeuwen werden gebeurtenissen, uit de wereldsche geschiedenis ontleend1, ter gelegenheid van tournooijen, jaermerkten

[p. 369]

en inhuldingen tooneelsgewyze vertoond. Dit was vooral het geval hier te lande, waer de vrye gemeenten zich eerder dan elders tot overheerschende magt verhieven; ook vindt men in geene andere letterkunde zulke oude historische tooneelstukken, als de nederduitsche spelen door Hoffmann Von Fallersleben in het VIe deel der Horae Belgicae uitgegeven.

In de Geschiedenis van Vlaenderen leest men dat er te Gent, in 1301, alom theaters werden opgerigt om de inkomst van Philips-den-Schoonen te vieren, en dat er aldaer in 1329, als gravin Margareta1 voor de eerste mael Vlaenderen bezocht, veel tooneelvertooningen werden gegeven.

Gedurende de Halfvastenmerkt2, te Gent, gaven schepenen en dekens der neringen, op het Stadhuis, een prachtig feestmael. By deze maeltyden werd er reeds in de XIVe eeuw door menestrelen gespeeld; maer eerst in het begin der XVe eeuw wordt er in stadsrekeningen van het opzeggen van gedichten gewag gemaekt: ‘Item,

[p. 370]

den menestrelen, sanghers, dichters ende speellieden ghegheven, in hovescheden, die t'halffasten songhen, pepen en dichtten in scepenen camer, 12 scell. 2 d. gr.1.

In de rekening van 1451 (bl. 146b), zien wy dat het stadsbestuer een huis verhuerde, alwaer men gedurende deze Halfvastenfeest schouwspelen vertoonde: ‘Item, ontfaen van dat verhuert was 't huns daer Pieter Huerybloc plach te woonene an de Vischmarct, den tijt van halffastenen, eenen man van Brugge, omme spel te houden, van dien 10 scell. gr.’

Met de XVIe eeuw, by het heerschen der godsdienstige en wysgeerige twisten, die ons land zoo zeer verontrustten, kwamen de allegorische tooneelstukken of spelen van zinne schier uitsluitend in zwang, tot den tyd dat de wedergeboorte van kunsten en wetenschappen den griekschen trant verhief, en eenen verderflyken invloed op onze letterkunde en nationale schouwburg uitoefende, daer de tooneelstukken der beste meesters dezes tyds, als die van Vondel, Zevecote, Hooft en anderen, naer dien ouden vorm werden ingerigt. Eenige schryvers nogtans bleven de oudere voordragswyze getrouw, en behandelden, als oorspronklyke geesten, de onderwerpen der middeleeuwsche mysterien en der tusschenspelen, die nog gedurende gansch de laetste verleden eeuw door vele kamers van Rhetorica ten tooneele werden gevoerd. Twee dezer spelen, by L. Van Paemel te Gent herdrukt, heb ik hier by de hand; het eene heeft het Laetst Oordeel tot onderwerp, het ander de Passie of het Lyden Christi2. In schier alle landen en gedurende vele eeuwen werd dit laetste onderwerp meermalen behandeld. Ter

[p. 371]

vergelyking met deze stukken zullen wy de verdeeling en den korten inhoud van dit vlaemsch mysterie hier opgeven. Dit spel1, het lyden Christi voorstellende, is in vyf deelen of bedryven vervat. In het eerste deel verandert het tooneel vier mael; vooreerst vertoont het de groote zael, waer Annas en Cayphas met andere priesters en ouderlingen raed houden over de middelen om Christus te vangen; Annas beweert in eene lange redevoering dat Christus grondbeginselen verderflyk zyn, en tegen de bestaende maetschappelyke wetten stryden, om welke redenen en ten einde alle verdere gisting onder het volk te vermyden, men hem voor den regterstoel zou dienen te roepen, en volgens de oude regtspleging straffen. Hy is in zyne magt: als maer de raed zyn voorstel aenneemt, kan hy hem doen vangen; een van Christus gezellen Judas zou hem leveren, mids eene vergelding van 30 zilveren penningen. Judas verschynt op het tooneel, waer hy de belofte herhaelt van zynen meester te leveren en hem door een' kus aen de gewapende magt, die hem vergezellen zou, te doen kennen. Nu valt de middengordyn, en op het voortooneel, dat eene straet

[p. 372]

verbeeldt, verschynen Petrus en Joannes door Christus uitgezonden om den vader des huisgezins op te zoeken, by wien zy het paeschlam zouden nuttigen. Zy spreken den knecht met de kan aen, en eindelyk den huismeester, die hen tot het medespyzen op het Avondmael uitnoodigt. De middengordyn gaet welhaest weder op, en het Laetst Avondmael wordt vertoond. Na de voeten zyner jongers gewasschen te hebben, openbaert Christus hun dat zyn einde nadert, en dat een hunner hem zal verraden (hier verlaet Judas de zale), en aen Petrus, die hierop zyne verknochtheid hem betuigt, voorzegt hy zyne herhaelde verloochening. Ten einde dezes tooneels valt Maria voor haer goddelyken zoon op de knien, en Christus zegent zyne moeder, waerna de middengordyn valt. Op de voorscene verschynt Judas met de gewapende wacht, die naer het hofken langs den kant des Cedrons trekt; eindelyk verandert nogmaels de plaets van het tooneel, en men ziet den hof Gethsemani, waer Christus met zyne apostelen zich bevindt: de slaep overmeestert de apostelen, en Jesus blyft alleen wakende en lydende; Judas nadert en kust zyn' meester; de wacht grypt den Godmensch aen, in weêrwil van Malcus, en leidt hem weg. - In het tweede deel ziet men Jesus voor Annas en voor Cayphas verschynen, waer Petrus hem verloochent. De plaets verandert drie mael gedurende dit bedryf. - Het derde deel vervat Christus' ter dood veroordeeling en Judas' wanhopig einde; als tusschenspel volgt dan een ballet, waerin de duivelen hunne blydschap over de verloren ziele van Judas bewyzen. - In het vierde deel ziet men Jesus voor Herodes en weder voor Pilatus verschynen, waerop hem Barrabas, een moordenaer, den voorkeur wordt gegeven. - Het vyfde deel vertoont den Ecce Homo, en het vonnis Christi door Pilatus utygesproken. De scene

[p. 373]

verandert, en Jesus met het kruis geladen trekt den Golgotha op; eindelyk wordt Jesus aen het kruis vertoond tusschen de twee moordenaers: de aerde beeft, de zon verduistert en de dooden staen uit hunne graven op.

Dit mysterie, zoo men ziet, is reeds gewyzigd en voor het nieuw theater ingerigt; het heeft de gewoone lengte van het hedendaegsch drama, en kan in eenige uren vertoond worden; maer de schryver volgde den gang van het oude schouwspel en zag de grieksche grondregels der eenheden over het hoofd, waerdoor hy ook het lyden van Ons Heere op eene betere en meer treffende wyze voorstelde, dan indien hy die verscheidenheid van tafereelen door vervelende verhalen, die zelden indruk maken, had moeten vervangen om de verscheiden handelingen van het tooneelstuk, hoe gewrongen ook, in eene en dezelfde zale of in een en hetzelfde veld te doen samenloopen. In de middeleeuwen was het groote spel van de Passie nog ongedwongener in zyn' vorm en onbeperkter in zyn omvang; het vertoonen van dit stuk duerde gewoonlyk verscheiden dagen lang, het begon niet zelden met de geboorte van Maria en liep tot aen de Verryzenis Christi: daer zag men de werken der menschen in samenhang met de besluiten des hemels en de heimelyke samenzweringen der hel. By deze grootsche vertooning werd de schouwburg in drie verdiepingen verdeeld; de hoogste verbeeldde den hemel, de onderste de hel, de middenste de aerde. Omlaeg zag men den drakemuil, die zich opende en toesloot, wanneer duivelen op het tooneel der aerde moesten verschynen.

Mysterien, of spelen die godsdienstige onderwerpen behandelden, werden in de kerk1 of op het kerkhof

[p. 374]

vertoond; wereldlyke stukken speelde men op de merkt1 of in de bovenzael van een groot gebouw2, zoo als uit veel bescheeden blykt. Ter merkt hief men hooge houten stellaedjes3 op, om de schouwspelen het volk voor te stellen. De tooneelwanden (coulissen of schermen) werden waerschynelyk door gestikte tapyten vervangen, die naer den inhoud van 't spel een landschap, eene stad of eene zale verbeeldde. Reeds vroeg vertoonde men ook ter merkt stomme spelen, gemeenelyk Wagenspelen genaemd. Tafelspelen (intermedes) waren korte kluchten, poetsen of sotternien, die door weinige persoonen ongetwyfeld gedurende een feestmael gespeeld werden. De stoffelyke inrigting der schouwburgen in de XVIe eeuw is ons door teekeningen bewaerd gebleven in de spelen van sinne van 't landjuweel gehouden te Antwerpen, in 't jaer 1561. De schouwburg was in den styl der wedergeboorte opgetrokken en door vier pylers ondersteund, die het tooneel in drie zalen verdeelden. Zy had twee verdiepingen; in de bovenscene werd waerschynelyk eene staende allegorie vertoond. De kornis of kroonlyst werd door drie ronde schilden versierd, de wapenen en het zinnebeeld voerende der Rederykkamer (uit jonsten versaemt), die de pryskaert van 't landjuweel had uitgezonden. - In de spelen van sinne van het landjuweel te Haerlem gehouden, in 't jaer 1607, treft men ook eene afbeelding aen

[p. 375]

van het theater, waerop de wedstrydende kamers de spelen vertoonden. Dit tooneel op schragen gesticht was langwerpiger dan dat te Antwerpen; te midden verhief zich een hoogere scene, waer Rhetorica met de schoone kunsten en wetenschappen zinnebeeldig vertoond waren. Het veld des bovengevels, spitsig opgetrokken, vervatte een' schild, door twee meerminnen gedragen, die den pelikaen, zyne jongen met zyn eigen bloed lavende, verbeeldde. In de lager doorloopende frise waren de verzen geschilderd, de vraeg van het concours behelzende. - Gedurende de verloopene eeuw hadden de schouwburgen nagenoeg den vorm van de hedendaegsche. Alleen, daer de schryvers de eenheden van plaets en tyd niet in acht namen en slechts naer de eenheid van belang trachteden, by gevolg van welk de vertooning meermaels in éen bedryf veranderde, werd de schouwburg door drie gordynen in voortooneel, in midden- en in achtertooneel verdeeld, waerdoor deze veelvuldige plaetsveranderingen zonder eenigen hinder voor 't begrip en de duidelykheid bewerkt werden.

De mysterien werden oorspronkelyk, zoo als wy hooger zagen, door de geestelykheid1 in de kerken vertoond. Daer hun getal echter te gering was voor die groote spelen naer hun tooneel-systema ingerigt, sloten zy zich wereldlyke lieden aen, die tot een broederschap vereenigd werden. Men beweert dat de groote ommegang van Veurne, die jaerlyks den laetsten zondag van july plaets heeft, aen een rondgaende mysterie der middeleeuwen kan vergeleken worden (zie Wodana. Gent, 1843. bl. 204 en Beschryvinge der wydvermaerde processie van devotie,

[p. 376]

die jaerlyks binnen de stad Veurne wordt uitgesteld, op den lesten zondag der maend julius, ten vier uren namiddag. Waerin worden omgedragen, door penitenten alle de verbeeldingen van het leven en dood onzes Zaligmakers. Veurne, by P. Ryckeboer, 1837). Paus Innocentius III zond reeds in 't begin der XIIIe eeuw eene decretale tegen het vertoonen van maskaraden en kluchtspelen; maer eerst met de XVe eeuw schynt men, door strenge reglementen by provinciale concilien en synoden genomen, dit spelen in de kerken te zyn tegengegaen1. Het is te veronderstellen dat deze genootschappen alsdan hunne spelen buiten de kerk vertoonden, en dat later, naer 't voorbeeld dezer gezelschappen, de kamers van rhetorica werden ingerigt. Zoo vindt men reeds in 1431 de Gezellen van den ebattementen van Gent vermeld, die de H. Sacraments-processie door hunne spelen verheerlykten, en by de geboorte van den eersten zoon van Philips-den-Goeden, te Gent in 1432, eene pryskaert uitzonden, behelzende de vrage: Wie best het Kerstendom ende d'edelheit van den kinde van hertoghe Philips, ghenaemt Joes, nieuwe geboren te Gent, declareren soude2. Ten jare 1440 werden te Gent pryzen voor battement-spelen opgesteld, ten zelfden tyde dat eene schieting met ‘den edelen voetboghe’ was uitgeschreven. Zeven tooneelgenootschappen kwamen herwaert om naer de uitgeloofde pryzen mede te dingen.

In de gentsche stadsrekeningen wordt meermaels gewag gemaekt van de Ghesellen van der conste; in die van 't jaer 1441: ‘Ghegheven in hofscheden den Ghesellen

[p. 377]

van der conste ter hulpen haren coste, die zy hadden t'Antwerpen, aengaende den esbatementen 3 L. gr.’ In de rekening van 't jaer 1442 lezen wy: ‘By bevele van scepenen den Ghesellen van der consten, die trokken ter Nieuwerpoort (Nieuport) aengaende den esbatemente, den croenemente dat Ons Heere ghecrust was up den Goeden-Vrindach, te hulpen haren costen 2 L. gr.’

Het is nogtans bewezen dat bestendige en door 't bestuer erkende maetschappyen, welke het verheerlyken der feesten door het vertoonen van schouwspelen tot voornaem doel hadden, onder den naem van Rhetorykkamers, maer eerst in het midden der XVe eeuw hier ter stede oprezen, daer wy in het reglement der Fonteine de volgende zinsnede aentreffen: ‘So eist dat eenighe persoonen ansiende dat in de meeste menichte van den notabelen steden in Vlaenderen, ende insghelijcx daer buten, broederlic ende eerbaer ghezelscip is van ghenouchten, ende niet binnen dezen stede van Ghendt.’

Gedurende de laetste helft dezer eeuw kwamen vyf dergelyke genootschappen alhier tot stand:

I. De oudste Kamer dezer stad, namelyk die der Fonteine, wier verordeningen door het magistraet van Gent, den 9 december 1448, werden goedgekeurd;

II. Die van Sinte Agnete (De boômlooze mande), by brieven van 22 october 1471 erkend;

III. De Kamer van Maria ter eere, den 14 augustus 1478;

IV. Het Genootschap van Sinte Barbara, reeds in de stadsrekening van 1468 vermeld; en

V. De Hoofdkamer van Jesus met de Balsembloem, door hertog Philips den Schoonen, den 20 maert 1492, opgerigt.

Laserna-Santander, in zyne Mémoires historiques de

[p. 378]

la bibliothèque de Bourgogne, bl. 175, noemt ook vyf rederykkameren op, maer maekt geen gewag van Maria ter eere, en spreekt van een gezelschap dat hier nooit bestond, en wiens zinnebeeld de Brembloem zou gedweest zyn.

Ten jare 1838 plaetsten wy in dit tydschrift een artikel, de Beknopte Geschiedenis dezer vyf rederykkamers behelzende. Over de vier laetstgenoemde wordt aldaer breedvoerig genoeg gehandeld; zy gingen, na de nederlandsche beroerten der XVIe eeuw of tydens de regering van Albertus en Isabella, reeds ten onder. Slechts éen dezer oude tooneelgenootschappen, de Fonteine, vervolgde zyne werkzaemheden ononderbroken, in weêrwil der noodlottigste omstandigheden, en daer de vierhonderdjarige jubelfeest naderende is (9 december 1848) voldeed ik volgaern het verzoek my door gemelde maetschappy gedaen van dit beknopt artikel breeder te bewerken en tot op heden te vervolgen1.

[p. 379]

Rhetorykkamer De Fonteine.

Deze Kamer van Rhetorica bekwam, by goedkeuringsbrief van het Magistraet van Gent van den 9 december 1448, haer eerste wettig bestaen.

Haer reglement behelst voornamelyk bepalingen over de kiezingswyze des bestuers en over de tooneel- en dichtoefeningen.

Het wapen of blazoen verbeeldde eene fontein, beheymt in eene loke ofte muragie, met eenen turrekine uprisende, ende daer ut sprutende drie goten, overal sproeyende, in teekene des helegher Triniteit, zoo als deze in het derde deel van 't Belgisch Museum, naer de teekening van den heer P. Goetghebuer, is afgemaeld.

