Wie over de Rijken en Welgestelden van Nederland iets wil zeggen dat het niveau van individuele gevallen en losse indrukken te boven gaat, wordt geconfronteerd met een grote schaarste aan beschikbare gegevens. Intrigerende vragen doen zich voor. We zouden bijvoorbeeld willen weten in welke mate grote bezitters hun vermogen geërfd hebben dan wel door succesvol zaken doen zelf hebben opgebouwd. Zijn het in meerderheid nazaten van oude geslachten die al generaties lang tot de geprivilegieerden van de Nederlandse samenleving behoren, of nouveaux riches - en uit welke milieus zijn die dan afkomstig? Een andere vraag betreft de beroepsactiviteiten van grote bezitters, of het ontbreken daarvan: in hoeverre gaat het om zelfstandige zakenlieden, om beoefenaren van vrije beroepen, om hoogbetaalde topfunctionarissen of om leden van een ‘nietsdoende klasse’? Of, een nog veel moeilijker te beantwoorden reeks vragen: welke milieus van ‘mensen met geld’ zijn te onderscheiden, hoe verhouden die zich tot elkaar, in hoeverre en op welke wijze houden ze hun gelederen gesloten? En welke veranderingen hebben zich in al deze opzichten gedurende de laatste vijftig of honderd jaar voorgedaan?
Over al deze vragen kan het beschikbare bronnenmateriaal geen of slechts beperkt uitsluitsel geven. De vermogens- en successiestatistieken kunnen alleen globale verbanden over een beperkt aantal jaren laten zien en de onderscheidingen die ze bevatten sluiten niet altijd aan bij de interessantere onderzoeksvragen. Meer gedetailleerde informatie op basis van individuele persoonsgegevens is vrijwel niet te verkrijgen. Van enige openbaarheid van privé-vermogens, zoals in de Verenigde Staten met betrekking tot gekozen ambtsdragers gebruikelijk is, is in Nederland geen sprake. Ook ontbreken hier zulke
rijke bronnen van informatie als de in Londen opgeslagen, voor iedereen toegankelijke probate calendars, bevattende de nalatenschappen en namen van alle Britse grotere vermogensbezitters die vanaf 1858 overleden zijn,1. of de Duitse Millionärsjahrbücher, die tussen 1912 en 1914 verschenen.2.
Ook kwalitatieve gegevens over levensstijl en sociale relaties van bemiddelde mensen zijn schaars. Sommige populaire bladen besteden weliswaar van tijd tot tijd aandacht aan de carrières van geslaagde zakenlieden, of aan huwelijken en parties in Betere Kringen, maar een enigszins overzichtelijk en betrouwbaar beeld is op basis van dergelijke verslagen en nieuwtjes niet te krijgen. In tegenstelling tot landen als Engeland en de Verenigde Staten ontbreekt hier een door nieuwsgierigheid, bewondering en kritiek gevoede traditie van ruime publieke aandacht voor de upper class, die onder meer tot uiting komt in journalistiek speurwerk naar de vermogenspositie van rijken.
We stuiten hier weer op de buitengewoon grote geheimzinnigheid waarmee in Nederland persoonlijk bezit is omgeven, zowel in geschrifte als in het informele sociale verkeer alsook in de behandeling door bureaucratische instanties. Tot welke roerende hoogte de bezorgdheid om de privacy van vermogensbezitters kan stijgen wordt getoond in de gewoonte van het cbs om aantallen beneden de tien niet exact aan te geven, om de anonimiteit niet in gevaar te brengen.
In de inleiding zijn enkele mogelijke achtergronden van dit gebrek aan openheid geopperd: een sterk gelijkheidsethos gecombineerd met een betrekkelijk zwak ondernemerschapsideaal, waardoor rijkdom enigszins de geur van het ongepaste heeft. Hieraan kan als achtergrond de in Nederland zo sterke puriteins-burgerlijke traditie van uiterlijke soberheid worden toegevoegd. Het van oudsher ontbreken van een ‘echte’ aristocratie en van een belangrijk hof als nationaal centrum van societyleven hangt hiermee samen (evenals met de sterkte van het moderne gelijkheidsethos) en verklaart iets van de magere publiciteit over de society van de twintigste eeuw. Een wijdverbreid besef van nationale onbelangrijkheid speelt hierbij wellicht eveneens een rol; Nederlanders zijn er minder dan
Fransen, Engelsen of Amerikanen van overtuigd dat hun nationale samenleving het centrum van de wereld is en dat wat zich in de toppen van die samenleving afspeelt dan ook aller aandacht verdient.
