terug  begin  verder
[p. 356]

Woordenlijst.

Ut somniorum interpretatio, ita verborum origo pro cujusque ingenio judicatur.
S. Augustinus.

 

achterdeel. nadeel, schade.
achternoens. namiddag.
aenbijten (imperf. aenbeten), meer gewoon inbijten. ontbijten. (De hoop is een goede inbijt maer een quaet noenmael).
afdwaen (subst.) samentrekking uit afdwalen = afwassching.
afgheschut (part. perf. van afschutten) afgescheiden.
after. (eng. afterwards) achter, naderhand.
afterwert. achteraan.
aldustanighe. dergelijke
alinge. alleen, geheel, algeheel.
all. geheel.
alleghader. allen.
allencken. gaandeweg, langzamerhand, allengskens.
almisse. aalmoes.
alphen. (albe) linnen kleed der priesters.
alresuetste. allerdierbaarste.
als. alles.
alsdoen. altoen.
alsnu ende alsnu. bijwijlen.
alsoe. zoo, zoodat, in dergelijke wijze, alstoen, waarop.
alsoet. dewijl het.
alsset. als het.
alst. als het.
alsulke. zoodanige.
alte. zeer.
althehants alsnu, spoedig.
ambacht. offerande.
ambasiaet. afgezant.
ambulatorium. gaanderij.
an. tot, naar.
anderden (ten). ten tweede.
anderswaer (hoogd. anderswo) andere plaatsen, elders.
anderwerfs. wederom.
angemerckt. (part. perf. van anmercken) in aanmerking genomen.
anghedaen. (part. perf. van aandoen) getooid, gekleed.
angheen. aan gindsche.
angijnen. (eng. engine) oorlogstuig.
annex. verheeld.
anstoten. aantasten, aanvallen, op iemand afkomen.
arbeiden. (imperf.) deed moeite.
arbeyt. barensweeën.
arbeletriers. (arcabalisten), kruisboogschutters.
archionael. arsenaal.
arcke. schrijn, (reliquie) kist, tabernakelkast, beurs, fonds.
artscyers. boogschutter, voorvechter.
[p. 357]
audacter. zonder schroom.
avontuer. neiging, begeerte.
avontuerdent. (imperf. van avonturen) waagden het.
bamis. St. Bavo, 1 October.
bancketeren. feesthouden.
bandt. (imperf. van binden) bond.
bangicheyt, bangheyt. doodsangst, bedruktheid.
bant der natueren. zwangerschap.
barbier. heelmeester.
barcken. schuiten.
barckskijn. (dimin. van bark) barkje.
barnen, bernen. branden.
bastert. bastaard (romenije), wijn van Napoli di Romania (het oude ‘Nauplia’) later heette ‘vinum hispanense’ romenije.
batement. boertig, tooneelstuk, blijspel.
baten (te). te hulp.
bates. (Praes. 3 Pers. van baten) het baat.
becken. schaal.
bedampt. bedompt.
bedencken. in gedachten houden.
bederven. mishandelen.
bedijt. (part. perf. van bedieden) verklaard, uitgelegd.
bedilder. (Jes. Chr.) zoenoffer.
bedrayen. keeren.
bedrivende. (part. pr. van bedrijven) genietende.
beduchten (sich). (Infin.) er voor beducht zijn, vreezen.
bedwingen. dwingen, noodzaken.
bedwonghen. (part. perf. van bedwingen) gebonden.
beene (op die). in de weer.
beghaeft. (part. perf. van begiftigen) begiftigd, voorzien zijn van.
beghaet. (part. perf. van begaeden) wonden of kwetsuren bezorghen.
begheert, begherende. (part. van begheren) verzoeken.
beghonde, beghonste. (imperf. van beginnen) begonnen.
beghroven. (imperf. van begraven) begroeven.
behoof. behoef.
behooft (praes. van behoeven) noodig hebben.
behoudeliken. behoudens.
behueff. behoef.
bey. beide.
bekende. (imperf van bekennen) het werd mij bekend, ik bespeurde, bemerkte.
belast. (part. perf. van belasten) last ondervinden.
belyeft. goeddunkt.
bemaelt. (part. perf. van malen) beschilderd.
bemalinghe. beschildering.
bemoeden. (verb. inf.) vermoeden.
bemuert. (part. perf. van bemuren) met een muur omsloten.
benamen. (imperf. van benemen) ont- en afnemen.
bennen. zijn.
benomen. (part. perf. van benemen) ontnomen, ontstolen.
beproefde. (imperf. van beproeven) ondervinden.
beraden. tweestrijd.
bereyden. koken, klaar maken.
[p. 358]
bereyt. gereed.
beroert. (part. perf. van beroeren) getroffen, aangedaan.
berrich. berg.
beschadicht. (part. van beschadigen) schade lijden, toebrengen, leed ondervinden.
beschadigen. nadeel doen.
beschat. (part. perf. van schatten) op schatting gesteld.
bescheyeliken. goed te onderscheiden, duidelijk.
beschyeten. beschieten.
beschoncken. (part. perf. van beschenken) begiftigd.
beschreven. aangeteekend.
beset. besproken, gehuurd.
besich. in de weer, doende.
besloten. (imperf. van besluiten) bergen.
besloten. (part. perf. van besluiten) omsluiten, omheinen, ingesloten (nl. o.a. als claustraal gezin).
besluten. wegsluiten.
besluyten. omsluiten.
besoken. doorzoeken.
besorghet. (part. perf. van verzorgen) voorzien van, uitgerust met.
besorrighen. schaffen (spijs), verschaffen.
besorrighet. (part. perf. van bezorgd zijn) bevreesd.
bestaedt. (part. perf. van besteden) besteed, verbonden, (van zeevolk.)
bestaen. volbrengen.
bestaet. (hoogd, bestätigen), (part. perf. van bestadigen) besteld, gebracht.
bestecoop. het goedkoopste.