De autaer van dit gezelschap was in de kapel der H. Drievuldigheid, boven de zuiddeur in S. Nikolaeskerk, waer de leden des zondags, ten zeven ure 's morgens de mis hoorden. (Art. 2.)

Het bestuer bestond uit eenen deken en vier raedslieden, welke t'elken twee jaren, binnen de vier Paeschdagen, door al de leden van het gezelschap werden gekozen: dit bestuer benoemde dan eenen geheimschryver en eenen bode. (Art. 3.).

De dichtoefeningen werden op de volgende wyze ingerigt: ‘Alle drie weken tsondags, ten tween naer noene, up de camers van der Fonteine, zal men gheven een hoedeken, ende de ghene dien 't ghegheven zal worden, zal zijn ghehouden, binnen derden daghe daer naer, over te ghevene een refrain van alzo vele versen als hem ghelieven zal, omme 't gheselscip binnen den drie weken daer

[p. 380]

naer te dichtene. Ooc zal hy eenen prijs upstellen zulc ende alzoo cleene van prise als hem ghelieft, omme te hebbene den ghuene diene best nae doen zal. Ende de ghuene die 't hoedeken alzo ghehadt zal hebben, zal dan den ghezelscepe te voren gheven eenen pot wijns van zes grooten, ende voort by haerlieden rade 't hoedeken overgheven, in der manieren voren verclaert.’ (Art. 13.)

Verder, als men schouwspelen vertoonen zouden, moesten de rollen eerst aen 't bestuer des genootschaps ter nazicht overgeleverd worden, en indien de aengewezen persoonen weigerden te spelen, dan verbeurden zy t'elkens twee grooten om de kosten van 't spelen ter hulpe te komen. (Art. 9.)

Het was echter den leden niet verboden schouwspelen te vertoonen met hunne geburen, wanneer eenige pryzen door het Magistraet waren opgesteld binnen de stad, en de wyken daerop beroepen werden. (Art. 10.)

Overigens stonden boeten vastgesteld tegen dengenen die het reglement in eenig punt verbrak, of gedurende de vergaderingen eenig wedspel voorstelde, daer men ghelt met vertieren mach, als dobbelen, ringhelen, queecken, verkeeren, kneyten, poutrainen, quarten, ruufflen of ander ongheoirlooft spel.

De Rhetorykkamers luisterden immer de openbare feesten op, welke hier ter stede werden gehouden, als inhuldigingen, intreden van vorsten, geboorten van prinsen, zegevieringen, vredebekendmakingen, enz.; in de Gentsche Stadsrekeningen staet de onderstand aengeteekend, welke die genootschappen ter dezer gelegenheden van het Stedelyk Bestuer genoten. De heer P. Goetghebuer had de standvastigheid al de rekeningsposten, die hierop betrekking hebben, over te schryven, en de goedheid ons deze ter benuttiging toe te vertrou-

[p. 381]

wen, waerover wy hem hier onzen openlyken dank bewyzen.

In de Kronyk van Vlaenderen (d. II, bl. 233-255), door de Vlaemsche Bibliophilen uitgegeven, treft men eene breedvoerige beschryving aen, der blyde inkomst van hertog Philips den Goeden, te Gent, ten jare 1458, en van 't geen de Kamers van Rhetorica ter verheerlyking dezer feeste bybragten. By het sluiten van den vrede van Gaveren (july 1453) was de gisting der gemoederen binnen Gent zoo geweldig dat de hertog 't niet geradig vond in de stad te komen; maer vyf jaren later, wanneer het verbond met Vrankryk begon te wankelen, keerde hertog Philips zich naer Engeland, en hoopte de groote gemeenten van Vlaenderen en Holland hierdoor op zyne zyde te krygen. Het was in deze gunstige omstandigheid dat hy naer Gent kwam (23 april 1458) en aldaer op eene grootsche en luisterryke wys werd ontvangen: vele pryzen werden door het stedelyk bestuer uitgehangen voor de gilden, wyken en gebuerten, die des avonds der blyde inkomst 't schoonst vieren zou, en des anderdaegs het beste battement en spel zou vertoonen. De straten langs waer de hertog moest binnenkomen, van de Brugsche poort (Walpoort) tot aen het Hof te Walle, waren prachtig versierd; de stoet toog daer heen langs de Hoogstraet, de Drapstraet, den Hooijaert, de Korte-Muntstraet, de Vleeschhuisbrug, de Hoofdbrug en het Gewat; al deze straten waren langs beide zyden behangen met wolle laken in de koleuren des hertogs: zwart, grys en rood, en de ramen waerop dit laken gespannen was droegen op gansch de lengte ongeveer 800 brandende tortsen. Vele stellagien of theaters werden gesticht, waerop figuren en zinnebeelden vertoond werden, welke de vreugdegevoelens der ingezetenen bekend maekten; latynsche spreuken op het theater of op

[p. 382]

de rollen, welke de beelden in hand hielden, gaven de uitlegging van de soms historische, soms zinnebeeldige voorstellingen. Deze stellagien waren meest op het einde der wegen geplaetst, welke in de bovengenaemde straten uitliepen. By het inkomen der poort ter linker zyde, aen de Begynenvest, stond eene stellagie, waerop de Maegd van Gent verbeeld was, knielende in een prieel of omheinden tuin, met een slaghekken gesloten. De Begynengracht, de Holstraet, de Peperstraet, enz., werden insgelyks door verhevene tooneelen bedekt; de grootste en rykste dezer theaters was by de Torrepoort, ten Poele geplaetst, en verbeeldde het Vreugdegezang der gelukzaligen by het offeren van 't Paeschlam: het was in den trant der oude schouwburgen opgetrokken, in drie stagien verdeeld en met witte gordynen gesloten. Als de hertog naderde werden de gordynen ter zyden geschoven, en de vertooning van 't mysterie begon: men zag in 't midden van de hoogste stagie God den Vader onder een' gouden troon zitten, tusschen de maegd Maria en Sint Jan Baptiste; langs weêrkanten waren zy door een koor engelen omringd, die genoegelyk zongen en speelden. God de Vader zat op een ivoren zetel, met de keizerlyke kroone op 't hoofd, eenen scepter in de hand, en voor zyne voeten lag eene gouden kroon, waer onder geschreven stond: ‘Vita sine morte in capite, juventus sine senectute in fronte, gaudium sine moerore a dextris, securitas sine timore a sinistris.’ Op de middenstagie stond een rykgedekt autaer, met wierookende engelen omgeven, waerop een lam nederlag, uit wiens borst een strael bloed spruitte, dat in eenen kelk ontvangen werd; zonnestralen uit God den Vader neêrgeschoten vervulden deze verdieping, en in 't midden derzelve vloog eene witte duif, den H. Geest verbeeldende. Aen beide zyden dezes autaers stonden

[p. 383]

groepen belyders, patriarchen, oudvaders, Gods ridders (S. Joris, S. Victor, S. Maurits, S. Sebastian, S. Quiryn, S. Gandolf, wylen hertog van Bourgondie), apostelen, kluizenaers, maertelaers, bedevaerders. Voor het theater was eene schoone fonteine gesticht, die de bronne des levens verbeeldde en uit wier hoogsten appel drie gorgelen liepen met wyn. - Ten 9 ure 's avonds, na vier uren by deze verlustigingen besteed te hebben, kwam de hertog in het hof te Walle, waer de schepenen der stad, en beide dekenen met hunne serjanten, boden en gezellen van den zwaerde, als tot hunnen staet behoorde, vereenigd waren om hem te ontvangen en te verwillekomen. De voorschepen, de baljus en andere ambtenaers des hertogs waren hem tot boven Mariakerke te gemoed getrokken, en hadden hem aldaer verwillekomd in het waelsch; maer het magistraet der stad Gent bediende zich ook by deze gelegenheid van de landstael, de by haer altyd geliefde vlaemsche sprake. - Des anderdaegs hadden de pryskampen plaets in de spel- en battement-vertooningen, door het stedelyk bestuer uitgeschreven. De vrage was: ‘Soe wat gezelscip van buten oft van binnen, van neringhen, wyken oft ghebuerten ghenouchelijcst esbatementen soude voor schepenhuus in 300 versen, in reynen, nieuwen, welgestelden dichte, zou winnen eene silveren schale, verwapent met de stede wapenen, weghende 6 oncen.’ Aen de maetschappy der Fonteine werd den prys van het battement toegekend. Voor het vertoonen der schouwspelen lootten zeven gezelschappen mede: het Rhetorica van S. Barbara, de wyk van den Groenenbriel, diegene van de Vierwegscheede aen de Augustynen, het Rhetorica der Fonteine, de wyk der Vrydagmerkt, die der Ketelpoort en Jan De Cuelenare met zyn gezellen. Het was de wyk der Vrydagmerkt, die den prys van 't spelen bekwam.

[p. 384]

Hertog Karel de Stoute, uit byzondere genegenheid tot het gezelschap der Fonteine, 't welk hy deugdzaem en loffelyk noemt, stond, by acte van 29 mey 1476, aen 't zelve het regt toe van kleederen en kaproenen te dragen in zyne kleuren (zwart en rood), geborduerd en doorzaeid met zyn zinnebeeld van de stalen en de viersteenen, als ook om met de andere Kamers niet te moeten loten, maer te mogen voorspelen, wanneer eenig battement, mysterie of geschiedenis zou vertoond worden.

Gedurende de twisten tusschen Maximiliaen en 's lands Staten, na de dood van Maria van Bourgondie over het regentschap opgerezen, waren de Nederlanden jaren lang in onrust. De burgerkryg woedde binnen 's lands en de Franschen bedreigden de grenzen. In deze netelachtige omstandigheden sloot Maximiliaen den vrede te Atrecht (january 1483) met Lodewyk XI van Vrankryk, waerby hy hem zyne dochter Margarita voor den dolfyn (later Karel VIII) ten echt beloofde, en tot bruidschat de landschappen Artois en Bourgondie te leen gaf. Deze langgewenschte vrede werd door gansch het land met vreugdebedryven gevierd, en ter dezer gelegenheid treffen wy weder de Fonteinisten aen, die te Audenaerde uit loutere verbroedering, gingen spelen. ‘Zy hadden de eer, zegt de heer D. Van der Meersch1 het eerste spel te spelen voor Heere ende Wet, waerop volgden de vertooningen van Pax vobis, van de Kerssauwe en van de Jonge Rhetorijke. Verscheidene wyken maekten ook feest en werden door schepenen beloond met eenige pryzen: snavons, naer de ebattementen, was een bancket ghegheven den heeren, vrauwen ende jonc-vrauwen van der stede, up 't Scepenenhuus, ende coste

[p. 385]

xiiij illustratie ij sc. par. De gezellen van de Fonteine waren gulhartiglyk op hunne aenkomst onthaeld geworden, en met presentwyn beschonken. Men betaelde daerenboven: an de weerdinne van den Baes xij illustratie p. voor zekere costen, aldaer verteert by Her Catelaen, Jan Valcke ende andre ghesellen van der Retorijke van Ghend, die alhier ter feesten van den paise quamen spelen, ende die de stede defroyhierde, ter eerbaerheit van der goede stede van Ghend.’

Den 23 november 1484 werd er een haegspel te Hulst gehouden, waer het gezelschap van de Fonteine verscheiden pryzen behaelde, zoo wy lezen in de Stadsrekening: ‘Den gheselscepe van der Fonteine t'hulpen den costen die zy gedaen hebben in 't vercrighen ende inhalen van den prysen by hemlieden ghewonnen t'Hulst (23 nov. 1483).... 30 s. gr.’

De minderjarige Philips de Schoone verbleef met zynen raed van state1 meest te Gent, in het Hof te Walle, en de feesten, welke hem gegeven werden, waren steeds door tooneelvertooningen onzer kunstgezelschappen opgeluisterd, zoo als wy in de Stadsrekeningen aengeteekend vinden. Op Nieuwjaersdag 1483 werd er een wedstryd onder de Kamers van Rhetorica dezer stede gehouden, ter gelegenheid van het banket, ten Schepenhuize van der Keure aen den jongen hertog Philips gegeven. De maetschappy der Fonteine bekwam den opperprys, Maria-ter-eere den tweeden en Sinte Barbara den derden prys. Den 27 hooimaend van hetzelfde jaer werden nogmaels aldaer battementen om prys vertoond, waerby

[p. 386]

de maetschappy der Fonteine den derden prys behaelde. Meermalen werden feestmalen den jonge prins en den leden van den hoogen raed aengeboden in de zale der Minderbroeders, later Recolletten, 't zy by den togt van Maximiliaen tegen Utrecht, 't zy als hy tot koning van Rome werd gekroond den 26 van sporcle 1485 (oude styl). Ter rekeningen vinden wy dit op deze wys aengeteekend: ‘Doe zy speelden up 't Cuupcat ten freremineuren vore Mr Van Ravestein.’ Het was aldaer dat het tooneelspel vertoond werd, door Matthys van Rode, ter verheerlyking eener dezer feesten vervaerdigd, en in stadsrekeningen vermeld: ‘Betaelt an Matthys Van Rode, van dat hy in den name van der stede ghemaect ende ghestoffeert heeft een spel anclevende den bancquette, ghegheven onsen prince, 8 maerte 1483 (oude styl) 22 sc. ij d. gr.’ Welk dit spel was is niet gebleken, echter ware het niet te verwonderen, indien dit in het eerste opstel van Het Zevenjarig beleg der stad Gent had bestaen, dat later na het beleg van keizer Frederik herzien en omgewrocht is geworden. Wat er van zy, daer dit tooneelstuk tot dit tydvak behoort en in den geest dezer eeuw is opgesteld, zullen wy hier een kort inhoud van hetzelve inlasschen: ‘De uitgestrekte handelbetrekkingen der Vlamingen, de voorspoedige staet van verscheiden nyverheidstakken, hadden den nayver der Franschen en Engelschen gaende gemaekt, en als Arnoldus, de graef van Vlaenderen, weigerde zyne bescherming over de haven van Sluis in te trekken, sloten zy een onderling verbond, waerby de koning van Schotland zich voegde, om vorst Arnold over deze weigering te straffen en den handel ter vrye haven van Sluis of Lammervliet door het geweld der wapenen te stremmen. - Ondertusschen was graef Arnold naer Pavia getrokken, om het toernooi by te woonen, aldaer door

[p. 387]

den koning van Lombardie gehouden. De oude vorst Berengar, door inlandsche samenzweringen en buitenlandsche krygen bestookt, schonk aen den verwinnaer des toernoois zyne dochter Rosalia in echt, aen wie hy ten zelfden tyde de kroon des ryks afstond. Talryke vorsten en ridders trokken ter trouwfeest heen, en nooit werd schooner toernooi gevierd. Als de tegen Vlaenderen verbondene koningen de afwezigheid des graven vernamen, verhaestten zy zich, met vereenigde magt, langs Somme en Schelde in het land te vallen. In weêrwil van het beleid en den moed door den Ruwaert (Diederik van Beveren, heer van Dixmude) aengewend, overmeesterden de vyandlyke legers Brugge en Ypre en verwoestten zy te vuer en te zwaerde gansch het platte land; maer Gent boog voor hunne overmagt niet. Welhaest werd deze groote stad ingesloten en langs de minst versterkte zyden aengevallen: ze bleef door de dapperheid der Gentenaren tegen 't overmeesteren behoed; de talryke bestormers werden meermaels, niet zonder groot verlies, van onder de muren verjaegd. By een gevecht te Wondelghem ondergingen de Engelschen eene volkomene nederlage: de Ruwaert veinsde van uit de Brugschepoort eenen aenval op het engelsch heir, dat te Wondelghem lag; de engelsche troepen vereenigden zich en trokken naer de plaets van 't gevecht, dat door de Gentenaers aldaer staende werd gehouden: maer gedurende den stryd trok een deel van 't Gentsche leger langs achter 't Rabot in schuiten naer het engelsch kamp, randde de daer geblevene krygers moedig aen, stak de tenten in brand, waerna het langs achter op de vechtende engelsche benden viel, die in wanorde gedwongen werden te wyken; zy hielden echter te Mariakerke (Meiren) stand, waer men wil dat zy de kerk stichtten.

