Wanneer wij in een der jaren tegen het midden van de zestiende eeuw, laat ons zeggen in 1549, toeschouwers hadden kunnen wezen bij den plechtigen optocht die op Palmzondag te Haarlem werd gehouden, zou ons oog dadelijk gevallen zijn op een twaalftal achtbare mannen, allen met eene groote Jerusalemsveer in de rechter hand, die een houten op rollen staanden ezel trokken, waarop een beeld was geplaatst, den Heer Jesus voorstellende, toen Hij bij Zijne intrede binnen Jerusalem door het samengestroomde volk werd begroet en met looftakken toegewuifd. Het beeld was met een mantel, zoo kostelijk men had, omhangen: er achter volgden twaalf oude mannen ‘met devotie paer ende paer inde plaetse vande twaelff Apostelen’, waartoe zij ‘met sonderlinge gecoleurde lange rocken waren toegemaect.’1) Dat was de optocht van ‘ons Heer opten esele’, die overal, in steden en dorpen, luisterrijk gehouden werd.
Het zou ons toeschijnen, dat de nederige dienst welke in dit passiespel door het twaalftal werd vervuld, weinig strookte met den ernst en de achtbaarheid op hun gelaat uitgedrukt; dat zij nog minder was over een te brengen met hun maatschappelijken stand, die zonder veel bezwaar uit hunne kleeding en gebaren valt te gissen. Allicht zouden wij dus tot het besluit komen, dat we de leden van eene of andere broederschap voor ons zien en dat het schijnbaar nederig officie, door hen op dien Palmzondag verricht, eene eervolle plichtsvervulling is, waaraan zij zich niet gaarne zouden willen onttrekken en nog
minder bereidwillig, aan andere devote lieden begeeren over te laten. Wij zouden dan niet mistasten, want de mannen, die ik u aanwees, zijn de leden van ‘die ridderlijcke broederscap van den Heyligen Lande’ of de zoogenaamde Jerusalemsvaarders, allen poorters van aanzien en eer, die eene bedevaart naar het heilige Land gedaan en ‘'t heylighe Graff ghevisiteert’ hebben. De taak, als men het zoo noemen mag, die zij thans volbrengen, is tevens eene jaarlijks tegen Paschen terugkeerende gelegenheid, om in het openbaar als godsdienstig gilde te verschijnen. Palmzondag is het hooge feestgetij voor deze Jerusalemsvaarders, hun gildedag.
Het valt te vermoeden, dat nu de naam dier broederschap is genoemd, den lezers een kort bericht omtrent de geschiedenis van dat gilde niet onwelkom wezen zal en ik wil dus trachten, de herinnering aan die sedert drie eeuwen verdwenen en ook schier vergeten mannen, in eere te brengen.
Voornamelijk door de tot hunne haardsteden teruggekeerde kruisvaarders, die, uit eigen aanschouwen, velerlei bijzonderheden omtrent de heilige plaatsen in Palestina en te Jerusalem wisten te verhalen, was eene meer bijzondere godsvrucht tot het tooneel der lijdensgeschiedenis van onzen goddelijken Zaligmaker, den berg der kruisiging en het graf des Heeren, in westelijk Europa, dus ook hier te lande, inheems gemaakt. De geestelijkheid, welke die openbaring van devotie in eene bepaalde richting wenschte te leiden, verzette er zich niet tegen (wanneer zij niet reeds zelve het initiatief nam), dat de geloovigen, waarvan het overgroot gedeelte nimmer den pelgrimstocht naar Palestina zou kunnen ondernemen en zich derhalve vergenoegen moest om te huis aan hunne vereering der heilige plaatsen, ware het dan ook uit de verte, lucht
te geven, zich vereenigde tot geestelijke gilden, die hier zoo goed mogelijk navolgden, wat de Jerusalemsvaarders gewoon waren in het heilige Land-zelf te volbrengen. Het eerste werk van soortgelijke vrome broederschappen was, voor zich in de parochiekerken eene bepaalde plaats te bekomen, waar dan eene nabootsing van het heilige Graf werd opgericht, en hoewel in de kerken gewoonlijk reeds eene menigte altaren van allerlei gilden en vereenigingen te vinden waren, had de veeltijds ruime tempel in den regel nog wel eenige oppervlakte beschikbaar, voor de stichting van een nieuw altaar of gedenkteeken.
Al wordt hier gesproken van leeken, die voor het meerendeel nimmer den pelgrimsstaf naar den lande van Over Meere hadden opgenomen, zoo is het toegelaten te vermoeden, dat indien zich een pelgrim, die Jerusalem had bezocht, bij de vereeniging wilde voegen, hij niet buiten gesloten, maar integendeel met ingenomenheid aangenomen, gehuldigd en geëerd zal zijn geworden.
Sporen van vereering, die met een Kruisgild en heilig Graf in betrekking kan hebben gestaan, meen ik reeds te ontdekken in het begin der 15e eeuw, dewijl een boek ‘Van de Heeren Vicarissen van S Baefskercke tot Haerlem.’ (zeker vóór 1574 aangelegd), spreekt van eene op den 14 Mei 1405 gestichte vicarie in St Bavo, genoemd: ‘Super sepulchrum Domini’1) Er kan dus reeds toen een bepaald aangewezen altaar hebben bestaan, waar de leden van het gilde hunne godsvrucht kwamen verrichten, maar moge hieromtrent eenige twijfel geoorloofd zijn, zeker is het dat de broederschap van het heilige Kruis en het Graf des Heeren, in 1432 van zoodanige beteekenis was, dat er voor haar in de Parochiekerk te Haarlem eene afzonderlijke kapel werd gebouwd of dat zij zelve er
eene deed stichten. Het was eene kapel waarvan men twee vensters genoemd vindt en welke een eigen dak had. Men vond er de gewone voorstelling van het heilige Graf des Heeren, namelijk eene gebeeldhouwde groep van Christus lichaam, in het graf liggende en door Engelen beweend.1) Het werd reeds vroeger niet boven tegenspraak geacht, dat er zich ook een altaar in zou bevonden hebben, dewijl het altair geheten dat heylighe graff’ in 1440 stond in het choor2) en ik zal aantoonen, dat dit inderdaad niet het geval is geweest.