besteet. (part. perf. van besteden) eene plaats aan boord koopen.
besteken. (part. perf. van besteken) beplant.
beteykent. (part. perf. van beteekenen) aangeduid.
beth, bet. goed, beter, meer.
beth (te). des te beter.
betoech, bethoen. bewijs.
bevaerde. bedevaart.
bevant. (imperf. van bevinden) bevond.
bevoelden. gevoelden, bemerkten.
bevroeden. begrijpen, aannemen.
bewijzen. aanwijzen.
bieden. ontbieden.
bij alsoe. het geval.
bijden. door des.
beyr. bier.
bij hem. bij zich.
bijstandicheit. bijstand, hulp.
bijstandichheit doen. hulp verleenen.
bijster. slecht gesteld.
binnen middele. ongeveer op.
bisschuyt. (fransch biscuit) beschuit.
blauwen (grau wt den). blauwachtig.
bleven. (part. van blijven) gebleven.
bloet. bloot.
bloeyde. bloed.
bodenbroodt. loon voor den brievenbesteller.
boechschoet. boogscheut.
boet. inhoudsmaat van westersche wijnen, houdende tien ankers.
boghaetgie. goederen.
bomme. trommel, tambourijn.
[p. 359]
bonetten. mutsen.
boock. boek.
boorse. (onderlinge) beurs.
borsten. borstels, haren.
breeder. beter.
breken. aanlengen.
bril. (fr. baril) tonnetje.
broeke, broke. geldboete.
broet. brood.
brudeghum. bruidegom.
buefteliken. op boefachtige wijze.
bueleren. ontucht bedrijven.
bulth. slaapzak.
bursten. borsten (mammae).
burstplaten. borstplaten.
busche. bos, schietgeweer, pot.
busschaetgie. bosch.
buven. boeven.
calonne. kolom, zuil.
canonyken. kanunniken.
cansghen. kansen.
capiteel. (lat. caput) hoofdstuk.
cappel. kapel.
cappellekijn. (dimin. van kapel) kapelletje.
carenen. aflaat van veertig dagen.
carretten. karretjes.
cathuyser. Karthuiser.
catyfyghe. ellendig, schurkachtig, slecht.
cenaculum Domini. De zaal waar de Heer Jesus het laatste avondmaal at.
certeyn. zeker, gewis.
cyeraetgie. vercieringen.
cyerheyt. pracht, verciering.
cingierie. Raad van Venetie.
circunstancien. eigenaardigheden.
claerliken. duidelijk.
clausul. (lat. clausula) uitvlucht (in rechten).
cleyne wijnen. lichte wijnen.
cleyne prijse. weinig belang.
cloeckheyt. vastberadenheid.
clock op ende off. bij het uur af.
clockskijn. (dimin van klok) klokje.
cloke muede. kloeke moed.
cloock. kloek, onversaagd, manhaftig.
cloot. bal.
clovers. kromme horens (om op te blazen).
cluyse. versterkte plaats, burcht, fort.
clyenten. volgelingen.
cokene. keuken.
collatie. vermaning.
collecte. gebed van den priester in de h. Mis. (‘Collecta dicitur, quia petita populi colligit et offert Deo.’ Du Cange.)
colleten. samenwonende geestelijke broeders. (‘conventus’. Du Cange).
comantschap. handel, bedrijf.
compack. (lat. compactum) overeenkomst.
conduyten. (conductors) geleidingbuizen.
confuys. vernedering.
conjunct. verbonden.
contrapunt. meerstemmige manier van zingen, (punctum contra punctum, noot tegen noot in harmonie.)
coomter. komt er.
coont. (praes. van kunnen) kunt.
cortelanck. onlangs.
[p. 360]
costelickheit. kostbare, fraaie zaken, kostelijkheid.
costeliker. heerlijker.
cramezy. karmozijn.
cranck. zwak.
crijten. schreeuwen.
crijters. schreeuwers.
crimpraet. geheime raadsvergadering.
crusaert en cruysaert. munt, kromstaart, een groot, 2 1/2 cts.
cruus. kruis.
cruustraet. kruisstraat.
cruut. buskruit.
cruynen. geschoren kruinen, tonsuur.
daertoe. bovendien, daarenboven.
dattu. dat aan u.
declaratie. verklaring, bericht.
dede hem. gaf hem, (doen = geven.)
deerliken. deerlijk.
deghen (te). goed.
derp. dorp.
derwerder. derwaarts, dien kant uit.
des. dit.
deser gheliken. dergelijke.
desolaet. in druk.
dick. dikwijls.
dyen (van). daarover.
dienders. dienaren.
dyenrocken. (dalmatica en tunicella) de zijden-boven-kleederen van diaken en subdiaken.
dier. duur.
dyergeliken. dergelijke.
die sommighe. sommigen.
dies willen (om). om reden.
dijnre. (gen. pron. poss. dijn) van uwe.
dingtalen. pleitredenen (in een geding.)
discanters. zangers in het discant, dat is twee- of meerstemmige zang.
discreten. opzieners in kloosters, vertrouwelingen. (discretae. In monasteriis sanctimonialium, quibus rerum secretiorum incumbit cura, quae ad secretiora admittuntur.’ Du Cange).
dits. dit is.
doe. toen.
doemen. toen men.
doere. deur.
doerhouden. (part. perf. van doorhouwen) doorgehouwen.
doerkerft. (part. perf. van doorkerven) doorkerfd.
doersicht. (praes. van doorzien) doorziet, beschouwt.
doersien. bezichtigen.
doersiende. (part. van doorzien) beschouwen, acht geven op.
doertreden. doorgronden.
dokelkijns. (dimin. van doeken) doekjes.
dolphijn. reeder.
doock. doek.
doom. domkerk.
doomheren. geestelijken, die met praebenden van domkerken begiftigd zijn.
dorden. derde.
dracht. zwangerschap.
dregede. (imperf. van dreigen) dreigde.
droechden. (imperf. van drogen) droogden.
drooch. (imperf. van dragen) droeg.
