terug  begin  verderprepost
[p. 94]

IV Vermogensverhoudingen in de twintigste eeuw (1894-1974): hoofdlijnen van de ontwikkeling

1 Opmerkingen vooraf

De benadering die in dit hoofdstuk zal worden gevolgd, verschilt enigszins van die van het vorige hoofdstuk. Terwijl hiervóór een samenvattende beschrijving en interpretatie werd beproefd die ‘synthetisch’ is te noemen, is de benadering die nu volgt veeleer analytisch: per paragraaf worden verschillende aspecten van de bezitsverhoudingen afzonderlijk bezien en in kwantitatieve termen beschreven.

Deze analytische, kwantificerende en abstraherende benadering heeft nadelen: door deelontwikkelingen afzonderlijk te beschouwen worden onderlinge samenhangen gemakkelijk verwaarloosd en dreigen de menselijke figuraties waar ze deel van uitmaken uit het zicht te verdwijnen. Maar zo'n werkwijze is geboden als we een scherp beeld willen krijgen van regelmatigheden in deelontwikkelingen. Het bezien van afzonderlijke kwantitatieve trends maakt het bovendien mogelijk door middel van vergelijkingen generalisaties en samenhangen vast te stellen op een meer controleerbare wijze dan via een synthetisch-interpreterende benadering.

De verschillen tussen beide benaderingen hoeven overigens niet onoverbrugbaar groot te zijn; in feite is er een vloeiende overgang tussen beide. Zowel in dit als in het vorige hoofdstuk is niet volstrekt eenzijdig voor een van beide benaderingswijzen gekozen. Zoals in het vorige hoofdstuk vrij veel cijfermateriaal over aspecten van bezitsverhoudingen verwerkt was, zo zal omgekeerd dit hoofdstuk niet louter weergaven en analyses van cijfers en cijfermatige trends bevatten, maar steeds ook aanduidingen van wat de cijfers voorstellen, wat ze betekenen voor de maatschappelijke verhoudingen, de betrekkingen tussen mensen.

De cijfers waarmee in dit hoofdstuk gewerkt wordt zijn

[p. 95]

niet altijd even nauwkeurig. Dit geldt met name voor de sinds 1894 gepubliceerde vermogensstatistieken, de cijfers over privé-vermogens gebaseerd op de vermogensbelasting. Appendix 1 bespreekt de betekenis van deze cijfers en wijst op verschillende tekortkomingen ervan: sommige vermogensbestanddelen - met name de meeste consumptiegoederen, waaronder kunst en antiek - worden er niet door bestreken, goederen zijn in veel gevallen te laag gewaardeerd, de regels en de praktijk van de belastingheffing hebben in de loop van de tijd veranderingen ondergaan die de registratie van de vermogens hebben beïnvloed.

De grootste tekortkoming is wel de onbetrouwbaarheid van deze cijfers ten gevolge van ontduiking en ontwijking van belasting; deze is voor de hele beschouwde periode niet gering, maar in recente jaren - vanaf het midden van de jaren zestig - is zij naar alle waarschijnlijkheid sterk toegenomen. De vermogensstatistieken zijn dan ook alleen bruikbaar, en worden hier alleen gebruikt, om een globaal beeld te geven van veranderingen in de vermogensverhoudingen. Daarbij zal ook van andere gegevens gebruik worden gemaakt, zoals die van de successiebelasting (zie daarvoor ook appendix 3).

Voor de jaren vanaf 1965 worden de vermogenscijfers alleen onder voorbehoud gepresenteerd. Sinds 1975 is de betekenis van de vermogensstatistieken vanwege verhoogde vrijstellingen nog verder gereduceerd, en deze zullen hier dan ook niet worden gebruikt. Dit hoofdstuk behandelt, kortom, ontwikkelingen tot ongeveer halverwege de jaren zeventig, met hier en daar verwijzingen naar meer recente veranderingen.

2 Persoonlijke vermogens, produktiegroei en welvaartsstijging

Rijkdom in de Nederlandse samenleving anno 1850 of 1880 betekende iets anders dan rijkdom anno 1960 of 1982: deze op zichzelf nogal triviale uitspraak is op diverse manieren toe te lichten en uit te werken. Eén belangrijke verandering betreft de verhouding tussen persoonlijke rijkdom en nationaal welvaartsniveau. In 1850 en ook nog in 1880 leefden rijken

[p. 96]

tussen talloze armen - ‘arm’ niet alleen volgens huidige maatstaven, maar ook in de ogen van tijdgenoten. In 1960 was dat niet meer het geval, in 1970 of 1980 nog minder. Armoede is een rekbaar begrip, maar niet oneindig rekbaar: sociale definities van armoede zijn niet willekeurig, noch louter een functie van het algemene welvaartspeil van de samenleving, maar mede gebaseerd op het herkennen van elementaire materiële behoeften die als ‘algemeen menselijk’ kunnen worden beschouwd, - behoeften aan voeding, bescherming tegen kou, onderdak en dergelijke. In de negentiende eeuw leden veel Nederlanders in deze opzichten permanent of tijdelijk gebrek; nog veel groter was het aantal voor wie dit gebrek voortdurend dreigde. In de loop van deze eeuw verminderde deze armoede, tenslotte verdween zij vrijwel uit de Nederlandse samenleving. Zichtbare, evidente armoede verwijderde zich steeds meer en steeds verder van de nationale grenzen.

De negentiende eeuw is de eeuw van de industriële revolutie; maar de twintigste eeuw is, in de landen die die revolutie hebben doorgemaakt, de eeuw van de massale welvaartsgroei, ondanks de economische crises en de wereldoorlogen en ondanks de ongelijke mate waarin deze groei zich aan verschillende groepen in verschillende landen meedeelde. Men kan deze welvaartsstijging afmeten aan de toename van reële lonen, de verbetering van de huisvesting, de uitbreiding van de consumptie van verschillende goederen en diensten. De meest omvattende en gebruikelijke (zij het voor kritiek vatbare) maatstaf is echter die van het reële nationale inkomen per hoofd van de bevolking. Terwijl de economische groei in Nederland volgens deze maatstaf in de laatste vier decennia van de vorige eeuw naar schatting gemiddeld tussen de 0,5% en 0,8% per jaar bedroeg, was de jaarlijkse gemiddelde groei in de periode 1900-1970 1,7%, ondanks de terugval in de periode 1930-1945; sterk was de groei vooral in de jaren twintig (gemiddeld ruim 2,5% per jaar), vijftig (3% per jaar) en zestig (4% per jaar). Over de hele periode 1900-1970 werd het reële nationale inkomen per hoofd meer dan drie keer zo groot, terwijl het aantal ‘hoofden’ ruim tweeënhalf keer zo groot werd.1.

[p. 97]

Hoe verhield de ontwikkeling van de persoonlijke rijkdom zich tot deze welvaartsvermeerdering? Bij oppervlakkige beschouwing lijkt er van een aanzienlijke accumulatie van privé-vermogen sprake te zijn geweest. Zo nam het totale belaste privé-vermogen toe van 5,4 miljard gulden in 1894 tot 50,4 miljard in 1965 en 97,8 miljard in 1974, het in de vermogensstatistieken opgenomen aantal miljonairs van 402 personen in 1894 tot meer dan 10 000 in 1974.2.

Vergelijken we echter deze nominale groei van de vermogens van een welgestelde bovenlaag met de groei van het nationaal inkomen, dan blijkt de vermogensgroei sterk te zijn achtergebleven bij de groei van het algemene produktie- en welvaartsniveau. Tabel 1 (p. 99) geeft dit aan.

De rijkste 3% van de Nederlandse bevolking bezat aan het einde van de vorige eeuw een gezamenlijk vermogen dat overeenkwam met meer dan drie keer het nationaal inkomen. In de eerste decennia van deze eeuw daalde deze vermogenssom volgens de statistieken verhoudingsgewijs tot ongeveer het dubbele van het nationaal inkomen, om na de Tweede Wereldoorlog verder te dalen tot minder dan het nationaal inkomen. (In de jaren zestig en zeventig zette de relatieve daling zich verder door. Gezien de toenemende onbetrouwbaarheid van de statistieken mag echter vooral aan het laatste verhoudingscijfer van Tabel 1 niet veel waarde worden gehecht.) Het overwicht van de grotere kapitaalbezitters in de Nederlandse economie is in de loop van deze eeuw, zo blijkt uit deze gegevens, afgenomen; de materiële privileges die deze bezitters aan hun persoonlijke vermogens kunnen ontlenen, zijn relatief minder groot geworden.

De ontwikkeling wordt iets begrijpelijker als we ons realiseren hoe groot de rijkdom van de grotere bezitters rond de eeuwwisseling was. Volgens de vermogensstatistieken (die, zoals gezegd, een minder-dan-minimum-schatting geven) was het gemiddelde vermogen van de rijkste 3% van de bevolking - niet zo'n heel kleine minderheid - rond 1900 ongeveer f 90 000,-, oftewel in guldens van 1974 bijna 1 miljoen.

De bezitsverhoudingen leken aan het begin van deze eeuw nog altijd enigszins op die welke we als typerend voor het

[p. 98]

Nederland van de negentiende eeuw en daarvóór hebben beschreven: een tamelijk brede laag van welgestelde tot zeer rijke vermogensbezitters bij een laag niveau van binnenlandse produktie. Zouden de verhoudingen sindsdien precies hetzelfde zijn gebleven en alle privé-vermogens qua omvang evenredig met het nationaal inkomen per hoofd en qua aantal evenredig met de bevolking zijn gestegen, dan zou bijvoorbeeld het aantal miljonairs in 1965 geen 5820 hebben gedragen (zoals volgens de statistieken het geval is) maar ruim 40 000, en in 1974 geen ruim 10 000, maar meer dan 110 000.4.

Dat is niet gebeurd. Het aantal miljonairs is toegenomen, maar in mindere mate dan het geval zou zijn geweest indien de vermogensverhoudingen stabiel waren gebleven. Grote vermogensbezitters zijn er nog steeds, maar hun gezamenlijke privé-vermogen is veel minder toegenomen dan de omvang, van de nationale produktie. Hoe is dat te verklaren?

In eerste instantie is het achterblijven van de groei van de grotere privé-vermogens bij de stijging van de nationale welvaart, uitgedrukt in het nationaal inkomen, op drie te onderscheiden trends te herleiden:

1.De groei van het totale nationale vermogen is achtergebleven bij die van het nationaal inkomen;
2.De groei van de grotere privé-vermogens is achtergebleven bij die van kleinere;
3.De groei van de privé-vermogens is achtergebleven bij die van de meer collectieve vermogens.

 

In de volgende drie paragrafen worden deze ontwikkelingen achtereenvolgens besproken. De meeste aandacht gaat uit naar de tweede en de derde ontwikkeling: de veranderende ongelijkheid in de verdeling van privé-vermogens en de veranderende verhouding tussen privé-vermogens, semi-privévermogens en collectieve vermogens.

[p. 99]

Tabel 1 Totaal vermogen van de rijkste 3% van de bevolking (gedefinieerd als echtparen en ongehuwden van twintig jaar en ouder) volgens de vermogensbelasting, nationaal inkomen en de verhouding tussen beide, Nederland 1894-19743.

jaar totaal vermogen rijkste 3% nationaal inkomen verhouding
(1) (2) 1:2
  in mln. guldens in mln. guldens  
 
1894 5 075 1 574 3,22
1900 5 472 1 783 3,07
1910 6 732 2 383 2,83
1920 11 785 6 023 1,96
1930 13 295 6 323 2,10
1939 10 937 5 627 1,94
1951 15 025 18 258 0,82
1960 32 896 36 395 0,90
1965 47 368 59 281 0,80
1974 75 255 164 755 0,46

[p. 100]

3 Kapitaalsaccumulatie en economische groei

De economische groei die in de loop van deze eeuw plaatsvond, werd gerealiseerd door investeringen, door vervanging en uitbreiding van onderdelen van het produktie-apparaat: machines, gebouwen, transportmiddelen, communicatiemedia, enzovoort. Technische vernieuwing, kapitaalsaccumulatie, arbeidsverdeling in groter wordende produktie-organisaties, - deze onderling verbonden processen maakten het mogelijk dat de arbeidsproduktiviteit toenam, dat meer in minder arbeidstijd werd geproduceerd. De produktiegroei bracht met zich mee, dat het bestand aan huizen en het arsenaal aan consumptiegoederen zich uitbreidden.