[p. 388]

De Ruwaert, die een bode naer Pavie had gezonden, om Arnold over den ellendigen staet, waerin Vlaenderen gedompeld was, te onderrigten, bekwam, korts na dezen zege, de mare dat de vlaemsche Graef als verwinnaer met Rosalia gehuwd en tot koning van Lombardie gekroond was; de Graef vermaende verder den Ruwaert tot standvastigheid aen, en liet hem weten dat hy reeds in aentogt was en eerlang met eene aenzienelyke magt tot het ontzet der stad en de verlossing van gansch het land zou verschynen. Als de Ruwaert kennis kreeg dat de Graef met zyn heir naderde, werd een algemeenen aenval op het fransche leger besloten; de Franschen lagen langs den zuidkant der stad, van de Lei tot aen de Schelde; de versterkte Rytgracht werd door de Gentenaers overmeesterd, en in de vlakte van Sint-Denys kwam het tot een algemeen samentreffen. De troepen des Graven vereenigden zich welhaest met die des Ruwaerts, en nu werden de Franschen verwonnen en op de vlugt gedreven. De oriflamme viel in handen der verwinnaers, en zegevierend bragten zy hem in de stad. Dan schonk de Graef de stedewapenen aen Gent, Brugge en Ypre; en 't is sinds dit bewys van trouw en moed dat Gent den klemmenden witten leeuw in zynen schild voert. In dit treurspel is ook de sage van het Engelandgat gevlochten, 't geen eenige schoone tooneelvertooningen oplevert.’ Wy denken dat dit stuk tot het einde der XVe eeuw behoort, om deze redenen: 1o De verzen, welke in het prozaverhael van dit beleg1 aengetroffen worden, zyn in den trant dezes tydvaks als de volgende:

[p. 389]
 
...............
 
Ons hebben beleydt drye coninghen machtich,
 
Uut Vrankrijck, Engelant en Schotlant crachtich,
 
Uw recht te kavelen ontsien wy niet,
 
Uw lant en heeft nog geen verdriet,
 
Met wijsen eyst beset vry;
 
Als 't u belieft soo comt ons by,
 
Als uw werck ten einde wert ghebracht,
 
T'uwer eere sijn wy altijd bedacht,
 
Als wy staen tot uwer gheboden,
 
Hier mede blijft Godt den heere bevolen.
 
...............

2o De omstandigheden der overwinning op de Engelschen te Wondelghem, is niet anders dan eene trouwe beschryving van den zege op het leger van keizer Frederic aldaer ten jare 1487 behaeld. Zelfs zyn de onderhoorige gebeurtenissen van dit beleg, schier allen behouden; als daer zyn het gevecht aen de Walpoort, het verbranden der tenten te Wondelghem, enz. (Zie het einde van het derde bedryf.) In de geschiedenis van den kryg tegen Maximiliaen, gelyk mede in dit ideael opstel, vinden wy dat de haven van Sluis of Lammersvliet, door het uitzenden van oorlogsschepen de zee onveilig maekte, daer zy de schepen der natien met Maximiliaen in vrede aenrandden en roofden.

Het treurspel, dat wy nu nog over dit onderwerp be-

[p. 390]

zitten, is ons in een zeer onnauwkeurige text onder de blauwe volksboeken1 overgebleven; het werd tot in het begin dezer eeuw door de kamers van Rhetorica vertoond. In den nationalen trant behandeld, met talryke plaetsveranderingen en belangryke vertooningen en balletten moest het ten tooneele, in weêrwil der onbeschaefde tael, niet zonder invloed en werking op den geest des vlaemschen volks blyven.

Het eerste algemeen landjuweel der Nederduitsch-sprekende landschappen had plaets te Antwerpen, in de maend mei 1496 (tegen S. Jansdach midzomer); het magistraet dier stad had van den Vasten te voren boden ter uitnoodiging naer de omliggende gewesten gezonden en ryke pryzen opgehangen. Van nu af ziet men allegorische spelen of spelen van zinne op het tooneel voorheerschen, welke vorm allergeschiktst was ter ontvouwing der alsdan opkomende godsdienstige en wysgeerige geschillen. Het voorgestelde en te behandelen onderwerp, naer dezen geest ingerigt, bestond in de volgende vrage: Welc het meeste misterie ende wonderlijcste werc was dat God oyt dede tot des menschen salicheit. Te dezer feest verschenen 28 Rhetorykkamers uit Vlaenderen, Braband, Holland en Zeeland; uit Vlaenderen kwamen elf maetschappyen, waeronder drie van Gent: de Fonteine, S. Agnete en S. Barbara. Zoo prachtig was de intrede dezer gezelschappen, te lande en te water, dat eene nauwkeurige beschryving er schier onmogelyk van te

[p. 391]

maken ware, zoo als de schryver der Excellente Chronike van Vlaenderen, bl. 282b, betuigt; ‘In deze intreyen, zegt hy, beide te watere ende te lande grote ende onbegripelicken cost ende triumphe ghedaen was, so dattet met lettel redenen niet schrijvelick en ware, want ick, Andries Die Smet, die dit schreef, als ghenouchte hebbende in die retorijcke, track van Brugghe daeromme t'Antwerpen, ende sach al diesser of ghebeurde.’ De zes gezelschappen, die langs de Schelde op bevlagde en ryk versierde schepen hunne intrede deden, waren de volgende: de Fonteine van Gent, Bergen-op-Zoom, Amsterdam, Romerswalle, Sluis en Oostende. De Rhetorykkamer van Lier, genaemd de Ongeleerden, bekwam den eersten prys, bestaende in twee zilveren kannen en eenen roozenhoed; het antwoord, dat zy gaf, was de Ontvangenis der menschelyke nature of de Dood Ons Heeren. Het gezelschap der Fonteine, het welk speelde: Dat God den mensche geschapen hadde naer sijn eighen beelt, droeg ook een' prys weg, even als de Kamer van S. Agnete (de Boômlooze mande), die de menschwordinge (de incarnatie) vertoonde. De maetschappy van S. Barbara speelde voor de meeste gratie of mysterie die Dood van onsen Salichmaker, en de derde prys van 't spelen werd haer toegekend: een zilveren pinte en eenen roozenhoed.

Ten jare 1497 (10 maert), by de inkomst1 van hertog Philips, na zyn huwelyk met Johanna van Spanje, werden hier ter stede prachtige feesten gegeven, en deze werden weder door de Rhetorykkamers opgeluisterd. In de Stadsrekening dezes jaers wordt melding gemaekt der figuren, welke door de vier gezelschappen van

[p. 392]

konsten te dezer gelegenheid werden vertoond1, en van den verwilkomstgroet in verzen waertoe meester Jacob Doykin de muziek vervaerdigde2.

Den 21 en 22 mei 1497, werd een luisterryk schietspel door het oude gilde van Sint-Joris binnen Gent gehouden, en by de kaert van uitnoodiging ook prys beloofd voor de dichtgenootschappen, die de schoonste en genoegelykste spelen zouden vertoonen. Wy lezen aldaer: ‘Item, so wat geselschap van Rethorijke comme met den selven schutters van buyten ter selver onser feesten, die schoonst ende ghenouchlicxt batementen spelen sullen in duytschen talen ronden ryme, sonder eeneghe vylonie oft dorpenheit 't selve batement inhebbende, dwelke sy spelen sullen voor onsen coninc oft sijn gheselscap, daer sy tsavents haerlieder staet houden sullen, die voorseide feeste gheduerende, dien sal men gheven twee rijckelicke cannen, weghende ses marck.’ - Meester Vincent Stuerbaut vervaerdigde ter verheerlyking dezer inkomst vyf spelen, welke alsdan vertoond

[p. 393]

werden1. Dertig schuttersgilden2, uit de omliggende steden, waren op dit feest verschenen, en de sierlyke intrede is ons in verzen van dien tyd bewaerd gebleven3. In dit opstel wordt de stoet der maetschappyen van Brugge, welke hertog Philips, als koning van het Schuttersgilde, vergezelde, in de volgende regelen afgeschetst:

 
Brugghe naer haer rijkelicke maniere
 
Brachte vijf waghens met haer rhetorijke,
 
Ende ooc vol schutters, met blijder chiere
 
Twaelf peerden, daer naer den standaerd dergelijcke
 
Ende vier stadtpijpers, 't was baerblijcke.
 
Doen hondert peerden ende noch meer.
 
Twee honden trocken eenen waghen te prijke,
 
Daer eenen sot in sat, niet al te teer.
 
Vijf en twintich peerden volchden hem in 't ghekeer,
 
Ses trompetten ende claroenen schone.
 
Doen 24 paer peerden, elc scheen een heer
 
Van Lombardyen, ende uter spaenscher wone,
 
Ende ooc duytschen uter keyzerlicke crone.
 
Daer naer quam eerlic van Brugghe die wet
 
Met 26 peerden in reynen persoone,
 
Noch vier trompetten met Sint Joris wapene net.
 
Doen hertoghe Phelips, eerlic upgheset,
 
Als coninc te Brugghe van Sint Joris-gilde,
 
Want hi met sijn edele handen onverlet
 
Den papegaey afschoot, dies elc dragen wilde
[p. 394]
 
Blau en tanneyt, ghelu hoên, doorvlochten milde
 
Met witte en roode bandekens fijn sijden,
 
Som capproenkens, 't waer weert dat men 't onthielde,
 
Ghehackelt na 't duytsche; 't was om verblijden.

Het begin der XVIe eeuw was voor deze landen een tydvak van voorspoed en luister. Philips de Schoone, zelfs vóor hy den spaenschen troon beklom, wist de grenzen der Nederlanden door de magtigste vorsten te doen eerbiedigen. Karel V, deszelfs zoon, werd tot keizer verheven, en deed zich door gansch Europa ontzien; meermaels was hy verpligt zyne nimmer rustende vyanden, de Turken en de Franschen, te gelyk te beoorlogen, en schier altyd werden zyne togten door de zege bekroond. Een ligte weêrschyn van dit tydstip en van de feesten ter gelegenheid van zegevieringen, inhuldigingen, blyde inkomsten, enz., hier ter stede gehouden, treft men in stadsrekeningen aen; en schoon deze korte meldingen ons geen denkbeeld van de pracht en prael dier feesten kunnen geven, zullen wy nogtans dezen leiddraed volgende de voornaemste plegtigheden, waertoe de rederykkamers medehielpen, in korte woorden aenteekenen. By de geboorte van Karel V, te Gent, waren, de vreugdbedryven aldaer veelvuldig en luisterryk: op alle hoeken der straten, op alle vierwegscheeden werden theaters opgerigt, zoo als Adriaen Barlandus getuigt, die alsdan het onderwys in het latyn alhier by een' zeer kundig man genoot1. Ook vinden wy ter stadsrekening de kosten vermeld, welke

[p. 395]

voor het spelen van batementen en het vertoonen van figuren werden betaeld1.

In 1502, by het vieren van den vrede tusschen beide koningen, werd er een wedstryd onder de vier Rhetorykkamers dezer stad geopend, en het gezelschap der Fonteine bekwam den tweeden prys, bestaende in eenen vetten weer (gesneden ram of hamel2). Ook vertoonden deze tooneelgenootschappen spelen, wanneer de blyde tyding hier bekend werd dat hertog Philips gelukkig in Spanje was aengekomen en tot opvolger van zyn schoonvader Ferdinand was erkend, die de kroonen van Kastilje, Arragon en Leon op zyn hoofd vereenigd had3. Twee jaren later (1504) kwam hertog Philips naer deze landen terug, na dat hy den hertog van Savoie, zyn' schoonbroeder, en keizer Maximiliaen bezocht had, en werd met groote

[p. 396]

blydschap te Gent ontvangen1. In 1507 sloot hertog Philips, nu reeds koning van Spanje, een verbond met Engeland2, maer stierf kort daerna te Burgos door eene hevige koorts weggerukt. Keizer Maximiliaen kwam als momboir van zynen kleinzoon herwaerts over, en met den jongen prins Karel deed hy zyne intrede in de voornaemste steden, en bezwoer hare regten en privilegien. De plegtigheden, die alsdan te Gent plaets hadden, werden, op last der schepenen, door Jacob Van Zeveren in vers beschreven en op drie honderd exemplaren gedrukt3. Schier ten zelfden tyde werd de vrede met Vrankryk gesloten, en luisterlyk door steekspelen, toernoijen en tooneelvertooningen ge-

[p. 397]

vierd1. Veertien jaren oud zynde werd prins Karel mondig verklaerd en door al zyne erflanden gehuldigd. In october 1514 deed hy zyne blyde inkomst te Gent2, en vroeger reeds in dit zelfde jaer had men gevierd over de tyding der victorie door de K.M. op de Venetianen behaeld3. Na de dood van Maximiliaen, in 1519, werd Karel, die in Spanje vertoefde, tot keizer gekozen4; hy kwam langs zee naer Vlaenderen en toog welhaest naer Aken, waer hy plegtig werd gekroond.

Gillis De Rammeleire, die in 1516 en 1517 deken van het gilde der Fonteine was5, is een der weinige leden dezes gezelschaps, van wie ons gedichten zyn overgebleven. In de stadsbibliotheek te Gent berust een handschrift in-4o met opschrift: Res Gandae No 44b, waerin men een zevental refereinen aentreft van De Rammeleire, Potterkin en De Roovere. Vooraen staet het Testament van Gilles De Rammeleire, dat hy onge-

[p. 398]

twyfeld vervaerdigde als hy tot lid van dit gilde werd aengenomen. Opdat men van zynen dichttrant oordeele, schryven wy hier drie strofen uit hetzelve over:

 
Commende tot vergaderinghe mijnder zinnen
 
Beseffende 't ghebreck van mijnen doluere,
 
Zo en docht my niet beters dan Gode minnen;
 
Die God mint zal al zijn leet verwinnen,
 
Hy en darf niet vreesen voor tijt of uere,
 
God mach 't al quytschelden 't soete en 't suere,
 
Voor hem en es gheen dinc onmueghelic,
 
Wie hoopt in den Heere leeft altijts hueghelic.
 
 
 
's Werelts streken zijn nu quaet om scuwen,
 
Elc brinct meest anderen in de valle,
 
Men darf voortan den duvel niet gruwen,
 
Van hemzelven en can hy niemende verduwen.
 
Die 't nu wercken, het zijn de menschen alle,
 
Gheraken se niet binnen des duvels stalle,
 
Zo moghen zy hem beloven wel van den spele,
 
Zulc leven, zulc sterven, dit ziet men vele.
 
 
 
's Volcs hercheit en willic niet meer vermonden,
 
Dmijne es my de meeste en swaerst om draghen,
 
Hier en waer gheenen wederstoet, waren 't gheen sonden;
 
Wilde elc wel wreken zijn sellefs wonden,
 
Men zoude wel God ende de werelt behaghen;
 
Hier mede latic nu al mijn claghen,
 
Biddende om Gods eeuweghen vrede,
 
Want hier en es gheen blivende stede.

Tot dit tydvak behoort ook het allegorisch tooneelspel, dat te Gent werd gedicht, zoo Willem Kops1

[p. 399]

getuigt. Het heeft tot opschrift: Meyspel amoreus, daer Pluto Proserpina ontscaect. Dewyl de gang en inhoud dezes stuks niet zonder belang is tot de kennis van den dramatische vorm dezer eeuw, zullen wy hier de analysis van dit oude tooneelspel invoegen, die W. Kops er van vervaerdigde. Hy sloeg kortheilshalve de Prologhe over, welke 709 regels lang is en een zinnespel op zichzelve uitmaekt, en vangt seffens met den zakelyken inhoud van het Meyspel aen:

Wete-van-als, een wachter liggende op een huisken en zingende een lied tot lof van de meimaand en den morgenstond, opent het tooneel. Een ander persoonaadje, Gheestelijck-en-Weerlijck geheeten, komt uit, zeggende, dat hy meerder vermaak in 't donker schept, waarin meerdere vreugd, aan welke hij geheel is overgegeven, te rapen is; agtende gelijk hij spreekt, den duvel noch sijn moêre niet. Wete-van-als poogt hem tot betere gedachten te brengen, hem vermanende het stuk te aanschouwen, dat hy ter zijner onderwijzinge gaat vertoonen. Hier mede eindigt het eerste bedrijf, gelijk men het nu zoude noemen, dat alhier door 't woord pausa van 't volgend wordt afgescheiden.

Thans verschijnen Jupiter en Neptunus ten tooneele, roemende ieder het gebied, dat hem ten deele viel. Pluto komt hier op verstoord te voorschijn, en kijft en tiert op dezen toon:

 
Dies spring ick van thoorne uyt mijnen velle.
 
Wat meendij gheselle? men salder appel hebben.
 
Ja, al soudts de baerlijcke duyvel deel hebben,
 
Daer ick pijpe men salder eenen anderen dans dansen.
 
Meendij 't vette alleene van den gans scransen,
 
Als groote lantshansen? 'T is meer dan moordich.