Dit hoofdstuk geeft in de eerste plaats een overzicht van wat er op basis van de beschikbare statistische gegevens te zeggen is over diverse categorieën vermogensbezitters, in het bijzonder bezitters van grotere vermogens: hun sociale positie, de samenstelling van hun vermogens, de inkomsten die deze opleveren. De eerstvolgende paragraaf (2) behandelt de veranderende sociale positie van bezitters van grote vermogens, geïndiceerd door gegevens over beroep, woonplaats, leeftijd en sekse. Paragraaf 3 gaat in op de samenstelling van privé-vermogens en de verdeling van verschillende soorten bezittingen afzonderlijk: grond, woonhuizen, bedrijfs- en beroepsvermogen, aandelen, spaartegoeden, consumptiegoederen en, als negatief vermogen, schulden. Vervolgens bespreekt paragraaf 4 het verband tussen vermogens- en inkomensongelijkheid. Tenslotte wordt een paragraaf gewijd aan de vraag welke de betekenis is van erving van bezit en in hoeverre, in verband daarmee, families van vermogenden zich over verscheidene generaties gehandhaafd hebben en met elkaar een of meer ‘standen’ vormen. Op deze vragen kunnen op basis van de beschikbare gegevens geen al te stellige antwoorden worden gegeven, zo zal blijken.
Het overzicht in dit hoofdstuk is, kortom, aan diverse beperkingen onderhevig. Niet alleen kunnen sommige interessante vragen niet of nauwelijks beantwoord worden, ook zijn bepaalde gegevens alleen voor een beperkt aantal jaren beschikbaar. De uitvoerigste vermogensstatistieken zijn over de jaren tussen ongeveer 1955 en 1965 opgesteld, zodat sommige bevindingen strikt genomen alleen over die periode gaan; in de meeste gevallen is echter aannemelijk - onder meer op grond van aanvullende gegevens - dat de aard van de gevonden verbanden voor een veel langere periode geldt. Ook de onbetrouwbaarheid van de cijfers is, als steeds, een probleem. Wan-
| vermogensklasse × f1 000 | totaal × f1 000 | alle inkomens- trekkers |
|||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| ≥ 5 000 | 1 000-5 000 | ≥ 1000 | 500-1 000 | 300-500 | 200-300 | 100-200 | ≥ 100 | ||
| % | |||||||||
| zelf- standi- gen |
9,2 | 14,4 | 14,0 | 27,7 | 41,0 | 49,2 | 44,4 | 42,9 | 9,2 |
| direc- teuren NV/BV |
54,3 | 38,0 | 39,0 | 26,7 | 15,9 | 9,3 | 5,1 | 9,8 | 1,3 |
| werk- nemers |
6,3 | 10,3 | 10,0 | 10,1 | 10,3 | 9,6 | 14,4 | 12,5 | 63,2 |
| gepen- sioneer- den |
21,4 | 33,1 | 32,4 | 32,6 | 30,4 | 30,3 | 34,1 | 32,7 | 24,2 |
| overige zonder beroep | 8,6 | 4,2 | 4,5 | 2,9 | 2,4 | 1,6 | 2,0 | 2,1 | 2,2 |
| totaal | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 |
neer in dit hoofdstuk op basis van de vermogensstatistieken bijvoorbeeld iets gezegd wordt over miljonairs, gaat het in feite over die miljonairs die voor de vermogensbelasting als zodanig geboekt staan, een niet geheel representatieve selectie uit een ruimere categorie. Er is echter geen reden om aan te nemen dat de aard van de gevonden samenhangen geheel anders zou blijken te liggen indien de statistieken wel volkomen betrouwbaar waren.
Bezitters van grote privé-vermogens vormen behalve in welstand ook in andere opzichten geen doorsnee van de bevolking. Deze paragraaf gaat over hun beroepspositie, hun geografische spreiding, hun leeftijd en verdeling over de seksen.
