|
|
|
| |
| | | |
I De wedergeboorte van de Nederlandse natuurwetenschap
| | | |
1 De bloei van de Nederlandse natuurwetenschap
Vergelijkingen tussen perioden op basis van culturele kwaliteit zijn vaak vaag. Reeksen namen worden genoemd, maar maatstaven om kwalitatieve rangordes te bepalen ontbreken. Toch kan soms cijfermateriaal gevonden worden dat verrassend scherpe conclusies mogelijk maakt. Veel beter dan een diachronische vergelijking - bijvoorbeeld tussen Nederland in de negentiende eeuw en de Zeven Provinciën in de zeventiende eeuw - kan een synchronische vergelijking, met andere landen in dezelfde periode, een indruk geven van de positie van ons land op bepaalde gebieden. Dit geldt ook voor misschien het belangrijkste gebied van bloei tijdens de Tweede Gouden Eeuw, namelijk de natuurwetenschap van Van der Waals en de onderzoekers die na hem kwamen.
Sinds de nabloei van de achttiende eeuw en het optreden rond 1800 van betrekkelijk geïsoleerde natuurvorsers als Van Swinden en Van Marum, was er in de Nederlandse natuurwetenschap wel wat gepresteerd. Harde werkers als Mulder, Buys Ballot, Donders en de naar het buitenland vertrokken Moleschott genoten enige internationale bekendheid. Vooral theoretisch waren ze echter niet van het ‘Duitse’ kaliber van een Gauss, Liebig of Helmholtz.
De ontwikkeling daarna is in grote lijnen langzamerhand algemeen bekend. Tussen de jaren zeventig en negentig van de vorige eeuw treedt er een metamorfose op. De Nederlandse natuurwetenschap wordt vergeleken met haar medestrevers duidelijk belangrijker. Terwijl Frankrijk en Engeland, de grote concurrenten van Duitsland, na 1870 niet in staat bleken om met dat land gelijke tred te houden,1 heeft het kleine Nederland in dezelfde periode een grote stap vooruit gedaan. Weliswaar was het relatief gemakke-
| | | |
tabel 1 Nobelprijzen in de natuurwetenschappen per miljoen inwoners
|
Nederland |
VS |
Zwitserland |
Frankrijk |
Duitsland |
| 1901-1910 |
0,727 |
0,011 |
0,278 |
0,153 |
0,198 |
| 1911-1920 |
0,156 |
0,018 |
0,513 |
0,101 |
0,113 |
| en later bijv.: |
|
|
|
|
|
| 1941-1950 |
- |
0,092 |
0,667 |
- |
0,091 |
(bron: Science Indicators 1976, Washington dc, nsf, 1977, p. 196.)
lijker om vanaf een laag niveau omhoog te komen, maar ons land deed meer. Het wist een internationale positie te bereiken die belangrijker was dan die van enig ander klein land in Europa, uitgezonderd misschien Zwitserland. Om deze bewering te staven kan als eerste feit de verdeling van de Nobelprijzen na 1900 opgevoerd worden. In het eerste decennium na de instelling van deze prijzen had Nederland met vier prijzen internationaal gezien waarschijnlijk de hoogste score per hoofd van de bevolking uit de geschiedenis. Daarna zakte het land terug naar gemiddelde scores en dat bleef zo in de eerstvolgende decennia.
Dit is historisch interessant, maar in de wetenschappelijke wereld is het belang van een land niet in de eerste plaats gerelateerd aan het aantal inwoners. Niemand is geïnteresseerd in die ene toponderzoeker die Luxemburg of IJsland een toppositie kan of had kunnen bezorgen. De vijf Nobelprijzen in de periode 1901-1913 toonden echter ondubbelzinnig aan dat Nederland rond 1900 bij de wereldtop behoorde.