Jupiter en Neptunus verwonderd over dit misbaar, vragen hem wat hem schort? Hij antwoordt dat hij

[p. 400]

met zijn deel niet te vrede is. Zij, nogtans kunnen niet besluiten iet af te staan van 't geen, bij minnelijke overeenkomste, het hunne geworden is.

 
Dan sal ick (zegt Pluto) raseren
 
Hemel en aerde, en annihileren
 
Al datter in is.........
 
Ick salt al vermoorden,
 
Al dunckt u sijn een onweert borten.
 
Ick sal u so nae uwen steert corten,
 
Oft ghy en sult my in een stuck gelieven.

Neptunus vraagt wat hij begeert? Pluto antwoordt: Ick wil een wijf hebben. Men zegt hem dat hij veel te zwart en te leelijk is om te trouwen. 'T mag niet baten. Hij heeft het op de dochter van Ceres gemunt. Jupiter zegt hem dat zij door hare moeder op eenen ijzeren toren gesloten is, en ook geenen zin aan hem hebben zal. Pluto laat zich niet gezeggen. Ghy hebt zo vele wijven gehad, mag ick 'er niet één hebben? vraagt hij. En voortgaande met bedreiginge van alles te vernielen, indien zijne broeders hem niet Proserpina bezorgen, zo vinden zich Hemel- en Zeevoogd verlegen. Zy verzoeken hunnen razenden broeder een weinig buiten te staan, om met elkander te overleggen, hoe hem best te dienen. Zij beraden zich. Neptunus verklaart aan Jupiter dat hij niet begeert te vechten; die ook van 't zelfde gevoelen is. Pluto wordt binnen geroepen. Zij beloven hem te helpen, hem bevelende op te passen om de dochter te schaken, wanneer zij haar uit den toren zullen hebben doen komen. Om dit uit te werken worden Phoebus, Pan, Aurora, Zephyrus, Cybele en Venus gelast hunne vermogens te besteden om Proserpina te verlokken, 't welk zij aannemen, en hiermede eindigt het tweede bedrijf.

Het volgend bestaat uit eene alleensprake van Proser-

[p. 401]

pina, liggende in eenen ijzeren toren. Waarna men wederom eene pause heeft.

Vervolgens komen Jupiter, Neptunus en Pluto weder te voorschijn, de twee eersten den laatsten zijne bruid toezeggende, mits hij lette om haar te schaken, zoo haast zy uit den toren treedt. Pluto begeeft zich op zijnen hoefslag. Jupiter en Neptunus keeren na hunne rijken, nemende van elkander afscheid, in dezer voege:

 
Jup.
 
Uwen oorlof dan.
 
Nept.
 
Adieu dien ick alle welvaert ghan.
 
Jup.
 
Adieu Neptunus bruedere.
 
Nept.
 
Adieu liefste man.
 
Jup.
 
Waerdat ick ben, kent my tot uwen gheboden.
 
Nept.
 
Nu oorlof, Jupiter, 't hooft der Goden,
 
Om te vertrecken wil ick my ooc ghereiden;
 
Hue liever vrienden, hue swaerder scheiden.

Hier op volgt wederom eene pause, na welke Pan, Cybele, Phoebus, Zephyrus, Venus en Aurora te voorschijn komen, en de Meiboomen van Vleeslijke begeerte, Wareldlijke gheneuchten en Vyandlijke tempteringe planten, terwijl Venus een liedje zingt, waarvan het slot is:

 
Princesse, suet van maniere,
 
Laet vaeren alle ghepijn,
 
En helpt ons vreucht hantieren,
 
Die hier beneden sijn,
 
Om vreucht vermeeren, sonder verseeren,
 
'T is t' uwer eere, Maghet fijn,
 
So ghy meugt scouwen, wy zijn vol trouwen,
 
Maer in 't stertken houwen wy 't fenijn.

Niettegenstaande deze openhartige waarschouwing, laat Proserpina zich bekoren om af te komen, zeggende, gereed te zijn om deel te nemen in de vreugde. Terstond

[p. 402]

komt Pluto te voorschijn en spreekt zijne liefste op deze bevallige wijze, aan:

 
Dat wert t' uwer maledictien, valsche Hypocryte,
 
Te mijnen inbijte, sondighe Sodomanijte,
 
Sijdy ghelevert tot uwen spijte,
 
Om eeuwich van glorien te sijn verre.
 
Ten baet niet, al waerdy noch so erre,
 
Ghy muet mede in 't helsche bedelve.

Vervolgens voert hij haar, in spijt van haar gekerm, ter helle. Op dat men nu het ware oogmerk van dit spel wel verstaan zoude, komen Wete-van-als en Gheestelijcken-Weerlijck na een pause, wederom ten tooneele, makende de behoorlijke toepassing, die wij, omdat zij gemaklijk is op te maken, voorbij gaan.’

 

Gedurende de XVIe eeuw bleven de kamers van Rhetorica met ongemeenen luister voortbloeijen en werden steeds, zoo niet door het lands-, ten minsten door het stadsbestuer, ondersteund en aengemoedigd. By schepenen-akt van den 2 augusty 13321 verkregen de vier Rhetorykkamers jaerlyks eene wedde van twaelf ponden gr., op voorwaerde: ‘Van t' huerlieder coste te doen vertooghen acht waghenspelen tsjaers, omme 't volc ende insetenen dezer voorseider stede te verblijdene, 't welcke werd elke camere twee spelen; voorts in incomsten van princen ofte princessen doen vertooghen zulke figuren ende spelen, als daertoe dienen ende behooren sullen.’ Boven de jaerlyksche pensioenen bekwamen zy nog altyd buitengewoone onderstandsgelden, als blykt uit ettelyke posten der stadsrekeningen, onder anderen, in de rekening van 't jaer 1533-1534: ‘An

[p. 403]

Zegher Van den Walle, prinche van der Fonteyne, over hem ende de drie andere gulden van Rhetoryke 25 scell. gr. ter hulpen de costen by hemlieden ghedoocht te Weerwicke 12 L. gr.’

Landjuweel te Gent, 1539.

- Tegen den 12 juny 1539 had de Kamer der Fonteine de tooneel- en dichtgenootschappen van het land op een landjuweel uitgenoodigd. Dit was een der groote vergaderingen, welke onder de Rhetoryken der Dietsche tongen werden gehouden. Het eerste merkwaerdige feest in dit slach hier te lande was dat van Antwerpen ten jare 1496, waer over wy hooger reeds spraken, en het laetste dat dit tydvak schynt te sluiten was het refereinfeest den 3 mei 1620 te Mechelen gevierd1. De beschryving van deze byeenkomsten, van

[p. 404]

de luisterryke intreden der Rederykkamers, het overzicht hunner spelen van sinne, hunner refereinen, zou een belangryk hoofdstuk leveren tot eene algemeene letterkundige geschiedenis onzes lands, hetgeen ik hier in eene byzondere verhandeling der Gentsche Rhetorykkamer moet overslagen. Het landjuweel van 1539 zullen wy alleen met nauwkeurigheid trachten te beschryven en eenige der dichtwerken, welke dan vertoond werden, in overzicht nemen.

De geest des volks was nog in gisting by de hervorming door Luther bewerkt, en nu in de belydenis van Augsburg door den keizer zoo niet erkend toch gedoogd. In weerwil der plakkaten door keizer Karel afgevaerdigd om alles hier in rust te houden, kon dit echter niet belet-

[p. 405]

ten dat de nieuwe leer hier ook oversloeg, en zoo geene beroerten, ten minste eene innige beweging veroorzaekte en de groote omwenteling onder Philips II voorbereidde. De steden ook, de oude nederlandsche vrye gemeenten, zagen hunne magt van ten tyde der hertogen van Bourgondie gefnuikt, maer hadden hun vroeger aenzien en voorspoed niet vergeten. Elke godsdienstige gezindheid heeft immer eene zekere staetkundige uitdrukking: het calvinismus was democratisch; ook de steden, de groote leenhouders, het groeijend despotismus vreezende van keizer Karel, die alles onder zyne voeten wilde vernederen, waren het calvinismus toegedaen. En reeds in den onderhavigen wedstryd ziet men grondbeginsels voorgedragen, welke gansch tegenstrydig waren aen den alsdan bestaenden staet van zaken, gelyk men lager zien zal.

[p. 406]

Het magistraet der stad Gent bekwam het verlof tot het houden van dit feest namens den keizer door 's lands gouvernante, Margareta van Oostenryk, by acte van 3 february 1538. De uitgezondene kaert behelsde eene vraeg voor het spel van sinne; dit was: Welck den mensche stervende meesten troost is? en de vragen in refereinen te behandelen; eene in 't vroede: Wat dier ter werelt meest foortse verwint? eene in 't sotte: Wat volc ter werelt meest sotheyt toocht? en eene in 't amoureuse, op den stok of slotvers: Och, mocht ickse spreken ic waer gepaeyt?

Ten bestemden dage dongen negentien maetschappyen naer den prys. Deze waren, volgens de orde in het vertoonen der spelen gevolgd (van 12 tot 25 juny); Leffinghe (Altijts doende); Brugge (Mijn werk is hemelick); Meesene (Met pijnen duer de werelt); Ypere (De geest blaest daer hy wilt); Nieukerke (Goetwillich in 't herte);

[p. 407]

Nieupoort (Van vroetscepe dinne); Antwerpen (Uut jonsten versaemt); Thielt (Gebloeit in 't wilde); Thienen (Fonteine des levens); Axele (God ontcommer elcx herte); Brussel (Om beters wille); Meenen (Wy hopen broeders); Audenaerde (Paeis zy met ulieden); Capryke (Ses al in 't herte); Corteryke (God voedt veel sotten); Loo, in Veuren-Ambacht (Ik verrijke de roye); Edingen (Penser y fault); Winnoxs-berghe (Royaerts van Berghe); Deynse (Donse om een beter).

Aen de Rederykkamer van Antwerpen (de Violieren), die in haer spel van sinne bewees dat de Verrijsenis des vleesch den stervenden mensch allertroostelykst is, werd de hoogste prys toegewezen, bestaende in vier zilveren kannen, wegende negen marken troisch gewigt. De vyf volgende pryzen werden weggedragen door de Rhetorykkamers van S. Winnoxs-bergen, Thielt, Loo, in Vueren-Ambacht, Brussel en Kortryk1. De antwoorden, in den vorm van allegorische tooneelspelen opgesteld, zyn verscheiden malen gedrukt. De eerste uitgave verscheen by Joos Lambrecht te Gent, 1559, in-4o, met houtsneden, de blazoenen der negentien Kameren verbeeldende. De drie reeds vermelde vragen, welke in refereinen2 moesten opgelost worden, in 't vroede, zotte en amoureuse, werden ook door dezelfde negentien Rederykkamers behandeld. De oplossing der eerste vrage:

[p. 408]

Wat dier ter werelt meest fortse verwint? was schier algemeen de menschelijcheit van Christus of het redelijc dier (de mensch). Eenige Rederykkamers echter, als Meesen, Capryke, Loo, Nieukerke, droegen voor dat de vrouw meest fortse verwint; het referein van Meesen bezingt in de laetste strofe den lof van O.L. Vrouw, die de helsche slang vertrad, en dien der drie koninginnen, die kort te voren, ten jare 1529, den algemeenen vrede in Europa, door 't verdrag van Kameryk hadden hersteld. De antwoorden in 't zotte op de vraeg: Wat volc ter werelt meest sotheit tooght? zien meest al op munken en paters; slechts enkele uitgezonderd, zoo als Brussel die de dronkaerts, Capryke en Nieukerke die de verliefden, en Meenen die de verwaenden den voorkeur geven. Dat het verkoopen dezer refereinen by de aenkomst van hertog Alva, die hier eene strenge censuer inrigtte, verboden werd, is niet te bewonderen; zy bevatten inderdaed meer nog dan de spelen van sinne de vrye gedachten der hervorming over de instellingen des ouden godsdienst, en deze zyn hier des te bytender dat zy in een spottenden en lachenden toon zyn aengeheven. - Over kerkelyke instellingen lezen wy in het referein van Antwerpen:

[p. 409]
 
Gheen volck ter werelt meer sotheit bewijst
 
Dan die op eigen wijsheit betrouwen,
 
Haer selfs insettinghe voor salicheit prijst,
 
Waer uut de aldermeeste sotheit rijst,
 
Die men ter werelt soude mogen aenschouwen;
 
Sy graven putten die geen water en houwen,
 
Sy soecken heilicheit in vremde cleeren,
 
Sy sweren suiverheit en sijn geerne bi vrouwen,
 
Sy sijn ootmoedich, begherende veel eeren,
 
Sy en strijden niet, en rijden als heeren,
 
Sy soecken haer gewin meest in der kercken,
 
Sy segghen: doet deucht, en de waerheit si keeren;
 
Dit volc tooch meest sotheit in al sijn werken.
 
Noch toonen si sotheit, want si loopen
 
Om te troosten, daer men leckerlick teert;
 
Haer wijsheit si te male om ghelt vercoopen,
 
Sy hebben oock boeken met grooten hoopen,
 
Die si overlesen met eenen vossesteert, enz., enz.

In de refereinen van Thielt en Loo wordt de spot gedreven niet de bedevaerten en pelgrimagien:

 
De sulke nu in peregrinaghe loopen
 
Al een hondert mijlkens uut haren lande,
 
T'huis latende wijf en kinderen by hoopen,
 
Die gheen gelt hebben om broot te koopen;
 
Men heeft er wijser geleit te bande.
 
...............
 
So 't heidensch volck te Rome knielen gaet
 
Naer 't Capitolium, in benautheit snel
 
Tot d'afgoden, niet om der zielen raet,
 
Maer tegen tanden, oogen of hielen quaet,
 
Clieren, builen of spaensche crankte fel,
 
Of die van Gode hebben faute el,
 
Om rijke te werden, ook dat de koeyen vet
 
Souden melck geven in de vaute wel,
 
Ende dat de vruchten souden groeyen bet.
 
Sulck sijnen afgod siet men moeyen net,
 
Die plage der beesten voor oogen vreest;
 
Dus siet elck, dier op met vermoeyen let,
 
Dat d'afgodisten sotheit toogen meest.
[p. 410]

De zeden der geestelyken worden aengevallen, onder andere in de refereinen van Leffinge en Axel:

 
Qualijc kent men een priester op strate vry
 
Voor een weerlijke, so moet hy gecleet gaen,
 
Een huicxken aen 't lijf cort van baten, fy!
 
't Mes aen de side hangt daer gereet aen;
 
...............
 
Van hooghen prelaten dient niet geseit hoe
 
Dat se sotheit tooghen den gemeenen loop;
 
't Sot bedrijf geven sy haer digniteit toe
 
Dat sijt doen mogen voor den cleenen hoop,
 
Dus leggen si den simpelen aen de beenen den knoop,
 
Daer si over vallen, 't dient niet verswegen.
 
................
 
In 't toogen van sulcx noit en was ghehoort,
 
Als dolende geleerde stellen voort;
 
Sy ons soberheit onderwijsen,
 
En sy drinken dagelijcx al versmoort,
 
Leerende paeys en maken selfs discoort,
 
Oock seggen sy: schout 's overspels afgrijsen,
 
Nochtans sy selve loopen en bijsen
 
Met vrouwen, alsoo men dagelijcs siet;
 
Sy leeren ons den armen spijsen,
 
Selve en gheven sy een mijte niet.

Tegen Graubroeders en andere monikken verheffen zich de gedichten van Edinge (Enghien) en Thienen:

 
Een grau-broer ter werelt toont groote sotheit,
 
Spotheit gelijkende in 't overdinken,
 
Sou hy gelt handelen, 't waer hem ongodheit,
 
Maer mach wel uut gouden coppen drinken.
 
...............
 
Als alle mijn sotten zijn comen ten danse
 
So en vindick geen malder naer mijn advijs
 
Dan deze Keyaerts metten geschoren cranse,
 
Dien ghevick generalijck den opperprijs.

Tegen kerkelyke instellingen, als aflaten, jaergety-

[p. 411]

den, zielmissen zyn degene van Meesen, Nieukerke en andere1.

 
Ic wilde wel coopen, maer ic hebbe niet
 
Daer ic mede soude mogen doen payment.
 
Ware rijcdom van haven in mi present,
 
So mocht ic brieven van pardoenen coopen;
 
Uutvaerden, jaergetijden stichten by hoopen,
 
Om daer dore te sine uut purgacie.