[p. 361]
druckelijk. vol druk, smart.
duchtende. (part. praes. van duchten) vol vrees zijnde.
duen. toen.
duen (van). noodig.
dume. duim.
duncken (laten). meenen, het er voor houden.
durstent. dorsten het.
duytsch. een Hollander.
dwalen. doeken, linnen kleeden.
dwers. langs een omweg, met eenig dralen.
eekelboom. eikeboom.
eelmaker. brouwer, (eel, ele, ale, middel-Nederlandsch: bier).
eendrachteliken. gezamenlijk.
eenicheyt. vereeniging.
eervelic. erfelijk.
eerwaerdelick. met eere, met alle eerbetoon.
eerwaerdicheit. eere.
effen. vlak.
efter. echter.
elcks bijzonder. ieder voor zich.
ellendig. beklagenswaardig.
elleyndich. uitgebannen.
enygher manieren (in). op eenige wijze.
epistolaer. geestelijke die het epistel zingt.
ewangeliaer. geestelijke die het evangelie zingt.
exclusive. daar buiten gesloten.
exequien uitvaart.
exercerende. (part. praes. van exerceeren) volgende, volbrengende.
exsisers. accijnsmeesters.
eyghen guet (op haer). uit eigen middelen.
eyndt. (praes. van eynden, enden) eindigt.
fabridon, fabridoen. (falsobordone) meerstemmig psalmgezang.
faetzuen. vorm.
familie. huishouding, hofstoet.
fantesijden. beduchtheid, bezwaren.
fellike (alte). zeer fel.
festiveren. de kerkelijke officien verrichten.
floer. (fr. fleurir) bloei.
foirtze. (fr. force) geweld.
fortelicien. versterkingen.
fortseliken. met geweld.
foye. bovenste gaanderij. (Verdere beteekenis bij Kiliaen).
fraye. goede gelegenheid.
froyt. fruit.
fundelinckhuus. vondelingenhuis.
fuysten. (Italiaansch: fusta) jacht, licht schip met zeilen en riemen.
galye. lang smal vaartuig op de middellandsche zee in gebruik. (Zie verder V. Lennep, Zeemans Woordenboek.)
gaudenten. minderbroeders van den regel van St. Franciscus. Minder streng dan de Observanten. (De naam wordt verklaard uit den eersten regel van S. Franciscus: Caveant sibi (fratres) quod non ostendant se tristes extrinsecus, nubilosos et hypocritas, sed ostendant se gaudentes in Domino, hilares et convenienter gratiosos.)
[p. 362]
gearresteert. (fr. arrêter. part. perf.) stil gelegen.
gebenedijt. gezegend.
gebroken. (part. perf.) vernield, beschadigd.
gecnocht. (part. perf. van verb. defect.) geknoopt.
gecondicht. (part. perf. van kondigen) afgekondigd.
gecruyst. (part. perf. van kruisigen) gepijnigd.
gedecoreert. (part. perf. van decoreeren) opgeluisterd.
gehenct. (part. perf. van gehengen) gehengd, gedoogd.
gekerstent. (part. perf. van kerstenen, christenen, doopen) gedoopt.
geleit. (part. perf. van leiden) verwezen.
geloeve. geloof.
gemoede. goeddunken.
genitsares. Janitsaren.
genoochte, genoechte. genoegen, vermakelijkheid, vermaak.
genoomt. (part. perf. van noemen) genaamd.
genus. geslacht.
gepijnt. (part. perf. van pijnen, fr. peiner) beijverd heeft.
geraken. (Inf.) bereiken.
geschicktenisse. gesteldheid, inrichting.
geschyen. (part. fut. van geschieden) geschieden.
gesette. vastgestelde.
gesondicheyt. gezondheid.
gesontmaker. geneesmeester.
gestopt. (part. perf. van stoppen) den mond gesnoerd.
gestuwet. (part. perf. van stuwen) gestopt.
gevluchten. (part. perf. van vlechten) verheeld.
gevollet. (part. perf. van vullen) gevuld.
gevreest. (part. perf. van vreezen) vrees aangejaagd.
gewracht. (part. perf. van wrochten) voltrokken, bewerkstelligd, bewerkt.
ghaef. (imperf. van geven) gaf.
ghaetkijn. (dim. v. gat) gaatje.
ghaff. (imperf. van geven) toescheen.
ghalavien. zwaarden.
ghanck stellen (op die). op weg begeven.
ghaven (om). voor geld.
gheboerder (wat). (praes. van gebeuren) wat geschiedt er.
gheboert, gheboort. (praes. en part. perf. van gebeuren) geschieden.
gheboet. (imperf. van gebieden) gebood.
gheboorten (bij). om beurten.
ghebout, ghebouwet. bebouwd.
ghebrack, ghebraeck. (imperf. van gebreken) ontbreken.
ghebreck. te kortkoming.
ghebreck (in zijn). niets aan ontbreekt.
ghebreckelic. in gebreke blijvende.
ghecomen. komen.
ghecomfirmeert. (part. perf. van confirmeeren) bevestigd.
ghecrighen. (part. perf. van krijgen) bekomen.
ghecrisch. gekrijsch, geschreeuw.
ghecyerde. (part. perf. van cieren) vercierde.
ghedaen. (part. perf.) gegeven.