Persoonlijke rijkdom en particulier ondernemerschap raakten met de economische ontwikkeling in de laatste decennia van de vorige eeuw langzamerhand sterker met elkaar verweven, zo is in hoofdstuk iii aangegeven. Dat deze ontwikkeling zich in de twintigste eeuw heeft voortgezet, wordt aannemelijk gemaakt door vermogensstatistieken van na de Tweede Wereldoorlog. Bezitters van grote vermogens, zo blijkt hieruit, zijn in overgrote meerderheid ondernemer (zelfstandige of directeur van nv of bv), voorzover ze tenminste niet bejaard zijn. Tabel 16 (p. 188) geeft voor één jaar, 1974, het verband tussen vermogen en beroepspositie.
De meerderheid van de geregistreerde vermogensbezitters - zij die in 1974 een belastbaar vermogen van tenminste een ton hadden - oefent volgens deze tabel een ondernemersfunctie uit, als zelfstandige of directeur van een naamloze of besloten vennootschap. Afgezien van de gepensioneerden, is zelfs meer dan driekwart van de vermogensbezitters ondernemer, en dit geldt ook binnen elk van de onderscheiden vermogensklassen: het aandeel van de ondernemers varieert nauwelijks met de omvang van het vermogen. Wel varieert de aard van
het ondernemerschap sterk: naarmate het vermogen groter is, is een groter deel van de bezitters directeur van een nv of bv en een kleiner deel zelfstandige. Van de niet-gepensioneerde miljonairs in 1974 bekleedde meer dan de helft zo'n directeurschap.
Hoezeer ondernemers en met name nv- en bv-directeuren onder de geregistreerde vermogensbezitters oververtegenwoordigd zijn, blijkt bij vergelijking van de laatste en de op een na laatste kolom van Tabel 16: van alle inkomenstrekkers - hoofden van huishoudens met volledige jaarinkomens - maakten de ondernemers in 1974 ruim 10% uit, van alle geregistreerde bezitters daarentegen meer dan de helft. Terwijl van alle inkomenstrekkers bij elkaar slechts 6% een belast vermogen van een ton of meer had, gold dit voor meer dan een kwart (28%) van de zelfstandigen en bijna de helft (46%) van de nv- en bv-directeuren. Van deze laatste beroepsgroep was bijna 6% miljonair, voor alle andere onderscheiden categorieën lag dit percentage ver onder de 0,5%.
Werknemers zijn onder de vermogensbezitters sterk ondervertegenwoordigd; in 1974 was slechts 1,2% van hen aangeslagen voor een vermogen van een ton of meer. Niet-gepensioneerde beroepslozen, van wie een groot deel vrouwen,4. vormen een gering gedeelte van de geregistreerde vermogensbezitters (mede doordat de vermogens van gehuwde vrouwen aan haar man zijn toegerekend), maar hun aandeel is in de hoogste vermogensregionen het grootst.
Voor andere jaren dan 1974 kunnen overeenkomstige verbanden tussen beroeps- en vermogenspositie worden opgemerkt.5. Uit de meer gedetailleerde gegevens die voor enkele jaren (1955, 1960) beschikbaar zijn, komt naar voren dat beoefenaren van vrije beroepen relatief sterk in de hogere vermogenscategorieën zijn vertegenwoordigd, dat boeren vooral onder de bezitters van middelgrote vermogens oververtegenwoordigd zijn, ook ten opzichte van andere zelfstandigen, en dat handarbeiders en lagere employés onder de geregistreerde vermogensbezitters vrijwel ontbreken. Binnen de categorie werknemers correleert het vermogen met opleiding en beroepsstatus, zoals ook blijkt uit een enquête uit 1973.6.
Gegevens over de jaren 1955-1974 wijzen erop dat het numerieke overwicht van ondernemers onder de grotere-vermogensbezitters in deze periode nog is toegenomen.7. Dat is in overeenstemming met het geschetste beeld van de langetermijnontwikkeling: het nauwer samengaan, vanaf de laatste decennia van de vorige eeuw, van kapitaalbezit en ondernemerschap. Vooral het aantal directeuren van naamloze en besloten vennootschappen is sinds de jaren vijftig vermeerderd, wat niet verwonderlijk is gezien de groei van het aantal nv's en bv's.8. Tegelijk met de toename van het aandeel van de ondernemers en met name de directeuren onder de bezitters nam dat van de beroepslozen af.9. Dit zou men kunnen beschouwen als onderdeel van een langere ontwikkeling, vanaf het einde van de vorige eeuw, waarin ‘nietsdoende’, ‘functieloze’ vermogenden in aantal verminderden en de categorie of klasse van grotere kapitaalbezitters steeds minder een leisure class kon worden genoemd.