Men denke echter niet dat alle deze gedichten van denzelfden aerd en in denzelfden zin geschreven waren; ook worden er aengetroffen, die de grondslagen des roomschen geloofs verdedigen, als het spel van sinne van Antwerpen, waerin de verkondiger der vrede de volgende oplossing aen de voorgestelde vrage gaf:

 
Nu wilt dese solucie wel bewaren,
 
Want die heilige apostolische kercke
 
Geloovende, belijdt, elck hier op mercke,
 
Des vleeschs verrijsenisse heel lichamelick,
 
En Job seit oock: Ic weet dat ic bequamelick
 
Sal verrijsen in den utersten daghe,
 
Ende in mijn vleesch tot mijnen behaghe
 
God sien; en Paulus willet ooc bedien,
 
Dat gi ten utersten dage eerst sult sien
 
De doot geheel te niete, met hueren strale,
 
Dus is 't vleeschs verrijsen, tot mijnen verhale
 
Des menschen troost meest.........

De spelen van sinne en de refereinen dezes tydvaks hebben weinig dichterlyke waerde; zy zyn echter allerbelangrykst om grondig de bewegingen des volksgeestes der XVIe eeuw te kennen. Beter dan in alle andere werken

[p. 412]

vindt men daerin den alsdan heerschenden drang en drift tot het naspeuren en oplossen van wysgeerige en godsdienstige twistvragen. Had iemand den moed deze gewrochten te doorbladeren en te ontleden, niet onbeloond bleve zyn arbeid, daer hy de kennis zou gewinnen van den innigen gedagtengang van drie opeenvolgende en krachtvolle geslachten; en met alle heimelyke raderen, welke de voorvallen dezer zoo merkwaerdige eeuw te weeg bragten, volkomen bekend geraekt, kon hy eene belangvolle verhandeling leveren, welke den nederduitschen stam met een nieuw licht zou bestralen.

Onlusten te Gent, 1540.

- Kort na dit vermaerde land-juweel begonnen de onlusten te Gent, door het eischen van ontoegestane beden veroorzaekt; Keizer Karel V kwam zelf naer de Nederlanden, en aen het hoofd van een magtig leger verscheen hy te Gent, waer hy deze omstandigheden te baet nam om de stadswetten te, wyzigen. Hy vernietigde voor altoos de krachtige, demokratische instellingen van Jacob van Artevelde, waerdoor Vlaenderen's voorspoed zoo hoog was gestegen, en deszelfs magt en aenzien door de geduchtste naburen eeuwen lang werden geëerbiedigd1. Alle volksregten

[p. 413]

trad hy met de voeten en veranderde willekeurig de zoo lang geëerbiedigde grondwetten des lands. De schepenen, vroeger door de inwooners en de neringen of ambachten gekozen, werden nu door acht kiezers of kommissarissen aengewezen. Dit vryheidkrenkend stelsel werd door gansch de administrative hierarchie gevolgd; het bestuer der neringen werd door de schepenen aengesteld, en deze grondige hervorming bragt men tot in de reglementen der gilden en tooneelmaetschappyen of Rederykkamers. Door eene nauwkeurige geschiedenis van een gilde, zou men by gevolgtrekking schier al de staetkundige bewegingen der stad kunnen afleiden. - Zie hier hoe de verordeningen van de rederykkamer de Fonteine, naer dit centraliserend systema van Keizer Karel, by acte van 30 sporkel 15421 werd gewyzigd: elk lid had niet meer als vroeger regt van stemmen tot het kiezen van den prins en de raedsmannen, maer de zes afgaende raedsmannen waren gehouden te kiesene elc eenen nieuwen tot zes raedsmannen nieuwe aenkomende, lieden van eere .... ende de zelve zes nieuwe raedsmannen waren gehouden te kiesene eenen prince. Deze prins of voorzitter had de magt eenen baljuw en klerk te benoemen, en eenen facteur en prince d'amours aen te stellen.

[p. 414]

Doch deze wys van kiezing, 't zy dat de leden ze met tegenzin aennamen, 't zy ze inderdaed slecht was, had onaengename gevolgen; want zoo de ordonnantie van 20 april 1545 draegt, pulluleerden daer ute dagelijcx groote partieschappen ende envyen, gelijc sommighe van den afgaende raden huerlieder kuere gaven andere schamele personen uut hate ende nyde... Dan onderging het reglement de volgende wyziging en het aenstellen des bestuers werd nu door bevel der schepenen van de keure op deze manier vastgesteld: de prince metten zes afgaende raden, cleerq ende balliu zullen vermoghen te kiesene eenen man van eeren omme prince te zyne, ten daghe gecostumeert, dewelke metten zelven afgaende persoonen kiesen ende stellen sal sulcke zes raedsmannen, eenen bailliu ende cleercq, ooc lieden van eeren wesende, als daer mede hy de jaerschare zal willen dienen ende de eere van den zelven gulde bewarene.

In weêrwil dezer veranderingen bleven de Kamers van Rhetorica hier ter stede voortbloeijen, en hare werkzaemheden verkregen welhaest haren gewoonen gang. Gedurende de vreugdebedryven hier te Gent gehouden over de zege des keizers in Duitschland op den hertog van Saxen (22 april 1547) behaeld, luisterde de Rederykkamer de Fonteine deze feesten op door het vertoonen van spelen ten dezen einde vervaerdigd. (Zie stadsrek. 1547.) Ten jare 1548 verscheen deze Kamer op de beschrevene concoursen te Cassele en te Loo in Veurneambacht, ten jare 1551 te Nieupoort en te Aelst en ten jare 1561 te Kortryk.

Philips II te Gent 1548, en nederlandsche troebelen. - Niet weinig bragten de Kamers van Rhetorica ter verheerlyking der feesten by, gedurende de eerste intrede en verblyf van Philips II hier te lande in 1548. Cornelius Manilius gaf eene beschryving in versen van deze

[p. 415]

luisterryke intrede1. De plaetsen waer hy over de Kameren van Rhetorica spreekt voegen wy hier in:

 
Naer dat hy gheleden was Sent Jacobskerke,
 
Stont daer ten perke Rhetorica diligent.
 
Eenen toogh of spectakel van edelen werke
 
Heeft zy allen princen ghemaect bekent,
 
...............
 
Van daer ginc Rhetorica solliciteren
 
In 't ordineren met subtilen vonde
 
Een schoon spectakel, daer moest passeren
 
Die prince, 't waer slicht dat icx niet ontbonde.
 
Een vrouwe genaemt Stercheit die zulc oorconde
 
Van haer-zelven heeft te vertooghene begeerd,
 
Vromicheit metten werken niet metten monde,
 
Blijct in 't perikel, als men eerlic vermeert
 
D'injurie, elc goed prince die last aenveert.
 
Dees vrouwe Stercheit had altijts by haer
 
Drie nijmphen claer als adherenten:
 
Cloucmoedigheit vulbracht vroom faiten zwaer,
 
Lijdsaemheit verdrouch doleur en tormenten,
 
Geduerigheit, een nijmphe niet om vergenten,
 
Sprac: Ic blive vast in goet propoost.
 
Elc edel prince mach dit wel prenten
 
In 't herte, ten dient ooc niet begloost
 
Die goed van smake is, die prouve het voost.
 
Noch had hier Rhetorica twee beelden gestelt:
 
Balduwijn eerst getelt in der graven reken,
 
En Robrecht van Hierusalem, zoo stont gestelt,
 
Die in 't veld haer ruters nooit en bezweken.
 
Balduinus vromicheit was niet om breken,
 
Zijnen aerm scheen yzeren, zoo creech hy in strijden spoet.
 
Bithinia en Siria vloyden bloedich als beken
 
Duer Robrecht cloucheit, daer de ruters met blijden moet
 
Hem boden als Sent Joris zoon ten zelven tijden groet.
[p. 416]
 
Als 't op den Zandberch aldus vertoogt was....
 
Als hier passeerde die prince excellent
 
Rhetorica gent hild neerstig de wake;
 
In een rein tonneel, by d'Augustinen couvent,
 
Vertoogde se figuerlic een schone zake:
 
Hoe Temperantie zouct altijts met gemake
 
Om haer zinnen te temperen, paeis in 't herte,
 
Die dan in der duegd heeft natuerlike smake....

Op het eerste tooneel aen S. Jacobskerke geplaetst werd ook een allegorisch spel vertoond, bestaende in de hulde aen de Regtvaerdigheid, door Wet, Gebruik en Zeden toegebragt, zoo wy aengeteekend vinden in Die waerachtighe gheschiedenisse van den keizer van Roomen Carolus de vijfste, door Marcus van Vaernewijck. Voór de Munte (nevens 's Graven-kasteel) was een zegeboog opgeregt, waerop Karel de Groote, zyn zoon Lodewyk als koning van Aquitanie aenstellende, prykte. In 't hoogste van dezen zegeboog stonden de volgende opschriften in 't oud-nederduitsch of frankische sprake1:

 
Thie furist Gotes bilidi.
 
 
 
Salige sint mand uuare, wanta thie besizzent erda.
 
 
 
Sie sint so sama kuani, selpso thie Romani
 
Zi uuafene snelle, so sint thie thegan alle.
 
 
 
Salige sint thie thar sint miltherze
 
Uuanta sie folgent miltidum.

Deze opschriften, welke eene grondige kennis onzer oude tael bewyzen, in de XVIe eeuw zoo weinig geoefend, werden ongetwyfeld door Oste, den scholaster,

[p. 417]

vervaerdigd, daer wy in stadsrekening van 1550 den volgenden post aentreffen: ‘Betaeld Mr Jan Oste, scolaster binnen dezer stede, 4 L. hem toegeleit over zyne quade costen die hy gesupporteert heeft omme advis en ordonnantie te gheven van der arke triumphale. (Zie over den onderstand aen de Rhetorykkamers ter dezer gelegenheid geschonken stadsrekening 1578.)

Insgelyks als de prins van Oranje in 1577, op het verzoek der vier leden 's lands, te Gent was gekomen, vertoonden de vereenigde Rederykkamers een spel van zinne voór het stadhuis, en verscheiden malen speelden zy de Historie van Jephte, op een tooneel voor het hof van Wacken te Poele, waer die vorst was afgestapt. De gekende schilder en dichter Lucas Dheere liet eene nauwkeurige beschryving uitgaen van deze luisterryke intrede1, en 't was naer deszelfs bewerpen dat de zegebogen, tooneelen en andere versieringen werden vervaerdigd2. - Niet min heerlyk werd de hertog van Alençon, in 1582 te Gent ingehaeld, wanneer hy door den vryen keus van 's lands staten, ten einde de spaen-

[p. 418]

sche dwingelandy te keer te gaen, als graef van Vlaenderen werd erkend. Schoon er dichters gevonden werden, die 's vorsten lof in fransche versen bezongen1, was de fransche prins echter verplicht de aloude herkomen des lands te eerbiedigen, en by zyne huldiging den eed tot handhaving van Vlaendrens grondwetten in het vlaemsch af te leggen2. Ook bragten de Kamers van Rhetorica het hare by om deze feesten op te luisteren; voór het stadhuis was een tooneel opgerigt waer de Rederykkamers een spel vertoonden, ter dezer gelegenheid opzettelyk vervaerdigd3. Daer zag men hoe de vier leden van Vlaenderen met de andere nederlandsche provintien zyne Hoogheid den hertog van Alençon tot hunnen vorst en beschermheer hadden gekozen, om zich van het onverdragelyk spaensche juk te verlossen, en de aloude vryheden en vaderlandsche gewoonten ongeschonden te behouden. Maer dit duerde niet lang: de Spaenjaerden met de Walen verbonden, overmeesterden onder 't geleide van Parma, eenige sterke steden, en in 1584 bragten zy Gent onder hunne magt. Van hier

[p. 419]

dagteekent het verval der Rederykkamers hier ter stede en der geestontwikkeling en beschaving door gansch het land. De heer N. Cornelissen, in het belangryk werk: Over den oorsprong, bloei en verval der vlaemsche Rederykkamers, spreekt over dit tydvak in de volgende woorden (bl. 28): ‘Farnese onderwierp eenige der Nederlandsche provintien aen het spaensche ryk. Na een kortdurigen oorlog, die min lang en min schrikkelyk te Brussel en te Gent dan te Antwerpen woedde, overweldigde hy een deel van Vlaenderen en Braband; maer deze onderwerping deed veel aenzienelyke inwooners naer vreemde streken heenwyken. By de korts te voren gestichte Hoogeschool te Leiden werden onze geleerden, onze letterkundigen en dichters tot leeraren aengesteld1: onze zeevaerders, landbouwers en grondeigenaers vlugtten naer Zeeland en Hollandsch-Vlaenderen; Amsterdam verrykte zich door onzen handel, welke zich derwaert verplaetste, en Engeland nam eene tweede mael onze vlugtende wevers en werklieden op. Ten zelfden tyde werd een groot getal Rederykkamers in Vlaenderen en Braband gesloten, of derwyze ingerigt dat zy geen' invloed op den geest des volks meer konden uitoefenen. De Rederykkamer der Fonteine onderging waerschynelyk het zelfde lot. Schoon geene oorkonden ons de maetregelen doen kennen, welke het gouvernement tegen haer bestaen nam, staet het echter vast dat zy gedurende eene groote tydruimte geen teeken van leven meer gaf. Later kwam zy weêr te voorschyn; maer zy had magt

[p. 420]

en glans verloren, en slechts twyfelachtige en door ongelukkige omstandigheden half-vergetene overleveringen van hare oude glorie behouden; ook werden hare tooneelvertooningen met die pracht niet meer gegeven, welke in de vorige eeuw zoo zeer ter verheerlyking van publieke feesten bydroeg.’

Verval der Rederykkamers.

- By den gang der politieke gebeurtenissen kan men de oorzaken, welke het verval der Rederykkamers ten gevolge had, gemakkelyk begrypen. De Rederykers hadden zich, sinds het begin dezer eeuw, als voorstanders der verlichting opgedaen; en by den verlossingskryg met Spanje traden zy als moedige kampers in de reijen der vaderlandsche dapperen, om Vlaendren's vryheid1 tegen den magtigsten monarch van Europa, tegen Philips II te verdedigen. Ook, zoodra Parma de stad Gent had overmeesterd, werd de jaerlyksche onderstand door de regering

[p. 421]

sinds langen tyd toegestaen, aen de Rederykkamers geweigerd1 en sedert speelden zy ten Halfvasten niet meer voor de schepenen ten feestmale op het Stadhuis vergaderd, noch hielpen zy meer de openbare zegevieringen of inhuldigingen verheerlyken en opluisteren2. Niet alleen werden dezer genootschappen alle bescherming en onderstand onttrokken, maer hunne werkzaemheden werden schier verhinderd, door het inrigten eener strenge censuer en het uitgeven van plakkaerten (1597), waerby het verspreiden, singhen ofte spelen van eenighe camerspelen, staende spelen, loven, liedekens, figuren ofte battemente werd verboden3. Verder kreeg de opvoeding eene slechte rigting; de geest der zoogenaemde wedergeboorte blies over gansch Europa, en de opvoeding in de collegien bestond alleen in het bestuderen der oude talen en letterkunde, grieksch en latyn, en het volkomen verwaerloozen der landstael. Deze opvoeding bragt in de letterkunde onder het volgende geslacht talryke dichters voort, die een modern latyn schreven, waermede de minste burger van Rome onder Augustus welligt den spot had gedreven. Dit was een onvruchtbare arbeid, daer hunne werken dan zelfs weinig werden doorbladerd, en sinds eene eeuw door niemand meer zyn opengeslagen. Alsdan ook drong eerst de geest der wedergeboorte alhier tot in de architectuer en andere

[p. 422]

kunsten; de nationale bouwtrant, de grootsche gothische styl werd door den regtlynigen griekschen styl verdrongen, en het Stadhuis te Gent, in den gothischen indruk makenden trant aengevangen, werd nu in den griekschen styl voltrokken. Dit is, als het ware, een afbeeldsel onzer geschiedenis in het begin der XVIIe eeuw; de overheersching des vreemde, de opdringing van vreemde grondregels in kunsten en wetenschappen, van vreemde talen in letterkunde, enz.

 

By andere despotische gouvernementen, als in Frankryk onder Lodewyk XIV, wist men echter eene leiding aen den volksgeest te geven, welke ten minste alle cultuer niet uitsloot; maer Spanje rigtte het hier te lande op zulke wyze in, dat het goede met het kwade werd uitgeroeid, en de geest des doods gansch Belgie scheen te overvleugelen en alle verdere geestontwikkeling verstikte.