Groei van het nationaal inkomen ging dus gepaard met groei van het nationaal vermogen, zowel door de accumulatie van produktiekapitaal die er een voorwaarde voor was als door de uitbreiding van het bezit van huizen, auto's en andere consumptiegoederen die er een consequentie van was. Volgens de schaarse en ruwe schattingen die er van het Nederlandse nationaal vermogen in de twintigste eeuw gemaakt zijn (waarbij in het algemeen wel grond en huizen, maar niet de duurzame consumptiegoederen zijn meegerekend) is de groei hiervan op langere termijn echter achtergebleven bij die van het nationaal inkomen. De geldswaarde van het kapitaalbezit van alle Nederlanders bij elkaar heeft zich minder uitgebreid dan hun gezamenlijke inkomen. Met name de Tweede Wereldoorlog betekende in dit opzicht een breuk. Vóór de oorlog was het nationaal vermogen naar schatting steeds vijf à zes keer zo groot als het nationaal inkomen, na de oorlog ruim vier keer zo groot. (Nauwkeuriger uitspraken zijn moeilijk te doen: de ramingen van het nationaal vermogen zijn ruw en variëren sterk naar de gehanteerde waarderingsmaatstaven, het gebruikte materiaal en de berekeningswijzen.)5.

Algemeen gesproken, hangt de verhouding tussen de ontwikkeling van het nationaal vermogen en die van het nationaal inkomen onder meer af van de mate en aard van technische vernieuwingen. Door technische verbeteringen in het produktie-apparaat kan in principe (indien de verbeteringen niet

[p. 101]

meer kosten dan de normale vervanging van versleten onderdelen) de produktie worden vergroot zonder dat de in geld of fysieke hoeveelheden uitgedrukte kapitaalgoederenvoorraad hoeft te worden uitgebreid: het nationaal vermogen blijft dan constant terwijl het nationaal inkomen stijgt, zodat de verhouding tussen beide kleiner wordt. Bij technologische stagnatie daarentegen kan de produktie alleen worden vergroot door netto-investeringen die - althans bij een stabiele bevolking - ‘verminderende meeropbrengsten’ geven: het nationaal vermogen stijgt dan meer dan het nationaal inkomen, de verhouding tussen beide wordt groter.6.

In werkelijkheid lopen, zowel voor Nederland als andere nationale samenlevingen, de groeicijfers van de geschatte totale waarde van de binnenlandse kapitaalgoederenvoorraad en die van het nationaal inkomen gedurende deze eeuw niet zeer uiteen. In Nederland stegen beide in de jaren 1914-1919 naar ruwe schatting met een gemiddelde van ongeveer 2,5% per jaar, in de periode 1919-1939 nam de kapitaalgoederenvoorraad iets meer toe dan het reële nationale inkomen (geschat op respectievelijk 3,3% en 2,2% per jaar), in de jaren 1952-1969 steeg de eerste grootheid echter wat minder dan de tweede (respectievelijk ongeveer 4,5% en 5,3% per jaar). Over de hele periode gezien, bleef de in geld gewaardeerde binnenlandse kapitaalgoederenvoorraad - volgens de maatstaf van de vervangingswaarde - ongeveer vier keer zo groot als het nationaal inkomen.7. Dit zou erop kunnen wijzen dat de effecten van vermeerderende meeropbrengsten door produktiviteitsverhogende technische vernieuwingen en van verminderende meeropbrengsten door kapitaalsintensivering elkaar tot op grote hoogte gecompenseerd hebben.

Belangrijker is een andere variabele ter verklaring van de verschuiving in de verhouding tussen nationaal vermogen en nationaal inkomen: de omvang van de buitenlandse bezittingen. Nederland, van oudsher crediteursnatie bij uitstek, heeft tot op heden altijd een positief saldo aan buitenlandse bezittingen gekend, maar de relatieve omvang daarvan is met name in en door de beide wereldoorlogen sterk verminderd. Van het begin van de eeuw tot 1914 bedroeg het saldo van de

[p. 102]

buitenlandse - inclusief koloniale - bezittingen waarschijnlijk steeds ruim 30% van het nationaal vermogen, in de periode 1918-1940 tussen de 20 en 30%.8. De Eerste Wereldoorlog tastte onder meer door het verlies van honderden miljoenen aan Russische effecten als gevolg van de Revolutie van 1917, de Nederlandse vermogenspositie in de wereldeconomie aan.9. Vooral het persoonlijk bezit van buitenlandse effecten (afgezien van de koloniën) nam af, - als deel van de vermogenswaarde van aan successiebelasting onderworpen nalatenschappen daalde het van bijna een kwart rond 1910 tot minder dan 10% in 1920 en volgende jaren.10. Daartegenover begonnen in de jaren twintig en dertig de buitenlandse investeringen van de opkomende internationaal opererende concerns (zoals Koninklijke Olie, aku, Unilever, Philips) een grotere omvang aan te nemen.

Het was vooral in de Tweede Wereldoorlog en de eerste jaren daarna dat het Nederlandse bezit van buitenlandse en koloniale goederen afnam. Eind 1938 bedroeg het saldo van deze bezittingen naar schatting nog ruim 8 miljard gulden, waarvan tegen de 4 miljard in Nederlands-Indië belegd, op een nationaal vermogen van ruim 30 miljard en een nationaal inkomen ongeveer 5,5 miljard. Eind 1950 was dit saldo daarentegen nog maar 2,8 miljard gulden, oftewel in guldens van 1938 ruim 1 miljard. Proportioneel was het saldo van de buitenlandse bezittingen daarmee gedaald van ruim een kwart tot ongeveer 4% van het nationaal vermogen. Na 1950 nam het percentage weer toe, maar het vooroorlogse peil werd bij lange na niet meer bereikt.11. Behalve het verlies van koloniaal bezit zorgde ook de toename van buitenlandse investeringen in Nederland - voor de oorlog van betrekkelijk geringe betekenis - voor een vermindering van het naoorlogse saldo aan buitenlandse bezittingen.

Buitenlandse beleggingen dragen met de inkomsten die ze opleveren bij tot het nationaal inkomen, maar veel minder dan binnenlandse investeringen, die immers behalve kapitaalinkomsten voor bezitters ook arbeidsinkomsten voor werknemers in dezelfde nationale samenleving met zich meebrengen. Naarmate een groter deel van het nationaal vermogen

[p. 103]

de vorm van buitenlandse beleggingen heeft aangenomen, is derhalve, ceteris paribus, het quotiënt van nationaal vermogen en nationaal inkomen groter. Gegeven nu de proportionele daling van het saldo van buitenlandse beleggingen, is hieruit de verkleining van dit quotiënt in de twintigste-eeuwse ontwikkeling van de Nederlandse economie af te leiden.

Meer in concreto hield de ontwikkeling in, dat Nederlandse kapitaalbezitters vooral in en na de Tweede Wereldoorlog bezittingen in koloniën en andere landen kwijtraakten, en dat investeringen van buitenlandse ondernemingen in Nederland en beleggingen van buitenlandse aandeelhouders in Nederlandse ondernemingen belangrijker werden. De positie van Nederland als kapitalist in de wereldeconomie - geldschieter, aandeelhouder, koloniale uitbater, financiële bemiddelaar - werd daarmee minder geprononceerd.12.

 

Hoe verhoudt de groei van de gezamenlijke waarde van de privé-vermogens van grotere bezitters (bijvoorbeeld de rijkste 3% van de bevolking) zich nu tot de groei van het nationaal vermogen? De beschikbare gegevens, hoe ruw die ook zijn, wijzen er ondubbelzinnig op dat de eerste grootheid minder is toegenomen dan de tweede, waaruit kan worden afgeleid dat het aandeel van de grotere privé-vermogens in het nationaal vermogen is gedaald. Tabel 2 (p. 105) geeft hier een indruk van.

Bij de interpretatie van deze tabel moet bedacht worden dat 1. de cijfers van het nationaal vermogen grotendeels op zeer globale ramingen berusten, 2. de voornaamste gehanteerde waarderingsgrondslag van het nationaal vermogen, de vervangingswaarde, tot andere en vermoedelijk hogere uitkomsten leidt dan de voornaamste waarderingsgrondslag van de belaste privé-vermogens, de verkoopwaarde van gebruikte goederen, 3. onderwaardering inherent is aan de cijfers over de privé-vermogens, in tegenstelling tot die over het nationaal vermogen, en 4. de onderschatting van privé-vermogens wel in bijzonder sterke mate voor de jaren vanaf 1965 geldt. Hieruit valt te concluderen dat de percentages in de laatste kolom niet begrepen kunnen worden als aandelen van de rijkste 3% in

[p. 104]

het nationaal vermogen (wel als ruwe indicatoren daarvoor), dat deze aandelen waarschijnlijk steeds heel wat hoger liggen dan de vermelde percentages en dat de vermindering van deze percentages met ingang van 1965 voor een belangrijk deel een uitvloeisel zou kunnen zijn van veranderingen in de vermogensregistratie. Wat zich nochtans wel uit de tabel laat afleiden, is dat het aandeel van de grotere privé-vermogens in het totale nationale vermogen in de loop van deze eeuw sterk is gedaald. Vóór de Eerste Wereldoorlog lag het aandeel van de rijkste 3% van de bevolking waarschijnlijk op meer dan de helft van het nationaal vermogen (rekening gehouden met de onderschatting van de belaste privé-vermogens en met de verschillende waarderingsgrondslagen), na de Tweede Wereldoorlog op veel minder dan de helft. Met name in de perioden rond beide wereldoorlogen nam de dominantie van de grotere vermogensbezitters af.

4 Veranderingen in de verdeling van privé-vermogens

Een van de ontwikkelingen waaraan het dalende aandeel van de grotere bezitters in het nationaal vermogen is toe te schrijven, betreft de verdeling van privé-vermogens over verschillende individuen, families en sociale klassen. In de loop van deze eeuw verminderde de ongelijkheid van deze verdeling, gemeten aan maatstaven als de verhouding tussen de gemiddelde vermogens van verschillende categorieën bezitters of het aandeel van de rijkste zoveel procent van de bevolking in het totaal van alle privé-vermogens. Kleinere vermogens groeiden meer, in aantal en omvang, dan grotere. Deze verandering was echter niet continu, en verliep zo langzaam dat de ongelijkheid ook voor latere jaren van de beschouwde periode groot te noemen is. Evenals vijftig of tachtig jaar geleden, kunnen we nog altijd spreken van een sterke concentratie van vermogens bij een kleine minderheid van grote bezitters.

Deze beweringen zijn gebaseerd op statistieken waarvan de adequaatheid - het zij hier nogmaals gezegd - in diverse opzichten te wensen overlaat. De sinds 1894 gepubliceerde

[p. 105]

Tabel 2 Nationaal vermogen volgens geschatte waarde kapitaalgoederen, totaal vermogen rijkste 3% van de bevolking volgens vermogensbelasting, en de verhouding tussen beide, Nederland 1913-197413.

jaar nationaal vermogen totaal vermogen rijkste 3% verhouding
(1) (2) 2:1
  in mrd. guldens in mrd. guldens %
 
1913 15 7,2 48
1919 25 11,0 44
1939 32 10,9 34
1951 71 15,0 21
1960 168 38,9 23
1964 226 44,1 20
1974 674 75,3 11

[p. 106]

vermogensstatistieken gaan uit van een niet geheel stabiele definitie van ‘vermogen’ die bepaald is door de vermogensbelasting, ze zijn vanwege onderwaardering, belastingontduiking en belastingontwijking niet erg betrouwbaar én ze bestrijken slechts een vrij kleine minderheid van de bevolking. Toch valt, zoals nader beargumenteerd in de appendices, op basis van deze statistieken wel enig inzicht in de ontwikkeling van de vermogensverhoudingen te verkrijgen, mits men de beperkingen in het oog houdt (met name voor de recente jaren) en niet te hoge eisen stelt aan nauwkeurigheid en detaillering.

