Uitgegeven in:
Dit bericht is geschreven naar de mondelinge mededeelingen van Arculphus, Fransch Bisschop van een onbekenden zetel,1) door St. Adaman2), abt van St. Columba3)
Men bezit geen enkel ander levensbericht over Arculphus. Alleen is bekend dat een geestelijke of kluizenaar, genaamd Pieter, geboren in Boergonje, hem op zijn pelgrimstocht heeft vergezeld. Het schijnt aannemelijk te zijn, dat deze kluizenaar reeds vroeger eene reis naar het heilige land had gemaakt.
In eene korte voorafspraak zegt Adaman, dat de heilige bisschop zeven maanden te Jerusalem vertoefd had en hij bevestigt zijne waarheidsliefde en ervaring.
Terwijl Arculphus zijne reis verhaalde, teekende hij op een wastafeltje (cera) eenige omtrekken van kerken welke hij had bezocht, en Adaman bracht ze over in zijn handschrift.
Ik ga eenige bijzonderheden verhalen welke Arculphus mij heeft medegedeeld aangaande de stad Jerusalem, doch zal het stilzwijgen bewaren omtrent datgene wat anderen reeds over de gesteldheid dier stad hebben gezegd. In den onmetelijken ringmuur1) heeft Arculphus vier en
tachtig torens geteld en zes poorten, en wel in deze volgorde: allereerst, ten westen van den berg Sion, de poort van David, daarna de poort van het huis des volders, de poort St. Stephanus, de poort van Benjamin, vervolgens eene kleine poort waarmede men langs eene trap afdaalt in het dal van Josaphat en eindelijk de poort Tecuitis.
Deze poorten en torens van af de poorte Davids bevinden zich van afstand tot afstand in den ringmuur, eerst in noordelijke, dan in oostelijke richting. Maar hoewel men zes poorten in den stadswal aantreft, heeft echter het meeste verkeer plaats door die op het westen, noorden en oosten.
Geene enkele poort bevindt zich in dat gedeelte van den muur, hetwelk, van de poorte Davids, langs de noordzijde van den berg Sion, in het zuiden der stad, zich uitstrekt tot den steilen kruin van dezen berg in het oosten.
Wij mogen niet vergeten wat Arculphus ons heeft verhaald over de bevoorrechting, door Christus aan deze stad geschonken: ‘Eene bijna ontelbare menigte van allerlei volkeren, meldt hij ons, komt jaarlijks op den 15 September binnen Jerusalem samen, om daar koopmanschap te drijven: een noodzakelijk gevolg daarvan is, dat de stad genoodzaakt is dezen toevloed van vreemdelingen uit alle landen gedurende eenige dagen te herbergen; en de menigte kameelen, paarden, ezels, muildieren, ossen, welke de koopwaren vervoeren, verontreinigen met hunne uitwerpselen de pleinen van deze volkrijke stad, hetgeen voor de inwoners een groot ongerief is, in die mate zelfs, dat het hen belet uit te gaan. Maar, o wonder! te nauwernood zijn al deze vreemdelingen met hunne dieren vertrokken, of stortregens overstroomen des nachts de stad, spoelen al die vuiligheid weg en geven haar de voormalige reinheid weder terug. Want de stad Jerusalem, welke bij
den noordelijken kruin van den berg Sion aanvangt, heeft van God eene zoo glooiende helling tot den voet der muren in het noorden en het oosten ontvangen, dat al dit water niet gelijk een poel in de straten kan blijven staan, maar even als een bergstroom van boven naar beneden stort. Al dit hemelwater, een uitweg zoekende door de poorten op het oosten en alle uitwerpselen met zich voerende, zakt af naar het dal van Josaphat en doet de beek Cedron zwellen. Na deze afspoeling in Jerusalem houdt de regen op. Oordeelt derhalve, hoe deze stad metterdaad door den Allerhoogste is begenadigd, dewijl Hij niet wil dat zij ook slechts één dag verontreinigd blijve; maar, ter eere Zijns Zoons, zuivert Hij deze stad, welke binnen hare muren de plaatsen bevat, door het kruis en de verrijzenis geheiligd.’
In deze verheven stede, dicht bij den oostelijken muur, waar zich eertijds de heerlijke tempel bevond1), hebben de Saracenen op eenige oude bouwvallen eene vierhoekige bidplaats opgericht, samengetimmerd uit eene onaanzienlijke menigte groote balken en planken: zij kan, naar men zegt, drie duizend menschen bevatten.
Arculphus, door ons ondervraagd omtrent de gebouwen der stad, zeide ons: ‘Ik herinner mij vele gedenkteekenen dezer stad te hebben gezien en bezocht, en dikwijls vele groote steenen huizen binnen de stadswallen te hebben beschouwd.’ Maar wij zullen deze beschrijvingen laten rusten, om slechts stil te staan bij die gebouwen, opgericht in de plaatsen door het kruis en de verrijzenis geheiligd.
Ik heb Arculphus meer in het bijzonder ondervraagd over deze heilige plaatsen, en bovenal over het Graf
des Heeren met de daarboven gebouwde kerk, waarvan hij-zelf mij eene teekening op een wastafeltje heeft gemaakt. Deze kerk, welke zeer groot en geheel van steen is, vormt een volkomen cirkel: zij verheft zich op drie muren, en tusschen elk van dezen is de breedte van een weg: men heeft gelegenheid gevonden in de ruimte van den middelsten muur drie altaren te maken. Deze ronde kerk met hare altaren, het een op het zuiden, het ander op het noorden, het derde op het westen, wordt gesteund door twaalf steenen zuilen, van eene verbazende grootte. Zij heeft acht deuren, namelijk vier toegangen uitgespaard in hare drie muren; vier dezer deuren bevinden zich naar den wind van Vulturnus1), welken men ook Calcias noemt, en de vier anderen naar den Eurus2), In het midden van deze ronde kerk is in de rots eene bidplaats uitgehouwen, waar negen personen, staande, te gelijkertijd kunnen bidden, en tusschen het hoofd eens mans van gewone lengte tot aan het gewelf, is er nog eene ruimte van anderhalven voet. De toegang naar deze kleine bidplaats ligt op het oosten; aan de buitenzijde is zij bekleed met uitgelezen marmer; de koepel is met goud vercierd en met een groot gouden kruis bekroond. In het noordelijk gedeelte van deze bidplaats bevindt zich het graf des Heeren, uitgehouwen in dezelfde rots; maar de vloer der bidplaats ligt lager dan het graf, want de rand van het graf reikt drie palmen boven dezen vloer. Deze zijn de juiste afmetingen, mij opgegeven door Arculphus, die dikwijls het heilige Graf bezocht heeft. Het is hier de geschikte plaats over de onderscheiding te spreken, welke moet gemaakt worden tusschen de grafplaats en het graf. De ronde bidplaats, waarover wij gesproken hebben, is hetgeen de Evange-
listen de grafplaats noemen, en voor den ingang er van plaatste men dien steen, welke later bij de verrijzenis van den Heer werd afgewenteld. Het graf is in den engen zin van het woord dat gedeelte van de grafplaats, gelegen aan de noordzijde, waar het lichaam van Christus in de begraafdoeken gerust heeft. Arculphus heeft eigenhandig de lengte gemeten en bevond die te zijn zeven voeten. Dit graf is niet dubbel, gelijk men somtijds beweert: de steen is niet in dier voege behakt, dat de twee dijen en de twee beenen zouden gescheiden zijn, maar van het voet- tot het hoofdeinde is het een geheel, als het ware een rustbed vormende, waarop een mensch op den rug zou kunnen neergelegd worden; het is eene soort van grot, welks ingang zich ter zijde en omstreeks het zuidelijk gedeelte van de grafplaats bevindt: het hoofdeinde is eenigszins verheven. In dit graf branden dag en nacht twaalf lampen ter gedachtenis aan de twaalf Apostelen: vier zijn geplaatst aan het benedeneinde van deze grafstede en de acht overigen naast elkaer aan de rechterzijde, allen voortdurend met olie gevuld.