Het nauwe verband tussen persoonlijk kapitaalbezit en particulier ondernemerschap lijkt voor de hand te liggen. Aan de ene kant vormt ondernemerschap in kapitalistische samenlevingen de belangrijkste bron van verrijking, aan de andere kant maakt bezit ondernemerschap mogelijk. Meer dan andere beroepscategorieën zijn ondernemers genoodzaakt tot sparen, niet zelden ook zijn ze aangewezen op de erving van bedrijfskapitaal. Een minder directe samenhang tussen bezit en ondernemerschap bestaat hierin dat kinderen uit welgestelde zakenmilieus door hun opvoeding en contacten eerder de kennis, de bekwaamheden en de belangstelling ontwikkelen en eerder de relaties kunnen leggen die bevorderlijk zijn voor een succesvolle carrière in het bedrijfsleven.
Vanuit een ruimer historisch perspectief echter is speciaal in de hoogste vermogenslagen de enge verbintenis van bezit en particulier ondernemerschap niet zo vanzelfsprekend. In de meeste historische samenlevingen was grote rijkdom eerder ‘aristocratisch’ dan ‘burgerlijk’, meer verbonden met politieke en normatieve macht dan met beroepsmatige marktoperaties. Waar kooplieden tot rijkdom kwamen, was de band
met het ondernemerschap in veel gevallen slechts tijdelijk: nazaten trokken zich uit de handel terug, cultiveerden een aristocratische levensstijl, gingen deelnemen aan het openbaar bestuur. Zoals beschreven in hoofdstuk iii, gold dit tot op zekere hoogte voor afstammelingen van Hollandse kooplieden, die regenten, landheren, soms ook edelen werden. Als gevolg daarvan was de kloof tussen rijkdom en ondernemerschap rond het midden van de negentiende eeuw in Nederland nog groot. De ontwikkeling die daarna op gang kwam weerspiegelt zowel de toenemende ondernemerskansen - behalve in de handel en financiën nu vooral ook in de goederenproduktie - als de met de democratisering afnemende politieke-machtskansen van vermogenden. De ontwikkeling hield in zeker opzicht een verdergaande differentiatie tussen politiek en economie, staat en markt in: de voorheen vanzelfsprekende verbinding van bezit en politieke macht werd doorbroken, economische en politieke elites gingen meer uiteenlopen en de relaties tussen beide werden formeler.10.
De stelling dat persoonlijke rijkdom en particulier ondernemerschap vanaf de tweede helft van de vorige eeuw in toenemende mate in dezelfde personen werden verenigd, gaat lijnrecht in tegen een bepaalde, veelvuldig verkondigde interpretatie van de these van de ‘scheiding van bezit en beheer’.11. Die these is in zoverre juist dat met de groei van ondernemingen de beslissingsmacht in die ondernemingen steeds minder op persoonlijke eigendom ging berusten. Maar hieruit mag niet worden afgeleid dat zich daardoor een toenemende scheiding is gaan voordoen tussen enerzijds ‘bezitloze’ ondernemers-managers, anderzijds niet-ondernemende, ‘functieloze’ bezitters. Juist in de vorige eeuw hielden veel grote bezitters zich verre van ondernemersactiviteiten, afgezien van beleggersactiviteiten; de voortdurende vraag naar kapitaal van de kant van overheden en diverse, voornamelijk buitenlandse ondernemingen (zoals spoorwegmaatschappijen) maakte passief beleggen mogelijk en aantrekkelijk. De relatief dalende kapitaalinkomsten hebben sindsdien de kansen om op basis van ‘passief’ bezit alléén een hoog inkomen te verkrijgen verkleind (zie paragraaf 4). Omgekeerd zijn topmanagers van moderne
grote ondernemingen geenszins ‘bezitloos’, ook al hebben ze weinig of geen van de aandelen van de door hen geleide onderneming in bezit.