 

Een eerste indruk van de personele vermogensverdeling en veranderingen daarin kan men zich vormen door de gemiddelde vermogens van verschillende categorieën van de bevolking, onderscheiden naar grootte van het vermogen, met elkaar te vergelijken (waarbij ‘bevolking’ staat voor echtparen en ongehuwden, inclusief ex-gehuwden, van twintig jaar en ouder).

Tabel 3 (p. 107) laat om te beginnen zien hoe groot de vermogensongelijkheid zelfs binnen de welgestelde bovenlaag van 4% van de bevolking is: het gemiddelde vermogen van de rijkste 0,1% varieert, over de hele periode gezien, van ruim 20 tot meer dan 60 maal het gemiddelde vermogen van de rijkste 3 tot 4%. De scheefheid van de vermogensverdeling komt hier scherp naar voren: een concentratie van zeer grote vermogens bij een kleine top, een snel verval van de gemiddelde vermogensomvang bij het afdalen van de vermogenshiërarchie.

Tegelijk blijkt, dat de grote vermogens minder zijn gestegen dan de kleinere, zodat de ongelijkheidsverhouding tussen beide is gedaald. Tot 1914 werden verschillen echter nog groter; de tendens tot verkleining van die verschillen zette zich daarna in, zij het niet ononderbroken en niet in een constant tempo.

 

Hoe hebben de grotere vermogens zich ontwikkeld ten opzichte van de kleinere, die buiten de vermogensstatistieken vallen? Met andere woorden, hoe zijn de vermogensverhoudingen veranderd als we het hele spectrum van privé-vermogens bezien? Om deze vraag te kunnen beantwoorden, moeten we het totaal van alle privé-vermogens schatten, om vervolgens

[p. 107]

Tabel 3 Gemiddelde belaste vermogens van rijkste 0,1%, 0,1-0,5%, 0,5-1%, 1-3% en 3-4% van de Nederlandse bevolking en onderlinge verhouding, 1894-197414.

jaar 0,1% 0,1-0,5% 0,5-1% 1-3% 3-4% verhouding
0,1%:3-4%
in duizenden guldens
 
1894 876 196 82 33 16 55
1905 918 199 82 33 15 61
1914 998 209 84 34 16 62
1919 1 300 282 121 53 28 46
1925 1 199 252 112 51 28 43
1930 1 343 277 122 54 30 45
1935 802 182 85 40 22 36
1939 898 196 89 41 23 39
1951 891 225 113 60 37 24
1955 1 302 312 153 79 49 27
1960 1 972 470 226 113 68 29
1970 2 911 716 370 202 130 22
1974 3 335 800 428 242 159 21

[p. 108]

de aandelen van bepaalde categorieën vermogensbezitters in dat totaal (bijvoorbeeld van het rijkste percentiel) te kunnen vaststellen. Een dergelijke - onvermijdelijk min of meer speculatieve - schatting is te maken door een bepaalde regelmaat in de opbouw van de geregistreerde vermogens (c.q. een bepaalde samenhang tussen vermogensomvang en een aantal vermogensbezitters) te onderkennen en ervan uit te gaan dat diezelfde regelmaat zich onder de niet-geregistreerde vermogens voortzet. Deze regelmaat blijkt inderdaad te constateren: de bekende gegevens benaderen een lognormale verdeling, dat wil zeggen de geregistreerde aantallen vermogensbezitters per gegeven vermogensklasse, uitgedrukt in de logaritme van het vermogen, kunnen bij benadering beschouwd worden als een deel uitmakend van een normale verdeling die de hele populatie (alle in Nederland woonachtige. echtparen en ongehuwden van twintig jaar en ouder) omvat. Verschillende argumenten pleiten ervoor het totale privé-vermogen per jaar op basis van dit uitgangspunt te berekenen.

Zoals voor veel verschijnselen een normale verdeling is vastgesteld, zo is ook van diverse verschijnselen opgemerkt dat ze in veel gevallen een lognormale verdeling benaderen; hieronder vallen inkomens (in het bijzonder van specifieke beroepsgroepen, maar ook van nationale populaties), vermogens, vermogensinkomsten en vermogensbestanddelen.15. En zoals een normale verdeling beschouwd kan worden als de resultante van de additieve werking van toevalsfactoren, zo is de lognormale verdeling theoretisch te funderen als de uitkomst van de multiplicatieve werking van toevalsfactoren. Anders en nauwkeuriger uitgedrukt: de lognormale verdeling kan worden afgeleid uit de ‘wet van het proportionele effect’, die inhoudt, dat ‘the change in the variate at any step of the process is a random proportion of the previous value of the variate’.16. Het is niet ver gezocht een dergelijk proces van toepassing te verklaren op de accumulatie van privé-vermogens in een kapitalistische vrije-markteconomie. Het beleggen van delen van het privé-vermogen in verschillende ondernemingen is te vergelijken met het meedoen aan een loterij die bepaalde kansen op winst en verlies biedt.17. Als deze kansen nu onafhankelijk zijn

[p. 109]

van de omvang van het belegde vermogen, met andere woorden de absolute grootte van winst of verlies een ‘random pro-portion’ van de vermogensomvang is en als de relatieve vermogensvermeerdering of -vermindering uitsluitend hierdoor wordt bepaald, - dan resulteert bij grote aantallen na verloop van tijd een lognormale verdeling, welke de aanvangsverdeling ook was. Dit simplificerende model (het houdt met name geen rekening met variërende spaarquotes en met inkomen dat zelf niet aan vermogen is ontleend) stemt nog het beste overeen met de werkelijkheid van een economie die gekenmerkt wordt door vrije concurrentie tussen individuele bezitters, lage arbeidsinkomens die nauwelijks tot vermogensvorming leiden en het ontbreken van monopolievorming, kortom een werkelijkheid die lijkt op de modellen van klassieke economen.

De stelling dat privé-vermogens lognormaal verdeeld zijn, heeft dus weliswaar een zekere theoretische plausibiliteit, maar kan bepaald niet als zijnde een ijzeren wetmatigheid worden verdedigd. De doorslaggevende argumenten om van deze verdeling uit te gaan moeten dan ook gevonden worden, en zijn te vinden, in de empirie. Niet alleen stemmen de in de statistieken weergegeven vermogens in redelijke tot sterke mate met een lognormale verdeling overeen (zie tabel 4, kolom 5), niet alleen geldt een dergelijke overeenstemming voor vermogens in diverse samenlevingen en historische perioden, maar ook is een meer directe empirische bevestiging gelegen in andersoortige schattingen van het Nederlandse totale privé-vermogen. Berekeningen op basis van gegevens over nalatenschappen en vermogensinkomsten leverden over reeksen van jaren uitkomsten op die niet ver afweken van de met behulp van het uitgangspunt van de lognormale verdeling gemaakte schattingen op basis van de cijfers van de vermogensbelasting. (Zie voor een uiteenzetting van de gevolgde werkwijze appendix 2, en voor de verschillende empirische toetsingen appendix 3.)

Ook praktische argumenten pleiten voor de gevolgde werkwijze. Een voordeel ervan is, dat steeds met hetzelfde type gegevens gewerkt wordt, wat de onderlinge vergelijkbaarheid bevordert van zowel vermogens in één jaar (voorzover de gere-

[p. 110]

Tabel 4 Geschatte totale privé-vermogen volgens vermogensstatistieken, Nederland 1894-1974, en bijbehorende gegevens: omvang populatie, registratiegrens, aantal gegeven vermogensklassen, gemiddelde fout, totale geregistreerde vermogen en geschatte totale vermogen onder de registratiegrens.18.

jaar bevolking regi-
stratie-
grens
aantal klassen gemid-
delde fout
geregis-
treerde vermogen
vermogen onder reg.-grens totaal privé-
vermogen
(1) (2) (3) (4) (5) (6) (7) (8)
  x1000 f   %   in mrd. guldens  
   
1894 1 857 13 000 10 4,9 5,4 1,7 7,1
1905 2 162 13 000 14 4,9 6,4 1,9 8,3
1914 2 470 13 000 14 3,6 7,7 2,1 9,8
1919 2 677 16 000 13 1,6 12,5 3,6 16,1
1925 2 953 16 000 8 1,9 12,9 4,3 17,2
1930 3 206 16 000 8 1,6 15,6 4,7 20,3
1935 3 521 16 000 8 1,4 11,1 5,2 16,3
1939 3 703 16 000 8 1,0 12,4 5,2 17,6
1951 4 234 20 000 8 5,5 19,6 10,1 29,7
1955 4 351 30 000 7 5,7 26,5 14,4 40,9
1960 4 544 50 000 6 3,6 38,4 22,0 60,4
1965 4 832 100 000 5 3,8 50,4 44,6 95,0
1970 5 293 100 000 11 3,5 73,3 59,2 132,5
1974 5 607 100 000 6 3,9 96,8 74,7 171,5
Toelichting op kolommen: (1) t/m 19391 mei, vanaf 1951 1 januari; (2) echtparen en ongehuwden van twintig jaar en ouder; (3) minimumvermogen waarbeneden vermogens niet of zeer onvolledig geregistreerd zijn; (4) aantal statistisch onderscheiden vermogensklassen boven registratiegrens; (5)gemiddelde procentuele afwijking van volgens de lognormale verdeling berekende aantallen bezitters boven de ondergrens van elke vermogensklasse van de feitelijk geregistreerde aantallen; (6) totaal van gegeven vermogens boven registratiegrens; (7) geschatte totaal vanoverige vermogens; (8) som van (6) en (7).  

[p. 111]

gistreerde vermogens systematisch onderschat worden, geldt deze onderschatting ook voor het berekende totale privé-vermogen, zodat ten aanzien van de vermogensverhoudingen dan geen vertekening optreedt) als de vermogensverhoudingen in verschillende jaren. Daarbij wordt het model van de lognormale verdeling alleen gebruikt als hulpmiddel om een schatting te maken van het totale privé-vermogen (dat weer een hulpmiddel is om de mate van vermogensongelijkheid te bepalen), niet als beschrijving van de werkelijke distributie van alle privé-vermogens. Waar dat laatste al te speculatief zou zijn, laat het gebruik van het model als instrument voor het maken van totaalschattingen en indirect voor het bepalen van veranderingen in de vermogensverhoudingen aanzienlijke verschillen toe tussen werkelijke en veronderstelde verdeling, en biedt het de mogelijkheid van empirische toetsing door vergelijking met andere totaalschattingen. Tenslotte: andere methoden om veranderingen in de Nederlandse vermogensverhoudingen te beschrijven stuiten op bezwaren, zoals uiteengezet in appendix 4.

 

Tabel 4 (p. 110) geeft het geschatte totale privé-vermogen in verschillende jaren en vermeldt tevens enkele van de basisgegevens die aan de schattingen ten grondslag liggen.

Deze berekeningen vormen een opstapje naar datgene waar het hier om gaat: de aandelen van verschillende naar vermogensomvang onderscheiden categorieën vermogensbezitters in het totale privé-vermogen. Voor een reeks van jaren berekend, geven deze met elkaar een globaal beeld van veranderingen in de vermogensongelijkheid.

 

Uit Tabel 5 (p. 113) is op te maken dat de verdeling van de privé-vermogens gedurende de gehele periode wordt gekenmerkt door een sterke ongelijkheid. Een groot deel van het totale privé-vermogen is bij een heel kleine minderheid geconcentreerd: bij het rijkste een-duizendste deel van de bevolking naar schatting een-tiende deel tot zelfs een kwart van het totale vermogen, bij het rijkste een-honderdste deel ruim een kwart tot meer dan de helft, bij het rijkste een-twintigste

[p. 112]

deel ruim de helft tot meer dan driekwart. (De concentratiecijfers zouden nog veel hoger zijn uitgevallen als gehuwde vrouwen en personen beneden de twintig jaar als afzonderlijke eenheden bij de bevolking zouden zijn meegerekend.) Deze ongelijkheid is veel groter dan die van de persoonlijke inkomens. Ter vergelijking: van het totaal der belaste inkomens was het aandeel van de 1,25% hoogste inkomenstrekkers in 1939 14,5%, in 1964 8,2% (na belastingen).20. Evenals de inkomensongelijkheid is de vermogensongelijkheid in de loop van de tijd echter wel verkleind. Het aandeel van de rijkste een-tiende procent en dat van de rijkste halve procent van de bevolking zijn tussen 1894 en 1974 naar schatting ongeveer gehalveerd. Het hoogste percentiel bezat in 1974 verhoudingsgewijs weinig meer dan wat een-tiende deel van dat percentiel aan het begin van deze eeuw in handen had, terwijl het aandeel van het hoogste percentiel rond 1900 ongeveer even groot was als dat van het meest vermogende vijfprocentsdeel omstreeks 1970.