Spoedig nadat die kapel voltooid was, werd er, zeker op aanzoek der bestuurders van het gilde, door den Vicaris-Generaal van den Bisschop van Utrecht, een aflaat van veertig dagen verleend aan degenen, die de kapel en wat zij bevatte, op aangewezen feestdagen bezochten, vereerden, eenige aalmoezen of voor den kerkedienst noodige zaken schonken of wel bij hun uitersten wil indachtig waren. In dien brief nu wordt wel uitvoerig gewag gemaakt van de kapel, van het zich daarin bevindende heilige Kruis en van het Graf des Heeren, maar van een altaar wordt gezwegen. Zie hier dien aflaatsbrief, uitgegeven op den 1 April 1433.3)
Martinus Dei et Apostolice Sedis gratia Episcopus Magionensis Reverendi in Christo patris et domini domini Swederi eadem gratia Episcopi Trajectensis in pontificalibus Vicarius generalis Universis et singulis tam presen-
tibus quam futuris ad quos presentes nostre littere pervenerint, Salutem in domino sempiternam, splendor paterne glorie qui sua mundum illuminat ineffabili claritate pia vota fidelium de ipsius clementissima majestate sperantium tunc precipue benigno favore prosequitur cum devota ipsorum humilitas Sanctorum meritis et precibus adjuvatur, Cum dignum et placitum sit altissimo creatori ac ex pontificali officio debeatur ut pontificalis auctoritas evellat et destruat vicia ac virtutes nutriat, irriget et conservet, Cupientes ut ecclesia prochialis sancti Bavonis in Hairlem Congregatio et fraternitas sancte crucis nec non sepulchri Christi domini nostri in eadem ecclesia Trajectensis diocesis, debita concrescat devotione et in ea serventur, que ad salutem pertinent animarum, Idcirco nos omnibus in dicta congregatione et confraternitate laude conscriptis et in futurum etiam conscribendis et in ipsa congregatione seu confraternitate commorantibus, cum contritione et confessione vera, elemosinarum largitione et alijs bonis operibus, que annuente domino facietis ad Dei servicium, pacem quoque et bonum statum in loco predicto servantibus, pro salute animarum et corporum quarumlibet personarum, Episcopali auctoritate concedimus quae ipsa a Deo accepta per veram obedienciam faciatis et idem vobis concedimus in remissionem peccatorum ut vestra devotio et gratia suffragante domino de bono in melius reformetur Et ut de spiritualibus servicijs spiritualem gratiam reportetis, omnibus vere penitentibus, confessis et contritis, qui ad ecclesiam confraternitatis ac sanctam crucem sive etiam sepulchrum Domini nostri Jhesu Christi predicti, qui dignatus est venire in similitudinem carnis peccati ut omnes salvaret, Hinc idem filius crucis in patibulo copiosum sanguinis munus redemptionis effudit, de quo cum una sola gutta ad delendum universa mundi delicta suffecisset, habundantius pro nobis nostrorumque successorum
continuis casibus succurrendum noscitur effudisse, cujus dispensationem certis suis tradidit vicarijs, de quorum numero, licet immeriti, existentes talentum nobis creditum indigentibus humiliter et poscentibus libenter impertimur. Omnibus ferijs sextis nec non in festivitatibus infrascriptis, videlicet: Nativitatis domini nostri Jhesu Christi, Circumcisionis, Epyphanie, Resurrectionis, Ascensionis, Penthecostes, Sacramenti, Omnium festivitatum beate Marie Semper Virginis venerande, Beatorum Petri et Pauli, Nativitatis et decollationis Sancti Johannis Baptiste, Omnium apostolorum et ewangelistarum, Inventionis et exaltationis Sancte crucis, Michaelis Archangeli, in commemoracione omnium Sanctorum et animarum, in dedicatione dicte ecclesie, Sanctarum Katherine et Barbare ac beatorum Benedicti et Bernardi nec non Sancti Bavonis patroni dicte ecclesie, causa devotionis, peregrinationis vel orationis accesserint, seu qui predicationibus, missis, divinis officijs ferijs sextis sancte crucis interfuerint ac sepulchrum predictum devote visitaverint, vel qui in extremis laborantes dicte ecclesie, Sancte cruci aut Sepulchro Domini nostri Jhesu Christi quidquam suarum legaverint facultatum, Nec non qui ad fabricam, luminaria, ornamenta et alia dicte ecclesie necessaria, manus porrexerint adjutrices, quociescunque premissa vel premissorum aliquid fecerint, de omnipotentis Dei misericordia et beatorum Petri et Pauli, apostolorum ejus, auctoritate confisi, Quadraginta dies indulgentiarum de injunctis eis penitencijs misericorditer in Domino relaxamus. In cujus rei testimonium presentes literas, sigilli nostri jussimus appensione communiri. Datum Hairlem Anno Domini Millesimo quadringentesimo tricesimo tercio, Indictione undecima, Mensis Aprilis die prima, Pontificatus Sanctissimi in Christo patris et domini nostri domini Eugenij, divina providencia Pape, Quarti, Anno tercio.
Het moet de aandacht van den lezer getrokken hebben, dat in de lange reeks van feest- heiligen- en vierdagen waarop die aflaat zou te verdienen zijn, Palmzondag gemist wordt. Ik spreek hiervan, dewijl daarin het bewijs ligt, dat het heilig Kruis- en Grafgilde eene andere vereeniging was dan de Broederschap van den heiligen lande, want het is duidelijk, dat zoo de Vicaris-Generaal ook de Jerusalemsvaarders op het oog had gehad, Palmzondag, hun gildedag, niet vergeten, maar wel in de eerste plaats genoemd zou zijn geweest. Het is aan te nemen en naar mij dunkt zeer natuurlijk, dat de kiem voor eene Broederschap van den heiligen lande wel reeds vroeg bij het oudere gilde aanwezig zal zijn geweest, maar dat eerst in vervolg van tijd, toen gaandeweg meer lieden in Haarlem te vinden waren, die het heilige Graf hadden ‘ghevisiteert’ een andere kring zich vormde en in dier voege de Jerusalemsvaarders uit de Kruisbroeders voortgekomen zijn.
Eene beschikking, gemaakt op St. Bonifacius dag van het jaar 1484, kan aan die afscheiding een krachtigen stoot hebben gegeven. Eene vrome vrouw, Aecht Dirick Pietersoensdochter, Jacop Tijmansoens vrouw, maakte toen haar testament en bepaalde daarin het volgende:
Item min ouders husinghe after ende foer op de oude graft, die bespreeck ic den heilighe gheest, dat sij daer in selle setten xiij oude mannen, de twee husen selle sij vercopen die after staen ende mit dat ghelt selle sij in dat grote huns ende dat kleyn huus daer naest, mede timmeren xiij kameren, ende tot elcke kamer ij rins gulden alle jaer tot barninghe ende licht of anders, dat hem meest van noed is, dit sel ewich wesen ende of daer yement waer die de min had dat men daer een heylich graf maecte als te Leyen of t Wtert staet, dat Jerusalem hiet, ic konsentier dat mede te maken, ende tot dit selfe huus
bespreck ic xx r. gul. 's jaers, alle daech een mis te doen, ende ic begheer dat dit annemen willen de heilighe gheestmeesters te bewaren eeuwich. (Met eene andere hand staat daar bij geschreven:) Item deese clausel hier voer ghescreven heeft sij verpeynt met twee dusent rijns g. in teghenwoerdicheyt (van) H. Chrispiaen, Cappellaen int gasthuis ende H. Dirck Wit.1)
De stichting, die met goedvinden van de erflaatster te Haarlem kon in het leven geroepen worden en waar aan o.a. Utrecht als voorbeeld gesteld werd, zou dan hebben bestaan in eene kapel welke Jerusalem genoemd werd. Een dergelijk gebouwtje zag men reeds op het laatst der 14e eeuw buiten de muren der hoofstad van het Sticht, nabij de voorstad de Weerd.2) Het droeg zijn naam naar een heilig Graf, navolging van dat te Jerusalem waarin het lichaam van Christus gelegd was, behield zijne oorspronkelijke bestemming tot in 1[..]8, toen het verkocht en op de plaats waar de kapel stond een vrouwenklooster gesticht werd, en het heilig Graf binnen de stad bij St. Janskerkhof werd overgebracht.3)
Aanstonds ligt de vraag ons op de lippen of metterdaad te Haarlem aan den wensch of aan de machtiging der testatrice is voldaan, doch ik ben voor als nog buiten staat hieromtrent een afdoend antwoord te geven. Wanneer ik mij tot gissingen mag bepalen, (en ik begeer niet
verder te gaan) zou ik vermoeden, dat eene kapel, Jerusalem genaamd, kan hebben bestaan op de Oudegracht ongeveer over de Schagchelstraat- Frankenstraat en dat aan de nabijheid dier gewijde stede, twee begrenzende straten den naam van Groot- en Klein Heiligland hebben ontleend. Die eigenaardige en in andere plaatsen weinig voorkomende benaming, wijst, naar het mij toeschijnt, op herinneringen aan Palestina, en men zal mij ten goede willen houden, zoo ik eenig verband zoek tusschen de medegedeelde bepalingen uit het testament van 1484 en den naamsoorsprong van het Haarlemsche Heiligeland. De aanwezigheid van kloosters, ook in deze buurtschap, kan met dien naam niet in verbinding staan. Wel trof men in verschillende wijken der stad dergelijke gestichten aan en is de naam van den heilige of van de orde op eene of andere straat overgebracht (St. Janstraat, Minderbroedersteeg, St. Ursulasteeg, St Margarethastraat enz.), maar nergens heeft eene straat aan de aanwezigheid van conventen een zoodanig vroom praedicaat ontleend.