Herstelling der Rhetorykkamers.

- In het begin der XVIIIe eeuw, gedurende de staetkundige twisten over de spaensche troonopvolging, werd het Rhetorica der Fonteine hier ten jare 1706 hersteld. Jacob Hye, een der eerste en werkzaemste leden, bezong deze herstelling in een dichtstuk, waeruit wy eenige plaetsen den lezer voorleggen:

 
't Begin van deze eeuw heeft my nu stof gegeven:
 
Als men de Fenix weêr zag uit zyn asch herleven
 
In onze stadt van Ghent, het hoofd van Vlaenderlant,
 
Die in de redenkonst alweêr de croone spant,
 
Gelyk zy eertyds deed en wonderlyk voordezen
 
In konst van redenryk roemwaerdig werd geprezen.
 
..................
 
De oorlog heeft ons land verwoest en gansch bedorven,
 
En hier door was dees konst allengskens uitgestorven;
[p. 423]
 
En schoon het oorlogsvuer nog al gedurig brant,
 
Daer zyn nog evenwel beminders in ons lant,
 
Die zullen, zoo ik hoop, hoe langs zoo meer herleven,
 
En Vlaendren door hun zang zyn ouden roem weêrgeven.

Dat de herstelling dezes genootschaps dan nog met wantrouwen door 's lands bestuer werd aenschouwd, en immer nog geheime en magtige vyanden had, mag men uit het slot van dit gedicht afleiden:

 
Leef, wydberoemde konst, nog menig honderd jaren,
 
Zoo lang de gulde zon zich spiegelt in de baren
 
Des grooten Oceaens, ten trots en spyt van al
 
Die meer uit vrees dan haet betrachten haren val.

In het jaer 1709 werd de heer J. Leduc tot deken1 aengesteld, en in een dichtstuk ter dezer gelegenheid vervaerdigd wordt dit genootschap genaemd: de nieuw-verwekte phenix-gilde van Rhetorica, onder de bescherminge van de Alderheiligste Drievuldigheid; in andere oorkonden komt zy ook voor, onder de benaming van Hoofdgilde van Vlaenderen, gezegd: de Fonteine. Als Hoofdgilde had zy het regt de reglementen der nieuw-opkomende Rederykkamers goed te keuren en aldus hun bestaen te wettigen. Van de vroegste tyden haers bestaens werd de Fonteine als Hoofdgilde door gansch Vlaenderen erkend. Onder de weinige stukken, welke wy ten bewyze hiervan nazagen, troffen wy de volgende goedkeuringsbrieven aen: die van de Rederykkamer te Nieupoort in 1492; die van Poperinge in 1548; van

[p. 424]

Veurne 15931. Na het oprigten echter der souveraine kamer van Rhetorica door Philips den Schoonen in 1505, welke als algemeene Hoofdkamer over al de Rhetoricas, bestaende in de nederduitsch-sprekende landschappen werd aengesteld, ontstond er twist hier over met de kamer der Fonteine, daer zy tot alsnu dit regt in Vlaenderen had uitgeoefend. En in weêrwil van het vonnis door den hoogen raed van Mechelen, den 17 maert 1511 hier over geveld, waer door der Balsembloem deze magt alleen wordt toegekend, keurde het gilde der Fonteine nog steeds de statuten van nieuwe Rhetoricas door gansch Vlaenderen goed, als die van Poperinge en Veurne. Hierin schynt deze kamer zelfs door stadsbestuer ondersteund te zyn geworden, daer men in schepenen-akt van 20 april 1545, waerdoor het reglement dezer gilde gewyzigd wordt, de volgende zinsnede aentreft: ‘De voornoemde gilde, 't welck nochtans een souverain gulde es van allen cameren van Rhetoriken in Vlaenderen.’ Ook werd dit regt aen de Fonteine, door de Rederykkamers van Ypre en Brugge betwist; deze wilden zich als Hoofdgilden in hun onderhoorig lid of ressort doen gelden. Zelfs nam de kamer van Ypre (Alpha en Omega) den titel aen van Hoofdkamer van Vlaenderen in een' akt van 16 september 1739, waerby de statuten der gilde te Leysele worden goedgekeurd. Aldaer lezen wy: ‘De wijtvermaerde redenrijke gulde onderhouden binnen de stad Ypre, als wezende de oudste bekende Rhetorique ende Hoofdgulde

[p. 425]

van Vlaenderen, onder den titel van Alpha en Omega1.’ - Maer na dat het ingedrongen Hoofdgilde, de Balsembloem, op het einde der XVIe eeuw ten onder was gegaen2, werd de kamer der Fonteine ontegengesproken als Hoofdgilde door gansch Vlaenderen erkend, en in de vroeger haer toegekende voorregten hersteld. Zoo zien wy haer nog in 1714 de verordeningen der rederykkamer te Wulveringhem goedkeuren3.

De zael waer dit genootschap, gedurende dit tydvak, zich vereenigde, was in het Wapen van Spanje op de Hoogpoort (het huis nu bewoond door den heer Van Duyn); en daer ook was waerschynelyk hun eerste tooneelzael, alwaer ten jare 1716 de Ondergang van Tersides4 vertoond werd. Maer Mr Lucas Van Branteghem, heer van Reybrouc, enz., en deken dezer maetschappy, deed ongeveer ten zelfden tyde eene nieuwe schouwburg en vergaderzael bouwen, welke in de Mageleinstraet met eenen gang uitkwam en daernaer het Gangsken5 werd ge-

[p. 426]

naemd. Het eerste tooneelstuk, hetwelk aldaer ten jare 1717 werd vertoond, was de Zegeprael van keizer Karel VI op Achmet III den turkschen sultan. Het was een oorspronkelyk stuk door Cornelis De Meyer, een' der verdienstelykste leden dezes genootschaps, vervaerdigd en aen den heer Van Branteghem opgedragen. In deze opdragt zegt de schryver onder andere aen den hersteller van het gentsch theater: ‘Het stichten der schouwburg is eene saek, die boven alle uitneemt; de groote kosten daer toe gedaen, tot opbouwinge van het zelve, doen blijken dat de genegentheit tot dit zedelijk vermaek grootelijks in UE. is heerschende. Neem dan, Mijn Heer, in dank mijn gering offer, mits de plicht my verbint hetzelve te doen; want zonder uwen uitmuntenden iver zoude ik noyt de gedachte gehad hebben van dit werksken ten voorschijn te brengen; het zedelijk vermaek van het theaterspel ware sonder UEs genegentheit versmacht in onze vermaerde stad.’

Dit tooneelstuk van Cornelis De Meyer1 is niet zonder verdiensten; het is nog in den ouden nationalen vorm vervat, en niet op fransche modellen geschoeid, welke dan reeds door vele schryvers hier te lande gevolgd werden. Zie hier eenige verzen als proef van Meyer's dichttrant:

De keiser tot prins Eugenius.
 
Roemruchtig oorlogheld, die met uw stalen schouders
 
Al d'helden overtreft van ons vermaerde ouders;
 
Uw onverschrokken moed en vaek beproefd beleid
 
Heft u tot schutsheraut der duitsche mogenheid!
 
Gy zijt de zuil mijns rijks; nooit droeg ik lauwerbladen,
 
Dan door uw heldendeugd en zegenrijke daden.
[p. 427]
 
Ik heb door uwe hulp het Italiaensche land,
 
Door Frankenrijk verwoesd en deerlijk overmand,
 
Weêrom in mijne macht en heerschappy gekregen;
 
Gy hebt ook Nederland door uw manhafte degen
 
Verlost van 't fransch gebroed: - toon nu den Turkschen Heer
 
Dat gy nog dadig zijt en moedig als weleer.

Het was ook dan, omtrent het begin der XVIIIe eeuw, dat men Rederykkamers schier in elke gemeente te platten lande zag opryzen. Te Gent zelfs bestonden, nevens de tooneelmaetschappy der Fonteinisten, soortgelyke genootschappen in verscheiden parochien der stad. De vertooningen hadden 's namiddags plaets, en hetzelfde spel werd op vier of zes op elkander volgende zondagen vertoond. Doorgaens werden deze spelen aen het magistraet der stad, den Landheer der buitengemeente en den pastoor der parochie opgedragen. Er werden telkens programmen gedrukt in-4o, den korten inhoud van het te spelen tooneelstuk en de opdragt bevattende1. Het genootschap van S. Pieters-parochie

[p. 428]

speelde den 9, 16, 23 en 30 augusty 1767, in de zael van het Gasthof de Drie Sleutels op S. Pieters: de gedempte wrake en rampzaligen ondergang van Amurath, tartaerschen prins. Kunstige balletten werden tusschen dit spel uitgevoerd, waerna men de klucht van den Welsprekenden Papegaey vertoonde. Dit treurspel was opgedragen aen den eerwaerden heere, mynheer Gudwalus Seiger, prelaet der exempte abdy van S. Pieters nevens Gent, enz., enz., aen den eerwaerden heer Pharazyn, pastor der parochie van O.L. Vrouwenkerke op S. Pieters, mitsgaders aen den heer bailjuw ende schepenen der voornoemde heerlykheid van S. Pieters.

Tooneel-concours 1784-1785.

- De pryskampen hernamen ook met het heropryzen dezer genootschappen, en talryk zyn de tooneelconcoursen op het einde der XVIIIe eeuw door de rederykkamers uitgeschreven1. Een der voornaemste is voorzeker hetgene door de gentsche maetschappy der Fonteine gedurende 1784-1785 gehouden. By kaerte van 17 november 1784 daegde zy de genootschappen uit om in wedstryd het treurspel De weduwe van Malabar te komen vertoonen. In het berigt van

[p. 429]

uitschryving zyn de volgende voorwaarden besproken: 1o Dat elk genootschap ten dage der loting 14 guldens zou inleggen, uit welke middelen de te winnen pryzen zouden gevonden worden; 2o Dat de maetschappy der Fonteine acht zilveren eerpenningen bestemd had voor de tooneelspelers, die het best een der acht rollen, waer uit het spel was samengesteld, zouden vertoonen; 3o Er waren nog twee pryzen (de eene van 30, de andere van 20 guldens) uitgehangen, voor de maetschappy welke het volmaekst een bly- of naspel zoude uitvoeren. - De loting had den 28 november 1784 plaets, en acht tooneelgenootschappen (die van S. Pieters-Ledeberg, Nevele, Seeverghem, Somerghem, Wacken, S. Nicolaes, Oostacker en Wiese) verschenen ten kampstryde, die opvolgelyk gedurende de maenden april en mei 1785 het gemeld treurspel vertoonden. Den 6 juny 1785 werden de pryzen plegtig uitgereikt. Den eersten prys van het treurspel behaelde de rhetorykkamer van Wacken; den tweeden prys de kamer van Nevele; den derden die van S. Pieters-Ledeberg, en den vierden die van S. Nicolaes. De eerste prys van het kluchtspel werd door het kunstgenootschap van Oostacker, 't welk den Slotmaker vertoond had, weggedragen; den tweeden bekwam dat van Wacken, 't welk het naspel van den Nieuwen Krygsman had uitgevoerd. - Onder de persoonen, wien men by deze gelegenheid eerpenningen toewees, treffen wy den dichter P.J. De Borchgrave van Wacken aen, die de rol van den opperpriester had vervuld. De zitting werd door eene redevoering van den heer Van Beesen gesloten. Na dat hy den vroegeren bloei der rhetorykkamers in Vlaenderen had afgeschetst, voerde hy zynen toehoorders deze krachtige aenspraek toe1:

[p. 430]

‘Zie daer dan, yverige rhetorykers, ware minnaers van het tooneel, zie daer hoe zeer voorheen den schouwburg en de rhetorykers bemind en geacht werden. Bezie met weenende oogen den trap van eer, van welken zy gedaeld zyn, en tracht door yver en kunst dien zelfden trap een andermael op te steigeren. Dan zullen de voorstaenders van het fransch tooneel beschaemd worden, om dat zy, het achtste deel van hunne moederspraek niet magtig zynde, zoo lang gelooft hebben dat de nederduitsche tael voor het tooneel niet geschikt was. Wel aen, yverige rhetorykers, laet u niet afschrikken door dweepery of vooroordeel; neen, trotseert die wangedrochten, zoo verdervelyk voor den staet als schadelyk aen de konst. Dan zullen zy als nachtvogelen zich verschuilen; want hunne oogen zullen de flikkende stralen van uwen luister niet konnen uitstaen. - Den hoeksteen van dien tempel der geleerdheid, (mag ik my dus uitdrukken) is hier door uwen yver misschien reeds gelegd, en het zal mogelyk van dien zelfden yver afhangen, dat hy eerlang zal opgebouwd worden. Het is bezwaerlyk, ik beken het, de vooroordeelen te overwinnen; maer bekent ook met my, dat men door yver en eendragt veel zwarigheden kan te boven komen en dat hoe grooter de stryd geweest is, hoe heerlyker de overwinning ook wezen zal.’

Fransche overheersching.

- Sinds nam de liefde en yver tot eigene tael en letterkunde hier ter stede meer en meer toe, en de wintervertooningen hadden regelmatig plaets1. Verscheiden malen vertoonde deze maet-

[p. 431]

schappy op de groote schouwburg tooneelspelen, welke de algemeene toejuichingen wegdroegen1. En later zelfs

[p. 432]

hoe zeer onderdrukt door de fransche dwingelandy, die hier haer yzeren centralisatie-stelsel met de fransche tael invoerde, en meer dan veertien jaren lang (1796-1812) voortwrocht om nederduitsche zeden, nederduitsche tael en beschaving uit te roeijen, waren het deze letterkundige genootschappen, de rederykkamers, welke het meest toebragten tot het behoud onzer nationaliteit, en het moedigste handelden om door zedelyke middelen den Belgen hun voorleden, hunne zelfstandigheid indagtig te maken, en derwyze het vaderlandsch gemoed temperden dat de fransche beschaving slechts op de uiterste korst der natie een ligten indruk maekte. De tooneelen letterkundige concoursen hernamen en werden als vroeger met luister en plegtigheid gevierd1; onder deze verdient de dichtstryd te Aelst in 1809 gehouden voornamenlyk onze aendacht. In het bloeijendste tydperk van

[p. 433]

Napoleon's regering, wanneer de fransche heerschappy zich over gansch Zuid- en Midden-Europa uitstrekte en alle nationale onafhanklykheid scheen te bedreigen, had de letterkundige maetschappy der Catharinisten moed genoeg om, trots alle gevaer van wangunst en vervolging, den Lof der Belgen als prysvrage uit te schryven. Aen den oproep dezes genootschaps werd op eene waerdige wyze geantwoord; de beroemdste der alsdan levende dichters, de heer P. Jud. De Borchgrave, van Wacken, behandelde dit onderwerp met waerdigheid, en hevig verhief hy zich aldaer tegen alle onderdrukking, en bezong de zege door de Vlamingen op de fransche benden in vorige eeuwen behaeld, met geestdrift en warme vaderlandsliefde:

 
Geen Alba, geen tyran, geen snooden Attila,
 
Dat schrikdier van zyn tyd, die bron van ongenâ,
 
Die geesel van Gods wraak, die 't aarderyk deed beven,
 
Kon onze heldenschaar of schrik of yzing geven.
 
Men ducht geen krygsorkaan, geen hagelbui van lood,
 
Maar vliegt, ontzelfd van woede, in de armen van de dood;
 
Een kenmerk uit wat bloed de Belgen zyn geboren!
 
Een luister, dien het goud der vier paar duizend sporen,
 
Ontrukt door hunne hand aan Frankryk's ruitery,
 
Hoe schoon, hoe luisterryk, zet allen luister by.

Niet min krachtig werd de vryheidsliefde der Belgen door Pieter Johan Robyn bezongen, en schoon deszelfs dichtstuk onbekroond bleef, verscheen het echter afzonderlyk in 't licht1.

Verlossingkryg ten jare 1813.