Wij moeten nog opteekenen dat dit grafgedenkteeken van den Verlosser, zich bevindende boven de bidplaats, op goede gronden eene grot of een spelonk kan genoemd worden: ziehier in welker voege de Profeet er over spreekt als hij voorzeggingen doet aangaande het graf van onzen Heere Jesus Christus: ‘Hij heeft de hooggelegen spelonk bewoond van eene onverwinbare rots.’ En een weinig verder, zich richtende tot de Apostelen, die vervuld moeten wezen van vreugde over de verrijzenis des Heeren: ‘Gij zult den Koning zien in Zijne heerlijkheid.’
In deze zelfde kerk heeft men in de rots eene grot uitgehouwen ter plaatse waar het kruis des Heeren heeft
gestaan, en daar draagt men aan het altaar het offer op voor de zielen van zekere hooggeboren lieden, wier lichamen, van de straat waar zij op de lijkbaar liggen, worden geplaatst voor de deur dezer kerk van Golgotha, tot zoolang de heilige geheimen zijn volbracht, welke men voor hen verricht. Wij hebben den platten grond van deze kerk en van nog drie andere kerken, in omtrekken geteekend, naar de schets welke Arculphus, gelijk wij reeds gezegd hebben, ten onzen behoeve in het wastafeltje had gemaakt; niet, dat men dien volkomen in eene teekening zou kunnen voorstellen, maar opdat men zich, zelfs door dit eenvoudig ontwerp, een denkbeeld zou kunnen vormen van de grafplaats des Heeren in het midden van de rotonde der kerk; en ook van de twee andere kerken, de een wat dichter bij, de andere wat verder van het graf af gelegen.
Wij moeten met een enkel woord spreken over den steen, welke na de begrafenis van den gekruisigden Heer voor de grafplaats werd gewenteld. Arculphus zeide ons, dat men dien steen in twee stukken heeft verdeeld: het kleinste is met den beitel behakt en vormt een vierkant altaar in de rondvormige kerk voor de deur der bidplaats, dat is, van de grafplaats des Heeren: het grootste gedeelte is ook behakt en dient voor een ander vierhoekig altaar, aan de oostelijke zijde der kerk.
Wij hebben ook aan Arculphus gevraagd, welke kleur de rots had aan de binnenzijde, waarin men deze bidplaats heeft uitgehouwen, en insgelijks in het graf des Heeren, dat aan de noordzijde in dezelfde rots zich bevindt, en hij heeft ons geantwoord: ‘Deze bidplaats van de grafstede des Heeren is aan de binnenzijde met geen
enkel verciersel bedekt en vertoont nog heden in haar geheele gewelf de insnijdingen der werktuigen, waarmede zij is uitgehouwen: de kleur der grafplaats en van het graf is intusschen niet overal dezelfde, maar de steen toont eene mengeling van rood en wit.’ En nu geloof ik hierover genoeg gezegd te hebben.
Wij hebben weinig meer te zeggen over de gebouwen der heilige plaatsen. Nabij deze rondvormige kerk, waarover wij gesproken hebben, die men de Anastase of de verrijzenis noemt en die gesticht is ter plaatse waar onze Heer is verrezen, heeft men aan de rechterzijde eene vierkante kerk gebouwd, toegewijd aan Onze Lieve Vrouw, de Moeder des Heeren.
Eene andere, zeer uitgestrekte kerk is gesticht in het oosten, ter plaatse in het hebreeuwsch genaamd Golgotha; van het gewelf hangt aan een koord een zeer groot koperen wiel af, met lampen daarop, en onder aan dit wiel is een groot zilveren kruis bevestigd, om de plaats aan te duiden, waar eertijds het houten kruis stond, waarop de Verlosser van het menschelijk geslacht is gestorven.
Dicht bij deze vierhoekige kerk van Calvarie staat in het oosten de steenen kerk, welke met groote kosten door den Koning Constantijn is gebouwd, en ook Martyrium genoemd wordt; opgericht, naar men zegt, ter plaatse waar na twee honderd drie en dertig jaren door de genade des Heeren het goddelijk kruis is teruggevonden, dat met de twee andere kruisen der moordenaars,
onder de aarde verborgen lag. Tusschen deze twee kerken is de vermaarde plaats, waar de Aartsvader Abraham een altaar oprichtte en van hout voorzag, en waar hij, het zwaard getrokken hebbende, zich gereed maakte om zijn zoon Isaac op te offeren. Op deze plaats staat thans eene groote tafel, waar het volk aalmoezen brengt voor de armen. St. Arculphus voegde daar nog deze bijzonderheid bij: ‘Tusschen de Anastase, dat is te zeggen deze rondvormige kerk waarover wij gesproken hebben, en de kerk van Constantijn, is eene kleine ruimte tot aan de kerk van Golgotha en in deze stede branden dag en nacht lampen.’
Tusschen deze kerk van Constantijn en het Martyrium bevindt zich eene soort van heiligdom, waar men den kelk des Heeren bewaart, welken Hij zegende en den apostelen aanbood in het avondmaal, dat Hij met hen hield op den avond voor Zijn lijden.1) Deze zilveren kelk heeft een inhoud van ongeveer eene halve kan, en twee kleine ooren, aan elke zijde een. In den kelk ligt de spons, welke de beulen, nadat zij dien in de azijn gedoopt hadden, den Verlosser op het kruis toereikten. Ook zou, volgens de overlevering, onze Heer na zijne verrijzenis, bij een maaltijd met Zijne apostelen nog uit dezen kelk gedronken hebben. St. Arculphus heeft den kelk gezien, en dewijl er eene opening is in het kastje, waarin dit gedenkstuk bewaard wordt, heeft hij hem kunnen aanraken en kussen. Al het volk der stad legt een diep eerbetoon voor dezen kelk aan den dag en komt dien dikwijls zien.
Arculphus heeft ook de lans gezien, waarmede een soldaat de zijde des Heeren doorstak, toen Deze aan het kruis hing. Deze lans is gesloten in een kruis van hout, in het voorportaal der kerk van Constantijn; de steel (hasta) is in tweeën gebroken. Gansch Jerusalem heeft ook voor deze lans een grooten eerbied en komt haar meermalen kussen.