Van nu af aan zullen wij enkel te spreken hebben van de Ridderlijke Broederschap van den heiligen lande te Haarlem, en laten verder alles wat voorafgegaan en hiervoren reeds besproken is, rusten. De godvruchtige vrouw, die in 1484 haar testament maakte, koos bij de stichting op welke zij het oog had, Utrecht tot voorbeeld, en na vierhonderd jaren zal ik bij de geschiedenis, die ik te leveren heb, denzelfden weg volgen. Het zal toegestemd worden, dat tot juiste kennis van den aard en het doel van kloosters, gilden, enz. de Stichtingbrief, de akte van oprichting of constitutie van groot belang is; daarom zou ik ook gaarne een dergelijk stuk als grondslag wenschen mede te deelen aangaande de Haarlemsche Jerusalemsvaarders, maar dewijl dat tot heden niet is te voorschijn gekomen en de lotgevallen van hunne broeder-
schap uit velerlei verspreide aanteekeningen e.d. moeten opgespoord worden, geloof ik dat het zijn nut en belang kan hebben hier allereerst eene plaats te geven aan den nooit vóór dezen gedrukten fundatiebrief der broederschap van Jerusalem te Utrecht, dagteekenende van Palmzondag 1394. Het staat vast, dat de grondslagen waarop alle dergelijke vereenigingen, gelijk ze in Holland te vinden waren, werden opgericht, overal dezelfden zijn geweest; het doel kon bij de eene niet onderscheiden wezen van de bestemming bij de andere, en zoo al de inwendige huishouding bij de verschillende Jerusalemsbroederschappen iets mocht uit een loopen, kan dit slechts strekken om wat meer toon, gloed en plaatselijke kleur te leggen in het bestaan en bedrijf dier geestelijke gilden onderling. Ik houd het er voor, dat dus de Stichtingsakte van de broederschap der Haarlemsche Jerusalemsvaarders, vrij wel zal hebben overeengestemd met die der Utrechtsche Vereeniging, welke aldus luidt:1)
Inden naeme des Almachtigen Goeds ons heeren Jhesu Christi, de hem tot onser alre zalicheyt gheweerdicht heeft te daelen wten scote sijn vaders inden lichaem sijnre moeder bijder bootschappe die de heylige Engel Gabriel in Nazereth dede Marien sijnre moeder, In Bethlehem gheboren, ende die substantie onser versterfliker minscheyt aenghenomen ende vereenicht onder substantien zijnre Godlicker natueren mit eenre onspreeckeliker vergaederinge, blijuende die hij was ende aennemende dat hij niet en was, omdat hij in hem hebben soude waermede
hij den gevallen minsche in zonden verlozen mochte ende daer of vernoghen Godt den Vader, inder riuiere van Jordaen van zinte Johan Baptiste gedoopt, tot Jerusalem voor ons mildeliken ende ouervloeliken alse eene rinnede beke sijn eygen bloet in sijnen drie ende dertichsten iaere wtghegoten heeft, soodat vanden hiel sijns voets totden borsten sijns hoofs in hem geene gesondicheyt te vynden en was, opden berch van Caluarien voor ons den eewigen vader de scout van Adam betaelt, ende die vlecke der ouden zonde mit sijnen properen bloeyde, aenden outaer des cruyses hem seluen offerende, affgewisschet heeft, vernielende de banden des doots alse een verwinre der hellen, opden derden dach verresen ende binnen XL dagen daerna hem vertonende sijnen iongeren bi menigerhande openbaringhe, ende de zinen toesiende opgeclommen vanden berch van Oliueten inden hemel, ende daernae vuytgestort ende gesent heeft opten berch van Syon in sijnen wtvercoren kinderen de gaue des heyligen geests Ende wedercomen sal inden dal van Josephat alse een streng rechter ten lesten oirdel, die ons genadich sij, Amen. Allen getrouwen des kersten geloue Wi Willam heer van Abcoude ende van Duersteden, Gheraerd Foecke canunc ten Doem, Laurens Mazelant priester eewelic vicarius inder kercken tot S. Marien t Utrecht, Johan van Zulen ridder, Johan vanden Rijn Boeckelssoon, Jacob van Groenenwoude, Sweder van Houdaen, Harman de Vroede, Johan vander Weyde, Ghijsebrecht Loef Berchmaecker, Johan van Sterrenberch, Johan Scorre, Ghisebrecht vanden Weerde, Zwarte Lambrecht Aerntssoon, Johan Meynaert, Johan Coecke, Dirck Hullensone, ende Peter Ruyssche, knapen, die versocht hebben dat heyliche graft ons heeren, ende anders heylige steden ende anderswaer des lants van Jherusalem, aennemende dat den tijd des minschen glidende is in corticheyt der dagen, ouer-
mits crancheyt des minschen leuens ende cortheyt des tijts etc. ende die memorie des minschen cranc ende verganckelic is der geschieder dingen, ende wie oeck met allen korsten gelouigen minschen mede deelachtich werden mogen des heyligen scats ende testaments des almachtigen Goots de hi in desen voornoemden heyligen steden gelaten heeft. Zoo hebben wij onder ons eendrachtelick voor ons ende onse nacomelingen broeders van Jherusalem mit goeden beraden wt desen ende andere rechtveerdelike zaecken, tot eenre eewiger gedenckenisse ende memori deser heyliger steden, ende aldier wercken die onse heer Jhesus Christus aldaer ende anderswaer gewrocht heeft, met woorden geleert ende gethoont mit sijnen heyligen exempelen, een minnelicke broederschap ende eenicheyt begonnen geordonneert ende aengenomen, beghinnen ordonneren ende aennemen mit desen tegenwoirdigen letteren inde stadt gestichte ende Cristdom van Utrecht eewelick gedurende, inder manieren alse hier na bescreuen staet. Inden eersten so maecken wij ons seluen onderlinge broeders van Jherusalem te wesen der broederschap voors. Item soo mogen wij uts. tot alre tijt goede lude ontfangen in onse voors. broederschap, oec waer sij tot Jherusalem geweest hebben, ofte niet en hebben. Item so en sellen wij niemant in ons broederschap nemen van die te Jherusalem geweest hebben, hi en hebbe de reyse gedaen van sijn selfs goede ofte in eerliken dienste. Item soo wie tot Jherusalem geweest heeft, ende in onse broederschap ontfaen wart, die is dan rechtevoort onse broederschap schuldich 2 oude gulde Vrancrijcse scilde. Item so wie tot Jherusalem niet geweest en heeft ende in onse broederschap ontfaen wort, die is dan rechtevoort onser broederschap schuldich vijf oude gulde Vrancrijcse scilden. Item soo wie in onser broederschap ontfaen wort alse voors. is die sel hem verbinden ende onser broederschap louen