 

Het beeld van een sterke maar afnemende concentratie van privé-vermogens wordt bevestigd door de successiestatistieken zoals weergegeven in Tabel 6 (p. 113).

Deze vermogensnivellering (als we deze term mogen gebruiken voor een ontwikkeling van zeer grote naar iets minder grote ongelijkheid) hield vooral een daling van het aandeel van de grootste vermogens in. In Tabel 7 (p. 115), die weer gebaseerd is op de statistieken van de vermogensbelasting, wordt dit verduidelijkt door vergelijking van de rijkste 0,1% met verschillende statistische tussencategorieën (niet de rijkste 0,5%, maar de rijkste 0,1 tot 0,5%, etcetera).

Het aandeel van de rijkste 0,1-1,5% was volgens deze tabel steeds net iets kleiner dan dat van de rijkste 0,1%, en beide categorieën zagen hun aandeel in de loop van de tijd duidelijk verminderen. Veel minder gold dit voor de meest vermogende 0,5-1%. Het aandeel van de ‘middencategorie’ van 1-5% van de bevolking bleef zelfs opmerkelijk stabiel: steeds was dit ongeveer een kwart van het totale privé-vermogen. De vermindering van de ongelijkheid komt er, met andere woorden, op

[p. 113]

Tabel 5 Aandeel van rijkste 0,1%, 0,5%, 1%, 3% en 5% van de bevolking in het geschatte totale privé-vermogen, Nederland 1894-197419.

jaar 0,1% 0,5% 1% 3% 5%
  %
 
1894 23 44 54 72 79
1905 24 45 55 72 79
1914 25 46 56,5 73 80
1919 22 40 50 68 76
1925 21 38 47,5 65 73
1930 21 39 48 65 74
1935 17 33 42 60 68
1939 19 35,5 45 62 71
1951 13 25,5 34 50,5 60
1955 14 27 35 52 61,5
1960 15 29 37,5 54 64
1965 ----- 25 33 50 59
1970 12 23 31 47 56
1974 11 21 28 44 52

Tabel 6 Ondergrens van vermogens naar successiebelasting van de rijkste 1% van overledenen en aandeel van deze categorie in totale waarde van belaste nalatenschappen, Nederland 1914-197921.

jaar ondergrens rijkste 1% aandeel rijkste 1%
  in guldens %
 
1914 74 564 67
1919 79 390 61
1925 99 215 56
1930 109 445 55
1935 88 742 53
1938 95 036 53
1947 94 516 40
1960 189 661 40,5
1965 286 101 39
1973 376 660 33,5
1979 644 127 28,5

[p. 114]

neer, dat een kleine minderheid van grote bezitters - het rijkste percentiel, en daarvan weer vooral de rijkste helft - iets van haar rijkdom heeft moeten afstaan aan de grote meerderheid van de bevolking, de 95% minst bedeelden. De laag van welgestelden juist onder de top - 4% van de bevolking na het hoogste percentiel - handhaafde daarbij zijn positie in de vermogenshiërarchie.

 

De ontwikkeling van verkleining van de vermogensongelijkheid is, zo blijkt uit Tabel 5, niet continu geweest. In feite heeft zij pas omstreeks 1914 een aanvang genomen; daarvóór werden de verschillen eerder groter. Perioden van relatief sterke vermindering van ongelijkheid waren met name de jaren van de Eerste Wereldoorlog, de jaren van de Grote Depressie, en de periode in en kort na de Tweede Wereldoorlog. Van denivellering daarentegen was, behalve in de jaren 1894 tot 1914, sprake in de tweede helft van de jaren dertig en in de jaren vijftig. In deze beide gevallen was aan de denivellering een periode van relatief sterke nivellering voorafgegaan. Na 1960 overheerste volgens de statistische gegevens (die, zoals gezegd, in toenemende mate onbetrouwbaar werden) weer een tendens van nivellering.

Afgezien van deze laatste, ietwat onzekere periode, stuiten we hier op een merkwaardige paradox. De twintigste-eeuwse lange-termijnontwikkeling van verkleining van de ongelijkheid van privé-vermogens is gepaard gegaan met een lange-termijnontwikkeling van kapitaalsaccumulatie en welvaartsgroei; maar de perioden die het meest bepalend waren voor de nivelleringstendens, de jaren dertig en beide wereldoorlogen, waren juist perioden van crisis, van stagnatie of zelf terugslag in kapitaalvorming en welvaartsontwikkeling. Het is een paradox die we in het vervolg nog meermalen zullen ontmoeten.

[p. 115]

Tabel 7 Aandeel van rijkste 0,1%, 0,1-0,5%, 0,5-1% en 1-5% alsmede van overige 95% van de bevolking in het geschatte totale privé-vermogen, Nederland 1894-197422.

jaar 0,1% 0,1-0,5% 0,5-1% 1-5% 95%
  %
 
1894 23 21 10 25 21
1914 25 21 10,5 23,5 20
1925 21 17 9,5 25,5 27
1939 19 16,5 9,5 26 29
1951 13 12,5 8,5 26 40
1960 15 14 8,5 26,5 36
1974 11 10 7 24 48

[p. 116]

5 Verschuivingen van persoonlijke naar semi-persoonlijke en collectieve vermogens

Aan het begin van deze eeuw viel het totale goederenbestand in de nationale samenleving nog vrijwel samen met het totaal aan persoonlijke bezittingen. Het nationaal vermogen of ‘volksvermogen’ was, anders gezegd, bijna geheel in het bezit van individuen, gezinnen, families. Dit gold ook voor het vermogen van de meeste organisaties, zoals industriële bedrijven en handelsondernemingen. In zekere zin gold het zelfs voor de overheid, die weliswaar eigenaar van belangrijke bezittingen was, maar tegelijkertijd een aanzienlijke schuld ten aanzien van particulieren had.

In de loop van de twintigste eeuw veranderden deze verhoudingen. Steeds omvangrijker werden de vermogens die niet aan aanwijsbare personen waren toe te schrijven: collectieve vermogens van overheden, stichtingen, verenigingen en andere organisaties, en semi-persoonlijke vermogens in de vorm van gelden voor levensverzekeringen, pensioenen en sociale uitkeringen. Steeds belangrijker voor het inkomen en de materiële zekerheid van mensen werd in plaats van hun privé-bezit, hun positie in organisaties en hun deelname aan collectieve regelingen. Hoewel met de accumulatie van kapitaal en de groei van de bevolking de omvang van de persoonlijke vermogens toenam, werd de relatieve betekenis ervan ten opzichte van de collectieve en semi-persoonlijke vermogens veel minder overheersend.

Algemeen gesproken, is het nationaal vermogen voor te stellen als de som van 1. persoonlijke vermogens of privé-vermogens, 2. semi-privévermogens (levensverzekeringen, pensioenen, ‘sociale fondsen’), 3. staatsvermogen (inclusief lagere overheden), 4. vermogens van niet-commerciële organisaties (zoals verenigingen, stichtingen) en 5. ondernemingsvermogen voorzover niet in één van de vorige categorieën begrepen. De collectivering van vermogen die zich in deze eeuw voordeed, hield een relatieve verschuiving van de eerste naar de overige categorieën in.

Hieronder wordt dit aan de hand van de vijf onderscheiden vermogensvormen puntsgewijs toegelicht.

[p. 117]

5.1 Nationaal vermogen en privé-vermogen

Het totale privé-vermogen, de som van de privé-vermogens van alle bewoners van Nederland, is in de loop van deze eeuw minder sterk gegroeid dan het nationaal vermogen. Een indruk van de discrepantie geeft Tabel 8 (p. 119).

Nauwkeurig zijn deze cijfers niet: de schattingen van nationaal vermogen en totale privé-vermogen zijn ruw, en berusten, zoals gezegd, op verschillende soorten gegevens en verschillende waarderingsgrondslagen. De groei van beide grootheden blijkt echter zozeer uiteen te lopen, dat geconcludeerd mag worden tot een aanzienlijke relatieve terugdringing van privé-vermogens. Gegevens over de toenemende omvang van semi-persoonlijke en collectieve vermogens, hieronder te behandelen, bevestigen dit.

5.2 De groei van semi-privévermogens

Zoals eerder aangegeven in hoofdstuk ii, kunnen rechten op periodieke uitkeringen zoals pensioenen beschouwd worden als een categorie tussen persoonlijke en collectieve vermogens in: ze zijn enerzijds wel aan aanwijsbare individuen of gezinnen toe te schrijven, maar missen anderzijds een belangrijk kenmerk van privé-bezittingen in strikte zin, - ze zijn niet vrij verhandelbaar, kunnen niet voor een bedrag ineens te gelde worden gemaakt. De grens tussen privé-vermogens en semi-privévermogens is overigens niet scherp te trekken. Het dichtst bij de privé-vermogens bevinden zich de levensverzekeringen, die immers berusten op een persoonlijk overeengekomen verbintenis, bovendien beperkt overdraagbaar zijn en die behalve een periodieke uitkering (lijfrente) ook een kapitaalsuitkering kunnen inhouden. Minder ‘privé’ zijn pensioenrechten, gebaseerd als deze zijn op collectieve overeenkomsten waaraan individuele beroepsbeoefenaren zich niet kunnen onttrekken. Nog verder van de privé-vermogens verwijderd zijn de in wetten vastgelegde rechten op sociale uitkeringen.

De primaire functie van semi-privévermogens is het verschaffen van materiële zekerheid, het garanderen van financiële steun in omstandigheden waarin uit arbeid verkregen diensten wegvallen, - bij ouderdom, ziekte, invaliditeit, over-

[p. 118]

lijden van een gezinslid. In deze functie komen semi-privé-vermogens overeen met delen van privé-vermogens, maar ze verschillen daarvan doordat ze niet of moeilijk voor andere doeleinden kunnen worden aangewend.

Semi-privévermogens berusten op het verzekeringsprincipe van spreiding van risico's door pooling van financiële middelen. Dit is geen moderne uitvinding. Zo kenden bijvoorbeeld pre-industriële gilden gebruiken van onderlinge bijstand, en namen in de Nederlandse Republiek van de zeventiende en de achttiende eeuw talrijke burgers deel aan ‘contracten van overleving’ en daarmee vergelijkbare regelingen die als voorlopers van moderne levensverzekeringen zijn te beschouwen. De ‘verzekeraars’ bij deze regelingen waren stedelijke overheden (die op die manier geld leenden), particuliere ondernemers en collectiva van verzekerden zelf (plaatselijke ‘bussen’, sociëteiten en dergelijke).

In de negentiende eeuw werden levensverzekeringsmaatschappijen in moderne zin opgericht, die zich bij de bepaling van hun premies en uitkeringen door nauwkeurige kansberekeningen lieten leiden (hoewel al in de zeventiende eeuw in Holland een tamelijk geavanceerde levensverzekeringswiskunde was ontwikkeld, werd die lange tijd nog nauwelijks toegepast).24. Later werden aan bedrijven en beroepen gebonden pensioenfondsen gevormd, nog later de op sociale wetgeving berustende sociale fondsen. Deze historische opeenvolging van levensverzekeringen, pensioenfondsen en sociale fondsen houdt een verdergaande collectivering in - uitbreiding en uniformering van rechten over grotere aantallen mensen, vermindering van individuele keuzevrijheid.

 

In de twintigste eeuw expandeerden de semi-privévermogens zeer sterk, zoals Tabel 9 (p. 119) laat zien.