Om het ontstaan van de bloeiperiode en de verdere ontwikkeling ervan preciezer te omlijnen, kunnen andere middelen gebruikt worden. Zoals elders uitvoeriger is toegelicht,2 lenen twee naslagwerken zich goed om het aandeel van Nederland in de wetenschap in de negentiende eeuw te berekenen. De resultaten kunnen in een tabel worden samengevat:
| | | |
tabel 2 De groei van het Nederlandse aandeel in de negentiende-eeuwse wetenschap
|
actieve Poggendorff- onderzoekers |
aandeel Nederland |
nieuwe Poggendorff- onderzoekers |
aandeel Nederland |
| 1790-1799 |
102 |
3 (2,9 %) |
32 |
- |
| 1800-1809 |
128 |
2 (1,6 %) |
41 |
- |
| 1810-1819 |
167 |
3 (1,8 %) |
61 |
1 (1,6 %) |
| 1820-1829 |
243 |
4 (1,6 %) |
99 |
2 (2,0 %) |
| 1830-1839 |
375 |
7 (1,9 %) |
175 |
4 (2,3 %) |
| 1840-1849 |
575 |
11 (1,9 %) |
232 |
5 (2,2 %) |
| 1850-1859 |
812 |
16 (2,0 %) |
286 |
5 (1,7 %) |
| 1860-1869 |
1124 |
23 (2,0 %) |
384 |
7 (1,8 %) |
| 1870-1879 |
1482 |
30 (2,0 %) |
510 |
9 (1,8 %) |
| 1880-1889 |
1928 |
54 (2,8 %) |
687 |
22 (3,2 %) |
| 1890-1899 |
2512 |
68 (2,7 %) |
878 |
22 (2,5 %) |
|
actieve Dictionary of Scientific Biography- onderzoekers |
aandeel Nederland |
nieuwe DSB- onderzoekers |
aandeel Nederland |
| 1790-1799 |
350 |
4 (1,1%) |
89 |
- |
| 1800-1809 |
411 |
5 (1,2 %) |
133 |
- |
| 1810-1819 |
447 |
5 (1,1 %) |
122 |
1 (0,8 %) |
| 1820-1829 |
505 |
5 (1,0 %) |
153 |
1 (0,7 %) |
| 1830-1839 |
579 |
5 (0,9 %) |
191 |
3 (1,6 %) |
| 1840-1849 |
678 |
8 (1,2 %) |
192 |
3 (1,6 %) |
| 1850-1859 |
747 |
10 (1,3 %) |
200 |
2 (1,0 %) |
| 1860-1869 |
839 |
12 (1,4 %) |
235 |
3 (1,3 %) |
| 1870-1879 |
940 |
13 (1,4 %) |
286 |
4 (1,4 %) |
| 1880-1889 |
1093 |
23 (2,1 %) |
341 |
9 (2,6 %) |
| 1890-1899 |
1258 |
28 (2,2 %) |
358 |
10 (2,8 %) |
(bron: B. Willink, ‘Origins of the Second Golden Age of Dutch Science after 1860: Intended and Unintended Consequences of Educational Reform’, Social Studies of Science, jrg. 21, 1991, p. 506.)
Bij de ‘Poggendorff-onderzoekers’ gaat het om zeer productieve3 wetenschappers die in de betreffende negentiende- en twintigsteeeuwse Duitse bibliografie voorkomen, bij de ‘dsb-onderzoekers’ gaat het om historisch belangrijke wetenschappers, van wie een biografie in het laat twintigste-eeuwse Amerikaanse naslagwerk Dictionary of Scientific Biography is opgenomen. In de dsb staan bovendien ook medici en biologen. Beide, nogal verschillende naslagwerken laten zien dat het aantal werkzame toponderzoekers de hele eeuw door wereldwijd continu is gegroeid en dat die continue
| | | | groei op een enkele uitzondering na ook plaatsvond bij het totaal aantal onderzoekers op de wereld dat in een bepaald decennium voor het eerst op het toneel van de exacte wetenschap verscheen.
Dat betekent dat groei in absolute aantallen op zichzelf helemaal geen criterium voor bloei is. Relatieve groei ten opzichte van andere landen is dat wel. Het gaat in de gepresenteerde cijfers immers om vrijwel onbetwiste kwaliteitsmaten als Nobelprijzen, grote productiviteit en historisch belang. Tegenwoordig staan ons nog andere maten voor kwaliteit en bloei ter beschikking. Vooral de citatienaslagwerken zijn beroemd en berucht geworden. Daar ga ik hier niet op in. In ieder geval kunnen er voor de negentiendeeeuwse wetenschap geen citatiescores of impactfactoren berekend worden.
Uit tabel 2 blijkt dat het eerst lage Nederlandse aandeel in de aantallen belangrijke onderzoekers, op een hoger niveau kwam na 1860, en vooral na 1880. Maar niet alleen het Nederlandse aandeel nam toe, onze toponderzoekers werden ook productiever. Als we de omvang van de bibliografieën van de in Poggendorff opgenomen zeer productieve onderzoekers als maat nemen, ontstaat het volgende beeld.
Alles bij elkaar ontstaat het beeld van een nationale bloeiperiode
tabel 3 gemiddelde omvang (in kolommen) van de bibliografie per zeer productieve onderzoeker in poggendorff
|
hele wereld |
Nederland |
| 1850-1859 |
2,06 |
2,00 |
| 1860-1869 |
2,08 |
2,18 |
| 1870-1879 |
2,25 |
2,22 |
| 1880-1889 |
2,40 |
2,79 |
| 1890-1899 |
2,67 |
3,75 |
(bron: zie tabel 2.)
| | | |
vanaf circa 1880. Dat Nederland snel belangrijker was geworden, moet voor velen in binnen-en buitenland duidelijk waarneembaar zijn geweest. Zo betitelde de Duitse natuurkundige Woldemar Voigt ons land als ‘Grossmacht im Gebiete der Physik’ toen Kamerlingh Onnes in 1913 de Nobelprijs kreeg. Zo'n duidelijk fenomeen moet vanzelf leiden tot een duidelijke vraag: hoe, of zelfs waarom, kon die bloei ontstaan? |
1Zie mijn artikel ‘On the Structure of a Scientific Golden Age. Social Change, University Investments and Germany's Discontinuous Rise to 19th Century Scientific Hegemony’, Berichte zur Wissenschaftsgeschichte, jrg. 19, 1996, p. 35-49.
2Zie Willink (1991 en 1996), o.c. (noot 5 bij de proloog en noot 1 bij dit hoofdstuk). In het eerste artikel staan argumenten om geen gebruik te maken van sommige andere naslagwerken.
3Zie voor definities Willink (1991).
|
|