Binnen de categorie ‘directeuren nv/bv’ kunnen twee typen ondernemers onderscheiden worden: eigenaren-directeuren, die hun zeggenschap over de onderneming kunnen laten berusten op hun eigendom; en managers, die besturen zonder eigenaar te zijn. Over de mate waarin beide typen in de vermogensstatistiek vertegenwoordigd zijn geeft de statistiek zelf geen uitsluitsel. Dat eigenaren-directeuren in ruime mate tot de bezitters van grote vermogens zullen behoren, ligt voor de hand (het feit dat grotere ondernemingen meestal nv's of bv's zijn verklaart ook dat ‘zelfstandigen’ in hoge vermogenscategorieën een geringe plaats innemen). Maar het is zeer waarschijnlijk dat veel directeuren van het tweede type, de managers, eveneens over aanzienlijke privé-vermogens beschikken, gegeven de hoge inkomens die ze verdienen, de mogelijkheden van extra inkomsten en vermogenswinsten die zich voor hen voordoen en ook hun veelvuldige sociale herkomst uit welgestelde zakenmilieus.12. Hoewel de topbestuurders van grote ondernemingen meestal maar een miniem deel van het ondernemingskapitaal in eigendom hebben, kunnen zij heel goed middelgrote tot zeer grote privé-bezitters zijn, die hun vermogen grotendeels in andere zaken dan de door hen bestuurde onderneming hebben belegd.
De groepering van grotere kapitaalbezitters in de twintigste-eeuwse Nederlandse samenleving is te karakteriseren als een bourgeoisie: een klasse waarin privé-bezit en particulier ondernemerschap nauw met elkaar verbonden zijn. In zekere zin is deze groepering in de loop van deze eeuw zelfs verder ‘verburgerlijkt’: steeds minder vormen de grote kapitaalbezitters een bovenlaag met aristocratische allures, steeds minder zijn zij de groep waaruit politieke bestuurders gerecruteerd worden, steeds meer hebben zij zich gespecialiseerd op het terrein van handel, financiën en goederenproduktie.13.
De geografische spreiding van rijkdom en rijken in Nederland kenmerkte zich traditioneel - zo is in hoofdstuk iii uiteengezet - door een overwicht van de westelijke provincies en een concentratie in de steden. Beide kenmerken hangen direct met elkaar samen: rijkdom was immers voor een groot deel door stedelijke handelsactiviteiten gevormd, en de belangrijkste en grootste steden waren in het Westen des lands gelegen.
Deze kenmerken bleven de geografische bezitsverdeling tot in deze eeuw typeren, al deden zich in de tweede helft van de negentiende eeuw veranderingen voor die het westelijke en stedelijke overwicht verminderden. Maar aan het begin van deze eeuw waren Utrecht, Zuid-Holland en Noord-Holland - in die volgorde - nog steeds verreweg de rijkste provincies, afgemeten aan de maatstaf van het gemiddelde belastbare vermogen per inwoner.14. En volgens diezelfde maatstaf overtrof de rijkdom van de steden 's-Gravenhage, Utrecht, Amsterdam en Rotterdam - in die volgorde - zowel het Nederlandse gemiddelde als dat van de relatief rijke provincies waar ze deel van uitmaakten. In 1903 bedroeg het gemiddelde belaste vermogen per inwoner van deze vier grootste steden gezamenlijk meer dan het dubbele van dat van de rest van Nederland. Ook kleinere steden als Haarlem en Groningen herbergden relatief veel vermogenden.
In de loop van deze eeuw veranderde dit. Het overwicht van de drie westelijke provincies nam af. Er vond een zekere geografische nivellering plaats, - het gemiddelde vermogen per inwoner van rijkere provincies daalde ten opzichte van het landelijk gemiddelde, dat van armere provincies (Drente, Noord-Brabant, Limburg) steeg. Ook het vermogen per inwoner van betrekkelijk welvarende agrarische provincies - Groningen, Zeeland, in mindere mate Friesland - steeg ten opzichte van het landelijk gemiddelde.15. Aan het begin van deze eeuw was het belaste vermogen per inwoner van de drie westelijke provincies te zamen bijna het dubbele van dat van de rest van Nederland, tussen de beide wereldoorlogen ongeveer an-
derhalf keer zo groot, terwijl het na de Tweede Wereldoorlog nog 25 à 30% hoger lag.