alle onse ordonnantie te houden ende daer nimmermeer tegens te doen noch te spreecken Item sal hij geuen sonder wederseggen onsen bode onser broederschappen voors tien schillingen. Item viel enich sceel onder enich onser broeders voors. dat van onse broederschap rorende waer, dat zouden onze ander broeders verliken of sij connen. Item so sellen wij ofte onze nacomelingen broeders voors. die tot Jherusalem geweest hebben mit palmen van Jhericho, ende die tot Jherusalem niet geweest en hebben met groenen palmen alle iaer opten palmdach tot Utrecht wesen, ende onder die palmwyynghe tot sinte peters inder kercken vergaderen, ende de gewoontlike feeste, die men opten palmdach van st peters totten Doem te doen placht helpen doen, dats te verstaen, dat de pellerims van Jherusalem ons heeren beeld mitten ezel trecken zellen, ende die ander broeders die tot Jherusalem niet geweest en hebben, sellen manierlick den voors. pelgrims na gaen ende volgen, ende onser broeders engeen van daen te scheyden, ons heeren beelde mitten ezel en sij staende voor dat choor ten Doem, bij enen koer van enen ponde, nootsaecken wtgedinc, daer sij hem of ontschuldigen mogen voor die procuratuers onser broederschap voors. Item zellen wi dan rechtevoort van den Doem in onse capellen gaen, ende daer te samen misse hooren, bij een pene van vijf schillingen. Item na deser missen zellen onse broeders allegader te samen vergaderen in een eerbaer huys, daerse de procuratuers in wijsen sullen, ende aldaer te samen blijuen eten. Ende zoe wie daer niet en quaeme, die zoude den coste mede helpen betalen gelijc de andere broeders die daer gecomen waren, nootzaken wtgeset, etc. Item soo mogen die procuratuers opten palmdach voors. ten eten ontfaen na hare goetduncken priesters heren ridderen ende goede luden die daer begeren, weder sij Jherusalems pelgrims sijn oft nyet. Item
alle iaer als die maeltijt gedaen is, en Godt gelouet, so sellen alle die ghene die daer ter maeltijt gecomen waren, alle onze doode broeders gedincken mit drien pater noster ende Aue Maria. Item als dit volbracht is, ende die cost betaelt, so sellen dan die twee procuratuers, die des iaers procuratuers geweest hebben, enen nyen procuratuer kiesen, die twee iaer lang procuratuer blijuen sal, mitten enen procuratuer die laest voor hem geweest is het eerste iaer wt, ende mitten anderen procuratuer die na hem eerst gecoren werden sal dat ander iaer wt. Ende dese procuratuerschap en sel hem niemant weren mogen sonder noitsaecken. Item so sellen die twee procuratoors, onser broederschap zegel ende signetten besluten in onser broederschap kist, mit twee sloten, ende daer sellen sij elcx van enen sloot een sluetel hebben. Ende die kist mitten zegel signetten ende alsulcken brieuen alse onze broederschap dan heeft, zei die oudste procuratuer houden ende verwaren. Item so en zellen die procuratuers mitten segel ende signetten niet zegelen nochte doen, ten sij biden versamenden broederen opten palmdach ofte op enen anderen dach, als die gemeene broederen daer bi geroepen warden. Item zoo zellen dese procuratuers in horen iaere ontfangen eyschen ende inwinnen alle dat onzer broerschap verschenen wart ende verschenen is, eer si afgaen zullen vander procuratuerschap, ende daer en zellen geen onser broederen weder segghen moghen in geenre manieren die onser broederschap yet schuldich waer te geuen, off wouden die procuratuers yet dat den geeyscheden broeder niet redelic en dochte, dat souden die vergaderde broederen tot alre tijt sonder enich wederseggen naer horen goetduncken berechten. Item so sellen alle onse broeders de tot Jherusalem geweest hebben, alle iaer opten Witten donderdach den zi binnen Utrecht sijn tot Buerkercke ter mandate comen, bij een koer van vijf schillingen, noet-
saecken wtgezet. Item soo wanneer ymant van onzen broederen sterff, die is dan rechtevoort na sijnre doet onzer broederschap schuldich drie oude gulde Vrancrijckse scilden, ende die moghen die procuratoers inwinnen met geesteliken ende mit weerliken rechte sonder eenich wederseggen van des geens erfgenamen die ofliuich geworden was, van den reedsten goede dat men vinden mach ende hij achter hem gelaten hadde. Item soo wanneer ymant van onsen broederen sterft, so sijn alle onse andere broeders binnen Utrecht schuldich te samen te comen, mitten dode te gaen als men te kercke draghet, ende den dode te draghen also verre alse hijs in sijnen leuen begerende was, ende inder zielmissen te blijuen ter tijt toe dat die doede ter eerden bestaet is, elc op en koer tot elcker end van tween schillingen, noetzaken wtgeset. Item voor elcken broeder die ons ofsterft, is elc onzer broederen schuldich te doen lesen zeuen zielmissen binnen den eersten iare na ons dooden broeders doet. Item in allen desen last van broederschap te winnen ende van after laten, zo willen wi dat onzer arme broeders die tot Jherusalem geweest hebben ontslagen wesen zellen ende zi opten palmdach met ons eten zullen gelijck ons, opter ander gemeenre verzamender broeder cost. Item so moghen de procuratuers tot alre tijd, so wanneers te doen is, onse broeders mit onzen bode doen bieden te vergaderen, bij een koer van vijf schillingen. Item so wanneer die broeders om onzer broederschappen zaken vergaderen, so wes dan de meere parthye ouerdraghen, dat zel die minre parthye altoes mede consenteren ende volghen. Item in deser ordonnantien voors. ende in allen anderen die ons broeders namaels ordonneren moghen, behouden wij ons ende onse nacomelingen de machte, eendrachtelicken te verminren ende te vermeeren, ofte te verclaren tot allen tijden alst onzen gemeenen broederen nutte ende oirbaer-
lick sal duncken wesen. Ende op dat dese ordonnantie ende alle puncten voors. eweliken vaste ende stade gehouden ende onverbroockeliken blijue, soo hebben wi broederen van Jherusalem voorgenoemd onsen segelen an desen brief gedaen. Gegeuen ende geordineert int iaer vander geboorte ons heeren Jhesu Christi dusent driehondert vier ende tnegentich opten palmdach.