[p. 363]
ghedroghen. (part. perf. van dragen) gedragen.
ghefestiveert. (part. perf. van festiveeren) onthaald.
ghefigureert. (part. perf. van figureeren, afbeelden) afgebeeld.
gheecht. getrouwd.
gheenrewijs (in). op geenerlei wijs.
gheghundt. (part. perf. van gunnen) toegestaan, vergund.
ghehabituweert. (part. perf. van habitueeren) gekleed.
ghehavent (land). van havens voorzien. (Zie De Jonge, opkomst v.h. Ned. Gezag in Oost Indien, 3 dl. Memorie van L'Hermite. Aug. 1612).
gheheilicht. heilig.
ghehelpen. voorkomen.
ghehertet. (part. perf. van harden) gehard, gesterkt.
ghehieten (part. perf. van heeten) geheeten.
ghehoeghenisse, ghehoghenisse. aandenken, gedachtenis.
ghelad. glad.
ghelaeskijn. (dimin. van glas) glaasje.
ghelas. glas.
ghelavyen. zwaarden.
gheley. geleide.
gheleyde. galey.
gheleytsluyden. leidslieden.
ghelichten. (part. perf. van lichten) gelicht.
ghelijden. (imperf. van gelijden) uitstonden, verdroegen.
ghelieften. goeddunken, welbehagen.
ghelijck. aanstonds.
ghelicken. vergelijken.
gheluy. geel.
gheluw. geel.
ghelyefde. (imperf. van gelieven) goeddacht.
ghemenghet. (part. perf. van mengen) verspreid.
ghemetst. (part. perf. van metselen) gemetseld.
ghemeyn (in't). in het algemeen.
ghemuyert (neder). met een nederwaartsgaanden muur.
ghenaeckte. (imperf. van genaken) naderde.
gheneyghet. (part. perf. van neigen) neergebogen.
ghenigh. geen.
ghenoeghelijk. aanlokkelijk.
ghenoecht. (geneugt) genoegen.
ghenooch. genoeg.
ghenoocht. (praes. van genoegen) bevalt.
gheparen. paren.
ghepaveyet. (fr. pavé) bevloerd.
gheplaecht. (part. perf. van plagen, bezoeken) bezocht.
gheproofden. (imperf. van proeven) proefde.
gheraeckt. (part. perf. van raken) getroffen.
gherasch. snel.
gheraschappe. uitrustingstukken.
ghereschappe. aanstalten.
gheringhe. gemakkelijk, met weinig moeite.
gheringhe. langzaam, weinig vorderende.
gheringhe. (latijn: cito, statim,) spoedig.
gherits (mit veel). met veel ruiters.
gheroop. gerucht, praatje.
gherufte. samenstrooming.
[p. 364]
gherufts. (gen. partit.) gerucht, gerommel.
ghesach. (imperf. van zien) zag.
ghesalveert. (part. perf. van salveeren) behouden.
gheschriven. schrijven.
gheschut. kruit en lood.
gheschwt. (part. perf. van schutten; latijn: claudere) omringd, omcingeld door.
gheschyeden. (imperf. van geschieden) plaats vond.
gheschyen. (praes.) geschieden.
gheschyet. schieten.
gheselschap. gezellinnen.
ghesitten. (Infin.) zitten.
gheslachten. vrienden en magen.
gheslagen uren. volle uren.
gheslaghen. (part. perf. van slaan) verslagen.
ghesleghen. (part. perf. van slaan) geslagen.
ghesteken. (part. perf. van steken) gestoken.
ghestelt. (part. perf. van stellen) vaardig maken, uitrusten, gereed maken.
ghestrijt. (part. perf. van strepen; latijn: lineare) gestreept.
ghetal (sonder). talloos, ontelbaar.
ghetidich. naar den tijd (van den dag).
ghetoent. (part. perf. van toonen) ten toon gesteld.
ghetogen. (part. perf. van trekken) getrokken, uitgetrokken, gevoerd, naar voren gehaald.
ghetorst. (part. perf. van torschen) opgesleept.
ghevaert. wijze, manier.
ghevesticht. (part. perf. van vestigen) bevestigd.
ghevloeghelt. (part. perf. van vleugelen) gebonden.
ghevluyet, en: ghevloeyet. (part. perf. van vloeien) gevloeid.
ghevoecht. (part. perf. van voegen) beschikt.
ghevonden. (part. perf. van vinden) beoefend.
ghevordert. (part. perf. van vorderen) afgelegd.
ghevuert. (part. perf. van voeren) gevoerd.
ghewaent. (part. perf. van wanen) gemeend.
gheweer. wapentuig, (collect: weerbare mannen.)
gheweldich worden. geweld plegen, aanvallen.
ghewermt. (part. perf. van warmen) gewarmd.
gheweyntelt. (part. perf. van wentelen) gezet voor.
gheyndt. (part. perf. van eindigen) ten einde gebracht.
ghezoden (gheluy). (part. perf. van zieden, koken) de zin is: zoo dik als of ze gekookt was.
ghins ende weder. naar alle zijden.
ghins varen (int). in 't heen varen.
ghinsten. achterste.
ghuelickheit. schaêvergoeding.
gloriose. zegevierende.
goeden moed maken. zich vermannen.
tgoent. hetgeen.
goods. gods.
graden. (latijn: gradus) (trap-) treden.
[p. 365]
graef. graf.
graet. (latijn: gradus) boog, trap.
gratie. dankzegging.
grauwer wt den zwarten. meer zwartgrauw.
groete. groote.
groff water. roerig water.
gronderen. gissen, met eenige zekerheid zeggen.
groot. muntstuk, ter waarde van 2 1/2 cts.
gruen en ghruen. groen.
grueten. begroeten, vereeren.
guardiaen. klooster-overste bij de Franciscanen.
gueden. goederen.
guet tcier (maken). zich verkwikken, wat eten en drinken.
haesteliken. zonder verwijl.
handelen. met de handen aanraken.
heerscip. heerschap.
heijen. heiden.
hem. aan hen.
hernesche. harnasch.
herruwerste. voorste.
herten (mitter). met begeeren.
hylyken. (Inf.) uithuwelijken.
hinck. (imperf. van hangen) hing.
hoel. overhaal, bruggetje.
hoelkijns. (dimin. van hol) holen.
hofman. hovenier.
homan. hoofdman.
hongherschen. Hongaren.
hoock, hooke. hoek.
hoofkijn. (dimin. van hof) hofje.
hooft copen. plaats aan boord koopen.
hoop. gezelschap.
hoort. behoort.
houwen. houden.