Deze vermindering van geografische vermogensverschillen hing samen met de schaalvergroting van produktie en handel, de intensivering van het verkeer, de grotere mobiliteit en de toenemende betekenis van politieke en organisatorische regelingen op nationaal niveau. Daarmee vond een zekere egalisering van materiële levenscondities in verschillende delen van het land plaats. Armen trokken weg uit gebieden die weinig bestaansmogelijkheden boden - bijvoorbeeld landarbeiders uit Groningen, Friesland, Zeeland -, met als gevolg dat het gemiddelde vermogen per inwoner in die gebieden toenam. De opkomende industrie was minder aan het Westen des lands gebonden dan de voorheen dominerende handel. En met de economische groei stegen de kansen van vermogensvermeerdering niet alleen voor industriële ondernemers, maar ook voor bijvoorbeeld beoefenaren van vrije beroepen en boeren, verspreid over verschillende gebieden.
Nog veel duidelijker en drastischer was de relatieve daling van het gemiddelde vermogen in steden. In de loop van deze eeuw daalde het belaste vermogen per inwoner van steden als Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Haarlem en Groningen vrijwel onafgebroken ten opzichte van het landelijk gemiddelde, en met uitzondering van Den Haag - verreweg de rijkste van de grote steden - kwam het in deze gevallen onder dat landelijk gemiddelde te liggen.16. Steden werden plaatsen waar zich vooral veel ‘bezitlozen’ vestigden en waaruit welgestelden wegtrokken, zij het dat een kleine bovenlaag van zeer vermogenden in grote steden bleef wonen.
Welgestelden die uit de steden trokken, vestigden zich vooral in suburbane gemeenschappen: villadorpen die dicht genoeg bij een grote stad lagen om bewoners in staat te stellen in die stad beroepsactiviteiten te verrichten en zaken te doen. Concentraties van rijkdom werden zo gemeenten in de duinstreek tussen Den Haag en Leiden (met name Wassenaar), Kennemerland (waaronder Bloemendaal), Het Gooi (Laren, Blaricum, Naarden, Bussum) en de zandgronden van Utrecht (Zeist, De Bilt, Driebergen, Doorn, Maarn). Ook buiten de westelijke
provincies, maar in veel mindere mate, vormden zich rijke voorsteden, zoals het bij de stad Groningen gelegen Haren. Slechts enkele van de opvallend rijke gemeenten sinds de jaren dertig hebben een ander dan suburbaan karakter: agrarische gemeenschappen met een hoog percentage welgestelde boeren, zoals het Noordgroningse Usquert en enkele plaatsjes in Zuid-Holland en Zeeland.17.
Ook deze ontwikkeling hing samen met schaalvergroting en toenemende mobiliteit. Door de verbetering van het verkeer (trein, tram, auto) en de uitbreiding van allerlei voorzieningen naar niet-stedelijke gebieden (waterleiding, riolering, gas, elektriciteit) kon de afstand tussen wonen en werken toenemen en werd het ‘buiten’ wonen aantrekkelijker.
Niet-welgestelden hadden veel minder te kiezen, zeker aan het begin van deze eeuw. Ze konden niet op grote afstand van hun werk wonen, en voor hun woning waren ze afhankelijk van een beperkt aanbod waar ze zelf geen greep op hadden. In de loop van deze eeuw echter gingen met de intensivering van het verkeer en een op spreiding gericht bouwbeleid de mogelijkheden om in voorsteden te gaan wonen zich over bredere lagen uitbreiden. Suburbanisatie werd een massaal proces, waarbij echter segregatie naar klasse bleef bestaan: naast en na voorsteden voor rijken en welgestelden werden voorsteden voor middenlagen en ‘lagere’ groeperingen gebouwd.
