Vermogensverhoudingen vormen voor een socioloog een nogal buitenissig onderwerp. Van huis uit weet hij er weinig van, en zeker wanneer hij een veelomvattende benadering voorstaat, moet hij bij diverse specialisten te rade gaan - economen, juristen, fiscalisten, historici, statistici.
Toch heeft deze studie een duidelijk sociologisch karakter, en dat is onder meer te danken aan mijn promotor Joop Goudsblom. De invloed die hij in de loop van jaren op mij heeft uitgeoefend is op tal van plaatsen aanwijsbaar. Wat dit proefschrift betreft, dank ik hem vooral voor het vertrouwen dat hij van het begin tot het einde in deze onderneming heeft gesteld en voor de zorgvuldigheid waarmee hij al mijn stukken van commentaar en voorstellen voor verbetering heeft voorzien.
Door toedoen van Victor Halberstadt, mijn tweede promotor, verruimde zich in korte tijd mijn kennis op economisch gebied. Zeer erkentelijk ben ik hem voor zijn onderzoekswenken, literatuursuggesties en kritische kanttekeningen, die onmisbare ingrediënten vormden voor het eindresultaat.
Bij mijn verkenningen op dit gebied ben ik, zoals gezegd, van diverse niet-sociologische deskundigen - naast professor Halberstadt - afhankelijk geweest. In uitvoerige gesprekken profiteerde ik van de fiscaal-juridische kennis en praktijkervaring van prof. mr. H.J. Hofstra, prof. mr. A. Nooteboom en prof. mr. dr. F.H.M. Grapperhaus. Ook Flip de Kam en prof. dr. A. Heertje deden mij enkele bruikbare suggesties aan de hand. Prof. dr. J.H. van Stuyvenberg gaf advies als economisch-historicus en voorzag twee hoofdstukken van commentaar. Han Baay legde mij het een en ander uit over pensioen-bv's en vergelijkbare regelingen. Heel behulpzaam was ook Paul van Batenburg door berekeningswijzen na te trekken en op de valreep nog een paar literatuurtips te geven.
Bijzondere dank komt Rob Potharst en Han Gieske toe. De eerste ontwikkelde wiskundige formules waarmee ik aan de slag kon, de tweede gaf waar dat nodig was juridische adviezen. Niet alleen boden beiden mij ruime hulp op grond van hun specifieke deskundigheid, ook wisten ze mij telkens weer te motiveren door hun nieuwsgierigheid naar de voortgang van mijn werk.
Belangrijk was de medewerking die ik van verschillende instanties verkreeg. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (met name: drs. C.J. den Dulk en drs. P.J.J. Meuwissen) gaf mij informatie over de opstelling van vermogensstatistieken en stuurde me statistisch materiaal. De meeste cijfers vond ik echter, met hulp van de daar aanwezige medewerkers, in de bibliotheek van het Bureau voor de Statistiek van de gemeente Amsterdam. Het Technisch Centrum van de Faculteit der Sociale Wetenschappen van de Universiteit van Amsterdam, met name in de persoon van J.H. Mowitz, ben ik dank verschuldigd voor de verzorging van het computerprogramma met behulp waarvan de nodige berekeningen konden worden uitgevoerd.
Van collega-sociologen heb ik op verschillende manieren hulp en steun ondervonden, variërend van informele gesprekken over gemeenschappelijke onderzoeksproblemen tot detaillistisch commentaar op geschreven stukken. Daarvoor dank ik Kees Bruin, Nil Disco, Bart van Heerikhuizen, Paul Kapteyn, Michel Korzec, Dick Pels, Kees Schmidt, Bert Schijf, Ruud Stokvis en Eddy Szirmai. Met Norbert Elias had ik een vruchtbaar gesprek over mijn onderzoek. Erik Verkade, Johannes van der Weiden en Herman Vuijsje wezen mij de weg naar literatuur over specifieke onderwerpen. Nelleke van Eerde-Kooy verzamelde en verwerkte gegevens over hoogst aangeslagenen, waar ik gebruik van kon maken.
Ali de Regt tenslotte dank ik niet in de eerste plaats als collega, maar om verschillende andere redenen. Vooral haar heroïsche steun in de laatste maand vóór de voltooiing van het manuscript zal mij nog lang heugen.
Amsterdam, oktober 1983
Nico Wilterdink