De cijfers van de nominale bedragen zijn niet allemaal even nauwkeurig (met name de vooroorlogse berusten op zeer globale ramingen) en niet in alle opzichten precies vergelijkbaar, maar een duidelijk beeld van de groei geven ze wel. Het totaal van de belegde semi-privévermogens steeg van ruwweg 1 miljard gulden in 1920 tot ongeveer 3,5 miljard in 1939, ruim

[p. 119]

Tabel 8 Nominale groei van nationaal vermogen en van geschatte totale privé-vermogen, Nederland 1914-1965, indexcijfers23.

jaar nationaal vermogen totale privé-vermogen
1914 1 1
1919 1,8 1,5
1939 2 1,8
1951 4,7 3
1960 11,2 6,1
1965 17,2 9,6

Tabel 9 Belegde vermogen van levensverzekeringsmaatschappijen, pensioenfondsen en sociale fondsen, nominaal, in indexcijfers volgens constante prijzen, en in verhouding tot geschatte totale privé-vermogen en nationaal vermogen, Nederland 1920-198025.

jaar levens-
verze-
keringen
pensioen-
fondsen
sociale fondsen totaal tot. in verh.
abs. const. prijzen privé-vermogen nat.
  in miljard guldens index 1920 = 1  
   
1920 0,4 0,6 1,0 1 0,06 0,04
1939 1,4 2,1 3,5 5,3 0,20 0,11
1951 3,6 3,4 1,3 8,2 5,1 0,28 0,12
1955 5,1 5,8 2,2 13,2 7,1 0,32 0,12
1960 8,1 9,9 3,0 20,9 9,6 0,35 0,12
1965 13,9 17,7 3,8 35,4 12,7 0,37 0,14
1970 19,2 34,7 4,3 58,1 16,7 0,44 0,14
1974 27,2 59,7 5,7 92,5 19,1 0,54 0,14
1980 53,4 136,5 9,1 199,0 28,3 ----- 0,15

[p. 120]

20 miljard in 1960 en meer dan 92 miljard in 1974, om daarna verder te stijgen tot bijna 200 miljard in 1980. Ook bij constante prijzen is dit een opvallende groei: ongeveer een verdubbeling tussen 1960 en 1974, bijna een vertwintigvoudiging in de periode 1920-1974.

Hoewel de verhoudingscijfers in de laatste twee kolommen van de tabel weinig nauwkeurig zijn (om redenen die hier niet meer herhaald hoeven te worden), vormen ze met elkaar een aanduiding van de trend: in de loop van de tijd heeft een aanzienlijke verschuiving van privé-vermogens naar semi-privévermogens plaatsgevonden, en zijn de semi-privévermogens beslag gaan leggen op een groter deel van het nationaal vermogen.

 

De toename van de semi-privévermogens wijst op vermindering van materiële onzekerheid, waarmee tevens iets gezegd is over de achtergronden van die toename. In de Nederlandse samenleving van de negentiende eeuw was persoonlijk bezit vrijwel het enige waaraan mensen materiële zekerheid konden ontlenen: zij die daar niet over beschikten waren eenzijdig van bezittende anderen afhankelijk - werkgevers, persoonlijke begunstigers, charitatieve instellingen. De groei van semi-privévermogens sindsdien weerspiegelde produktietoename en inkomensstijging, maar ook uitbreiding van afhankelijkheidsnetwerken, aangewezenheid van grotere aantallen mensen over grotere afstanden op elkaar, die formalisering van de onderlinge betrekkingen met zich bracht.

De formalisering van aanspraken op materiële steun in individueel aangegane overeenkomsten (levensverzekeringen), collectieve arbeidsovereenkomsten (pensioenen) en wetten (sociale uitkeringen) hield voor grote groepen een vermindering van onzekerheid en al te persoonlijke afhankelijkheid in. Maar deze vooruitgang in positie was tegelijk in zeker opzicht een bevestiging ervan. Deelname aan de stijgende welvaart betekende voor de grote massa van werknemers niet dat ze genoeg persoonlijk bezit verwierven om zich tegen onzekerheden te kunnen beveiligen, maar dat ze in toenemende mate gebonden werden aan collectieve regelingen, die zich over een

[p. 121]

groot deel van hun leven uitstrekten en hun in ruil voor het nakomen van verplichtingen - periodieke betalingen, regelmatige uitvoering van arbeidstaken - financiële steun voor de toekomst beloofden.

Deze algemene beweringen doen niet helemaal recht aan de verschillen tussen de drie onderscheiden soorten semi-privévermogens. Het is dienstig daar kort op in te gaan.

 

Levensverzekeringen - Zoals gezegd, vormen de levensverzekeringen de oudste van de drie soorten semi-privévermogens. Maar evenals de andere zijn ze pas in de twintigste eeuw werkelijk belangrijk geworden in de vermogensstructuur van de nationale samenleving als geheel. Met de omvang van de fondsen namen ook de ingewikkeldheid van wettelijke en fiscale regelingen op dit terrein en de diversiteit van levensverzekeringen toe.26.

Die diversiteit in het aanbiedingenpakket heeft te maken met het feit dat levensverzekeringsgelden, in tegenstelling tot de andere semi-privévermogens, voornamelijk worden beheerd door commerciële organisaties, die er op uit zijn hun diensten tegen een zo groot mogelijk rendement aan een zo groot mogelijk publiek te verkopen. Zoals onder meer is op te maken uit de hierboven genoemde cijfers, zijn deze organisaties er in de loop van deze eeuw in geslaagd hun clientèle gestadig uit te breiden, daarbij geholpen door talrijke professionele bemiddelaars. Tussen 1925 en 1975 steeg het verzekerde bedrag per hoofd van de Nederlandse bevolking van 302 tot 14 793 gulden, wat bij constante prijzen een meer dan verachtvoudiging betekende en een meer dan twee keer zo sterke groei dan die van het reële nationale inkomen per hoofd. Volgens een marktonderzoek beschikte in 1975 53% van de Nederlandse gezinnen over een levensverzekering.27. Dit succes is des te opmerkelijker waar sociale verzekeringen, sociale voorzieningen en pensioenen al steeds meer zekerheid gingen bieden. Kennelijk verminderde de aantrekkelijkheid van de levensverzekering als extra voorziening daarmee niet of nauwelijks. Behalve met de gestegen welvaart en met een intensieve verkooppolitiek (reclamecampagnes, inspanningen van

[p. 122]

verzekeringsagenten) kan dit in verband worden gebracht met fiscale motieven, die met de stijgende belastingdruk een grotere rol gingen spelen (premies zijn tot een zeker maximum aftrekbaar voor de belasting, de rente op de betaalde premies wordt in eerste instantie niet belast, de verstrekte uitkeringen overigens weer wel). Ook de koppeling van levensverzekeringen aan woninghypotheken heeft de verbreiding ervan bevorderd.

Een deel van de door levensverzekeringsmaatschappijen beheerde en belegde gelden is niet afkomstig van individuele verzekerden, maar van kleinere pensioenfondsen. Dit accentueert de constatering dat de levensverzekeringsvermogens ondanks hun aanzienlijke groei toch minder zijn toegenomen dan alle semi-privévermogens bij elkaar. Bestond in 1951 naar schatting nog 44% van het totaal van de belegde semi-privévermogens uit levensverzekeringsgelden, in 1974 was dit aandeel gedaald tot 29% en in 1980 tot 27%. Deze relatieve afname is toe te schrijven aan de bijzonder sterke toename van de omvang der pensioenfondsen.

 

Pensioenfondsen - Van de semi-privévermogens zijn de pensioenfondsen verreweg het meest in omvang toegenomen. Terwijl bijvoorbeeld tussen 1955 en 1970 alle belegde semi-privévermogens met een factor 4,4 toenamen, stegen de beleggingen van de pensioenfondsen met een factor 6; en terwijl deze fondsen in 1955 nog minder dan de helft (44%) van de totale beleggingen voor hun rekening namen, was hun aandeel begin 1970 opgelopen tot 60%, begin 1980 zelfs tot bijna 70%.

Afgezien van ‘onderlinge’ fondsen van onder anderen kantoorbedienden en handelsreizigers, dateren de eerste Nederlandse pensioenfondsen uit de jaren zeventig van de vorige eeuw. Initiatieven daartoe gingen uit van weldoende werkgevers; niet zelden was de aanleiding tot de oprichting een feestelijke herdenking, en vaak behield de werkgever zich het recht voor de pensioenreserveringen in geval van nood te gebruiken voor het opvangen van verliezen.28. Van latere datum zijn de zogenaamde bedrijfspensioenfondsen, opgericht en bestuurd door werkgevers- en werknemersbonden gezamen-

[p. 123]

lijk die hele bedrijfstakken bestrijken.29. Stonden deze fondsen van het begin af aan betrekkelijk los van afzonderlijke ondernemingen, ook de fondsen per onderneming (de zogenaamde ondernemingspensioenfondsen) werden langzamerhand autonomer ten opzichte van de ondernemingsleiding. In de Pensioen- en Spaarfondsenwet van 1952 bekrachtigde de overheid deze ontwikkeling: de pensioengelden moesten buiten het vermogen van de onderneming worden gehouden, en in de besturen moesten evenveel werknemers- als wergeversvertegenwoordigers zitting hebben.30. Omstreeks 1980 vielen naar schatting ongeveer 3,5 miljoen Nederlandse werknemers van vijfentwintig jaar en ouder (van in totaal ongeveer 4 miljoen) onder een pensioenregeling.31.

Ontstaan en groei van de pensioenfondsen kunnen in verband worden gebracht met industrialisering, schaalvergroting, produktiegroei en daarmee gepaard gaande veranderingen in de bedrijfsverhoudingen. De toenemende omvang van bedrijven bracht formalisering, waaronder formalisering van de materiële ondersteuning met zich mee; de hulp die welwillende werkgevers soms gaven aan oude en trouwe werknemers maakte plaats voor steun volgens vaste regels. Groei van de produktie in groter wordende ondernemingen maakte het beter mogelijk een gedeelte van de inkomsten van de onderneming voor pensioenen te reserveren; de netto winsten hoefden er nauwelijks door te verminderen, en naarmate de lonen de eerste levensbehoeften meer konden bevredigen, werd pensioenreservering in plaats van verdere loonstijging aantrekkelijker. Maar niet alleen economische groei als zodanig, ook de intensivering van interdependenties tussen sociale klassen die ermee gepaard ging, droeg tot de uitbreiding van pensioenen en daarmee vergelijkbare voorzieningen bij. Aan de ene kant was er een toenemende druk van vakbonden, die onder meer leidde tot de oprichting van pensioenfondsen per bedrijfstak. Aan de andere kant werd het voor ondernemers die hogere eisen aan werknemers gingen stellen van groter belang om de arbeidsdiscipline en arbeidszin, bedrijfsidentificatie en bedrijfstrouw door pensioenen en andere voorzieningen te bevorderen.32. Tenslotte droeg, bij eenmaal ingestelde

[p. 124]

pensioenregelingen, de demografische ontwikkeling tot de expansie bij: de stijgende levensverwachting maakte bij gelijke uitkeringen stijgende premies in groeiende fondsen noodzakelijk.

Geformaliseerde verzorging die de bedrijfstrouw moest bevorderen werd met het meeste succes nagestreefd in de grootste organisaties, zoals de grote industriële ondernemingen (Philips, Shell) en - de allergrootste werkgever - de overheid. Een vaste betrekking en een zeker pensioen waren de levensidealen die vooral bij de overheid en de daaraan gelieerde bedrijven (zoals de Nederlandse Spoorwegen en de Staatsmijnen) werden gerealiseerd. Speciale wetten (van 1922 en 1966) garandeerden vaste, tenslotte zelfs ‘welvaartsvaste’ pensioenuitkeringen voor ambtenaren. Het ambtenarenpensioenfonds het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds, groeide uit tot een vele miljarden beherende organisatie, die als verreweg het grootste pensioenfonds begin 1979 meer dan 40% van het totale door pensioenfondsen belegde vermogen (56 van 126 miljard) in handen had.33.