(Onder hangen aen dubbelde pergamene sterten 17 groene wasse segelkens aldus (volgen de teekeningen van 17 zegels.)
Ziedaar nu, wat men in de middeneeuwen gewoon was in de fundatie akte van eene Broederschap van Jerusalems vaarders te bepalen. Voor de eerste maal zien wij ‘de broederen ende goede mannen die tot Jerusalem geweest hebben’ te Haarlem in het openbaar optreden op Palmzondag van het jaar 1506, bij welke gelegenheid zij van stadswege vier kannen Rinschen wijn ten geschenke ontvingen. Men kan er zeker van zijn, dat zij op dien tijd eerst kort geleden zich tot eene broederschap hadden vereenigd; want toen de leden der Stedelijke Regeering, die even na 1506 de rekening der Thesauriers moesten nazien, daarin eene nimmer te voren aangetroffen uitgaaf van 28 stuivers voor Rinschen wijn vonden, moet er gewis over gesproken en inlichting omtrent deze ‘nieuwigheid’ gevraagd zijn, maar toen zij voldoende waren op de hoogte gebracht en gemachtigd, werd er op den kant geschreven: ‘Transeat bij consente van de Wet ende de Vroescappe die segghen dattet es ter eere godes.’
Nadat eenmaal eene dergelijke bewilliging was verleend, ging er schier geen Palmzondag meer voorbij, waarop de broeders van den heiligen lande geen stadswijn op hun feest ontvingen; en nu eens beknopt dan weer meer breedvoerig, worden, gelijk wij nader zien zullen, de daarvoor gedane uitgaven in de Thesauriers-rekeningen vermeld. Door de omschrijving dier betalingen, zoo als zij in de stedelijke rekeningen voorkomen, raken wij wat nader bekend met den aard der feestvieringen van de Jerusalemsvaarders. Wanneer wij ons streng houden aan de berichten daar medegedeeld, vernemen wij, dat de broederschap voor de eerste maal op Palmzondag 1545, zich belast had in de processie den ezel te trekken; dat vroeger, (wij vinden vermeld in 1526), aan Broeder Gerijt Thymansz. uit het Predikheeren klooster een kan wijn werd gepresenteerd ‘omdat hij onsen heer vpten
esel als goids Ridder getogen hadde.’1) Dat de Broederschap in goed aanzien stond, kunnen wij hieruit afleiden, dat de Schout der Stad, Burgemeesteren en leden van het gerecht, soms ook de Heer van Brederode2) te gast genoodigd werden en met de feestvierende grafridders aanzaten; doch dat de staat der geldmiddelen, vooral in de eerste jaren, niet altijd gelijken omvang had als de rij der dischgenooten, vernemen wij, wanneer we nu en dan lezen van geldsommen aan de Broederschap van stadswege geschonken ‘tot hulpe ende subsidie der teercosten, alsoe dieselve ongelijck meer bedragen hebben (dan de inkomsten) ende omdat dieselve broeders cleyn van getaele zijn ende anders huer gewoenlijcke stacie ende feeste nyet en souden hebben mogen onderhouden.’
Hem, die nog wat meer wenscht te vernemen uit de huishouding van het Haarlemsche Gilde der Jerusalemsvaarders, zij de lezing van de hier volgende aanteekeningen uit de Thesauriersrekeningen aanbevolen.
Sedert dezen tijd komt voor een collectieve post van uitgaaf wegens ‘presentatie van stadtscannen (wijn) aen diversche Heeren’, zonder verdere vermelding van namen of kwaliteiten.
Van even veel, zoo niet van nog meer belang dan wat voorafgaat, is voor onze geschiedenis de schilderij, waarop de processie der Haarlemsche Jerusalemsvaarders wordt afgebeeld, en die Joan Van Scorel, zelf lid der Broederschap, tot maker heeft. Met vrij veel zekerheid kan men volhouden, dat dit paneel is vervaardigd tusschen 16 October 1528 en 29 December 1530. De Utrechtsche Broederschap had zich in het jaar 1525 doen afbeelden, en toen de Haarlemsche Jerusalemsvaarders dit vernamen, begeerden zij eene dergelijke schilderij te bezitten, welke dan ook kort daarna door Van Scorel, volkomen in denzelfden trant maar op grooter schaal dan de reeds in het Sticht geleverde, onder handen genomen en voltooid werd.
Voor wij verder gaan zij het mij vergund hier eenige levensbijzonderheden omtrent den schilder op te nemen.1) ‘Joan Van Scorel werd geboren te Schoorl op 1 Augustus 1495. Hij was de leerling van Willem Cornelisz. te Haarlem, Jacob Cornelisz. Van Oostzanen te Amsterdam, Johan Gossaert gezegd Mabuse te Utrecht. Later studeerde hij eenige jaren te Neurenberg bij Albert Durer, te Venetie en te Rome. In 1520 maakte hij eene reis naar
het Heilige Land. Adriaan VI benoemde hem tot conservator van het Belvedère (1522-1523). In 1523 keerde hij naar Nederland terug en vestigde zich te Utrecht, waar hij woonde bij den Deken van Oudmunster Herman Van Lochorst, die in 1514 vicaris-generaal van het bisdom geweest was. Het schijnt dat hij toen in den geestelijken stand getreden en eerst (vóór 1525) vicaris van de St. Janskerk, later zielpriester (prebendatus animarum) in de St. Mariakerk geworden is. In 1527, tijdens den oorlog met Gelder, week hij naar Haarlem, waar de Commandeur van St. Jan, Symon Van Zanen, hem verscheidene schilderijen bestelde. Den 16 October 1528 werd hij, als belooning voor het schilderen van het altaarstuk op het hoogaltaar der St. Mariakerk te Utrecht, kanunnik dier kerk. Hij woonde verder te Utrecht en overleed er den 6 December 1562. Het grafschrift op zijne tombe in de St. Mariakerk luidde:
Daarboven was eene tafel opgehangen, waarin een portret van Van Scorel door Antonie Mor (dat omstreeks 1700 berustte bij ‘Sipenesse, Schorelli nepotem’) met de spreuk:
Verscheidene altaarstukken van Van Scorel in de Nederlandsche kerken en de geestelijke gestichten van België worden vermeld. Ook als architect was hij beroemd.1) Een zijner leerlingen was Antonie Mor.2) Zeker was Van Scorel vermogend, daar hij tot 1551 het groote huis Onder de linden te Utrecht bezat, waar vroeger Heer Wolfert Van Brederode woonde, en waar in de troebelen eerst
het geheele klooster van Marienhage te Arkel, later dat van Nazareth in het Gein een onderkomen vond. Hij liet vier (of zes) kinderen na bij Aecht Ysacksdochter van Schoonhoven.’
