terug  begin  verder

St. Jacob in Galicien (Spanje).

Het lichaam van den apostel Jacobus, zoon van Zebedeus en broeder van den Evangelist Joannes, werd volgens de overlevering omstreeks het jaar 816 in Spanje gevonden, naar luid van andere berichten daarheen overgebracht. St. Jacob, want aldus wordt de heilige onder het volk gewoonlijk genoemd, was bisschop van de christen-gemeente te Jerusalem, en onderging onder Herodes Agrippa in het jaar 44 van onze jaartelling den

[p. XV]

marteldood.1) Men wil dat hij het christendom in Spanje zou gepredikt hebben en van daar is hij de beschermheilige van het geheele Iberische schiereiland geworden en gebleven; doch zoo men hem in gansch Spanje vereert, in het bijzonder is dit het geval in de stad Compostella, of liever Santiago de Compostella (beteekenende Sint Jacob de Apostel) de hoofdstad van het oude spaansche koningrijk Galicien, in de provincie Coruna. Reeds ten tijde van Paus Leo III werd daar door Koning Alfonsus, bijgenaamd de kuische, ter eere van St. Jacob eene kerk gesticht, en de tegenwoordige kathedraal, dagteekenende uit de elfde eeuw, bevat een receptaculum waar het lichaam van den Apostel begraven ligt. Reeds sedert de negende eeuw is Compostella de meest beroemde bedevaartplaats van Spanje, en eene pelgrimsreize daarheen werd oudtijds van gelijke waarde gehouden als naar Jerusalem Ook uit Nederland trokken een aantal vrome lieden naar het graf van St. Jacob, onder wie men in de eerste rij vermeld vindt, Sophia, Gravin van Holland, vrouw van Dirk VI, dan de kruisvaarders, die onder Graaf Willem I († 1223) Portugal aandeden, en ook kleine burgers, waarschijnlijk aangetrokken door de verhalen der wonderen, welke te Santiago, geschied waren.2)

[p. XVI]

Van een dier wonderbare gevallen maakt Trithemius op het jaar 1177 gewag1) en dewijl het eene ontmoeting geldt van de pas genoemde Gravin Sophia van Holland, waarin wij nederlanders in de eerste plaats belang behooren te stellen, schijnt het geoorloofd het verhaal van den kronijkschrijver hier te laten volgen:

In Holland blonk te dier tijde uit Sophia, de echtgenoote van Dirk graaf van Holland, eene heilige vrouw, die de christelijke liefde nauw betrachtte, onafgebroken bezig was met het gebed, vasten, waken, en het uitdeelen van aalmoezen, en voorgesteld wordt, zoowel bij haar leven als na haren dood, door wonderen te hebben geschitterd. Toen deze heilige vrouw, op weg zijnde naar het graf van den apostel Jacobus in Galicien, in handen

[p. XVII]

was gevallen van woeste roovers, die haar niet enkel alle kostbaarheden maar zelfs het leven wilden benemen, heeft de kracht van het gebed deze woestaards zoodanig gekneveld en gebonden, dat zij op geenerlei wijze zich konden bewegen of de handen aan haar slaan. Waarom zij gansch verbaasd, genade van haar afsmeekten en deze verworven hebbende zijn zij aanstonds ijlings weggevlucht.

Na vele werken van liefdadigheid te hebben verricht, is de edele gravin toen zij voor de derde maal naar Jerusalem was gereisd om het graf van Christus te bezoeken en nadat zij de heilige plaatsen allergodvruchtigst had vereerd, den 26 September 1177 gelukzalig in den Heer ontslapen en in het Duitsche hospitaal te Jerusalem begraven.