hovelen. heuvelen.
hued. hoed.
huescheliken. betamelijk.
huysdack. afdak.
hyeven op. (imperf. van opheffen) hieven aan.
inbreck maken (dat eerste). den eersten stoot geven.
in die ere. ter eeren.
in en ghinck. (imperf. van ingaan) aanstond.
inghehouden. (part. perf. van inhouwen) ingehouwen.
ingheven. verlichting.
inghevluchten. (part. perf. van vlechten) verheeld, ingebouwd.
intonerende. (praes. intoneren) inzettende, aanheffende.
invaert. (praes. van invaren) intreedt.
inwinnen. veroveren.
iseliken. ijselijk, afgrijselijk.
yeverts. ergens.
ygelic. ieder.
jaer van wonder. jubeljaar.
janetten. Janitsaren.
jodie. Jodenkwartier.
joetsghe. joodsche.
jokende. schertsende.
jonckskijn. veulen.
jonckwijff. dienstmaagd.
jonferen. maagden.
jongeren. leerlingen.
jonghen. (plur.) leerjongens, knapen.
jonste. gunst.
juwelen. kostbaarheden.
kaerl. kerel.
kallen. praten.
[p. 366]
kanaer. kanaal.
karcker. kerker.
karll. (eng. kernel) kern, pit.
karoben. (carotten) gele peen.
kellenaer. kelder.
kenneliken. bekend.
kenre. kenner.
kerckghaen. kerkgang.
kerrick. kerk.
kersten. christen.
kersten, korsten. christelijk.
kijndekijn. (dimin.) kindje.
knechgin. knaapje.
kwijnen. konijnen.
knyeden. knieën.
knyeden nederwaerts. beneden de knieën.
koer. keur, boete, schatting.
komen. koopman.
konsten. (imperf. van kunnen) konden.
koren. (imperf. van kiezen) verkozen.
krepel. kreupel.
kuel. koel.
kurte. kort.
kurte poose. een oogenblikje.
kurtheyt. kortheid.
kurts. binnen kort.
kurtste (mitte). zeer spoedig.
kyesende. (part. praes. van kiezen) kiezende.
lachter. onteering.
laghen. (imperf. van leggen) gehuisvest waren.
lancien. lans.
lanckste (opt). in het lange en breede.
lanckte (van eenre). van dezelfde lengte.
laste. ellende, smaadheid.
lasteringhe. moeilijkheid.
lastigh. steil, hinderlijk.
lechter. (eng. left) linker.
leftersijde. (eng. left) linker zijde.
legher en legherstadt. legerstede, bed.
leyden. (imperf. van leggen.) lagen.
leyet. (praes. van leiden) leidt.
lichtenisse. verlichting.
linde, lynde. linnen.
live loos. levenloos, dood.
lijfe (mit die). in eigen persoon.
lijfeloos, lijveloes. verloren.
lijff. lief.
lijff. vrijheid.
lijfflicken. in eigen persoon.
lodderlik. potsierlijk.
loven. beloven.
lovende. (part. praes. van loven) belovende, gelofte doende.
luchter. (eng. left) linker.
lufter. (eng. left) linker.
lufterhant. (eng. lefthand) linkerhand.
luyet. (praes. van luiden) luidt.
lustelick. aangenaam.
lustich. aardig, bekoorlijk.
lusten. bekoren.
lusten (een mach). het moet iemand bekoren.
luther. louter.
lutheranen. aanhangers van Luther.
lyef (mit). voorspoedig.
lyef vrouwe. Lieve Vrouwe.
lyepen. (imperf. van loopen) kropen.
mach. kan.
machtigh. aanzienlijk, vermogend.
machts. (gen. part.) gewicht, belang.
mael. maaltijd.
[p. 367]
mael (over). aan den maaltijd.
maelierye. brandmerk.
maerschalck. opperbevelhebber, beschermer.
maersche. houten vlak, zich rondom den mast uitstrekkende, ter plaatse waar de hoofdtouwen gespannen worden. V. Lennep, Zeem. W.
malamazye en malevezye. malvezye (wijn van Creta).
malkanderen. elkaer.
mameluyken. mammelukken, Turksche soldaten.
manierlick. op passende wijze.
marchette. venetiaansche schelling.
sinte marcus plaetse. plein in Venetie.
mare. bericht.
marscelle. venetiaansche schelling.
materye. (fr. matière) zaak.
mathen (op guede). op goeden voet.
meer. (lat. mare) zee.
meere parthye. meerderheid.
meyen. meitakken, jonge looftakken.
menigherehande. velerlei.
menigherley. velerhande.
mer. maar.
merck op hebben. aandachtig op zijn.
merckelicke. merkbaar, duidelijk.
mercken. zien.
merckte ghaen (ter). inkoopen doen.
meren. vermeerderen, verkrijgen.
merren. op zich doen wachten, talmen.
meschuldich. mede verschuldigd.
metselarie. metselwerk.
middallen. met dat al.
middelbaer. redelijk.
middele (binnen). ongeveer op.
midtsen. midden.
mijn. opgewektheid, tijdverdrijf, uitspanning.
mijn ghehat hebbe. gehandeld heb.
mildeliken. overvloedig.
mildere. mild.
min. minder.
minlike en minnelike. beminnenswaardige.
minliken. schier niet.
minnelick. vriendschappelijk.
minneste (ten). ten minste.
minre (Sinte Jacop die). S. Jacobus minor, de mindere.
minrebroederen. minderbroeders.
minre parthye. minderheid.
mishaeck. grijptang.
missael. misboek.
misschuyt. beschuit.
mits. benevens, uithoofde van, nadat.
mits desen. daarna.
mitter. met de.
myther. muts, tulband.
mockers. leidslieden, gidsen, ezeldrijvers.
moechdijt. moogt, kunt gij het.
moecht. (praes. van mogen) kunnen.
moedicheyt. vermoeidheid.
moet. mag.
moetghin. meutje, moei tante.