Het mag boven tegenspraak geacht worden, dat Joan Van Scorel de schilder is van het bovenvermelde paneel, doch om der volledigheidswille maak ik hier gewag van een ander bericht voorkomende bij B. De Jonge Desolata Batavia Dominicana1), die het volgende zegt: ‘Guiccardinus (sic!) in descriptione Civitatis Antverpiensis, agens de pictoribus, narrat temporibus suis Harlemii in Aula Principis, quondam Conventu Jacobinorum, in maximo pretio fuisse picturam quamdam depictam a Lamberto Amstelodamensi repraesentantem effigies Equitum Jerosolimitarum ad vivum expressas, inter quas pictor effigiem suam etiam depinxit.’ In de twee eerste uitgaven van Guicciardijn (de Italiaansche en Fransche, beiden van 1567)2) komt die aanteekening niet voor, maar wel in de 11e uitgave, verschenen in 1612 (de eerste nederlandsche vertaling, door Cornelius Kilianus en Petrus Montanus.)3) De vertalers hebben hier en daar tusschen den tekst van Guicciardijn, vooral in die hoofdstukken waar over Schilders gesproken wordt, ophelderingen en aanteekeningen gevoegd, veelal ontleend aan het sedert de eerste uitgave Di tutti i Paesi Bassi (1567) in het licht verschenen ‘Schilderboeck’ van Carel Van Mander. De schrijver van Desolata Batavia Dominicana, die misschien de Nederlandsche vertaling van Guicciardijn van 1612 gebruikte4),
heeft zich blijkbaar vergist en de aanteekening van Kilianus en Montanus, die bij het artikel over Van Scorel behoort, geacht te slaan op den dadelijk voorafgaanden Lambrecht Van Amsterdam. En zoo is zijn onjuist bericht in de wereld gekomen.
Eene bepaling van den tijd, waarop de schilderij door Van Scorel is vervaardigd, valt niet moeilijk. Gelijk wij hierboven reeds gezien hebben, werd de schilder den 16 October 1528 kanunnik der Utrechtsche St. Mariakerk en hij vermeldt zelf die waardigheid onder zijn afbeeldsel, waarover nader gesproken zal worden; derhalve heeft hij zich vóór zijne benoeming tot dat kanunnikaat voor de Haarlemsche Jerusalemsvaarders niet aan het werk gezet. Den 29 December 1530 is Pieter Van Leeuwaerden, die in de afgebeelde processie de rij opent, vo]gens het later bijgeschilderde grafschrift gestorven, dus moet noodzakelijk de tijd der vervaardiging liggen tusschen 16 Oct. 1528 en 29 December 1530.
De lotgevallen van deze schilderij laten zich niet met zooveel stelligheid bepalen. Wij hebben reeds vernomen dat Van Scorel in 1527 tijdelijk naar Haarlem kwam, en het is niet onwaarschijnlijk, dat hij, ofschoon prebendatus animarum der St. Mariakerk in Utrecht, te Haarlem zijn intrek nam in de Commanderij van St. Jan, waar Heer Symon Van Zanen destijds Commandeur was. Deze geestelijke Heer moet, naar men hier en daar opgeteekend vindt, partij hebben getrokken van het talent van Van Scorel,1) en kan wel de hand gehad hebben in de bestelling der schilderij van de Jerusalemsvaarders. Doch het is niet waarschijnlijk, dat dit stuk ooit eene plaats heeft gehad in de Commanderij, dewijl het niet voorkomt op den inventaris der goederen van dit klooster, welke in het jaar 1625

Lith: L. van Leer. & Co Haarlem.
aan de Stad Haarlem zijn overgeleverd. Veeleer kan men aannemen, dat de schilderij de kapel der Jerusalemsvaarders heeft vercierd en in 1581, met de overige bezittingen van kloosters en geestelijke gilden door de Staten van Holland en den Prins van Oranje tot zich genomen en aan de stad Haarlem toegewezen zijn. Veel langer dan twee eeuwen heeft het stuk in het Princenhof gehangen, is later verhuisd naar den zolder van het Stadhuis, doch bevindt zich nu sedert 1862 in het Stedelijk Museum. Naar het schijnt is het in verloop van tijd eens opgeknapt geworden, ten minste het draagt de sporen dat er hier en daar nog al in bij geschilderd is: de nader te bespreken personen hebben ieder hun geslachtswapen boven het hoofd; maar in den gelijkheidstijd, op het einde der vorige eeuw, zijn al die wapens zwart overgeverfd, en waren dus niet meer zichtbaar. Reeds spoedig echter nadat de schilderij in het Stedelijk Museum was opgehangen, is die laag zwarte verf weggenomen, en vertoont het stuk zich weder in behoorlijken staat.
Ik meen nu met de vereischte ophelderingen ver genoeg gekomen te zijn, om tot de eigenlijke beschrijving over te gaan der Afbeeldingen van
de Haarlemsche Jerusalemsvaarders.
De schilderij is op paneel, hoog 1.13 breed 2.74, de beelden zijn nagenoeg levensgroot voorgesteld en als het ware in processie of optocht achter elkaer gaande, allen zonder baard en zonder knevels; gemiddelde hoogte van het gelaat 0 19; allen zijn gewend naar de linkerzijde.
De broeders staan vóór een schot en achter eene plint, ieder heeft zijn geslachtswapen boven het hoofd, en een acht regelig versje, onder ieders beeldtenis, geeft opheldering omtrent den voorgestelden persoon. Op de plint zijn vijf vellen wit papier geschilderd: op het 2e-5e zijn
op elk, drie zulke versjes geplaatst, en het 1e bevat de namen van de overleden gildebroeders in dezer voege:
Thijs Tomasz.
de knecht, staat wat hooger, want zijn hoofd steekt boven de hoofden van al de anderen uit: hij ziet naar de rechterzijde en dus op al de broeders neer, hij heeft lang grijzend haar en kalen schedel, van zijne kleeding is weinig zichtbaar. De knecht houdt een schilderijtje met gebogen bovenlijst in de handen, waarop men eene afbeelding ziet der kerk van het Heilige Graf, met dit versje er onder:
Claes Van Dusen, poorter van Leiden geboren te Haarlem, Ridder van Jerusalem, is tusschen 1484 en 1505 elfmaat in die Heylighe plaets tot Jerusalem geweest. Hij noemt zijne reisgezellen op elken tocht, en vermeldt daaronder in 1485 Pieter Van Leeuwaerden van Haerlem. Claes Van Dusen was er ook in 1484 en 1486 maar met andere bedevaartgangers. Pieter Van Leeuwaerden moet dus twee achtereenvolgende jaren den tocht naar Jerusalem gemaakt hebben, of het jaartal onder zijn portret is niet juist.1) In het Liber memoriarum domus hospitalis S. Joannis Hierosolimitani in Haerlem2) komt voor in de maand Januari (anno?): Remburch pieter van lewerdens wijf (begraven) opt kerchof besijden die oostpoort. Pieter Van Leeuwaerden, de grootvader van den bedevaartganger, wordt bij vonnis van den gerechte van Haarlem van 16 Juni 1455 in eene boete verwezen, omdat hij zonder verlof van de excijsmeesters koren uit zijn schip had gelost. Of Justus en Isabella Van Leeuwarden, die in 1773 te Haarlem het remonstrantsche hofje stichtten, nog verre nakomelingen van hem waren, is niet met eenige zekerheid te zeggen.
Wapen: Blauwe klimmende leeuw op zilveren veld, links gewend, rood getongd en geklauwd.
Wapenspreuk: ic sucht om hair.