- Maer niet immer kon men de vaderlandsliefde openlyk huldigen; meermaels waren deze genootschappen, om allen argwaen te ver-

[p. 434]

myden, gedwongen de oorlogsdaden van den heerschenden imperator te bezingen. Het was in deze omstandigheid dat de maetschappy der Fonteine den dichtstryd in 1812 opende, en de kort te voren gesloten vrede te Tilsit, na den zege van Friedland, den dichteren tot onderwerp voorschreef. De heer Willems, die dertig jaren later tot voorzitter dezer maetschappy werd gekozen, deed zich eerstmaels in dezen kampstryd als letterkundige kennen, en behaelde den uitgeschreven eersten prys. By de uitreiking der pryzen, den 27 july 1812, las de heer Cornelissen eene belangvolle verhandeling voor over den oorsprong en bloei der Rederykkamers, waerin hy de middeleeuwsche geschiedenis en staets-inrigtingen der stad Gent met die van Florentie vergeleek, en den grooten zoo lang miskenden Jacob Van Arlevelde in zyn echte licht herstelde, de valschheid der verjaerde lasteringen, waermede de burgondsche kronykschryvers hem beklad hadden, aen den dag leggende1. Korts naderhand klonk de vryheidskreet van uit Moskou tot aen het vlaemsche strand, en de verlossingskryg begon (1813). Carnot wist door geweld der wapenen in Antwerpen stand te houden; maer in alle andere steden des lands hieven de Belgen den vaderlandschen standaerd weder op, en verjoegen de fransche huerlingen over de grenzen. Het was in deze netelachtige omstandigheden dat de Fonteinisten, die zoo zeer op den publieken geest hadden gewerkt, nu ook zich door dapperheid deden onderscheiden, en van

[p. 435]

de stadsregering, ter bedanking en ten eeuwigen bewyze van hun moedig gedrag, twee medailjen bekwamen, wier opschriften, ter eere van de maetschappy, in de volgende bewoording zyn vervat: Pro publ. tranquill. fortiter asserta, rond den wapenschild der stad Gent, welke door twee olyftakken was omvangen; op de keerzyde en boven het zinnebeeldige blazoen des genootschaps: Ganda memor, en onder hetzelve het jaertal: MDCCCXIV. De andere medailje heeft een regtstaenden degen, rustende op twee lauwertakken, met het opschrift: Quod comiti Jos. Dellafaille, alteri ex leg. urb. ducibs. pignus hoc gratituds. praetor et mun. Gand. solenn. obtulere I aug. MDCCCXIV. De keerzyde draegt het volgend opschrift; Sociis Rhetorices, aliisq. urb. leg. inscriptis quorum ope et cura tranquillitas publ. fuit adserta decus referendum censuit Grat. an. mon. dd..

 

Dan eerst, als ons land hare onafhankelykheid had herwonnen, was het dat de studie onzer tael en onzer landsgeschiedenis den waren volksgeest op eene wonderbare wyze deed ontluiken, en immer toenemende tot op heden, door het medewerken der rederykkamers en letterkundige genootschappen, zich meer en meer ontwikkelt en voortzet. Het zy hier genoeg de voorname werkzaemheden der Fonteinisten, gedurende dit tydvak, aen te stippen.

Ten jare 1816 openden zy eenen pryskamp voor vlaemsche deklamatie en poëzy; de heeren Ch. Van de Vyvere en P. Erffelinck behaelden de pryzen, welke den 24 oogst met vele plegtigheid hun werden uitgereikt.

Het volgende jaer (1817) werd een concours van tooneelvertooningen door de Fonteinisten uitgeschreven; daerop verschenen de tooneelmaetschappyen van Aude-

[p. 436]

naerde (Jonst zoekt konst), van Brussel, van Geeraerdsbergen, van Audenaerde (Yver en Eendracht), en de maetschappy van Kortryk, welk den eersten prys bekwam. In den pryskamp, door de maetschappy van Schoone Kunsten te Audenaerde geopend (1819), behaelde het tooneelgenootschap der Fonteine de twee eerste pryzen, voor het treurspel en voor het blyspel.

Ten zelfden jare (by acte van 26 july 1819) werd de Rederykkamer der Fonteine tot eene Koninklyke Maetschappy verheven, en Z.M. de Koning nam dezelve onder zyne byzondere bescherming. By de bestaende afdeeling van declamatie en tooneelkunst werden er drie andere gevoegd: eene van nederduitsche tael- en letterkunde, eene andere van fraeije schryfkunst en eene derde van toonkunst. Op deze wys hervormd hield zy eene eerste vergadering den 11 louwe 1820, wanneer de heeren L. Dhulster, C. Vervier, L. De Potter, de ridder J.B.G. Camberlyn1 het woord voerden. De eerw. heer Schrant legde in eene krachtige aenspraek de verdiensten dezer Rederykkamer aen den dag, en eindigde met deze warme aenwakkering: ‘Reeds heeft uwe Kamer de verdienste van zich, in weêrwil van de ongunst der tyden, staende te hebben gehouden, en onder die weinige instellingen te behooren, van die der vaderen overgebleven. Reeds dit, ik kan het niet ontveinzen, maekt haer in myn oog byzonder achtenswaerdig; maer nog meer ryst myne achting by de overweging, dat het die zelfde instelling is, welke, in de laetste jaren der onderdrukking, toen alles aen het vreemde wierook bragt, alleen aen het eigene getrouw bleef, en alzoo den geheelen ondergang

[p. 437]

voorkwam, welke der moedertale dreigde. Reeds daer door, myne heeren! hebt gy u omtrent de tael, ja omtrent het vaderland verdienstelyk gemaekt, en eene regt nederlandsche geaerdheid ten toon gespreid. Ik weet het, met welke tegenkantingen gy te worstelen hadt; doch deze moedig het hoofd te hebben geboden, maekt uwe verdiensten nog grooter. Het is dan ook die zelfde geestkracht, welke my ten waerborge strekt voor het goede, dat men van u kan verwachten. Thans zyn de dagen der verschrikking voorby; het juk der overheersching ligt verbroken. Gy hebt een vaderland, en moogt ongestoord uwe drift voor het eigene botvieren. Geene onderdrukking, maer aenmoediging, wacht u. De Koning zelf, die alles, wat nederlandsch is, hoog acht en bevordert, neemt u onder zyne bescherming en beschouwt - dit durf ik u verzekeren - met innerlyk welgevallen uwe pogingen1.’

Tooneelconcoursen, 1820 en 1821.

- Ter gelegenheid der Nyverheidstentoonstelling, gedurende de maend oogst 1820 te Gent gehouden, wilde de koninklyke maetschappy van Rhetorica het hare bydragen ter verheerlyking der feesten, welke destyds hier gegeven werden, en zy schreef een pryskamp voor de tooneelgenootschappen uit. Deze vertooningen hadden den 6, 13, 14 en 20 oogst plaets, en den 22 derzelfde maend werden de pryzen plegtig uitgereikt. De heer C. Vervier sprak daer eene op de omstandigheid gepaste redevoering uit; hy werd vervangen door den heer L. Dhulster, die in eene treffende aenspraek over het zedelyke nut der too-

[p. 438]

neelspelen handelde. Met algemeen genoegen werd de welsprekende redenaer aengehoord, en met luide toejuichingen werd hy bejegend, wanneer hy zyne voordragt met dit tafereel eindigde: ‘Ja, elk tydvak der Geschiedenis bewyst het: in alle eeuwen heeft de Tooneelkunst den grootsten invloed gehad op den smaek der volkeren; maer veel grooteren op beschaefdheid, zedeleer en volkskarakter: die waerheidvolle grondspreuken, welke liefde tot de deugd en het vaderland voordragen, vloeijen van den schouwburg af, en worden onuitwischbaer in elks geheugen geprent. De zedeleeraer vergenoegt zich aen de reden te spreken: op den Schouwburg spreekt men aen het hart en de verbeeldingskracht: hier leert men de deugd beminnen, om dat menze zelve in al hare aenminnigheid aenschouwt; want de goede Tooneelspelschryver werkt steeds ten nutte der zeden: waerom dan zou men den schouwburg niet met regt eene school van edelmoedige gevoelens mogen noemen? Hoe verrukt ons in Cinna, de grootmoedigheid van Augustus! Wat burger verfoeit niet de muitzucht van Catilina, daer hy de vaderlandsliefde van Cicero bewondert, en als 't ware inademt? Welke moeder voelt haer hart niet wegsmelten by de kinderlievende zuchten van Andromache? Wie voelt zyn hart niet gegriefd van medelyden by de dood der onschuldige Zaïre? Wie wenscht niet aen den vadermoordenden Seïd den moordpriem te kunnen uit handen rukken? Wie voelt geen afschrik voor ondeugd op het zien eens Mahomets, eens Neroos, eener Athalia, eener Fedra; daer hy de deugd van een' Burrhus, een' Alvares, zich ten voorbeelde stelt, en de gouden spreuken, welke hun uit den mond vloeijen, in zyn harte drukt? - Ja, Medelyden, Grootmoedigheid, Kinderliefde, Godsdienstyver, edele zucht tot Eer, Weldadigheid, Vaderlands-

[p. 439]

liefde, alle deugden worden er aengeleerd, alle ondeugden als verfoeijelyk afgemaeld1.’

 

Men ging verder tot het uitreiken der pryzen in de volgende orde over: De eerste prys werd aen de maetschappy van Sotteghem, welke Mahomet vertoond had, toegewezen; de prys voor de beste houding en de pragtigste intrede bestemd aen de maetschappy van Kortryk. Een aenmoedigingsprys werd geschonken aen de maetschappy van Ninove. De prys van deklamatie (het Verhael van Theramène) werd, in de eerste afdeeling, aen den heer Daniel Riessauw toegewezen; een accessit aen den heer P. Van Coeyghem. In de tweede afdeeling werd de prys aen den heer J. De Porre toegewezen; het accessit aen Joseph Dhé. In de derde afdeeling werd de prys toegewezen aen den heer P. Mello; het accessit aen den heer Lod. De Vos, alle van Gent. Na de prysdeeling beklom de heer Lejeune, prokureur des Konings, het spreekgestoelte, en betuigde, namens de maetschappy, zyne dankbaerheid aen het edel achtbare Magistraet van Gent, 't welk deze plegtigheid met zyne tegenwoordigheid vereerde. Doch luisterryker was het concours voor het jaer 1821 uitgeschreven. Daer waren pryzen uitgeloofd voor de dichtkunst, deklamatie, tooneel- en toonkunst. Het bekroonde dichtstuk was dat van den heer R.H. Van Someren, waerin de schoonheden onzer moedertael werden bezongen. De pryzen der deklamatie of welsprekendheid werden weggedragen, als volgt:

[p. 440]

eerste klasse.
Verhael van Cinna, uit het treurspel van dien naem.
Eerste prys: Hendrik De Backer; tweede prys: Lodewyk De Wilde. - Vereerende melding aen F. Lecocq en Joseph Dhé.

 

tweede klasse.
Zelfde verhael.
Eerste prys: Joseph Bertyn; tweede prys: Pieter De Meyer. - Vereerende melding aen Andries Heyse.

 

derde klasse.
Alleenspraek van den Vrek, door Molière.
Eerste prys. Joseph Dhé; tweede prys: Hendrik De Backer; derde prys: Benedictus Roosebeke.

 

De pryzen voor de tooneeloefeningen wonnen de volgende genootschappen:

 

Voor het Treur- of Tooneelspel.
Eerste prys: De koninklyke maetschappy van Rhetorica te Dendermonde, met Amosis, treurspel. Tweede prys: De maetschappy van Zotteghem, met het treurspel Zaïre. Derde prys: De maetschappy van Deinze, met de Ortenbergsche Familie, treurspel. De heer Johan Beekman, van Dendermonde, is met den eerpenning, voor den besten speler onder alle de mededingende genootschappen bestemd, omhangen geworden. De prys van beste tooneelspeelster kon niet toegewezen worden; maer de maetschappy stemde ter aenmoediging een eermetael 1o aen juffer Joanna Van de Vyver, van het genootschap van Dendermonde, welke

[p. 441]

in Amosis de rol van Samis vervulde; en 2o aen juffer Joanna Burvenich, van Deinze, voor het uitvoeren der rol van Carolina in de Ortenbergsche Familie. De maetschappy vergunde ook een eermetael ter aenmoediging 1o aen Eugenius Slock, vervuld hebbende de rol van het zoontje van Siegfried van Hohenwaert by het genootschap van Everghem; en 2o aen Desiderius Van Houte, voor de rol van Willem Ortenberg by het genootschap van Deinze. - Onder de aengewezene stukken, welke ten tooneele mogten gevoerd worden, treffen wy in het berigt der prysuitloving de volgende oorspronkelyke vaderlandsche aen: Thirza, of de Zege van den Godsdienst, Ines de Castro, Joanna Gray, alle drie van Feith; Monzongo, of de koninklyke Slaef, van Van Winter; Jacob Simonszoon de Rijk, van Lucretia Wilh. Van Merken; Karel de Stoute, van P. Verhoek; De Mityleners, van S. Styl; Cora, Maria van Lalain, De Ruiter, van Nomsz; Willem van Holland, Cormac, van Bilderdyk; Elfride, van mevrouw Bilderdyk.

 

Blyspel.
Eerste prys: De koninklyke maetschappy van Dendermonde, met Het Landhuis op den grooten Weg. Tweede prys: De maetschappy van Deinze, met De Engelsche Goederen.

 

De plegtige prysuitdeeling had plaets in de Troonzael van het Stadhuis te Gent, den 26 van oogstmaend 1821, onder het voorzitterschap van den wel edelen en gestrengen heer Van Toers, staetsraed, ridder der koninklyke Orde van den Nederlandschen Leeuw, voorzitter der derde afdeeling dezer maetschappy, enz., ten bywezen van de heeren Leden der provinciale Staten en der Regering der stad, van verscheiden hoogleeraren by de

[p. 442]

Hoogeschool, en leeraren by het koninklyk Collegie, van afgevaerdigden der onderscheidene genootschappen dezer stad, en van eene ontelbare menigte inwooners en vreemdelingen. Deze plegtigheid begon met eene redevoering uitgesproken door den heer Lejeune, prokureur des Konings by de regtbank van eersten aenleg, voorzitter der maetschappy; gevolgd van eene aenspraek door den heer D'Hulster, geheimschryver der eerste afdeeling. Deze redevoeringen werden in druk uitgegeven, en zyn algemeen gekend; de eene behelst een vlugtig overzicht der geschiedenis dezer Rhetorica, de andere aenwakkeringen ter beoefening der landtael.

Van dan af bleef de afdeeling der Tooneelkunst hare werkzaemheden voortzetten, en de wekelyksche vertooningen werden luisterryk in hare gewoone zael, ter Houtlei, gegeven1. Maer de afdeeling van Tael- en

[p. 443]

Letterkunde, welke zeer begon toe te nemen, zien wy omtrent dezen tyd (4 december 1821) zich als eene onafhanklyke maetschappy vormen, onder de kenspreuk: Regat prudentia vires. Dit letterkundig genootschap hield zyne maendelyksche byeenkomsten in eene der zalen van de Universiteits-bibliotheek, en in deze zit-

[p. 444]

tingen werden dichtstukken of redevoeringen voorgelezen over wysgeerige of historische onderwerpen. De leden, welke door hunne bydragen en voorlezingen het meest tot het bloeijen dezer maetschappy bydroegen, waren de heeren L. D'Hulster, J.L. Kesteloot, J.M. Schrant, J.F. Kluyskens, W.L. Mahne, C. Vervier, P. Jonglas,

[p. 445]

Haefkens, en de heer professor L. De Potter, die zich thans nog onledig houdt met het beoefenen der nederduitsche spraek en vlytig voortvaert met het voltooijen van een uitgebreid dichtstuk over de Bestemming van den Mensch1.

Staetsomwenteling, 1830.