St. Arculphus heeft met eigen oogen den zweetdoek des Heeren gezien, welke in het graf onder Zijn hoofd werd gelegd en hij verhaalde ons daarvan de volgende geschiedenis, welker waarheid door geheel Jerusalem wordt bevestigd; want St. Arculphus heeft haar vernomen uit den mond van vele geloovigen, die haar meermalen hem hebben verteld: ‘Ongeveer drie jaren vóórdat Arculphus in het heilige land kwam, werd het bestaan van dezen heiligen doek aan het geheele volk bekend, en ziehier op welke wijze: een jood, die eenig geloof bezat, had dien doek dadelijk na de verrijzenis uit het graf des Heeren weggenomen en hield hem lange jaren verborgen. Toen deze goedgezinde en getrouwe dief zijn einde voelde naderen, ontdekte hij aan zijne twee zonen het bestaan van dezen zweetdoek en zeide hun: “Kiest, mijne kinderen; zegt wat gij begeert, opdat ik, volgens uwe wenschen, aan den een al mijn rijkdom kunne geven, en aan den ander enkel den geheiligden zweetdoek des Heeren.” Daarop heeft degeen, die al de rijkdommen zijns vaders vroeg, ze ook van hem volgens de gedane belofte ontvangen: maar, o wonder! van dien dag af begonnen al die rijkdommen en dat vaderlijk erfgoed, waarvoor hij den zweet-
doek des Heeren had verkocht, hem door de handen te glijden, en al wat hij had, smolt door verschillende ongevallen weg. De andere zoon daarentegen, die den zweetdoek boven alle rijkdommen had verkozen, werd van af den dag, waarop hij dien uit de handen van zijn stervenden vader had ontvangen, door den goddelijken zegen gestadig rijker en met aardsche goederen als overladen, zonder evenwel de hemelsche te verliezen. En de afstammelingen van dezen driewerf gelukkigen man, brachten tot het ijfde geslacht aldus getrouwelijk dezen goddelijken zweetdoek als erfenis op hunne kinderen over. Maar na verloop van vele jaren en na dit vijfde geslacht, toen de erfgenamen van deze geloovige familie in de rechte lijn begonnen te ontbreken, ging deze geheiligde zweetdoek over in de handen van eenige ongeloovige Joden, die, hoezeer een dergelijk geschenk onwaardig, het evenwel met veel vereering bewaarden en daarom door de goddelijke barmhartigheid met zeer groote rijkdommen werden begunstigd. Inmiddels begonnen de geloovige Joden, die met voldoende zekerheid reeds met het bestaan van dezen zweetdoek bekend waren, dat heilig gedenkstuk heftig aan de ongeloovige Joden te betwisten, begeerende, dat het hun zou worden teruggegeven. Dit geschil verdeelde Jerusalem in twee partijen, de getrouwen en geloovigen, tegenover de ongetrouwen en ongeloovigen. Toen zeide de Koning der Saracenen, Navias, die door de twee partijen tot rechter was gekozen, tot de ongeloovige Joden welke den zweetdoek des Heeren bezaten: “Geeft mij dien heiligen zweetdoek, welken gij onder u hebt.” Aan dit bevel gehoorzamende, halen zij den zweetdoek en stellen dien den Koning ter hand; deze, den doek met eerbied aannemende, laat ten aanschouwe van al het volk op het plein eene houtmijt opstapelen, doet die aansteken, treedt toen zij goed brandt er op toe en zegt tot de twee
strijdende partijen: “Moge nu Christus, de Verlosser der wereld, Die voor het menschelijk geslacht geleden heeft en in Zijn graf dezen zweetdoek, welken ik in de hand houd, onder het hoofd heeft gehad, door de vuurproef uitwijzen, aan wie van U Hij begeert, dat een zoo heilig gedenkstuk toebehoore.” Zoo sprekende werpt hij den zweetdoek des Heeren in de vlammen. Het vuur kon hem niet bereiken: maar zonder moeite opwaaiende boven de houtmijt, gelijk een vogel met uitgeslagen wieken zich in het luchtruim verheft, dwarrelde de zweetdoek in de hoogte, en als het ware die twee groepen des volks gaslaande, twee legers gelijkende gereed met elkander te gaan strijden, dreef hij eenige oogenblikken in het luchtruim heen en weer; toen langzamerhand nederdalende, nam hij eindelijk zijn koers naar de binnenste groep der Christenen, die gedurende dezen tijd niet opgehouden hadden de rechtvaardigheid van Christus in te roepen. Deze heffen daarop de handen ten hemel, en met groote blijdschap zich op de knieën nederwerpende brengen zij hunnen dank aan God; alsdan voeren zij den goddelijken zweetdoek met alle eerbetoon mede, als een geschenk dat de hemel hun toezond, en, lofzangen aanheffende tot Christus Die hun er mede begiftigde, geven zij hem eene plaats in het allerheiligste der kerk en wikkelen hem in een anderen zweetdoek.’ Onze broeder Arculphus zag eens, hoe die doek zich van zelf ophief van de plaats waar hij rustte, en hij-zelf heeft hem gekust met de menigte geloovigen, die toegestroomd waren om hem te vereeren. Deze zweetdoek is ongeveer acht voeten lang. Maar nu is genoeg over dit onderwerp gezegd.
Arculphus heeft ook te Jerusalem een anderen en groote-
ren linnen doek gezien, welke, naar men zegt, door de heilige maagd geweven is; ook deze staat bij het volk in groote vereering. Op dezen doek zijn de namen van de twaalf apostelen gestikt en men ziet er zelfs het afbeeldsel van den Heer op; de een e helft is rood, de andere groen van kleur.
Ik moet ook iets zeggen van eene zeer hooge zuil, welke in de heilige plaatsen staande zich in het midden der stad, zoowat in het noorden, vertoont aan de blikken van degenen, die dit kwartier bezoeken. Deze zuil, zich verheffende ter plaatse waar een jonge doode door het aanraken van het kruis des Heeren, ten leven werd opgewekt ten tijde van den zomer-zonne-stilstand, werpt op den middag, wanneer de zon aan het midden des hemels staat, volstrekt geene schaduw af. Na den zonnestilstand, welke van den 8n der Kalenden van Juli (24 Juni) drie dagen aanhoudt, maakt zij slechts eene zeer kleine schaduw, maar gaandeweg wordt die grooter. Deze zuil, welke in den zomer zonne stilstand op den middag door de zon, wanneer zij aan het midden des hemels staat, als het ware aan alle zijden beschenen wordt, toont aan dat Jerusalem op het middenpunt der aarde gebouwd is. En ook de Psalmist, voorzeggende in welke plaatsen de heilige geheimen van het lijden en opstanding moesten voltrokken worden, zegt, zinspelende op de ligging van Jerusalem: ‘God, onze Koning van alle eeuwigheid, heeft in het midden der aarde het heil gewrocht’, namelijk in Jerusalem, dat het middenpunt en als het ware de navel der aarde is.
St. Arculphus, een onvermoeid bezoeker der heilige plaatsen, ging dikwijls naar de kerk van Onze Lieve Vrouw in het dal van Josaphat. Dit is een dubbel gebouw en het benedengedeelte bestaat uit een bewonderenswaardigen ronden tempel onder een gewelf van steen. In het oosten bevindt zich een altaar en aan de rechterzijde daarvan is het graf der heilige maagd in den steen uitgehouwen. Zij rustte daar eenigen tijd; maar men weet niet op welke wijze, noch wanneer en evenmin door wie haar heilig lichaam werd weggevoerd en in welke plaats zij den dag der opstanding verwacht. Wanneer men deze ronde benedenkerk van Onze Lieve Vrouw binnentreedt, ziet men aan de rechterzijde in den muur den steen vastgehecht, waarop onze Heer in het hofje van Gethsemané, in den nacht toen Judas Hem aan de krijgsknechten overleverde, vóór het oogenblik van het verraad op Zijne knieën bad en men ziet nog op dien steen de indruksels van Zijne beide knieën, evenals in zachte was. Dit is hetgeen onze broeder Arculphus ons heeft verhaald en hij heeft met eigen oogen gezien wat wij schrijven. In de bovenkerk van Onze Lieve Vrouw, eveneens een rondbouw, zijn vier altaren.
In hetzelfde dal, niet verre van de kerk van Onze Lieve Vrouw, staat de toren van Josaphat, waar men het graf des Heeren ziet, en achter dien toren ter rechterzijde bevindt zich een steenen huis, gevormd uit eene rots, welke van den berg der Olijven is afgescheiden.
In dit huis, dat aan de binnenzijde behakt is, toont men u twee graven zonder vercierselen: het eene is dat van den rechtvaardigen Simeon, die in den tempel onzen Heer Jesus in de armen droeg en voorspellingen omtrent Hem deed: het andere is dat van den rechtvaardigen Joseph, den man van Maria en voedstervader van onzen Heer Jesus.