Zwart haar, kort geknipt en in het midden gescheiden; zwarten mantel met grauwachtig bont gevoerd en met bonten kraag.1) Om den hals een zwart lintje waaraan een klein gouden zwaard met een gouden Som het lemmer; hij houdt de Jerusalemsveer in de rechterhand, de linkerhand open en wat in de hoogte geheven.
Onder zijne afbeelding staat geschreven:
Wapen: Gouden veld met drie zwarte dwarsbalken, links in de bovenste balk een Jerusalems-kruisje van keel.
Wapenspreuk: espera(n)za en dieu.
Grijzend haar, op het voorhoofd kort geknipt, kalen schedel; hij draagt een zwarten mantel met bont gevoerd en met een breeden, bruinbonten kraag: om den hals een soortgelijk verciersel als Pieter Van Leeuwaerden. Hij houdt de handen in de hoogte bijeen en de Jerusalemsveer rust tegen zijne borst. Onderschrift:
Wapen: Drie zilveren horens (2. 1.) met gouden banden op veld van keel. Tusschen die horens een Jerusalemskruisje van goud.
Wapenspreuk: Wat scaet versocht.
Grijzend haar, op het voorhoofd kort geknipt. Hij draagt een zwarten mantel en daaronder een wit kleed met
staanden halsboord in stikwerk: de Jerusalemsveer in de (onzichtbare) rechterhand. Onderschrift:
Joost Van den Hove was Schepen van Haarlem in 1495 en 1498.
Wapen: Zwart veld met zilveren dwarsbalk. In den linkerbovenhoek over een vierde van het veld een gequarteleerd wapen, met leeuw van keel, links gewend, op gouden en op zilveren veld.
Wapenspreuk: Waen bedriecht.
Zwart haar, op het voorhoofd kort geknipt. Zwarte mantel van gebloemd fluweel met breeden zwartbonten halskraag: daaronder een wit kleed (met staanden halsboord in stikwerk), zichtbaar aan de geopende linkerhand: de Jerusalemsveer in de rechterhand. Om den hals een gouden Jerusalemskruis aan gouden keten. Verder een smallen lederen gordel met enkele gouden plaatjes, hangende over den rechterschouder en onder den mantel. Onderschrift:
Wapen: Veld van keel beladen met drie gouden balken loopende van den linker boven- naar den rechter onderhoek In den rechter bovenhoek eene zilveren ster.
Wapenspreuk: Dat heb goe nacht.
Grijzend haar, kort op het voorhoofd geknipt. Het gelaat is voor 3/4 gewend naar de linkerzijde. Wit onderkleed met staanden halsboord in stikwerk. Daarover zwarte mantel met zwartbonten kraag. Handen onzichtbaar. De Jerusalemsveer rust tegen den rechter schouder. Onderschrift:
Wapen: Gouden stadspoort op zwart veld.
Wapenspreuk: Quantum Sirache.
Zwart haar kort geknipt op het voorhoofd. Wit onderkleed met staanden halsboord in stikwerk, ook aan de handen zichtbaar. Daarover zwarte mantel met bonten halskraag: een gouden Jerusalemskruisje aan een zwart lintje om den hals. Hij houdt de handen bijeen en wat in de hoogte. De Jerusalemsveer rust tegen den rechterschouder Onderschrift:
Wapen: Zilveren veld, met eenige zwarte strepen die elkaer snijden.
Wapenspreuk: Hoop vest geen acker.
Zwart haar kort geknipt op het voorhoofd. Wit onderkleed met staanden halsboord in stikwerk. Daarover zwarte mantel met bonten halskraag. Geen handen zichtbaar. De Jerusalemsveer rust tegen den rechterschouder. Onderschrift:
Wapen: Zwart veld met drie zilveren sterren. In den linkerbovenhoek over een vierde van het veld een schild: zilveren veld met kruis van keel.
Wapenspreuk: Eer voer baet.
Bruin haar kort op het voorhoofd afgeknipt. (Aldus ook al de nog volgende portretten.) Zwart onderkleed met staanden kraag, welke met bruin bont gevoerd is. Wit superpellicium daarover. De Jerusalemsveer rust tegen den rechterschouder. Geen handen zijn zichtbaar. Onderschrift:
Wapen: Veld van keel met drie gouden chevrons.
Wapenspreuk: Oft so geboirde.
Wit onderkleed met staand kraagje om den hals. Daarover zwarte mantel met bruin-bonten rand. Geen handen
zijn zichtbaar. De Jerusalemsveer rust tegen den rechterschouder. Onderschrift:
Zie over hem hiervoor blz. 213.
Wapen: Geschuind schild van keel en goud, waarop eene roos geschuind van goud en keel.
Wapenspreuk: Altijd getrou.
Wit onderkleed even aan den hals zichtbaar met opstaanden kraag in stikwerk. Zwart overkleed (toga) met wit superpellicium. De Jerusalemsveer rust ook bij hem tegen den rechter schouder. Geen handen zijn zichtbaar. Onderschrift:
Thesaurier der Stad Haarlem 1543-1546. Burgemeester 1550-1555. Reisgenoot van Mr. Aert Willemsz., van Delft.
Wapen: Veld van keel met zilveren rad van St. Catharina daarop.
Wapenspreuk: Wie es sonder Ramp.
Wit onderkleed met staanden halsrand in stikwerk; daarover zwart kleed, gezoomd met breeden bruin-bonten rand. De Jerusalemsveer rust tegen den rechterschouder. Geen handen zijn zichtbaar. Onderschrift:
Wapen: Groen veld gedeeld door gouden dwarsbalk. Daarin eene gouden ster. In het bovengedeelte twee zilveren wassenaars, in het benedengedeelte een zilveren wassenaar.
Wapenspreuk: Haet quelt hair selve.
Bruine mantel, met breeden zwart-bonten kraag en een dergelijken omslag aan de hand. Hij houdt de Jerusalemsveer in de linkerhand en over den rechterschouder. Onderschrift:
Ik ben nu aan het einde gekomen van de berichten, welke betreffende de Ridderlijke Broederschap van den Heiligen Lande te Haarlem mede te deelen waren. Wij hebben gezien, dat onze poorters der middeleeuwen niet achterbleven bij andere steden in vereering der heilige plaatsen te Jerusalem en in Palestina; dat de bedevaartgangers naar den lande van Over Meere de herinneringen, uit het verre oosten medegebracht, levendig hielden door samenkomsten op geregelde tijden, en de vereering der plaatsen, door het leven en sterven des Zaligmakers geheiligd, op velerlei wijzen bij hunne medepoorters aankweekten. Er is gewezen op de overeenkomst der Jerusalems-broederschappen onderling, en waar de berichten aangaande de Haarlemsche bedevaartsgangers niet volledig genoeg waren of schier ontbraken, zijn die gapingen aangevuld met eene verwijzing naar de geschiedenis der Utrechtsche pelgrims, die vooral eene merkwaardige overeenkomst heeft met de Haarlemsche.