Waar pensioenfondsen het odium van liefdadigheid, van ondersteuning in geval van nood verloren, werden zij aantrekkelijker voor ‘hogere’ beroepsgroepen. De zich sterk uitbreidende ‘nieuwe middenklasse’ van bedrijfsfunctionarissen en ambtenaren ging er het meest van profiteren. Naarmate de belastingdruk steeg, sprongen de fiscale voordelen van deze vorm van gedwongen sparen meer in het oog: pensioenpremie en rentevermeerdering van het pensioenvermogen telden niet mee voor het belastbaar inkomen, het pensioenvermogen zelf was niet onderworpen aan de vermogensbelasting. Organisaties van zelfstandige en vrije beroepen gingen er daarom bij de overheid op aandringen de wettelijke definitie van pensioen te verruimen. Met ingang van 1972 werd het voor deze organisaties mogelijk om pensioenregelingen aan alle beoefenaren van het beroep dwingend - gesanctioneerd door de staat - op te leggen, en gingen die regelingen ook in de wetten van de inkomsten- en vermogensbelasting als ‘pensioen’ gelden.34. Verschillende organisaties, zoals die van artsen hebben hier gebruik van gemaakt. Ook op deze wijze vond en vindt

[p. 125]

vermogenscollectivering, een verschuiving van privé- naar semi-privévermogen plaats.

In recente jaren is het ook steeds gebruikelijker geworden, dat ondernemers die directeur-grootaandeelhouder van een nv of bv zijn, voor zichzelf en hun gezin een pensioenvermogen opbouwen. Zij kunnen dit vermogen binnen de onderneming houden, het onderbrengen in een stichting of er zelfs - sinds kort - een ‘pensioen-bv’ voor oprichten. Een dergelijk pensioenvermogen lijkt sterk op privé-vermogen in strikte zin, maar is daar toch niet in alle opzichten aan gelijk te stellen, aangezien datgene wat fiscaal als pensioenvermogen kan gelden aan diverse restrictieve regels is onderworpen: de bestemming van het vermogen wordt vastgelegd, de rechthebbende kan er niet vrijelijk over beschikken, en de omvang ervan is - afhankelijk van salaris en vaste emolumenten - aan een maximum gebonden. Niettemin kunnen deze vermogens een grote omvang aannemen (bij een vast bruto inkomen van een ton per jaar komt men gemakkelijk op een pensioenvermogen van meer dan een half miljoen), en de verbreiding ervan, bevorderd door de invoering van de bv-vorm in 1971, vormt waarschijnlijk een belangrijke factor in de relatieve daling van privé-vermogens volgens de statistieken ten opzichte van nationaal inkomen en nationaal vermogen sinds de jaren zestig.

 

Sociale fondsen - De sociale fondsen zijn relatief weinig in omvang toegenomen. Steeds minder hebben deze te betekenen in het totaal van de semi-privévermogens. Deze relatieve afname duidt niet op een vermindering van de sociale uitkeringen - de omvang daarvan is juist enorm toegenomen35. - maar vloeit voort uit het feit dat deze uitkeringen steeds minder via kapitaalvorming en steeds meer via een zogenaamd omslagstelsel zijn bekostigd. In de jaren twintig en dertig formuleerden verschillende staatscommissies bezwaren tegen het stelsel van kapitaaldekking voor de uitvoering van socialeverzekeringswetten - het zou te omslachtig zijn, te kostbaar, teveel onzekerheid met zich meebrengen en teveel kapitaal bij de overheid of semi-overheid concentreren - en gingen overheid en bedrijfsleven geleidelijk over van ‘kapitaaldekking’

[p. 126]

naar ‘omslag’.36. Latere sociale wetten, met name ‘volksverzekeringen’ als de Algemene Ouderdomswet (aow) van 1956, namen van het begin af aan dat laatste stelsel als uitgangspunt. Deze wettelijk geregelde inkomensoverdrachten zijn een steeds groter deel van het nationaal inkomen gaan uitmaken. Met elkaar vormen ze een nieuwe en steeds belangrijkere basis van materiële zekerheid: niet berustend op privé-vermogen of privé-besparingen, ook niet op semi-privévermogen en verplichte collectieve besparingen, maar op door de staat georganiseerde en afgedwongen overdracht van inkomen van economisch ‘actieven’ naar gekwalificeerde categorieën beroepslozen zoals bejaarden, werkzoekenden, zieken, invaliden, weduwen, kinderen en studerenden.

In het geven van materiële zekerheid hebben de rechten op sociale uitkeringen voor de genieters van die rechten een soortgelijke functie als privé-vermogens of, duidelijker nog, semi-privévermogens. Men zou de gekapitaliseerde waarden van deze uitkeringen zelfs als vermogen-in-ruime-zin aan de ‘bezitters’ kunnen toerekenen, waartegenover dan de gekapitaliseerde waarden van de verplichtingen tot premiebetalingen als ‘schulden’ zouden staan. Een dergelijke toerekening zou uiteraard (gesteld dat deze technisch mogelijk was) grote consequenties hebben voor de vaststelling van vermogensverhoudingen. Maar gegeven het feit dat de sociale uitkeringen slechts in geringe mate gebaseerd zijn op fondsvorming, zouden we ons hiermee wel heel ver verwijderen van wat doorgaans onder ‘vermogen’ in economische zin wordt verstaan.

 

Evenals de privé-vermogens, maar in mindere mate, zijn de semi-privévermogens ongelijk verdeeld. Dit geldt ook voor de drie soorten semi-privévermogens afzonderlijk. Levensverzekeringen zijn in absolute omvang gemiddeld groter, maar verhoudingsgewijs kleiner naarmate het vermogen groter is; relatief zijn ze het grootst ten opzichte van die privé-vermogens die juist niet tot de allerkleinste behoren, - onder die groeperingen die men tot de ‘middenklasse’ zou kunnen rekenen. De aan werknemers en ex-werknemers toe te rekenen pensioenvermogens volgen in grote trekken de verschillen in arbeidsin-

[p. 127]

komens, maar zijn ongelijker verdeeld dan deze: ze verschillen immers ook naar aantal dienstjaren, sommige werknemers hebben helemaal geen pensioen, en bij de huidige ‘ideale’ norm van een pensioen-inclusief-aow van 70% van het bruto inkomen is de verhouding tussen pensioenvermogen (exclusief aow) en lopend inkomen voor de hogere inkomenstrekkers groter.37. Niettemin zou optelling van semi-privévermogens bij de privé-vermogens - bij de beschikbare gegevens overigens een onmogelijke opgave - een minder ongelijke verdeling opleveren dan die van de privé-vermogens alleen: in de eerste plaats omdat de semi-privévermogens minder ongelijk verdeeld zijn, in de tweede plaats omdat er geen vast verband is tussen beide typen vermogen, - zo kunnen ambtenaren met weinig privé-vermogen over riante pensioenvermogens beschikken en hebben omgekeerd veel zelfstandigen met vrij omvangrijke privé-vermogens magere pensioenvoorzieningen.

De relatieve verschuiving van privé-vermogens naar semi-privévermogens heeft dus tot op zekere hoogte een egaliserend effect gehad: de ongelijkheid van beide typen vermogens te zamen is er minder groot door geworden, de consequenties van de scherpe ongelijkheid van privé-vermogens is erdoor verzacht. Maar ook heeft de groei van de semi-privévermogens ongelijkheidsverhoudingen bevestigd: gevestigde hiërarchieën van beroepsstatus, functieniveau, inkomen en opleiding zijn bij de invoering en uitbouw van regelingen op dit terrein als uitgangspunt genomen. De verschuivingen van het ene naar het andere type vermogen betekent, zou men kunnen zeggen, een verschuiving van kapitalistische naar bureaucratische ongelijkheid.

De uitbreiding van de semi-privévermogens heeft ook in een ander opzicht egaliserende en tegelijk ongelijkheid bevestigende consequenties. Pensioenen, uitkeringen, lijfrentes zijn niet of slechts in beperkte mate erfbaar, kunnen anders dan privé-bezit niet de basis zijn van de continuering van privileges over verschillende generaties. De sterke groei van de semi-privévermogens en de relatieve terugdringing van de privévermogens bevorderen zo de ‘gelijkheid van kansen’. Tegelijk

[p. 128]

betekent de wijze waarop deze verschuiving heeft plaatsgevonden tot op zekere hoogte een bevestiging van klasse-ongelijkheid, - ongelijkheid tussen hen die beschikken over grote privé-vermogens en deze in belangrijke mate kunnen overdragen aan hun nabestaanden, en hen die voornamelijk op semi-privévermogen zijn aangewezen en dan ook geen noemenswaardige bezitsprivileges hebben over te dragen.38.

 

De expansie van de semi-privévermogens en de sociale uitkeringen heeft implicaties voor de aard van de besparingen. Met de uitbreiding van pensioenen en andere collectieve regelingen werden meer mensen gedwongen tot sparen - sparen voor hun eigen bestwil. Een steeds groter deel van de besparingen is de vorm gaan aannemen van ‘automatische’ toeslagen en inhoudingen op lonen en salarissen, waar de individuele loon- en salaristrekkers zelf nauwelijks enige zeggenschap over hebben, soms zelfs nauwelijks weet van hebben. Terwijl in de jaren 1918-1940 de besparingen van pensioenfondsen, sociale fondsen en levensverzekeringsmaatschappijen tussen 1 en 3% van het nationaal inkomen schommelden, stegen ze na de Tweede Wereldoorlog gestadig van 2,6% van het nationaal inkomen in 1948 tot 7,7% in 1974. Een groot en groter wordend deel van de totale nationale besparingen werd zo via de accumulatie van semi-privévermogens gerealiseerd: in 1951 18%, in 1965 25%, in 1974 40% en in 1980 69% (de pensioenfondsen alleen namen in 1974 al 27% en in 1980 zelfs 54% van de nationale besparingen voor hun rekening).39.

Door de uitbreiding van de semi-privévermogens en de so ciale uitkeringen is de dwang tot persoonlijk sparen voor de oude dag en voor noodsituaties sterk verminderd. Mensen kregen in hun bestedings- en spaargedrag een veel grotere speelruimte - ze konden het zich veroorloven verkwistend te zijn. Toch verminderde, blijkens gegevens over gezinsbesparingen en spaarbanktegoeden, de neiging tot persoonlijk sparen de afgelopen decennia tot de jaren zeventig niet duidelijk. Afgezien van de omvang van de besparingen veranderde de spaar-oriëntatie: minder gericht op materiële zekerheid, meer op het doen van grote consumptieve uitgaven in de toekomst.40.

[p. 129]

Het stijgende welvaartspeil gaf mensen meer vrijheid te kiezen tussen geld uitgeven en geld opzijleggen, wat vaker ging betekenen: kiezen tussen nu consumeren en later consumeren.

 

De groei van de semi-privévermogens houdt zowel spreiding als concentratie van kapitaal in: spreiding van beperkte vermogensclaims over grotere aantallen mensen, concentratie van het beheer over deze vermogens in grote organisaties. Enkele pensioenfondsen en levensverzekeringsmaatschappijen, die elk kapitalen van miljarden guldens onder hun hoede hebben, domineren de sector als geheel; begin 1979 was driekwart van het totale belegde vermogen van pensioenfondsen en levensverzekeringsmaatschappijen in handen van de twintig grootste organisaties.41. Met andere ‘institutionele beleggers’ (spaarbanken, girodiensten) en met de handelsbanken vormen ze een nogal ondoorzichtig netwerk, dat vrij sterk van de openbaarheid en van openbare politieke controle is afgeschermd.

De concentratie van kapitaal in de grote levensverzekeringsmaatschappijen, pensioenfondsen en sociale fondsen geeft bijzondere machtskansen aan de topmanagers van deze organisaties - macht om door het kiezen van bepaalde beleggingen en het afzien van andere het functioneren van de nationale economie en specifieke sectoren daarbinnen te beïnvloeden. De speelruimte van deze professionele beleggers wordt weliswaar beperkt onder meer door wettelijk toezicht van de kant van organen als de Verzekeringskamer en, in het geval van de pensioenfondsen, de besturen van werkgevers- en werknemersvertegenwoordigers, maar wettelijke regulering en wettelijk toezicht zijn niet zo stringent dat ze niet een scala van keuzemogelijkheden openlaten. (Dat de positie van de beroepsbestuurders ook mogelijkheden geeft van persoonlijk gewin, laat zich raden en wordt soms door persberichten bevestigd.42.)