Aan éénen kant van den berg der Olijven bevindt zich eene grot niet verre van de kerk van Onze Lieve Vrouw, een weinig hooger dan het dal van Josaphat. In deze grot zijn twee zeer diepe putten; eene daarvan strekt zich oneindig ver onder den berg uit, de andere gaat in den bodem der grot rechtstandig naar beneden en hare diepte is naar men zegt onmetelijk: deze twee putten zijn altijd gesloten. In de grot staan vier steenen tafelen en die welke ongeveer bij den ingang zich bevindt wordt de tafel van den Heer Jesus genoemd: en het is niet twijfelachtig dat Hij zich dikwijls daaraan neerzette, terwijl Zijne twaalf Apostelen plaats namen aan de andere tafels. De nu gesloten bovenrand van de put, welke gelijk wij zeiden aan den rechterkant ligt, was het dichtst nabij de tafelen der Apostelen. Arculphus, die dikwijls deze grot des Heeren bezocht, heeft ons gezegd, dat zij met eene houten deur gesloten was.
De poort van David leidt met eene zwakke helling naar den rechter heuvelkling van den berg Sion. Wanneer men deze poort uitgaat en men laat den berg aan
de linkerzijde liggen, komt men aan eene steenen brug op bogen, welke zich ver in het dal naar het zuiden uitstrekt.1)
Halverwege deze brug ziet men in het westen de plaats, waar Judas Iscariotus uit wanhoop een einde aan zijn leven maakte. Men toont u daar nu nog een reusachtigen vijgeboom, waaraan hij zich volgens de overlevering ophing, gelijk de priester Iuvencus ook heeft gezongen:
Dewijl wij den berg Sion genoemd hebben, dienen wij ook iets te zeggen van eene groote kerk, welke men daar gebouwd heeft. Men toont er een steen, waarop Stephanus, buiten de stad gesteenigd, ingeslapen is. Buiten deze groote kerk, welke binnen hare wanden zoovele heilige plaatsen bevat2), bevindt zich aan den westelijken kant een andere gewijde steen, waarop de Heer naar men zegt gegeeseld werd. Deze apostolische kerk is, gelijk wij gezegd hebben, geheel van steen gebouwd in eene vlakte op den top van den berg Sion.
Arculphus bezocht meermalen dezen kleinen akker, liggende op den berg Sion aan de zuidelijke zijde, waar
zich hoopen steen bevinden en waar het meerendeel der vreemdelingen met zorg zijn begraven: nogtans zijn anderen daar zonder begrafenis neergeworpen, enkel bedekt met oude vodden of huiden, en hunne in ontbinding verkeerende lichamen liggen daar op de oppervlakte der aarde.
Van af Jerusalem aan de noordelijke zijde tot aan de stad van Samuel, welke men Ramatha noemt, is het land veelal dor en rotsachtig; tot aan het Thamnitische Rijk zijn ook de valeien onbebouwd. Aan de westelijke zijde daarentegen, van Jerusalem en den berg Sion tot Cesarea in Palestina, is de hoedanigheid van het land geheel anders. Uitgezonderd eenige weinige dorre streken, ziet men bijna overal zeer groote akkers met olijfboomen afgepaald.
Op den berg der Olijven, heeft Arculphus ons gezegd, vindt men wat het houtgewas aangaat slechts druiven en olijfboomen: men ziet er ook eene rijke oogst van tarwe en gerst, want de bodem laat daar geen struikgewas groeien doch alleen kruiden en bloemen; zijne hoogte is, zooals het schijnt, nagenoeg gelijk aan die van den berg Sion, hoewel deze meetkunstig genomen klein en smal in lengte en breedte zou kunnen genoemd worden in vergelijking bij den berg der Olijven. Het dal van Josaphat, waarover wij reeds gesproken hebben, strekt zich van het noorden naar het zuiden tusschen deze twee bergen uit.
Het hoogste punt van den berg der Olijven is dat, waar men zegt dat de Heer ten hemel is gevaren. Men heeft er eene groote kerk van eene ronde gedaante gebouwd met drie boogvormige toegangen, welke van boven overdekt zijn. Het binnenste van deze kerk heeft geen dak of gewelf en is open onder den blooten hemel: in het oosten staat een altaar, dat eene kleine overhuiving heeft. Men heeft het inwendige van deze kerk niet overwelfd, opdat uit deze plaats, waar voor de laatste maal de goddelijke voeten des Heeren de aarde drukten ten tijde dat Hij op eene wolk ten hemel opsteeg, een altijd tot den hemel geopende weg er de gebeden der geloovigen zou heen leiden. Want toen men deze kerk waarvan wij thans spreken bouwde, kon men de plaats, waar die voeten des Heeren hadden gestaan, niet evenals het overige gedeelte des tempels bevloeren; naar mate men de marmeren platen legde, wierp de aarde, ongezind als het ware om met iets stoffelijks bedekt te worden als ik het zoo zeggen mag, ze ten aanschouwe van de arbeiders terug. Maar de stof bewaart steeds als een onuitwischbare gedachtenis het indruksel der goddelijke voetzolen, en hoezeer het geloof der bezoekers hen elken dag er toe brengt, om dit indruksel door aanraking weg te vegen, komt het zonder ophouden weder te voorschijn en de bodem blijft het altijd bewaren. Intusschen heeft de heilige Arculphus, die zich dikwijls naar deze plaats begaf, ons gezegd, dat men rondom dit goddelijk indruksel eene groote koperen omheining had gemaakt, welks hoogte hij gemeten heeft, en dat men in het midden van deze omheining eene tamelijk wijde opening heeft uitgespaard, waardoor men van bovenaf het volkomen zuiver indruksel
van des Heeren voeten in het stof laat zien. Aan de westelijke zijde van deze omheining staat altijd eene deur open, opdat men gemakkelijk bij dit heilige stof zou kunnen komen en er eenige korrels van in de hand nemen. Het verhaal van Arculphus omtrent deze goddelijke indruksels stemt overeen met hetgeen andere berichtgevers geschreven hebben, dat de kerk niet van eenig gewelf of van eenig dak is kunnen voorzien worden, opdat de hemel altijd zou zichtbaar blijven voor de oogen van hen die dit heiligdom bezoeken; en hij bevestigt ook, dat de goddelijke voetzolen voortdurend in dit stof staan afgeteekend. Eene lamp, welke boven deze omheining is opgehangen, werpt dag en nacht een helder schijnsel over deze goddelijke indruksels. Aan de westelijke zijde van deze ronde kerk bevinden zich acht hooge vensters met beschilderde ramen, en bij elk dier vensters brandt aan de binnenzijde en hangende aan een koord eene lamp, derwijze geschikt dat de eene niet hooger of lager is dan de andere, maar dat zij naar het schijnt een geheel uitmaakt met het venster. Het schijnsel van deze lampen is zoo sterk, dat haar licht overvloedig door het glasraam heendringende niet enkel de duisternis doet wijken op het westelijk gedeelte van den berg dicht bij de ronde kerk, maar ook de weinige treden, welke uit het dal van Josaphat naar Jerusalem leiden, en bovendien ook het grootste gedeelte der stad, dat daartegenover ligt, verlicht. Het oogverblindend schijnsel van deze acht groote lampen, die des nachts schitteren uit de hoogte der heilige plaats van waar onze Heer ten hemel opklom, wekt, gelijk Arculphus ons verhaalt, de liefde tot God in de harten der geloovigen op en vervult den geest met eene zekere vrees en een groot leedwezen.
Wij mogen ook niet vergeten datgene te verhalen, wat Arculphus op onze vragen dikwijls geantwoord heeft. Elk
jaar op het hooge feest van Hemelvaart, wanneer tegen den middag het heilig geheim der mis is volbracht, begint er zulk een verschrikkelijke wind op te steken, dat men in de kerk of in de nabijgelegen plaatsen niet staande zelfs niet zitten kan blijven, maar dat men met het aangezicht ter aarde moet gebogen liggen tot dat deze vreeselijke storm is voorbijgegaan. Deze vervaarlijke wind is de oorzaak, dat men geene overwelving kan maken boven het indruksel van de voeten des Heeren, dat gelijk wij gezegd hebben besloten is binnen de koperen omheining en altijd aan de buitenlucht is blootgesteld; want zoodra men wil beproeven eenige bouwstoffen aan te brengen om het gewelf te maken, komt deze wind des Heeren ze aanstonds in puin leggen. Dit is hetgeen Arculphus ons heeft verhaald en hij-zelf was tegenwoordig in de kerk van den berg der Olijven op het oogenblik, dat deze orkaan naar gewoonte losbrak. Hij heeft voor onze oogen de omtrekken dier ronde kerk getrokken en van de koperen omheining, welke middenin is opgericht.