monken. monniken.
monstrancie. metalen vaatwerk
[p. 368]
waarin het allerh. Sacr. tentoongesteld wordt.
muchten. kunnen
muchten. (imperf. van mogen) konden.
muede (cloke). kloeke moed.
muede (een werdt). men wordt vermoeid.
muederliken naeckt. moedernaakt.
muedicheyt. vermoeienis.
muet. (praes. van moeten) mag.
muyelick. moeilijk, ongebaand.
muyelickheit. het ongebaande.
mulen. muilezels.
muntende. (part. praes. van munten) uitmuntende.
murrich. merg.
musirten werken. mozaiek.
must. moest.
musten. (imperf. van mogen) mochten.
na. achtereenvolgens.
nacomelinghe. die achteraan komt.
naede. nadat.
naerstelik. ijverig, vol ijver.
naersteliken. haast makende, met aandrang, nauwkeurig.
naerstich. bezorgd.
naersticheit. moeite.
naersticheit (v). uw best.
nau en naw. te nauwernood.
naw. nauwgezet.
neffens. naast, nevens.
nest. onaanzienlijke, leelijke stad.
nestkijns. (dimin. van nest) onaanzienlijke, leelijke steden.
nift. nicht.
noene. middag.
noode (van groten). hoog noodig.
nootenmiskathen. notemuscaat.
nootrufticheit. hulp, bijstand, het noodige.
nootruftigh. noodzakelijk.
nye. nooit.
nyemendallen in. niets mede.
nyen. nieuwe.
nyeut. nieuw.
nyeuwelicke. nieuw gewonnen.
nyeuwicheit. ongewoonheid.
nymmer. nimmer.
nyuwe. nieuwe.
nyuwe (op e(e)n). wederom.
nut. (adj.) nuttig, goed.
of. indien.
ofenen (devotie). godsvrucht volbrengen.
ofent. (praes. van oefenen) overpeinst.
offet. indien het.
ofgehouden. (part. perf. van afhouwen) afgehouwen.
oflivich. aflijvig, dood.
oflivich worden. sterven.
oghen. (verb.) zien.
om. tegen.
ombeleghen. (part. perf. van omleggen) belegerd.
om en thom. aan alle zijden rondom.
omgheghurdet. (part. perf. van omgorden) omgord.
ommeghanck. gaanderij.
ommeghanck. omgang met het h. Sacrament. Na afloop daarvan in de Hollandsche steden, als dag van vroolijkheid gesleten.
om syen. om te zien.
om wil. ter wille van.
[p. 369]
onbeleyt. (part. perf. van omleggen) omlegd.
onbeset. (part. perf. van omzetten) omringd.
onbestuer en onstuer. onbetamelijkheid.
tondeghen. kwaad.
onder al. ondertusschen, met dat al.
onderlegghen. (Infin.) zich voorzien van.
ondersoken. onderzoeken.
onderspreken. overeenkomen.
ondervinden. bevinden.
onderwinden. zich bemoeien met.
ongehavent. van havens ontbloot. Zie op ghehavent.
onghackert. (part. perf. van ackeren. latijn: arare) ongeploegd.
onghebouwet. (part. perf van bebouwen) onbebouwd.
onghenadicheit. onbarmhartigheid.
ongheqwetst. gaaf, ongedeerd.
ongheschent. ongedeerd.
onreyn. vuil.
onser godt. het allerheiligste Sacrament.
onsichelike. ontzaggelijk.
onspreeckelike. onuitsprekelijk, onbevattelijk.
onstantelick. (hoogd. unanständich) onbetamelijk.
ontbermde. (imperf. van ontbarmen, = bearmen. latijn: commisereri) het deed mij leed.
ontbood. gebood.
ontfermen. beklagen, meewarig worden.
ontfermherticheyt. barmhartigheid.
ontginghe. (imperf. van ontgaan) te buiten ging.
onthiet. (subst.) belofte, toestemming.
onthouden. (part. perf.; hoogd. enthalten) overgebleven.
ontsaghen. (imperf. van ontzien) vreesden.
ontseggebrieve. dreigbrief.
ontseggelick. niet verder te vermelden.
ontslaghen. (part. perf. van ontslaan. latijn: explicare) ontplooide.
ontsloet. (imperf. van ontsluiten) ontsloot.
ontsprekelick. onuitsprekelijk.
ontstuerlick. onbetamelijk.
ontwaeck. wakker.
ontwaer. gewaar.
ontween. in tweëen.
onverduldicheyt. ongeduld.
onversienig. onvoorzien.
onwintberlike. onoverwinlijke.
oogh zijn (int). in het oog hebben, houden.
oorboirlijk. meest gepast.
oorde. orde.
oorkonde. volgens getuigenis van.
oorlof. vergunning, verlof tot vertrek, afscheid.
oorlof nemen aen. vaarwel zeggen.
ootmoedeliken. in nederigheid.
ootmoedicheit. ootmoed, nederigheid.
op. aan, langs, open.
opdede. (imperf. van opdoen) opende.
openbaerlick. in het openbaer.
opghegeven. (part. perf. van
[p. 370]
opgeven) overgegeven, overgeleverd.
opgemaeckt. (part. perf. van opmaken) gesticht.
opgerecht. opgeheven.
ophouden. openhouden.
op ons. (ghecoockt) voor ons.
opsichtigh. in het oog loopende, de aandacht trekkende.
op staen. open staan, geopend zijn.
optellen. toetellen, betalen.
ordeel. vonnis.
ordonantien. staat van tegenweer.
osmolen. horsmolen, door paarden in beweging gebracht. (orsen = paarden, eng. horses, nog bekend in het spreekwoord: van den ors op den ezel).
oude avont. van ouds bekende avond.
out. ouderdom, leeftijd.
overcomen. overeenkomen.
overdaet. overlast.
overdecksel. overhuiving.
overdele. choor.
overdracht. overeenkomst, accoord.
overdraghen. overeenkomen.