Het schijnt mij toe niet ongepast te wezen, thans een kort overzicht te nemen van hetgeen hiervoor meer in het breede is besproken. Eene neiging tot aan-een-sluiting en vereeniging, gelijk vooral in de middeleeuwen
veelvuldig zich vertoont, wordt ook waargenomen bij degenen, die het Heilige Land hadden bezocht. Van daar dat in de 14de en 15de eeuw, hier vroeger daar later, zich broederschappen van Jerusalemsvaarders vormden, waarin zoowel zij werden ontvangen, die in pelgrimage naar Palestina waren geweest, als degenen, die hunne haardsteden voor dergelijke vrome tochten niet hadden verlaten, doch slechts in den geest aan de begeerte huns harten konden voldoen. Wie de reis niet uit eigen middelen had betaald werd niet aangenomen; wie in dienst van anderen naar Jerusalem was geweest, slechts voorwaardelijk. Er werd een streng onderscheid gemaakt tusschen deze twee groepen van leden der Broederschap. Die te Jerusalem waren geweest konden volstaan met voor hun inkomst in het geestelijk gilde twee oude gouden Frankrijksche schilden te voldoen, de overigen betaalden vijf dergelijke schilden. Jaarlijks op Palmzondag werd de groote processie en feestviering gehouden. Daarbij weder moesten de gildebroeders, die te Jerusalem waren geweest, zich aansluiten met palmen van Jericho (zoogenaamde Jerusalemsveeren) in de hand en zij mochten den ezel trekken waarop ‘ons heeren beeld’ was geplaatst; de overigen behoorden groene palmen te dragen en hadden den ezel te volgen.
Het ligt in den aard der zaak, dat het bijwonen van de plechtige heilige mis op Palmzondag, hier of daar in eene kapel of in de parochiekerk, een hoofdbestanddeel der feestviering was. Daarna vereenigden allen zich aan een gemeenschappelijken maaltijd, waarbij ook gasten van allerlei stand aanzaten; hij werd besloten met een gebed voor de overleden broeders en het verkiezen van nieuwe bestuurders van het gilde. Aan dezen was het beheer der bij te dragen penningen overgelaten en het bestier van alle des gilds zaken. Tot armoede gekomen
broeders, die in Jerusalem waren geweest, bleven vrijgesteld van alle betalingen en bijdragen. De anderen hadden niet alleen een jaarlijksch offer te brengen, voornamelijk ten behoeve van den maaltijd, maar waren zelfs verplicht na hun dood het gilde met drie oude gouden Frankrijksche schilden te bedenken. Daarmede was men verzekerd, dat alle gildebroeders aan de uitvaart deel-namen, den doode grafwaarts droegen en ieder voor den afgestorvene zeven zielmissen deed lezen. Wie te kort schoot in deze en dergelijke verplichtingen, moest grootere of kleinere boeten betalen ten bate van de algemeene kas.
Op deze grondslagen komt in Haarlem tegen het einde der 15de eeuw de Ridderlijke Broederschap van den Heiligen Lande tot stand, die misschien voortgesproten was uit een reeds in het begin dier eeuw vermeld gilde van het Heilig Kruis en het Graf des Heeren. Dit had al spoedig zoodanige beteekenis verkregen, dat in 1433 aan de godvruchtige bezoekers van een aan dit gilde toekomende heiligdom, eene aflaat verleend wordt.
Slechts ter wille der volledigheid is melding gemaakt van de bij testament in 1484 begeerde stichting eener Jerusalems-kapel, waarover echter de tijd in die mate zijn sluier heeft doen nederdalen, dat het niet wel mogelijk is o goede gronden iets van het bestaan dier kapel te zeggen. Genoegzaam blijkt daaruit evenwel, dat omstreeks dien tijd in Haarlem een kring van pelgrims naar het Heilige Land, zoo niet zich reeds vereenigd had, dan toch op het punt stond zich tot eene afzonderlijke broederschap te vormen. Met het jaar 1506 houdt alle onzekerheid op en verschijnen ‘de goede mannen van Jerusalem’ voor ons oog, nu aaneengesloten tot eene erkende broederschap en optrekkende ter viering van hun feest op Palmdag. Bij wijlen klein van middelen in den aanvang, staan zij hoog in aanzien bij hunne medepoorters en bij het stads-
bestuur, en ontvangen de edelsten en aanzienlijksten uit de burgerij aan hunnen disch. De Stedelijke Regeering schenkt jaarlijks bij het feestgetij den wijn in de kroesen dier jubileerende grafridders en opent zelfs de openbare kas, wanneer nu en dan de beurs der broederschap eene onbekrompen feestviering niet gedoogt.
Als de Haarlemsche Jerusalemsvaarders in 1525 vernemen, dat de Utrechtsche Broederschap van den Heiligen Lande zich door Joan Van Scorel heeft doen afbeelden, zetten zij, door een nu nog ons verblijdenden naijver gedrongen, aanstonds dien vermaarden schilder-bedevaart-ganger aan den arbeid en begeeren en bekomen een tafereel, grooter zelfs dan die in het Sticht, waarop hun processie op Palmzondag voorgesteld wordt.
Behalve vele bijzonderheden omtrent het afgebeelde twaalftal bedevaartgangers, dat terugwijst naar het getal der Apostelen en tot welk cijfer men zich, naar het schijnt, blijft beperken, geeft Scorels schilderij nog eene ceel der doode broeders, waarin men namen leest uit elken maatschappelijken rang en stand. Die memorie-lijst van tot hunne vaderen vergaderde pelgrims toont aan, dat de Jerusalems-Broederschap in 1528-1530 te Haarlem reeds krachtig wortel geschoten heeft. Er kan aangetoond worden, dat zij, zoolang de regeeringsvorm ter zestiende eeuwe in stad en lande overheerschend Katholiek is, in hoog aanzien blijft, de kern der poorterij omvat, de besten tot zich trekt. In 1566 telt zij ook ‘zusters’ onder hare leden, niets verrassend voor hen die weten, dat ook menigmaal vrouwen, zelfs kinderen in pelgrimage naar het Heilige Land zich begeven.
In het jaar 1578 komt te Haarlem de verandering in de Religie. Met de eene hand grijpt zij naar de bezittingen van kerken, kloosters en geestelijke gilden, met de andere zet zij onverbiddelijk en ontijdig, een kwalijk
sluitend ‘finis’ midden in de geschiedenis van alle gestichten en broederschappen van den ouden godsdienst.
Eenklaps treden de vrome mannen en vrouwen, welke de ziel dier vereenigingen waren, naar den achtergrond. Ook zij wier processien wij jarenlang hebben gadegeslagen. De breede schaduw der tijden daalt neder over hen en over hunne daden. De namen der oude vreedzame poorters worden vergeten, nieuwe helden trekken het oog, vermaardheden van gisteren komen aan het woord.
In die mate worden ook de Jerusalemsbroeders vergeten, dat het schier is alsof ze nimmer van zich hebben doen hooren, nooit hebben bestaan. Te midden dier wenteling van tijden, deze omkeering van denkbeelden en meeningen, blijft echter toch nog eene vage herinnering aan bedevaarten in voorbijgegane eeuwen zweven, al is het slechts in den naam van een huis op het Klein Heiligland (nu No 53), dat ‘de Twee Pelgrims’ heette. Maar de veronderstelling is niet al te gewaagd, dat menigeen in Haarlem tegen het einde der zestiende eeuw, (1599) zal hebben moeten raden naar de bediedenis van het uithangbord der brouwerij van Mathijs Aelbertsz. Ban, waarop voor ieder te lezen stond:
‘Inde Jerusalemse Veer’.