St. Arculphus heeft ons nog gemeld, dat men de gewoonte heeft in den nacht van het feest van Hemelvaart bij deze acht lampen, welke altijd in de kerk branden, nog een overgroot getal andere lampen aan te steken, zoodat dit ontzagwekkend en heerlijk licht in overvloed straalt door de glasramen der vensters. De berg der Olijven is niet slechts verlicht, maar staat naar het schijnt geheel in vuur, en over de geheele niet verre van daar in het dal gelegen stad wordt een heldere gloed uitgegoten.
Arculphus is als bezoeker der heilige plaatsen ook de kleine vlakte van Bethanië gaan zien, gelegen in het midden van het uitgestrekte woud der Olijven. In deze
vlakte staat een groot klooster en eene groote kerk boven de grot, waar de Heer Lazarus, die reeds vier dagen dood was, opwekte.
Er moet ook iets gezegd worden van eene andere en meer bezochte kerk ten zuiden van Bethanië, staande op dat gedeelte van den berg der Olijven, waar naar men verhaalt onze Heer met zijne leerlingen sprak. Laat ons eens nauwkeurig nagaan met welke van zijne leerlingen, in welk tijdperk des levens van den Verlosser dit onderhoud heeft plaats gehad en wat Hij gezegd heeft. Welaan, indien wij de drie Evangelisten Mattheus, Marcus en Lucas opslaan, zullen wij duidelijk de stof waarover de Heer sprak aangeduid zien en de plaats waar Hij met de Zijnen was samengekomen. Ziehier wat Mattheus in zijn Evangelie zegt over den aard van dit onderhoud: ‘Terwijl Hij op den berg der Olijven nederzat, kwamen Zijne leerlingen stil tot Hem en zeiden: Zeg ons wanneer die dingen geschieden zullen en welke de teekenen zullen zijn van Uwe wederkomst en van het einde der wereld?’ Mattheus verhaalt ons niet, wie degenen waren die Hem ondervroegen, maar Marcus zegt het ons: ‘Petrus en Jacobus en Johannes en Andreas ondervroegen Hem afzonderlijk.’ Hetgeen Hij hun antwoordt doet ons den aard van dat onderhoud kennen: ‘Draagt zorg dat men u niet verleidt; want velen zullen in Mijnen naam komen zeggende: Ik ben het die Christus volg.’ En dan verder al hetgeen volgt over de laatste tijden en het einde der wereld, wat Mattheus ons in het breede heeft verhaald, tot die zinsnede waar de Evangelist ons duidelijk meldt op welken tijd dit onderhoud plaats vond: ‘En het geschiedde, als Jesus zich op die wijze met Zijne leerlingen had onderhouden, dat
Hij hun zeide: Gij weet, dat het over twee dagen Paschen zal zijn en dat de Zoon des menschen zal overgeleverd worden om te worden gekruisigd, enz.’ Het is dus duidelijk, dat onze Heer dit langdurig onderhoud met vier Zijner leerlingen hield op de vierde feria (woensdag), twee dagen voor den eersten dag der ongedeesemde brooden, welke Paschen genoemd wordt. Welnu, ter plaatse waar zij in dier voege spraken, heeft men eene allerprachtigste kerk gesticht.
Mogen deze stellige berichten, welke wij u geven naar het verhaal van Arculphus, u voldoende ingelicht hebben omtrent de heilige plaatsen der stad Jerusalem, van den berg Sion, den berg der Olijven en het dal van Josaphat.
Bij den aanvang van dit tweede boek behooren wij een en ander te zeggen van de stad Bethlehem, waar onze Verlosser zich verwaardigd heeft uit de heilige Maagd geboren te worden. Deze stad is niet zoozeer merkwaardig door haren omvang, welke gelijk Arculphus ons heeft gezegd zeer middelmatig is, dan wel door hare vermaardheid, die zich over alle kerken der aarde heeft verbreid. Zij is gelegen op den top van eenen berg en aan alle zijden door dalen omringd: deze bergtop meet van het westen naar het oosten ongeveer duizend schreden. Op het bovenste bergvlak bestrijkt een lage muur zonder torens, gebouwd op den kruin van dat bergje, de rondom gelegen dalen en binnen de muren liggen in eene lange rij de huizen der inwoners.
Aan den oostelijken uithoek der stad bevindt zich eene soort grot door de natuur gevormd, welks meest naar
achteren liggend binnengedeelte de wieg des Heeren genoemd wordt: het is daar dat Zijne moeder Hem na Zijne geboorte ter ruste legde. Het gedeelte dicht bij den ingang nabij de wieg, is de eigenlijke plaats waar Hij geboren werd. Deze grot van Bethlehem, de wieg van den Verlosser, is te zijner eere inwendig bekleed met kostbaar marmer. Over deze grot is op eene steenen overwelving eene groote kerk gebouwd ter eere van Onze Lieve Vrouw, op dezelfde plaats waar volgens de overlevering de Heer geboren is.
Ik moet ook iets zeggen over dien steen liggende buiten de bemuring der stad, waarop men boven van den muur het water uitgoot, dat gediend had om voor de eerste maal het lichaam des Heeren te wasschen. Het water van dit heilige bad ontmoette, terwijl het van den muur op een daarbeneden liggenden steen werd uitgegoten, als het ware eene natuurlijke uitholling, en van af den dag dat dit bekken werd gevuld tot op onzen tijd, dus gedurende het verloop van vele eeuwen, is het altijd gelijkmatig voorzien geweest van helder water. Onze Verlosser heeft dus reeds op den dag Zijner geboorte dat wonder verricht, waarvan de profeet spreekt ‘Hij deed water uit den steen voortkomen’, en waarvan later de apostel Paulus zeide: ‘Christus was de steenrots.’ Waarlijk Hij was het, die in de woestijn voor zijn dorstend volk een troostrijk water uit de dorre rots deed vloeien, en het is nog dezelfde God, die door Zijne almacht en wijsheid water deed voortkomen uit den steen van Bethlehem en dit bekken altijd gevuld houdt met eene zuivere
waterstroom. Arculphus heeft het met eigen oogen gezien en zijn aangezicht er in gewasschen.
Ook ondervroeg ik onzen reiziger over het graf van koning David en hij antwoordde mij: ‘Ik ging dikwijls naar het graf, waar de koning David werd ter aarde besteld: het is gelegen in het midden der kerk zonder eenig verciersel dat het in het oog doet vallen, dan alleen eene kleine steenen zuil en eene lamp welke er boven brandt. Deze kerk ligt buiten de muren der stad in een dicht bijzijnd dal ten noorden van den berg Bethlehem.’
Arculphus zeide ons nog, toen wij hem spraken over het graf van den heiligen Hieronymus: ‘Ik heb het graf van den heiligen Hieronymus, waarover gij mij ondervraagt, gezien. Het bevindt zich in eene andere kerk buiten dezelfde stad, in het dal langs het zuidelijk gedeelte van den berg. Dit graf van den heiligen Hieronymus, in denzelfden trant gebouwd als het graf van David, heeft geen enkel verciersel.’1)
Arculphus heeft ons ook iets verhaald over de grafsteden der drie herders, die in den nacht der geboorte van Christus door een hemelsch licht werden omstraald. ‘Ik heb de grafsteden der drie herders die onder een steen zijn ter ruste gelegd bezocht, in eene kerk op ongeveer duizend schreden afstand ten oosten van Bethlehem. Toen de Heer daar geboren werd, niet verre van de plaats waar zij bij hunne kudden waakten, werden zij door een engelachtig licht omstraald, en tegenwoordig heeft men op deze plaats eene kerk gebouwd, welke de graven van deze drie herders bevat.’