overdwersch. in middellijn.
overleyt. (part. perf. van overleggen) belegd.
overmits. uithoofde van, wegens.
overseit, overzeicht. (praes. van overzeggen) veroordeelt.
overste priester. opperpriester.
pachteliken. (latijn: pactum, overeenkomst) volgens hunne verplichtingen.
pallas. paleis.
palster. pelgrimsstaf.
parmezaens. uit het hertogdom Parma.
pas (op dit). nu ter tijde, op dit oogenblik.
passenaetgien. personaedjen, persoon
patroon. scheepsgezagvoerder, schipper.
pavelyonen. banieren.
paviment. bevloering.
peeckstock. pikfakkel.
pellegrummaetgie. bedevaart.
pene. (latijn: poena) straf, boete.
perfecteliken. gaaf, ongeschonden, volkomen.
perfoortze. (fr. par force) met geweld.
pertyelike. vol partijschap.
pestilentien. pest.
phlesch. flesch.
phleskijn. (dimin. van flesch) fleschje.
pylothen. loodsen.
pijn. ontbering.
pijnlickheit. inspanning.
pijnliken. vermoeiend.
pilaernen. pilaren.
plagen. (imperf. van plegen) plachten.
plante. (lat. planta) voetzool.
planteyt. (eng. plenty) overvloedig.
plantlant. beplant, bepoot land.
plazant. aangenaam, bevallig, behoorlijk.
pleghen. doen, volbrengen.
pleyn. vlak.
plockten. (imperf. van plukken) plukten.
plumbum. looden zegelafdruk.
[p. 371]
pluymen. veeren.
pont. punt.
pontificael. feestgewaad.
porsikijn. (dim. van portie) eene kleine hoeveelheid.
pose. een oogenblikje, bij beurten.
poyn. puin.
pracktyseerden. (imperf. van practiseeren) zon hij er op.
princelike. verheven.
principaliken. voornamelijk
procederende. (part. praes. van procedeeren) vooruitgaande.
procuratoer. zaakbezorger.
proficeerden. (imperf. van proficeeren: lat. proficere) voortkwam.
profiteliken. voordeelig.
proper. (fr. propre) billijk, eigen, heerlijk.
properlike. rein, naar behooren.
prove. voordeel.
provenen. toelagen.
provideercappe. kap der voorzangers en, overgebracht op de personen, ook: voorzangers. (provideeren = voorzingen; providierers = voorzangers. Zie Bijdr. v/d. geschied, v/h Bisdom v. Haarlem IV. blz. 70, 71.)
psalmoderen. de psalmen zingen.
pulpitum. spreekgestoelte.
purren. aanporren, aanzetten.
quaed. moeilijk.
qualiken. te nauwernood.
qualiker (noch). nog slechter.
questie. geschil.
qwaert. kwart, vierdedeel.
qwaet. onraadzaam.
raauwelijke (eisch in rechten) in 't ruwe, niet nauw bepaald.
rabauwen. schavuiten, landloopers.
rabbelen, (verbum) kakelen, verward dooreen praten.
rade houden (te). sparen.
raecket. (praes. van raken) verhaal, beschrijf het.
raeckse. raster, afrastering.
real. werkelijk, ernstig.
rechte. oprecht, waar.
rechtelick. volgens ridderrecht.
rechtevoort. aanstonds.
recht ghetijde. goed getij
recht wt. eenvoudig.
rede. in gereed geld, aanstonds, onvoorwaardelijk.
redelik, reliken. tamelijk.
reeck (een groot). een heele rek.
reedsten. gereedste, eerst voorhanden.
reet. gereed.
regghelanck. ruggelings.
regiement. inrichting.
regieren. bearbeiden.
rekenden. (imperf. van rekenen) afrekenden.
rekeninghe. laatste oordeel.
reliken coops. tamelijke prijs.
reschappen. gereedschap.
reventher. (refter) eetzaal.
reynighen. (infin.) schoon vegen (van zeeschuimers).
reynliken. rein, zuiver, helder.
reysen. (subst.) keeren, malen.
richeit, rijckdom. de meest gegoeden onder de poorters.
ryeden. (adj.) rieten.
ryedt. (subst.) riet.
[p. 372]
rinnede. (part. praes. van rinnen, rennen) snel vlietende.
roden. (subst.) roeden.
roeck. rook.
roer. schietgeweer.
roeren. aanraken.
roetgien. (dimin. van rots) kleine rots.
roffianen. beulsknechten.
roocke. reuk, geur.
roop. roep, kreet.
roopen, ropen. roepen.
ropende. roepende.
ropers. roepers.
rorende. (part. praes. van roeren) roerende.
rosghen (wt den). roodachtig.
rosheer. paardehaar.
ruede. roede, staf.
ruwen (wt den). uit ruw hout.
sacrament. h. communie of paasch-communie. Laatste kerkgerechten.
sant. (imperf. van zenden) zond.
sceel. verschil.
scelling. stuiver.
scerdyen. sardijnen, de bekende in olie gelegde vischjes (sardines).
sceremonyen. plechtigheden.
schabel. (latijn: scabellum) bankje.
schae. schaduw.
schaelgien. leien.
schakeren en schakers. gauwdieven.
schallicken. handlangers (schalk = knecht).
schamel. onaanzienlijk.
schamelheit. naaktheid.
schavot. schouwplaats.
scheepkijn. (dimin. van schip) schuitje.
scheye. schede.
schepe (te). op de vloot.
scheriaer. droogscheerder.
scherpeliken. scherp.
schieden. (imperf. van scheiden) scheidde.
schijne. gedaante.
schilmeyen. schalmeien.
schoen dach. klaar dach.
schoender. zeer schoon.
schoenre. schoone.
schoorde. (imperf. van scheuren) scheurde.
schore. scheur.
schorlunen. vagebonden, poetsenmakers.
schout. (imperf. van schelden) schold.
schreuden. (imp. van schreeuwen) schreeuwden.
schrijff. (praes. van schrijven) beschrijven.
schuen. schoenen.
schulen. schuilen.
schut. bewapening, kruit en lood.
scout. schuld.
scoutquyte. kwijtschelding.
scriven. schriftgeleerden.
scrivent (scribent). schrijver van het schip.
secrete. gevoeg, behoeften.
secreteliken. afgezonderd.
seinden. zenden.
selsen. zelden.
selveren (in sijn). bij zich zelven.
sent. zending.
serteyn. zeker.
sicht. (praes. van zien) ziet.
