pontificael. feestgewaad.
porsikijn. (dim. van portie) eene kleine hoeveelheid.
pose. een oogenblikje, bij beurten.
pracktyseerden. (imperf. van practiseeren) zon hij er op.
principaliken. voornamelijk
procederende. (part. praes. van procedeeren) vooruitgaande.
procuratoer. zaakbezorger.
proficeerden. (imperf. van proficeeren: lat. proficere) voortkwam.
profiteliken. voordeelig.
proper. (fr. propre) billijk, eigen, heerlijk.
properlike. rein, naar behooren.
provideercappe. kap der voorzangers en, overgebracht op de personen, ook: voorzangers. (provideeren = voorzingen; providierers = voorzangers. Zie Bijdr. v/d. geschied, v/h Bisdom v. Haarlem IV. blz. 70, 71.)
psalmoderen. de psalmen zingen.
pulpitum. spreekgestoelte.
purren. aanporren, aanzetten.
qualiker (noch). nog slechter.
qwaert. kwart, vierdedeel.
raauwelijke (eisch in rechten) in 't ruwe, niet nauw bepaald.
rabauwen. schavuiten, landloopers.
rabbelen, (verbum) kakelen, verward dooreen praten.
rade houden (te). sparen.
raecket. (praes. van raken) verhaal, beschrijf het.
raeckse. raster, afrastering.
real. werkelijk, ernstig.
rechtelick. volgens ridderrecht.
recht ghetijde. goed getij
rede. in gereed geld, aanstonds, onvoorwaardelijk.
redelik, reliken. tamelijk.
reeck (een groot). een heele rek.
reedsten. gereedste, eerst voorhanden.
rekenden. (imperf. van rekenen) afrekenden.
rekeninghe. laatste oordeel.
reliken coops. tamelijke prijs.
reventher. (refter) eetzaal.
reynighen. (infin.) schoon vegen (van zeeschuimers).
reynliken. rein, zuiver, helder.
reysen. (subst.) keeren, malen.
richeit, rijckdom. de meest gegoeden onder de poorters.