Het boek Genesis bericht, dat Rachel ook begraven werd in Effrata in het land van Bethlehem en ‘Het boek der plaatsen’ (Locorum liber) maakt er eveneens melding van, dat zij in dit land werd ter aarde besteld niet ver van den weg. Ik ondervroeg Arculphus over dezen weg en hij antwoordde mij: ‘Men heeft een koninklijken weg1), welke van Jerusalem in zuidelijke richting naar Hebron loopt; Bethlehem ligt in het oosten, dicht bij dezen weg op ongeveer zes mijlen afstands van
Jerusalem. Het graf van Rachel bevindt zich aan het westelijke uiteinde van dezen weg, namelijk aan de rechterhand wanneer men naar Hebron gaat. Het is van ruw maaksel, zonder verciersel en alleen met eene steenen zuil gedekt. Men ziet er nog heden haar naam geschreven, zooals haar man Jacob dien deed inschrijven.’1)
Hebron, ook Mambre genaamd, eertijds de hoofdstad der Philistijnen en de woonplaats der reuzen, waar David zeven jaren regeerde, is naar luid van het verhaal van Arculphus, tegenwoordig niet meer met muren omringd: zij vertoont enkel nog de sporen der bouwvallen van eene oude stad en men ziet er te nauwernood wat armzalige hutten, eenigen binnen die overblijfsels der muren, anderen daarbuiten in de omringende vlakte; en in die hutten houden de inwoners hun verblijf.2)
Ten oosten van Hebron ziet men eene dubbele grot naar de zijde van Mambre, welke Abraham kocht van Effron den Hetheer om er een dubbel graf te maken.
St. Arculphus bezocht in dit dal de graven van Arbee, namelijk van de vier aartsvaders Abraham, Isaäc, Jacob en Adam, den eersten mensch.1) Hunne voeten zijn in plaats van gewend naar het oosten, gelijk dat de gewoonte is in andere landen, gekeerd naar het zuiden en hunne hoofden liggen noordwaarts gericht. De plaats der
graven is omringd met een kleinen vierkanten muur. Adam, de eerste mensch, tot wien God zijn Schepper dadelijk nadat hij gezondigd had zeide: ‘Gij zijt van aarde en tot de aarde zult gij wederkeeren’, is van de drie anderen gescheiden. Zijn lichaam is bijgezet omstreeks het noordelijk uiteinde van dezen driehoekigen muur, niet in een graf van steen uitgehouwen in de rots gelijk de anderen van zijn geslacht, maar in de aarde-zelve, en stof zijnde rust hij in het stof, evenals al zijne nakomelingen de opstanding verwachtende. In dier voege is het over hem uitgesproken goddelijk vonnis voltrokken. De drie andere aartsvaders liggen evenals onze eerste vader met de gewone aarde bedekt: over hunne graven zijn slechts kleine koepels gemaakt afgerond in éénen steen, even als in eene kerk en juist naar de lengte en breedte van elke grafstede. De drie graven van Abraham, Isaäc en Jacob, nevens elkander gelegen, zijn gelijk wij zeiden overdekt met koepeltjes uit een harden steen gehouwen; maar het graf van Adam heeft eene koepel van donkerder kleur, welke minder bewerkt is. Arculphus zag daar ook drie koepels, kleiner en onaanzienlijker, waaronder Sara, Rebecca en Lea rusten. De grafplaats der aartsvaders ligt ongeveer op een stadium afstands, oostelijk van de oude stad Hebron. Deze stad, welke naar men zegt niet alleen de eerste in Palestina maar zelfs voor alle andere in Egypte gebouwd is, bevat tegenwoordig niets anders dan jammerlijke bouwvallen. Maar nu is er genoeg over de graven der aartsvaders gezegd.
De heuvel van Mambre, liggende op honderd schreden noordwaarts der graven welke wij beschreven hebben, is met kruiden en bloemen begroeid en bevindt zich in de nabijheid van Hebron, dat in het zuiden hier tegen-
over is gelegen. Op den bovensten bergtop van dezen heuvel vindt men eene vlakte, waar aan de noordelijke zijde eene groote kerk van steen is gebouwd; en aan de rechterhand tusschen twee muren van dezen grooten tempel staat, o wonder! de eik van Mambre, ook de eik van Abraham genoemd, omdat de aartsvader weleer onder zijn loofdak gastvrijheid aan de engelen betoonde.1) De heilige Hieronymus verhaalt, dat deze eik bestond van het begin der wereld tot de regeering van Constantijn; en hij zegt niet, dat de boom zelfs toen niet meer in wezen was, want zoo hij al inderdaad niet meer in zijn geheel daar stond gelijk te voren, moet er toch eenig gedeelte van overgebleven zijn; en ook nu nog gelijk Arculphus verhaalt, die het met eigen oogen gezien heeft, is er een doode stam in wezen, welke te nauwernood door twee mannen kan omvademd worden en door het dak van de kerk beschermd wordt.2) Van dezen aan alle zijden door
bijlslagen van een gescheurden stam zendt men kleine stukjes naar alle hoeken der aarde, uit hoofde van de vereering, die men voor dezen eikeboom aan den dag legt, en ter gedachtenis aan het gedenkwaardig onderhoud, dat Abraham daaronder hield met de engelen. Binnen de omheining van deze kerk, welke ter wille der heiligheid van deze plaats is gesticht, bevinden zich de woningen van eenige geestelijken. Maar nu zeggen wij Mambre vaarwel en gaan verder.
Wanneer men Hebron verlaat, ziet men op drie mijlen afstands van Hebron, noordwaarts in de vlakte dicht bij den zoom van den weg ter linkerzijde, een kleinen berg met pijnboomen bezet. Uit dit bosch hakt men pijnboomen, welke op den rug van kameelen naar Jerusalem gevoerd worden voor brandhout. En wel op den rug van kameelen, omdat men in geheel Judea, gelijk Arculphus ons heeft gezegd, maar zelden wagens of karren ziet
St. Arculphus heeft de plaats bezocht, waar eenmaal de stad Jericho stond, door Josua verwoest na den overtocht van de Jordaan, gevolgd door de nederlaag en den
dood des Konings.1) Deze stad werd herbouwd door Oza van Béthel uit de stam van Ephraim, en onze Verlosser verwaardigde zich dikwijls haar te bezoeken. Ten tijde van het beleg van Jerusalem door de Romeinen werd zij ingenomen en verwoest uithoofde van de trouweloosheid harer inwoners; men herbouwde haar ten derden male, en na een lang tijdsverloop werd zij op nieuw in puin gelegd; thans ziet men alleen nog enkele bouwvallen er van. Maar het is een verwonderlijk geval, dat alleen het huis van Rabab na deze drie verwoestingen is blijven staan; deze is de vrouw, die op haren korenzolder de twee afgezondenen van Jesu-ben-Nun (Josué, den Zoon van Nun) onder de vezels van het vlas verborg. Tegenwoordig zijn de steenen muren van haar huis, hoewel zonder dak, nog in wezen. Op de plaats, waar eenmaal de stad stond, ziet men thans geene enkele woning, geen
enkel huis meer, en alles is overgroeid met wijngaarden en veldgewas. Tusschen deze bouwvallen en de rivier de Jordaan bevinden zich palmboom-bosschen en middenin kleine akkers, waar tallooze hutten zijn gebouwd, welke door den beklagenswaardigen volksstam der Kanaänieten bewoond worden.1)
Arculphus heeft eene groote kerk gezien, welke te Galgala gebouwd was ter plaatse, waar de kinderen Israëls nadat zij de Jordaan waren doorgetrokken, hunne eerste nederzetting vestigden in het land van Chanaän.2)
St. Arculphus zag in deze kerk de twaalf steenen, waarvan de Heer na den doortocht over de Jordaan tot Josué zeide: ‘Kies twaalf mannen, een uit elke stam, en beveel hun uit de bedding der rivier van de plaats, waar de voeten der priesters gestaan hebben, twaalf groote steenen te nemen. Gij zult die zetten op de plaats, waar gij dezen avond uwe tenten zult opslaan.’ Arculphus heeft ze gezien, gelijk ik zeide; zij zijn nog groot en niet behakt: er liggen er zes ter rechterzijde op het voorplein der kerk en aan den noordelijken kant evenveel; twee krachtige jongelieden van den tegenwoordigen tijd zouden te nauwernood een enkelen kunnen optillen.