In nauw verband met deze bedevaarten kan gebracht worden, de instelling door Graaf Floris V der orde van St. Jacob, in het jaar 1290, gevormd op den grondslag van de toen reeds vele eeuwen in Spanje bestaande ridderschap, welke Santiago de Compostella tot patroon had.1) Naar aanleiding van een en ander is ook te Haarlem in het begin der 14de eeuw, een gilde opgericht, aan St. Jacob toegewijd, waarin zich bij den beginne degenen vereenigden, die in pelgrimagie naar Compostella waren geweest.2) Door verloop van tijd en wijziging van omstandigheden is dat doel uit het oog geraakt, en sedert het jaar 1610 is het St. Jacobs-gilde bloot een gezellige kring waar de broeders zich op den dag van hunnen Patroon, 25 Juli, aan een maaltijd vereenigen, om de oude overlevering in eere te houden. Voor korten tijd echter is daar deze

[p. XVIII]

wijziging in gebracht, dat het feest juist niet op St. Jacob behoeft gehouden te worden, mits het elk jaar slechts geregeld plaats vinde.1)

1)Handelingen der Apostelen XII. 1-2.
2)Moll l.c. II, 4, blz. 37. Gretserus l.c. p. 280, 282. Terwijl dit geschreven wordt, leest men in de Haarlemsche Courant van 31 Juli 1884 het volgende bericht: Verleden Zondag (27 Juli 1884) was men te Santiago (Spanje) op het punt van de jaarlijksche feesten ter eere van den Heiligen Jacobus te besluiten, toen de aartsbisschop een telegram uit Rome ontving, meldende, dat de Heilige Congregatie het vóór vier jaren onder het altaar in de hoofdkerk te Santiago gevonden gebeente als dat van den Apostel, Spanje's beschermheilige, erkend had. Dit gebeente zou in 1100 uit vrees voor de Mooren verborgen zijn geworden. Dientengevolge worden nieuwe, prachtige feesten tot viering van deze gebeurtenis voorbereid.
Nog omstandiger spreekt de Tijd hiervan in zijn nommer van 11 Augustus 1884: De Osservatore romano heeft het latijnsche decreet van de H. Congregatie der Riten openbaar gemaakt, dat de ontdekking bevestigt der stoffelijke overblijfselen van den H. Jacobus den Meerdere, onlangs in de Kathedraal van Santiago gevonden. Het document begint met die Kathedraal te beschrijven als een der beroemdste onder de door pelgrims bezochte heiligdommen; want, zij bevatte het graf van den apostel Jacobus den Meerdere, wiens stoffelijk overschot, nadat hij door Herodes gedood was, naar Spanje werd overgebracht. Die stoffelijke overblijfselen werden gedurende het tijdperk van de heerschappij der Arabieren en in andere woelige tijden, de engelsche invallen der 16e eeuw incluis, met de grootste zorg bewaard in een geheime plaats. Men heeft altijd geweten dat de kostbare reliquieën nooit de basiliek hadden verlaten, en een vaste traditie wees de plek aan. De tegenwoordige aartsbisschop van Santiago, Z. Emin. Kardinaal Paya Y Rico - gaat het document voort, - hield zich, terwijl zijn Kathedraal werd gerestaureerd, ijverig bezig om de plaats te ontdekken, waar het stoffelijk overschot van den Apostel en van zijn leerlingen Athanasius en Theodorus lag, en heeft het na veel moeite en arbeid gevonden onder den vloer achter het hoogaltaar, waar zich een receptaculum bevond, van gebakken en gehouwen steen gemetseld, en drie geraamten bevattende. De Kardinaal-aartsbisschop maakte alsdan een procesverbaal op, welk rapport, aan den H. Vader opgezonden, den 22sten Mei in handen van de H. Congregatie der Riten werd gesteld, die den 19den Juli antwoordde betreffende de echtheid affirmative; seu sententiam esse confirmandam. Het decreet dat twee colommen in den Osservatore vult, is geteekend door Kardinaal Bartolini.
1)Gretserus l.c. p. 70.
1)A. Schoonebeek, Historie van alle ridderlijke en krijgsorders. 8o. 1697. 1e deel, blz. 132 sqq. A. Beeloo, De instelling van de Orde van St. Jacob. 8o. 1845, blz. 21.
2)Evenzoo te Utrecht. Leden waren ook daar oud-pelgrims naar Compostella. De broederschap bezat een gasthuis.
1)Naemen vande Broederen, behoorende onder het loffelijck ende vermaert Gilde ende Ordre van St. Jacob, opgerigt ten tijde van Floris den Vijfde, Grave van Hollant, inden jaere 1290, sedert het begin der 14de eeuw bekend binnen der Stadt Haerlem; aenvangende met den jaere 1610. Fo 1883. (Niet in den handel).
terug  begin  verder