[p. 373]
syeckte ende suchte. ziekte en ongeval.
syedent. ziedend, kokend.
syen. (part. perf. van zien) gezien.
syen (om). om te zien.
syende wt den grauwen. grauwachtig.
sijdelmuere. zijmuur.
sijn selven. zich zelf.
simpelsanck. (cantus planus) gregoriaansch gezang, eenstemmig, tegenover falsobordone en meerstemmige muziek.
sinceerlike. oprecht.
sittelessen. zitplaatsen.
slapellakens. bedlakens.
slecht. eenvoudig, effen.
slekijn. (dimin. van slede) sleedje.
slinckerhant. linkerhand.
sloghen. (imperf. van slaan) sloegen.
sloghen op reyse. (imperf. van slaan) zich op reis begeven.
slooch. sloeg.
slootkijns. (dimin. van slot) kasteeltjes.
slotel. sleutel.
smadenisse. minachting.
smoorden. (imperf. van smooren = verstikken) verstikten.
snacrspel. harpen, violen enz.
snaphanen. deugniet. (fr. chenapan). Zie Busken Huet, Land van Rembrand, blz. 473; Woordenlijst op Anna Bijns; Navorscher 1883, blz. 451. (snaphaan, overdrachtelijk een met geweer gewapend soldaat (man) in onderscheiding van een lansknecht).
snijder. kleermaker.
snode. schamele.
soen. vredespraak, vergelijk.
som. (eng. some) eenige.
somencken. sommige.
sommighe (die). eenigen.
sonderlanck. in het bijzonder, voornamelijk.
sonderlanghe. bijzondere.
sonder nu. doch nu niet.
soperliken. matig.
sorgheliken. gevaarlijk.
sorrichvoudich. bezorgd, zorgvuldig.
sorrighende. (part. praes. van zorgen) bezorgd zijnde.
sottinne. narrin.
soutes. zoudt het.
souwenyeren en souwenierders. soudeniers.
specien. specerijen.
spekel. speeksel.
stacie. optocht.
stade. bestendig.
stadtghraven. Begraafplaats der stad.
staet. prachtvertoon.
stallaetgie. getimmerte.
stant. (imperat. van staan) sta.
starck. (eng. strong) zwaar (van wijn).
starcken. bevestigen.
stateliken. plechtig.
stede. plaats.
stedekijn en steetgien. (dimin. van stad) stadje.
steenroodtze. steenrots.
stenyghen. steenachtig.
stick. stok. (sijn stick in de hant gheven, stok en bal in de hand geven, gepast antwoorden.)
stick schieten (op het). naar het doel schieten.
[p. 374]
styerde (int herte). (imperf. van sturen) in 't hart gaf.
stoc. gevangenis.
stoensel. steun.
stonden an (van). aanstonds.
stoop. vochtmaat = 5 pinten.
stove. badhuis.
stoven. baden.
strack. recht.
stradioten. middeleeuwsche bereden krijgsknechten.
stranghe. Strand.
straten. (hoogd. landstrassen) heirwegen.
strecken. wat dringen.
stroe. stroo.
sturdende. (part. praes. van storten) stortende.
sturff. (imperf. van sterven) stierf.
subiteliken. haastig, snel.
suer. bezwaarlijk, moeilijk.
suete. lieve, aangename.
sulcks. daartoe.
suldi. zult gij.
sulste (du). gij zult.
suverlik. bevallig, aardig, schoon.
swickboom. doornboom.
swijcker. suiker.
taalman. zaakwaarnemer, pleitbezorger.
tabernakel. moeder (moederschoot waarin Jesus gedragen is).
taerlinghen. dobbelsteenen.
tafel. marmeren plaat.
tafel rond. gemeenschappelijke tafel.
tapeeten. tapijten.
tapesserie. geborduurde stoffen.
teerden. (imperf. van teren) aten, verkwikten zich.
teffens. te gelijk.
teghens. met.
teghenswoordich. ten toon.
tellegheren. takken.
telliken. telken.
tempeest. (fr. tempête) storm.
temperden. (imperf. van temperen) verkoelden.
tenden. op het einde.
tentkijns. (dimin. van tent) tentjes.
tergy. zoete wijn.
ternoyen. steekspelen.
terru. tarwe.
testamentoors. uitvoerders van den uitersten wil.
themet. te gelijker tijd.
theynden (dair). aan het einde daervan.
thezen. (tobben ende) sukkelen.
thoornkens en thoornkijns. (dimin. van toren) torentjes.
tijden (bij). ten tijde.
tijtelik. aardsche.
toech an. (imperf. van togen; lat. toga) trok aan.
toecoomste. komst, aankomst, nadering, bezoek.
toegemaeckt. (part. perf. van toemaken) uitgedoscht.
toenen. (infin.) toonen, aan den dag leggen.
toestoten. op iemand afkomen.
tofen. (praes. van toeven) vertoeven.
tom (om en). rondom.
tonsent. bij ons te lande.
torrens. beek.
toven. talmen, toeven, vertoeven.
toyten. tuiten.
tracteeren. handelen, spreken.
tralien. hekwerk.
[p. 375]
transsenieren. geld afpersen.
trybuyt. schatting.
triumpheliken. overheerlijk.
triumpheren. zich vroolijk maken.
troestelike. vertroostend.
trosluyden. wapenknechten.
trosman. tolk.
trouweliken. getrouw.
truytzelmans. tolken.
tue. toe.
t