Een er van is door ik weet niet welk ongeval in tweeën gespleten, maar die twee brokken zijn door een arbeidsman, met een ijzeren band weer aan elkander gemaakt. Galgala, waar deze kerk gebouwd is, ligt in het gebied van den stam van Judea aan deze zijde van de Jordaan, ten oosten van het oude Jericho, waarvan het ongeveer vijf mijlen verwijderd is. De Verbonds-ark rustte er eenigen tijd en de kerk is opgericht ter plaatse, waar men de twaalf steenen nederlegde; de inwoners van dat land houden ze in groote eere.1)
Over de heilige en eerbiedwaardige plaats, waar de Heer door St. Jan gedoopt werd, vloeien altijd de wateren van de Jordaan2); en Arculphus, die meermalen den stroom van den eenen naar den anderen oever heeft overgestoken, verhaalt, dat men een groot houten kruis in deze stede gezet heeft; het water reikt bij een man van groote gestalte tot aan den hals, of in tijden van groote
droogte tot aan de borst;1) wanneer het hoog water is, ziet men niets van het kruis. De plaats, waar dit kruis staat opgericht en waar onze Heer werd gedoopt, ligt buiten het rivierbed, en van hier kan een goed slingeraar een steen naar den anderen oever, aan den kant van Arabie, werpen. Men heeft eene brug op bogen gemaakt van af dit kruis tot den beganen weg; deze brug, welke eene helling heeft, dient om tot het kruis neer te dalen en vervolgens weer op den weg te komen. Op den uitersten rand van het water staat eene kleine vierkante kerk, ter plaatse waar, naar men zegt, de kleederen des Heeren bewaard werden tijdens Johannes Hem doopte. Deze kerk, welke boven het water op vier steenen pilaren rust, is onbruikbaar, omdat het water er aan alle zijden indringt: zij heeft een dak en wordt, gelijk wij gezegd hebben, door pilaren en bogen gestut. Zij staat in het benedendeel van het dal, waar de rivier de Jordaan dwars doorheen stroomt; in het bovengedeelte staat een groot klooster, dat gebouwd is op het vlak van den berg en over de kerk, waarvan wij reeds hebben gesproken. Daar bevindt zich ook eene vierkante van steen opgetrokken kerk, ingesloten door den muur van het klooster en toegewijd aan den heiligen Johannes den Dooper.
Bij zware stormen zetten de golven der Doode Zee, al brekende op de oevers, eene groote hoeveelheid zout af; dit zout wordt door de zonnewarmte tamelijk wel uitgedroogd en levert een groot voordeel op, niet enkel voor de nabijwonende inboorlingen maar ook voor meer verwijderde volken. Het zout, dat in het gebergte van Sicilië wordt gewonnen, vormt zich op andere wijze. De steenen, welke uit dezen berg worden uitgegraven, brengen een natuurlijk zout voort, dat men eigenaardig aardzout noemt. Er bestaat dus een onderscheid tusschen het zout der zee en het aardzout: en daarom zegt de Heer in het Evangelie tot Zijne apostelen: ‘Gij zijt het zout der aarde, enz.’ St. Arculphus heeft ons van dit aardzout uit het Siciliaansch gebergte gesproken, omdat hij tijdens de enkele dagen, welke hij op Sicilie vertoefde, het zag, betastte en proefde, en ook bevond dat dit het waarachtige zout is. In gelijker voege heeft hij ons zijn oordeel gezegd over het zout der Doode Zee,2) dat hij evenzeer
aan deze drie zintuigen toetste. Hij trok den geheelen oever dier Zee langs en bevond de lengte tot aan Zaros in Arabie, te zijn 580 stadien en de breedte tot aan de omstreken van Sodoma 150 stadien.1)
Arculphus ging ook naar die plaats der provincie Phenicië waar de Jordaan naar het schijnt voortkomt uit den voet van den Libanon, en wel uit twee dichtbij gelegen bronnen; de eene heet Jor, de andere Dan en na zich vereenigd te hebben, nemen zij den naam aan van Jordaan. Maar hier dient aangeteekend te worden, dat de Jordaan haar oorsprong niet neemt uit den berg Panius, maar in Trachonitides, op 120 stadien van Caesarea Philippi, thans genaamd Panias naar den berg Panius. De naam van deze bron, in Trachonitides gelegen, is Tiala; zij heeft altijd overvloed van water: van hier loopt de Jordaan onder de aarde door totdat zij bij den berg Panius zich verdeelende, bruischende weder te voorschijn komt, in twee armen gescheiden, Jor en Dan genaamd, gelijk wij gezegd hebben.2) Na kort verwijl vereenigen deze
twee armen zich tot eene enkele stroom, welke haren loop voorzettende, zonder stoornis 120 stadien doorloopt tot de stad genaamd Julias. Vervolgens gaat zij midden door het meer Genezareth en eindelijk valt zij, na eenigen tijd door de woestijn gekronkeld te hebben, in het Asphaltites en wordt daarin verzwolgen. Zoo versmelt zij, na als overwinnares twee meeren verlaten te hebben, in het derde.
St. Arculphus heeft de zee van Galilea voor een groot gedeelte doorkruist. Deze wordt ook het meer Cinereth of de zee van Tiberias genoemd. In de nabijheid vindt men uitgestrekte bosschen. De lengte van deze zee is ruim 140 stadien, hare breedte 40: haar water is zoet en geschikt om gedronken te worden, en dit te beter dewijl het niet drabbig en modderig is gelijk gewoonlijk meerwater, hetgeen hieraan te danken is, dat rondom de geheele zee van Tiberias eene zandkust ligt. De visschen in dit meer bewijzen ook door hare lekkere smaak en hare grootte de goede hoedanigheid van het water.
Deze beknopte mededeelingen omtrent de bronnen van
de Jordaan en over het meer van Cinereth zijn ten deele getrokken uit het derde boek van de gevangenschap der Joden, ten deele uit de verhalen van Arculphus. Hij heeft ons verhaald, dat hij acht dagen noodig had om den weg af te leggen tusschen de bronnen van de Jordaan tot hare uitmonding in de Doode zee; hij zeide ons, dat hij menigmaal van den top van den berg der Olijven dat zoute meer aanschouwd had.
De heilige priester Arculphus kwam, het land van Samarië doorkruisende, aan de stad in het hebreeuwsch genaamd Sichem1), welke door de Grieken en Latijnen Sicima geheeten wordt en die men somtijds ten onrechte Sichar noemt. Dicht bij deze stad buiten de muren zag hij eene kerk, welker vier armen zich uitstrekken naar de vier hoofdstreken en in dier voege een kruis vormen.