Afgezien van de spectaculaire gevallen van speculatie, corruptie en machtsmisbruik, zoeken de managers van levensverzekeringsmaatschappijen, pensioenfondsen en sociale fondsen vooral naar veilige beleggingen, en van oudsher vinden zij die voor een groot deel - gedurende de laatste decennia steeds voor een-derde tot meer dan de helft van het totaal - in kre-

[p. 130]

dieten aan de overheid. (Het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds is als ‘Rijksfonds’ tot deze overheidsleningen ook wettelijk verplicht.) Belangrijk zijn daarnaast de onderhandse leningen aan bedrijven en niet-commerciële instellingen geworden; in 1955 vormden zij nog een-tiende deel van het totaal der beleggingen, in 1979 bijna een-derde deel. Bezit van Nederlandse aandelen maakt een bescheiden, zij het groeiend percentage van de totale beleggingen uit (in 1955 2,8%, in 1979 6,6%), evenals het bezit van onroerend goed (respectievelijk 4,1% en 7,7%). Beleggingen in het buitenland zijn - in weerwil van de verhalen over de verspilling van pensioengelden in mislukte wintersportprojecten en leegstaande zomerbungalows - van betrekkelijk ondergeschikte en relatief afnemende betekenis; in 1955 vormden zij 6,5% van het totale belegde vermogen, in 1979 4,0%. Vóór de Tweede Wereldoorlog lag dit percentage waarschijnlijk hoger, zeker was dit voor de Eerste Wereldoorlog het geval.43.

Via al deze beleggingen zijn pensioengerechtigden, uitkeringstrekkers en houders van levensverzekeringen verbonden met talloze organisaties en individuen, tegenover wie zij een indirecte vermogensclaim hebben: investerende bedrijven, kantoorruimte hurende bureau's, winkelcentra bouwende projectontwikkelaars, hypotheken opnemende huizenkopers en, vooral, door geldtekort geplaagde overheidslichamen. Net als negentiende-eeuwse privé-bezitters vertonen de twintigste-eeuwse beheerders van semi-privévermogens een voorkeur voor die organisatie die enorme schulden maakt, maar door haar belastingmonopolie desondanks kredietwaardig blijft - de staat.

5.3 Staatsbezit en staatsvermogen

Pensioenen en andere semi-privévermogens kwamen aanvankelijk vooral ten goede aan armere bevolkingsgroepen, en kregen met hun uitbreiding meer betekenis voor welgestelden. Van staatsbezit zou min of meer het tegenovergestelde kunnen worden gezegd, zij het in een wat ander tijdsperspectief: van oudsher kwam het vooral ten goede aan machtigen en geprivilegieerden, om met de uitbreiding ervan meer functies

[p. 131]

voor ruimere groeperingen te krijgen. De vorming van nationale staten in West-Europa na de Middeleeuwen hield in, dat staatsbezit als collectieve bezitsvorm zich geleidelijk differentieerde van het meer persoonlijke bezit van vorsten, edelen, ambtenaren. Terwijl aan de ene kant bezitsrechten individualiseerden, werden aan de andere kant de middelen waarmee het staatsgezag werd uitgeoefend - wapens, financiën, vergaderzalen, documenten - langzamerhand onttrokken aan het privé-bezit van degenen die dat gezag uitoefenden. In een proces van uitbreiding, centralisering en gedeeltelijke democratisering van staatsmacht werd het staatsbezit onpersoonlijker, collectiever. De staat als organisatie werd eigenaar, naast beschermer, regulator en bij tijd en wijle ook bedreiger van het eigendom van individuele burgers.

De geleidelijkheid van deze ‘vermaatschappelijking’ van het centrale gewelds- en belastingmonopolie van de staat kan op verschillende manieren worden geïllustreerd.44. Zo waren tijdens het Franse absolutisme de staatsuitgaven en -inkomsten aanvankelijk niet scherp gescheiden van de privé-inkomsten en -uitgaven van de koning. Typerend voor de nog betrekkelijk geringe differentiatie tussen politiek gezag en particuliere eigendom in de Europese anciens régimes van de zeventiende en achttiende eeuw was ook de verhandelbaarheid en erfbaarheid van staatsambten. De Franse Revolutie markeerde de overgang naar een moderne, ‘rationeel-legale’ staatsbureaucratie, bemand door gesalarieerde ambtenaren die geen persoonlijke bezitsrechten op de door hen gebruikte machtsinstrumenten konden doen gelden.45. Tegelijk kon hierdoor privé-eigendom scherper worden afgebakend en effectiever worden beschermd.

Ook na die tijd waren in West-Europa persoonlijk bezit en staatsbezit niet altijd in alle opzichten gescheiden. Zo kenmerkte het regime van koning Willem i van Nederland zich door een bijna onontwarbare verstrengeling van diens privé-vermogen en de door hem beheerde staatsfondsen. En ook nu geven sommige staatsbezittingen sommige individuen voordelen die dicht bij die van privé-bezit liggen, zoals de dienstauto's van ministers, de ambtswoning van de president of premier

[p. 132]

en, in officiële monarchieën, de aan het staatshoofd en zijn of haar familie toegewezen bezittingen (de koninklijke residentie, koninklijke paleizen en domeinen, enzovoort). De moderne democratische staat is van iedereen, maar meer van sommigen dan van anderen.

Centralisering van staatsmacht betekende dat stadsbesturen minder autonoom werden en dat het door hen beheerde bezit meer een verlengstuk werd van dat van de nationale overheid. Ook op dit punt was in Nederland de Bataafse en Franse tijd (1795-1813) een beslissende overgangsperiode. Maar ook daarna zette de centralisering zich voort, getuige onder meer de afnemende betekenis van gemeentelijke en provinciale belastingen.46. Voor Westeuropese samenlevingen van de twintigste eeuw kunnen de goederen in bezit van de centrale overheid en van lagere overheden (zoals gemeenten, provincies, en, specifiek Nederlands, waterschappen47.) als één geheel worden opgevat en met elkaar ‘staatsbezit’ of ‘overheidsbezit’ worden genoemd.48.

 

Het materiële staatsbezit in pre-industriële samenlevingen betrof vooral twee zaken: openbare gebouwen zoals regeringszetels en stadhuizen, die niet alleen vergader- en werkruimtes moesten verschaffen maar ook het overheidsgezag moesten symboliseren; en militaire uitrusting (wapens, oorlogsschepen, vestingwerken), zowel voor bescherming tegen aanvallen van buiten af en offensieve acties naar buiten toe als voor handhaving van de interne orde. Meer of minder belangrijk waren daarnaast, vooral op stedelijk niveau, openbare wegen, en gebouwen bestemd voor de beheersing en verzorging van speciale groepen, zoals bijvoorbeeld spinhuizen, gasthuizen, weeshuizen. In Nederland was van oudsher ook het publieke of semi-publieke bezit van dijken, dammen en andere waterwerken van grote betekenis.

Dergelijke collectieve goederen, gericht op een verondersteld algemeen belang, werden in de negentiende eeuw uitgebreid; de staat ging een grotere rol vervullen als verschaffer, beheerder en bezitter van infrastructurele voorzieningen die transport, handel en produktie moesten bevorderen - kana-

[p. 133]

len, wegen, spoorwegen, havenwerken. Met technische vernieuwingen enerzijds, de bevolkingsgroei en verstedelijking anderzijds waarmee de industriële ontwikkeling gepaard ging, werden er van overheidswege (vooral gemeentewege) voorzieningen gecreëerd of na verloop van tijd overgenomen die functies voor grote massa's mensen tegelijk vervulden: waterleiding, gas, straatverlichting, elektriciteit, telegraaf, telefoon, vervoersdiensten.49. De uitbreiding van overheidscontrole en overheidszorg vanaf het einde van de vorige eeuw bracht ook een toename met zich mee van het bezit van gebouwen van waaruit en waarin die controle en zorg ter hand werden genomen: ministeries, vestigingen van provinciale en gemeentelijke diensten, scholen en universiteiten, gevangenissen, tuchthuizen, gestichten.

 

Tegenover staatsbezit stond van oudsher staatsschuld. Gegeven de moeilijkheden met belastingheffing en de steeds weer terugkerende druk tot verhoging van de uitgaven lag het voor de hand - vooral waar, zoals in Holland in de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw, veel kapitaalkrachtige burgers aanwezig waren - dat vorsten en staatsfunctionarissen op grote schaal geld gingen lenen. Omgekeerd waren staatsleningen voor kapitaalkrachtige burgers een aantrekkelijke, want redelijk veilige manier van beleggen, - staten konden immers niet failliet gaan. Waar de produktie per hoofd niet of nauwelijks groeide of zelfs achteruitging, zoals in Nederland in de achttiende en de eerste helft van de negentiende eeuw,50. vormden staatsleningen vaak zelfs de belangrijkste bron van rente op particulier vermogen, en daarmee van vermogensinkomsten en vermogensaccumulatie.51. Tegelijk dreigde voor de staatsvertegenwoordigers en voor de meerderheid van belastingplichtigen (die de rente op de staatsschuld moesten opbrengen) een negatieve spiraal van oplopende schulden en oplopende uitgaven. De hieruit voortvloeiende dilemma's behoren tot de terugkerende problemen van overheden in vroegere en huidige staatssamenlevingen.

Vanaf de jaren veertig van de vorige eeuw daalde de Nederlandse staatsschuld gedurende lange tijd ten opzichte van het

[p. 134]

nationaal inkomen. De totale schuld van de rijksoverheid, die omstreeks 1850 1,2 miljard gulden bedroeg - wat overeenkwam met meer dan anderhalf maal het nationaal inkomen -, was omstreeks 1885 verminderd tot ruim 1 miljard gulden, oftewel ruwweg driekwart van het nationaal inkomen.52. Het verloop in de twintigste eeuw laat zich samenvatten in Tabel 10 (p. 135).

De relatieve overheidsschuld daalde tot ongeveer 1920, steeg daarna onder invloed van de uitbreiding van gemeentelijke overheidszorg (jaren twintig), de Grote Depressie (jaren dertig) en de Tweede Wereldoorlog (jaren veertig), en daalde na 1950 weer, om in de late jaren zeventig door toedoen van de nieuwe economische crisis opnieuw te gaan stijgen. Dit nogal grillige, sterk door economisch-conjuncturele en andere crises bepaalde verloop is samengegaan met een meer geleidelijke uitbreiding van het bruto staatsbezit. Beide ontwikkelingen te zamen zijn bepalend geweest voor de veranderingen in de omvang van het overheidsvermogen als saldo van bezittingen en schulden.

Waarschijnlijk overtrof gedurende een groot deel van de negentiende en twintigste eeuw de overheidsschuld het totaal aan overheidsbezittingen; het staatsvermogen was daarmee negatief, de som van de particuliere vermogens groter dan het nationaal vermogen. Nauwkeurige en betrouwbare gegevens die deze uitspraak zouden kunnen staven en preciseren zijn er echter onvoldoende; met name over het bezit van lagere overheden was en is weinig bekend. Voor 1939 heeft het cbs het totale overheidsbezit geschat op 6,1 miljard gulden (minus de vorderingen 5,7 miljard, hetgeen overeenkomt met iets minder dan een-vijfde van het geschatte nationaal vermogen) bij een totale schuld van 7,1 miljard, zodat per saldo een negatief overheidsvermogen van ruwweg 1 miljard gulden resulteert.54.

In 1948 was het negatieve vermogenssaldo van de overheid volgens een cbs-berekening opgelopen tot liefst 17,5 miljard gulden.55. Daarna daalde deze ‘ongedekte overheidsschuld’ om na verloop van tijd om te slaan in een positief saldo, dat uitgroeide tot een aanzienlijk gedeelte van het nationaal vermogen. De duidelijkste gegevens hierover zijn opgenomen in de

[p. 135]

Tabel 10 Omvang nationale schuld (centrale overheid) en totale overheidsschuld (inclusief lagere overheden), nominaal, en in verhouding tot het nationaal inkomen, Nederland 1905-198053.

jaar nationale schuld totale overheidsschuld
abs. in verh. tot nat. inkomen abs. in verh. tot nat. inkomen
  × 1 mln.   × 1 mln.  
 
1905 1 156 0,56 1 507 0,73
1920 2 760 0,44 3 871 0,62
1930 2 377 0,38 5 010 0,80
1939 3 964 0,69 6 472 1,13
1949 26 291 1,72 28 623 1,87
1960 17 563 0,46 30 402 0,79
1974 34 079 0,20 75 702 0,44
1980 80 014 0,26 ----- -----

[p. 136]

sinds 1949 gepubliceerde Staatsbalans, die zich beperkt tot de rijksoverheid. Tabel 11 (p. 137) geeft de naoorlogse ontwikkeling van de vermogensomvang op dat niveau aan.