- De omwenteling van 1830 onderbrak den weldadigen voortgang van eigene taelbeoefening en van nederduitsche tooneelvertooningen. Deze staetsberoerte, meest door de fransche party in de waelsche provintien bewerkt, was allerverderfelykst voor de zedelyke onafhanklykheid en de geestontwikkeling des vlaemschen volks; in al de kreitsen van 't bestuer

[p. 446]

werd de nationale tael door de fransche vervangen; en schoon reeds van in het jaer 1840 duizende petitien tegen deze tyranny aen de Kamer der Volksvertegenwoordigers uit al de gewesten van Vlaemsch-Belgie zyn toegezonden, blyft het Gouvernement tot op heden dit verslavend en geestverbasterend systema volgen, en door het opdringen eener vreemde tael de Vlamingen in hun eigen land schier tot Iloten vernederen. Een gouvernement moet zich weêrhouden van aen het mode-gebruik eener vreemde tael toe te geven, en het is wel een zyner heiligste pligten ter verheffing der landstael en landswaerde, dezen drang tegen te gaen. In de XVIe eeuw werd het spaensch schier in al de hoven en hooge kringen gesproken, te Parys, zoo wel als in Italie, te Brussel en te Weenen. En echter werd deze tael nergens in de administratie ingevoerd. Zelfs zag men vroeger de Gouvernementen in Duitschland, in Spanje en in Vrankryk krachtige middelen in het werk stellen om het latyn uit de cancelaryen, ten voordeele der landstael, te weeren1. Hopen wy dat eerlang een echt vaderlandsch ministerie aen de herhaelde reklamen der vlaemschsprekende gemeenten regt zal laten wedervaren, en op deze wys een vasteren grondslag aen onze politische onafhankelykheid geven en eene sterke borstweering daerstellen tegen de nimmer rustende overheerschingszucht der Franschen. Volgde het Gouvernement eene valsche lyn, het sterk getem-

[p. 447]

perd nederduitsche volk van Belgie laet zich hierdoor niet misleiden; en te midden zelfs van 't alverdoovend fransch gezwets hieven de letter- en tooneelgenootschappen welhaest door gansch het land weder het hoofd op, en hernamen als weleer hunne gewoone werkzaemheden1. Reeds ten jare 1834 opende de maetschappy van

[p. 448]

Deinze een concours van deklamatie, en gedurende het wintersaisoen van 1836-1837 schreef het genootschap van Kortryk, gezeid de Kruisbroeders, eenen tooneelstryd uit, waer de Gentsche maetschappy haren ouden roem staende hield en de twee eerste pryzen behaelde voor het treurspel en het blyspel uitgeloofd, door het vertoonen van Othello of de Moor van Venetie en het blyspel de Nieuwe Landheer1. Te Oostende ook, waer de koninklyke Maetschappy van Tael- en Dichtkunst gedurende den zomer 1840, een pryskamp voor tooneelvertooningen had geopend, bekwam de Gentsche Rhe-

[p. 449]

thorica den eersten prys van het blyspel, by het meesterlyk vertoonen van Carolina, of het Geldersch Landmeisje1.

Tooneelconcours, 1841.

- De maetschappy der Fonteine had reeds twee wedstryden gehouden van deklamatie of welsprekenheid2, wanneer zy, krachtiger willende medewerken tot verheffing der nederduitsche letteren, tot het uitschryven van een tooneelstryd besloot. Niets is inderdaed meer geschikt ter opbeuring van de vaderlandsche schouwburg dan concoursen voor vertooningen van geheele tooneelstukken. By kaert van 1 mei 1841 schreef de Gentsche maetschappy (de Fonteine) eenen pryskamp uit, waerby alle tooneelgenootschappen, in het ryk bestaende, uitgenoodigd werden ter mededinging naer de uitgeloofde pryzen, door het vertoonen, ter hare zale, van treur-, tooneel- of zangspelen. De heer Ed. Ter Bruggen liet eene nauwkeurige beschryving van dezen pryskamp uitgaen3, en daer (bl. 199) spreekt hy op de volgende wys over het Gentsch tooneelgenootschap: ‘Voorzeker hebben weinig maetschappyen,

[p. 450]

zelfs geene in gansch Belgie, ten allen tyde meer toegebragt om de vlaemsche tael hare verdiende hulde te bewyzen en hare bevordering te verwekken, dan de Fonteinisten van Gent. Is oudheid eerbiedwaerdig, dan verdient deze maetschappy gewis op den eersten rang geplaetst te worden. Hare instelling telt van den jare 1448. Vier eeuwen hebben haer steeds werkzaem gezien. In alle gelegenheden toonde zy zich yverigen kamper: de menigte eerpenningen door haer behaeld, als ook diegene door haer uitgeloofd, strekken hiervan steeds ten levendigsten bewyze. - Sedert verscheidene jaren waren de tooneelkampingen byna vergeten: zy, nimmer moê, deedt deze weêr luisterryker dan ooit geboren worden. De stad Gent leende haer eene behulpzame hand, en in den beginne van het jaer 1841 schreven de Fonteinisten eene pryskaert uit, waerby zy alle hare belgische mededingers opriep. De schoone voorwaerden, welke deze kaert inhield, deden haer zeer gunstige antwoorden ontvangen, en dus werd de yver der Vlaemsch-Belgische tooneelliefhebbers aengespoord om tegen elkander den stryd te wagen. Het nut, dat uit deze kamping voor onze moedertael voortsproot, is ongemeen groot. Dit toonen best de tegenwordig onder de tooneelisten alom heerschenden zucht tot volmaektheid en verbetering en de loflyke navolging van andere steden welke, op hunne beurt, reeds even als Gent, pryskaerten hebben uitgeschreven of zich bereiden zulk te doen, welke zich ten dien einde insgelyks tot het Magistraet gewend hebben en toelagen van land en stad hebben verkregen.’

De oproep door Gent gedaen bleef niet onbeantwoord: negen tooneelgenootschappen dongen naer de uitgeschrevene pryzen, en speelden opvolgenlyk, t'elke weke des zondags, van den 3 october 1841 tot den

[p. 451]

9 january 1842. Wy laten de namen en speelbeurten dezer maetschappyen hier volgen:

1o De koninklyke maetschappy van Ninove, onder zinspreuk: Al vloeijende groeijende waterbloem, opgetreden den 3 october 1841, met Menschenhaet en Berouw, tooneelspel in vyf bedryven; gevolgd door De Deserteur, blyspel in éen bedryf.

2o De koninklyke maetschappy van Sotteghem, gezegd de Zuigelingen van Polus, opgetreden den 10 october 1841, met Mahomet de Profeet, of het Fanatismus, treurspel in vyf bedryven, gevolgd door de Gevaerlyke Buerman, blyspel in éen bedryf.

3o De koninklyke maetschappy Kunstliefde van Brugge, opgetreden den 17 october 1841, met Menschenhaet en Berouw; gevolgd door den Heer Gier, of de bedrogen Huisheer, blyspel in éen bedryf.

4o De maetschappy de Hoop, van Antwerpen, opgetreden dien 31 october 1841, met de Verzoening, of de Broedertwist, tooneelspel in vyf bedryven; gevolgd door Drie vaders te gelyk, blyspel in éen bedryf.

5o De maetschappy Liefde en Eendragt, van Antwerpen, opgetreden den 14 november 1841, met Alva's Geheimschryver of de Gentsche burger, heldenspel in vyf bedryven; voorafgegaen door de Bandiet, zangspel in twee bedryven.

6o De maetschappy de Wyngaert, van Brussel, opgetreden den 28 november 1841, met Hamlet, treurspel in vyf bedryven; gevolgd door Wie weet waer voor het goed is, blyspel in éen bedryf.

7o De maetschappy Eendragt en Vreugd, van Oostende, opgetreden den 12 december 1841, met de Luider van Sint-Paul, tooneelspel in vyf bedryven; gevolgd door de Straetjongen van Parys, blyspel in twee bedryven.

[p. 452]

8o De maetschappy de Kruisbroeders, van Kortryk, opgetreden den 26 december 1841, met Menschenhaet en Berouw; gevolgd door de Sympathetische Kuer, blyspel in éen bedryf.

9o De maetschappy Jong en Leerzuchtig, van Antwerpen, opgetreden den 9 january 1842, met Joanna van Vlaenderen, drama in vier bedryven; voorafgegaen door de Klompmakers, blyspel met zang in éen bedryf.

De heeren J.F. Willems, A. Van Parys, F. Roegiers, L. Daenens, P. Erffelynck en C.H. Van Boekel werden tot kunstregters door de maetschappy benoemd. Na grondig onderzoek en rype overweging werden de uitgeloofde pryzen aen de onderstaende tooneelgenootschappen toegewezen. De eerste prys voor het treur- of tooneelspel, bestaende in een gouden eermetael van 225 franken werd weggedragen door de maetschappy Liefde en Eendragt, van Antwerpen; de tweede prys door de kortryksche maetschappy de Kruisbroeders, en de derde door de maetschappy Jongen Leerzuchtig, van Antwerpen. De pryzen voor het zang- of blyspel uitgeschreven werden op de volgende wys toegewezen: de eerste prys aen de maetschappy Kunstliefde, van Brugge; de tweede aen de maetschappy Jong en leerzuchtig, van Antwerpen, de derde aen de maetschappy Eendragt en Vreugd, van Ostende. Aen mejufvrouw Schellens werd het eermetael toegekend, bestemd voor de beste tooneelspeelster, als vervuld hebbende de rollen van Vrouw Griesgram en van Anna, by de vertooning van het tooneelspel de Verzoening, of de Broedertwist en het blyspel de Drie Vaders te gelyk, door de maetschappy de Hoop, van Antwerpen. De heer De Kroone, lid van de maetschappy Jong en Leerzuchtig, van Antwerpen, bekwam een eermetael voor zyn uitmuntend spel in de rol van Boudewyn, by de voorstelling van Joanna van Vlaenderen.

[p. 453]

De plegtige uitreiking der pryzen werd vastgesteld op den 28 january. Dien dag dan, ten 2 ure namiddag1, vereenigden zich de afgevaerdigden der overwinnende maetschappyen in het hof van Rhetorica, alwaer hun de Fonteinisten en een groot aental andere genootschappen van Gent wachtten om den stoet te vormen. Met het statig gelui der klokken en onder het losbranden des geschuts, trok de stoet, voor 't minst uit een twintigtal verschillende maetschappyen bestaende, langs de voornaemste straten der stad naer de troonzael van het stadhuis. Prachtig was de optogt en algemeen scheen de vreugde. Het stadhuis was reeds met talryke aenschouwers bezet en alle plaetsen waren schier ingenomen, wanneer de stoet de versierde troonzael by het spelen der harmonie binnentrad. Op het amphitheater bevonden zich de heeren regters, de bestuerleden der maetschappy de Fonteine, de voornaemste letterkundigen der stad en afgevaerdigden van verscheiden kunstgenootschappen. De heer Willems bekleedde de voorzitterplaets. Ten drie ure nam de plegtigheid een aenvang met eene ouverture in muziek, waerna lezing werd gegeven van dichtstukken en redevoeringen door de heeren F. Rens, P. Van Duyse, Schellinck en C.H. Van Boeckel. Na elke spreekbeurt werd een vlaesmch koor gezang door de maetschappy van Orpheus aengeheven, welke meermaels de algemeene toejuiching verwekte, voornamenlyk als de zang: de Gentsche Kunstfontein, te dezer gelegenheid door den heer Van Duyse vervaerdigd, en door den heer Beausacq in muziek gebragt, werd uitgevoerd. Eindelyk werd het proces-verbael, de beoordeeling der regters behelzende, voorgelezen en de medailjen aen de winnende tooneelgenootschappen

[p. 454]

uitgereikt. Stoetsgewys keerden de maetschappyen naer de zael der Rhetorica terug, alwaer de eerewyn aen de vreemde tooneelgezelschappen werd aengeboden. Men stelde daer ook verscheiden toasten in, een vooral aen den heer Willems, wien ten zelfden tyde het voorzitterschap der maetschappy werd opgedragen. Op eene roerendeaenspraek van den heer Van Parys, tweede voorzitter der Rhetorica, antwoordde de heer Willems dat hy met vreugde het voorzitterschap der Fonteinisten aenvaerde, te meer daer hy hun eensdeels zyne letterkundige vermaerdheid te wyten had. De Fonteinisten trouwens waren de eersten die, over ettelyke jaren, zyn werk bekroonden, en hebben hem van dan af aen en in later tyden steeds aengemoedigd om in de letterbaen werkzaem te blyven. Hy eindigde, de hoop koesterende dat eene maetschappy aen welke hy zoo veel goeds verschuldigd is, onder zyn toekomstig bestuer steeds roemryker moge bekend blyven dan zy ooit was. - Een bal dat tot zeer laet in den nacht duerde, en aen de overwinnaers was aengeboden, sloot deze echte nationale feest op eene waerdige wyze.

Onder de leiding van den heer Willems als voorzitter verbreidde de maetschappy der Fonteinisten haren werkingskring met vlyt en kunde. Door Willems raed en zyne medewerking werd er als het ware een nieuw tydvak geboren voor de geschiedenis dezer Rhetorica. De zedelyke schok, welk het gansche genootschap door den omgang met dezen uitstekenden man ontving, was gevoelig; vooral in den keus der tooneelstukken, welke nu meer op den toestand der politieke beweging toegepast eene gelukkige werking op den publieken geest uitoefenden. Lang heerschte hier de slavelyke navolging der fransche modellen, en deze tooneelspelen alleen met die van Kotzebue zag men op het nederduitsch

[p. 455]

theater vertoonen. Nu begint men zich meer en meer aen dezen band los te rukken, en door het verspreiden van Lessing's dramaturgie werden de regte grondregels van het tooneel beter gekend, de onderwerpen beter gekozen en beter behandeld. Men voerde de roemryke en moedige bedryven onzes volks ten tooneele, waerdoor vaderlandsche gevoelens werden verspreid, en de begeestering voor eigen waerde onder alle rangen werd aengestoken; in de bly- en kluchtspelen werd de overdrevene bewondering voor al het gene uit het vreemde komt op eene treffende wyze gehekeld, waerdoor het valsche dier bewonderingszucht werd aengewezen en niet weinig medehielp om vele persoonen van deze zedelyke krankheid te genezen. Niet slechts werden betere stukken vertoond, maer zelfs maekten eenige leden dezes genootschaps zich verdienstelyk door het schryven van tooneelspelen of het vertalen van uitlandsche meesterstukken in onze sprake. Onder de heeren die tooneel of blyspelen voor de gentsche Rhetorica vervaerdigden treffen wy de volgende aen: A. Knops, P. Van Loo, P. Van Duyse, Victor Lemaire, J.F. Willems, P. de Cort, W. Rogghe1.

[p. 456]

Maer, eilaes, niet lang stond de heer Willems aen het hoofd dezes genootschaps; in de kracht des levens, te midden zyner veelvuldige werkzaemheden, werd hy aen zyne familie en talryke vrienden schielyk ontrukt. Door eene beroerte getroffen overleed hy den 24 juny 1846 in zyn 53e jaer. Met allen echten Vaderlander betreuren wy nog diep ontroerd het afsterven van dezen vriend en krachtigen voorstander der vaderlandsche zake, wiens verlies nog lang door gansch vlaemsch Belgie zal gevoeld worden. Het goede echter dat hy stichtte zal niet vergaen; de eens gegevene beweging zal voortwerken, en talryk zullen nog de vruchten zyn, welke hy door zyn wenk en voorbeeld zal hebben verwekt.

Het was onder het bestuer van den heer Willems den

[p. 457]

8 vangrasmaend 1844, dat het zilveren jubelfeest van mevrouw Daenens, geboren Diana Robyn, werd gevierd. Het vierde eener eeuw was verstreken sinds deze uitstekende tooneelspeelster het theater voor de eerste mael betrad. Deze gelegenheid werd door de leden der Fonteine waergenomen om de geliefde kunstenares een blyk te geven hunner gevoelens van hoogachting en bewondering voor haer schoon talent; ten welken einde zy haer portret door het kundige hand van den heer Pinnoy op steen deden brengen; by een glansryk avondfeest onder de toejuichingen en gelukwenschingen van een talryk gezelschap werd hetzelve haer plegtig aengeboden1.

By het eindigen van dit schrift vernemen wy dat het bestuer dezer maetschappy eene algemeene zitting der eerleden op den 26 april aenstaende heeft byeengeroepen, om te beraedslagen welke feesten en plegtigheden, ter gelegenheid der naderende vierhonderdjarige jubelfeest, in juny 1848, zullen gegeven worden. De heeren, welke alsnu dezen raed vormen en als eerleden deel maken der maetschappy, zyn: de heeren L. Desmaisieres, gouverneur der provintie; C. De Kerckhove-Denterghem, burgemeester der stad, sinds de dood van de heer J.F. Willems voorzitter der maetschappy; C.A. Vervier, voorzitter der eerste afdeeling (tael- en letterkunde) der maetschappy; Ed. Van Pottelsberghede la Potterie, N. De Pauw, F.S. Verhaeghe-De Naeyer

[p. 458]

en C. Leirens, schepenen der stad; C.P. Serrure, hoogleeraer, ondervoorzitter der maetschappy; Hip. Metdepenningen; H. Rolin, C.F. Manilius, leden van den stedelyken raed; baron Jules de Saint-Genois; graef Eug. D'Hane-de Steenhuyze; F.A. Snellaert; F. Rens; P. Van Duyse; mevrouw de baronnes Von Ploennies; mejufvr. Maria Von Ploennies; de heeren dr De Wolf; C.H. Van Boeckel; baron Everaerd; De Groote en de schryver dezer verhandeling.

 

Ph. BLOMMAERT.