Van binnen in het midden bevindt zich de fontein of de put van Jacob, juist tusschen de vier armen van het kruis. Het was daar dat de Verlosser, vermoeid van het gaan, omstreeks het zesde uur van den dag nederzat om te rusten, en dat eene Samaritaansche vrouw op datzelfde uur water kwam putten. Deze vrouw zeide onder meer andere zaken tot den Verlosser: ‘Heer! de put is diep en Gij hebt niets om water te putten.’ Welnu, Arculphus, die het water uit dezen put dronk, heeft de diepte gemeten, welke naar hij ons zeide veertig elleboogsmaten bedroeg en eene elleboogsmaat is twee handspannen lang. Sichem of Sicima, voortijds eene priesterlijke
stad en een toevluchtsoord, ligt in den stam van Manasse, op den berg Efraim; daar is het gebeente van Joseph begraven.
Arculphus heeft in de woestijn eene kleine zeer heldere bron gezien, overwelfd met een steenen dak, en welks boorden zijn uitgesleten door de voetstappen der bezoekers. Het was daar naar men zegt, dat St. Johannes de Dooper dronk.
De evangelisten zeggen van denzelfden heiligen Johannes: ‘Zijne spijs bestond uit sprinkhanen en wilde honig.’ Welnu, Arculphus heeft in die woestijn, waar Johannes verblijf hield, sprinkhanen gezien, ongeveer een vinger lang, met een klein dun lichaam; dewijl haar sprong niet veel verschilt van dien eens kikvorsch, kan men ze gemakkelijk in het gras grijpen, en met olie gebakken strekken zij den armen tot voedsel.1) Ziehier ook hetgeen Arculphus ons aangaande den wilden honig gezegd heeft: ‘Ik heb in diezelfde woestijn boomen gezien, welker bladen breed en rondachtig, de kleur van melk en den smaak van honig hebben; ze kunnen gemakkelijk doorgebroken worden, en als men ze wil eten, worden ze als het ware met de hand in elkander geknepen, vervolgens voedt men zich er mede.’
Dat is metterdaad wilde honig, dewijl het bosch haar voortbrengt.
Arculphus ging de vlakte bezoeken, welke een uitgestrekt grasveld en nimmer omgewerkt geworden is sedert den dag, dat de Heer er vijfduizend menschen met vijf brooden en twee visschen spijzigde. Men ziet er geen enkel gebouw, doch slechts eenige steenen zuilen aan den oever van de bron, waaruit zij te dien dage dronken. Deze plaats ligt aan de overzijde der zee van Galilea, met de stad Tiberias ten zuiden in het gezicht.1)
Indien men van Jerusalem naar Capharnaum wil gaan, moet men rechtstreeks over Tiberias den weg nemen langs het meer van Cinereth, ook de zee van Tiberias of Galilea genaamd, vervolgens door de vlakte der zegening, waarover wij gesproken hebben. Dicht bij den oever van het meer van Cinereth is de haven van Capharnaum, op de grensscheiding tusschen de stammen Zabulon en Nephtali. Arculphus, die deze stad van een nabijgelegen berg gezien heeft, verhaalde ons, dat zij geene muren
heeft; zij ligt ingesloten tusschen den berg en het meer en strekt zich in de lengte langs de zee van het westen naar het oosten uit, dewijl de berg ten noorden en het meer ten zuiden zijn gelegen.1)
De stad Nazareth2) heeft volgens het verhaal van Arculphus, die er vertoefde, geene muren, evenmin als Capharnaum; zij ligt op eenen berg en men ziet er groote steenen gebouwen, onder anderen twee zeer uitgestrekte kerken. Eene er van, in het midden der stad, is gebouwd
op twee gewelven en wel ter plaatse waar de Heer werd groot gebracht: deze kerk, gesticht gelijk wij zeiden op twee gewelven en door zuilen ondersteund, bezit in hare krypt eene heldere bron, waar al het volk water komt putten en waaruit men met pijpen water leidt in de bovenkerk. De andere kerk is gebouwd ter plaatse waar het huis stond, door Maria bewoond toen de Aartsengel Gabriel haar de geboorte van Christus kwam boodschappen. Ziedaar wat Arculphus ons heeft verhaald over Nazareth, waar hij twee dagen en twee nachten bleef. Hij kon zich er niet langer ophouden, omdat hij tot spoed aangemaand werd door een strijder van Christus, genaamd Pieter, geboortig uit Boergonje, die een kluizenaars-leven leidde, dat hij had onderbroken om Arculphus op deze reis te vergezellen, maar dat hij nu weder ging voortzetten.
De berg Thabor ligt in Galilea op drie mijlen afstand en ten zuiden van het meer Cinereth. Deze berg, met kruiden en bloemen begroeid, is verwonderlijk rond. Op zijn beschaduwden kruin ligt eene uitgestrekte vlakte, omringd door een groot bosch: in het midden dier vlakte is een aanzienlijk klooster gesticht, dat door een vrij groot getal monniken bewoond wordt. De kruin van dezen berg eindigt niet in een kegel, maar vormt een bergvlak van 24 stadien breedte; de hoogte van Thabor is 30 stadien.
Op dit bovenste bergvlak zijn drie beroemd geworden kerken gesticht, ter gedachtenis aan het getal der tenten, welke Petrus, vervuld van vreugde en ontzag over eene hemelsche verschijning, op dezen heiligen berg bouwen wilde, tot den Heer zeggende: ‘Het is ons goed hier te zijn, laat ons drie tenten bouwen, eene voor U, eene voor Moses, eene voor Elias.’ Het klooster, de drie
kerken en de cellen der monniken, zijn met een steenen muur omringd St. Arculphus vertoefde slechts één nacht op dezen heiligen berg; want Pieter de Boergondiër, zijn gids in deze streken, stond hem niet toe zich lang op dezelfde plaats op te houden, ten einde hem zoodoende tot spoed aan te zetten.
In het voorbijgaan dient opgemerkt te worden, dat de naam van dezen vermaarden berg, in het grieksch met eene theta en eene omega behoort geschreven te worden, en in het latijn met eene aspiratie en eene lange o, Thaboor. Deze is de spelling, welke men in de grieksche boeken aantreft.
De koninklijke stad Damascus is, naar luid van het verhaal van Arculphus, die er eenige dagen verbleef, gelegen in eene uitgestrekte vlakte en ingesloten door een grooten ringmuur, versterkt door een aanzienlijk getal torens; buiten de muren ziet men vele olijvenboschjes; vier groote rivieren stroomen door de stad en zetten haar veel aangenaamheid bij. Een saraceensch koning heeft zich meester gemaakt van deze stad en heerscht er. Deze stad bezit eene groote kerk ter eere van St. Jan den Dooper en ook een tempel voor de ongeloovige Saracenen.
Arculphus heeft op zijne reis ook Tyrus bezocht, de hoofdstad der provincie Phoenicië, in het hebreeuwsch en in het syrisch Sour genaamd, en welke volgens de grieksche en latijnsche geschiedschrijvers in den beginne geheel van het vaste land was afgescheiden. Maar in verloop van tijd belegerde de koning der Chaldeërs, Nabucodonosor haar, en deed, om zijne krijgswerktuigen en stormrammen naderbij te brengen, dammen leggen, in
dier voege dat hij het eiland aan het vaste land hechtte. Het was eene fraaie en aanzienlijke stad, welke de Latijners met alle recht smal hebben genaamd, want op eene smalle strook land ziet men tegelijkertijd een eiland en eene stad. Zij ligt in het land van Chanaän, en uit deze stad was de chananeesche of syro-phoenicische vrouw van het Evangelie herkomstig.
Wij behooren hier op te merken, dat het bericht van St. Arculphus over de ligging van Tyrus geheel overeenstemt met de aanteekeningen van St. Hieronymus. Evenzoo is hetgeen wij aangaande den berg Thabor en zijnen vorm op het gezag van Arculphus gezegd hebben, overeenkomstig met de mededeelingen van St. Hieronymus. Arculphus besteedde zeven dagen voor den tocht van Thabor naar Damascus.
Het verder verhaal van Arculphus loopt hoofdzakelijk over den Nijl, Turkije en Sicilië en is dus voor ons doel van minder belang.