 

Ook het vermogen van lagere overheden nam toe. Omstreeks 1974 bedroeg het totale overheidsvermogen naar ruwe schatting ongeveer 15% van het nationaal vermogen.57.

De naoorlogse relatieve toename van het vermogenssaldo van de centrale overheid was overigens minder toe te schrijven aan de uitbreiding van het in fysieke goederen belichaamde staatsbezit dan aan de relatieve daling van de staatsschuld. Het bezit van de centrale overheid aan vaste activa afgezien van bedrijven (ongeveer de helft hiervan bestond en bestaat uit wegen, bruggen en waterwerken, ongeveer een kwart uit militaire uitrusting en wapens) groeide volgens de cijfers van de Staatsbalans tussen 1950 en 1974 van 5 455 naar 39 715 miljoen gulden, een forse toename, die echter minder groot was dan die van het nationaal vermogen als geheel. Ook het in staatsbedrijven en staatsdeelnemingen (centrale overheid) belegde vermogen daalde in deze periode enigszins ten opzichte van het nationaal vermogen, ondanks een aanzienlijke absolute groei (van 2260 naar 15 715 miljoen gulden). De uitbreiding van het in gemeentelijke en provinciale bedrijven geïnvesteerde vermogen was sterker en kwam ongeveer met de groei van het nationaal vermogen overeen. Ook in andere opzichten (scholen, woningen) breidden de bezittingen van lagere overheden zich meer uit dan die van de centrale overheid, ondanks de voortgaande centralisatie van politieke besluitvorming en financiering.58.

Een nadere aanduiding van de betekenis van de overheid als kapitaalbezitter en kapitaalverdeler kan worden gevonden in gegevens over besparingen en investeringen. Terwijl de overheid in de jaren twintig en dertig gemiddeld 14% van de nationale besparingen voor haar rekening nam, bedroeg haar aandeel in de eerste na-oorlogse jaren tot en met 1951 liefst twee-derde, en in de meeste jaren daarna tot en met 1974 eenvijfde à een kwart (daarna zakten de overheidsbesparingen met de groeiende financieringstekorten in). Van de totale net-

[p. 137]

Tabel 11 Vermogenssaldo Nederlandse rijksoverheid volgens Staatsbalans, nominaal, en in verhouding tot nationaal vermogen, 1949-198056.

jaar vermogen overheid in verh. tot nat. vermogen
  in mln. guldens %
 
1949 -14 374 -22,7
1951 -10 259 -14,4
1955 - 2 185 - 2,0
1960 - 2 111 - 1,3
1965 5 879 2,6
1970 20 433 4,9
1974 50 143 7,4
1980 84 573 6,5

[p. 138]

to investeringen was het aandeel van de overheid na de oorlog 20 à 25%, waarvan het grootste deel voor rekening van lagere overheden.59. Vooral in de eerste na-oorlogse jaren, zo blijkt uit deze gegevens, nam de centrale overheid de rol op zich van Nationale Spaarder, die veel geld doorspeelde niet alleen aan lagere overheden, maar ook aan bedrijven en particuliere organisaties.

Bezien over de hele periode 1894-1974, heeft het staatsbezit zich duidelijk uitgebreid, zowel absoluut als ten opzichte van nationaal inkomen en nationaal vermogen. Het feit dat de totale waarde van de staatsbezittingen, nog afgezien van overheidsbedrijven, in 1939 naar schatting bijna een-vijfde van het nationaal vermogen in beslag nam, weerspiegelt ongetwijfeld een aanzienlijke toename in de decennia daarvoor.60. Directe achtergrond van die toename was gelegen in (hierboven al genoemde) veranderingen die in de negentiende eeuw een aanvang hadden genomen en zich in de twintigste eeuw voortzetten: de uitbreiding van overheidszorg en overheidscontrole op verschillende terreinen (zoals volkshuisvesting), de toenemende vraag naar door overheidsbedrijven gemonopoliseerde diensten (gas, elektriciteit, water, postverkeer, vervoer). De centrale overheid breidde bovendien haar economische invloed uit door bedrijven die van essentieel belang werden geacht voor het functioneren van de nationale economie op te richten (zoals de Staatsmijnen in 1902, en in het verlengde daarvan het chemische bedrijf dsm) of na verloop van tijd geheel of gedeeltelijk over te nemen (Hoogovens, de klm in 1927, de Nederlandse Spoorwegen in 1937, De Nederlandsche Bank in 1948).

Na de Tweede Wereldoorlog werd de uitbreiding van het staatsbezit extra bevorderd door ontwikkelingen als de sterke groei van het ambtenarenapparaat, de expansie van het onderwijs, de uitbreiding van het wegennet, de kostbare investeringen in kernenergie, de bouw van grote waterstaatswerken. Ook was er met de stijgende welvaart een sterke toename van de vraag naar diensten geleverd door overheids- of semi-overheidsbedrijven: telefoon, girobetalingen, vliegverkeer. Dat desondanks de waarde van het totaal aan overheidsbezittingen

[p. 139]

niet veel sneller toenam dan het nationaal vermogen kan in eerste instantie worden toegeschreven aan de bijzonder snelle groei van dat nationaal vermogen als geheel; de toenemende vraag naar overheidsdiensten ging gepaard met een sterke expansie van de particuliere sector van de economie en hing daar nauw mee samen. Daarnaast werd in de jaren zestig de groei van het overheidsbezit doelbewust afgeremd door politieke maatregelen, gericht op liberalisering en privatisering van de economie; in dat kader verkocht de staat agrarische eigendommen en aandelen aan particulieren.61.

 

De vraag waarom de staat bepaalde activiteiten naar zich toe heeft getrokken en andere niet is moeilijk in zijn algemeenheid te beantwoorden. De mate van staatsingrijpen is voortdurend voorwerp van politieke en ideologische conflicten, waarvan de uitkomst afhangt van veranderende machtsverhoudingen. Gezegd kan worden dat de uitbreiding van staatsactiviteiten vanaf de vorige eeuw, net als de groei van semi-privévermogens (en in nauwe samenhang daarmee), verband hield zowel met de grotere economische mogelijkheden tot het leveren van bepaalde diensten - onderwijs, gezondheidszorg en dergelijke - als met de toenemende interdependentie tussen sociale klassen, in het bijzonder de grotere aangewezenheid van kapitaalbezitters op gedisciplineerde, enigszins gemotiveerde, ontwikkelde en gezonde werknemers. Via de hiermee samenhangende uitbreiding van het kiesrecht nam de druk van ‘onderen’ tot uitbreiding van de staatszorg - sociale wetgeving, arbeidswetgeving, volkshuisvesting etcetera - toe. Met de ontsluiting en ontbinding van kleinere gemeenschappen konden mensen bovendien minder rekenen op steun binnen die gemeenschappen, werden ze meer afhankelijk van grotere sociale verbanden en gingen hun gevoelens van solidariteit en identificatie zich ook meer tot die grotere verbanden uitstrekken; staatszorg had zijn morele en emotionele pendant in een gegeneraliseerd ‘sociaal gevoel’.62. De economische en technologische ontwikkeling hield verder in, dat in toenemende mate goederen en diensten beschikbaar kwamen en gevraagd werden, die door hun aard moeilijk door par-

[p. 140]

ticuliere, onderling concurrerende bedrijven konden worden geleverd: elektriciteit, treinverkeer, autowegen, enzovoort.63. Bovendien raakten met het grootschaliger en ingewikkelder worden van de produktie ondernemers meer aangewezen op een voorzieningen scheppende, regulerende en stimulerende overheid. Het was vooral in tijden van crisis (de Eerste Wereldoorlog, de jaren dertig, de Wederopbouw-periode na 1945) dat binnen de politieke elite een zekere consensus groeide over de noodzaak van krachtig staatsingrijpen, terwijl in de daaropvolgende perioden (de jaren twintig, de jaren vijftig) de roep om liberalisering, om terugtrekking van de staat uit sectoren van het economisch leven luider werd.64. In het slothoofdstuk zullen deze globale opmerkingen meer worden uitgewerkt en toegelicht.

 

Vergeleken met de groei van de overheidsbestedingen is de uitbreiding van overheidsbezit en overheidsvermogen tamelijk bescheiden te noemen. Het gedeelte van het nationaal inkomen waar de overheid met haar uitgaven beslag op ging leggen - aan het begin van deze eeuw ongeveer 10%, meer dan 20% in de jaren dertig, 27% in 1950, 32% in 1970, 40% in 198065. - groeide meer dan het gedeelte van het nationaal vermogen waar de overheid als eigenaar over ging beschikken. Deze discrepantie is te herleiden op de aard van de groei van de overheidsproduktie: de overheid is vooral geëxpandeerd in het leveren van diensten die betrekkelijk weinig kapitaal vereisen en die slechts in geringe mate voor produktiviteitsstijging in aanmerking komen (onderwijs, welzijnswerk, sociale uitkeringen, uitvaardiging van voorschriften en controle op naleving daarvan, etcetera). Bij een algemene (gemiddelde) produktiviteitsstijging via kapitaalsinvesteringen en technische vernieuwingen en een daarmee corresponderende stijging van lonen en salarissen wordt de produktie van deze overheidsdiensten daardoor duurder en minder kapitaalsintensief ten opzichte van andere sectoren. Gegeven deze ontwikkeling is derhalve bij het gelijk blijven van het totale ‘volume’ van overheidsactiviteiten in verhouding tot de nationale produktie een stijging van de overheidsuitgaven in verhouding tot

[p. 141]

het nationaal inkomen en een geringere stijging of zelfs een daling van het overheidskapitaal in verhouding tot de totale kapitaalgoederenvoorraad te verwachten.

Een weinig kapitaalsintensieve vorm van dienstverlening die de bestedingen opschroeft is met name het distribueren van gelden. Steeds meer is de overheid een centrale rol op zich gaan nemen als verdeler en herverdeler van inkomen en vermogen - belastingheffer en lener enerzijds, subsidiegever, uitkeringenverstrekker, kredietverschaffer, rentebetaler anderzijds. De opkomst van een wijdvertakte verzorgingsstaat hield niet alleen in dat het aantal overheidsfunctionarissen zich uitbreidde, maar ook dat steeds meer particuliere organisaties door de overheid gefinancierd werden met het oog op een algemeen belang (dat vaak door die organisaties zelf werd aangedragen), - bedrijven om de bedreigde werkgelegenheid op peil te houden, woningbouwverenigingen om de woningnood te bestrijden, stichtingen en verenigingen voor maatschappelijk werk om individuele noden te lenigen en beschaving en burgerzin te verbreiden, sportorganisaties en recreatieve verenigingen om ontspanning en welzijn te bevorderen, organisaties op literair en artistiek gebied om bij te dragen tot de bloei van het culturele leven.66. Voor sommige van deze organisaties, met name bedrijven, werd subsidiëring door de overheid beschouwd als een tijdelijke noodmaatregel. Niettemin werd overheidssteun aan het bedrijfsleven na de Tweede Wereldoorlog tot een permanent verschijnsel in de nationale economie.67.

Geld dat de overheid aan burgers en bedrijven onttrekt, wordt op deze wijze weer aan sommige burgers en sommige bedrijven toegekend, en draagt zo bij tot de instandhouding of vermeerdering van sommige privé-vermogens - van aandeelhouders van gesteunde bedrijven, gesubsidieerde boeren, investerende ondernemers, kopers van premiekoopwoningen. Daarnaast wordt op deze wijze veel vermogen in de ‘dode hand’ van stichtingen en verenigingen gebracht, - welzijnsstichtingen, woningbouwcorporaties, omroeporganisaties, kerken, natuurbeschermingsorganisaties.

[p. 142]

Behalve als bezitter en beheerder van vermogen fungeert de staat ook als beheerder van vermogen van particulieren, met name door middel van de girodiensten (sinds 1918) en de Rijkspostspaarbank. Via de girodiensten verloopt een belangrijk gedeelte van het binnenlandse betalingsverkeer;