De geografische spreiding van de bezitters van zeer grote vermogens - zeg de rijkste 0,5% van de volwassen bevolking - vertoont een wat ander patroon dan die van de bezitters van middelgrote vermogens. Terwijl de oververtegenwoordiging in de westelijke provincies van de in de vermogensbelasting aangeslagen personen - in meerderheid bezitters van middelgrote vermogens - langzamerhand omsloeg in een lichte ondervertegenwoordiging (sinds 1947), bleven relatief veel bezitters van zeer grote vermogens in deze provincies wonen. In 1930 verbleef 73% van de aangeslagenen met een belast vermogen van een half miljoen of meer in deze provincies, terwijl 49% van de totale bevolking daar woonde. In 1973 was 59% van de halve en hele miljonairs (inmiddels een veel ruimere categorie dan in 1930) daar gevestigd, tegen 46% van de totale
bevolking. In dat laatste jaar woonde 62% van de geregistreerde miljonairs en 70% van de bezitters met een belast vermogen van tenminste vijf miljoen in de drie westelijke provincies. Naarmate een rijkere en exclusievere vermogenscategorie wordt bezien, is de concentratie in het Westen dus sterker.
Deze variatie in vestiging hangt samen met verschillen in economische activiteiten. Grote vermogens zijn vooral verbonden met stedelijke ondernemersactiviteiten - het besturen van een grote onderneming, internationale handel, financiën, speculatie - die in het Westen geconcentreerd zijn. Middelgrote vermogens zijn, zoals we gezien hebben, meer te vinden bij zelfstandigen, onder wie boeren, die juist in minder verstedelijkte gebieden een groter deel van de bevolking vormen.
In grote steden zelf bleven relatief veel bezitters van zeer grote vermogens woonachtig. Zo was in 1930 40% van de bezitters van een vermogen van een half miljoen gulden en meer in de drie grootste steden, Amsterdam, Rotterdam en Den Haag, gevestigd, tegen 19% van alle in de vermogensbelasting aangeslagenen en 22% van de hele bevolking. In 1970 woonde bijna een kwart (24%) van de ruim 8 000 geregistreerde miljonairs in deze steden, tegen 15% van alle aangeslagenen en 17% van de totale bevolking (de oververtegenwoordiging gold het sterkst voor Den Haag, maar ook voor Amsterdam en Rotterdam afzonderlijk). In kleinere steden als Utrecht, Haarlem en Eindhoven zijn de miljonairs daarentegen ondervertegenwoordigd. Oververtegenwoordigd zijn ze weer in ‘tuinsteden’ als Arnhem en Hilversum. Dat juist in de grootste steden zoveel zeer vermogende mensen zijn blijven wonen, wijst deels wellicht op de bijzondere kansen van verrijking die deze steden bieden, deels op de aantrekkelijkheid als woonplaats die ze nog steeds voor sommige rijken hebben, onder meer als centra van lokaal society-leven.
Kenmerkend voor de grootstedelijke vermogensopbouw is, zo kan uit het voorgaande worden opgemaakt, een relatief groot aantal zeer vermogende personen bij een relatief klein aantal personen met middelgrote vermogens; anders gezegd, een vrij brede top, een tamelijk smalle middencategorie en een verhoudingsgewijs brede basis. Dit geldt vooral voor de
handels- en industriesteden Amsterdam en Rotterdam - meer dan voor het politiek-bestuurlijke centrum Den Haag -, en kan ook voor een kleinere industriestad als Enschede worden opgemerkt. Kortom, de vermogensconcentratie in grote steden en met name industrie- en handelssteden is doorgaans groter dan in plattelandsgebieden.18.
Schaalvergroting, intensivering van verkeer, toename van geografische mobiliteit, - met deze processen hangen de veranderingen in vestigingspatroon van vermogende Nederlanders samen. Uiteraard houden deze niet bij de Nederlandse grenzen op. Emigratie, al dan niet uit fiscale motieven, is een gemakkelijker te nemen stap dan vroeger, nu zakelijke en informele contacten in het land van herkomst met behulp van telefoon en vliegtuig beter kunnen worden onderhouden.
Over de frequentie waarmee vermogende Nederlanders in de loop vanjaren zijn geëmigreerd, is erg weinig bekend. Voor één jaar, 1973, heeft het Ministerie van Financiën hierover gegevens op basis van de vermogensbelasting verstrekt, overgenomen in Tabel 17 (p. 199).
De gegevens over dit ene jaar zeggen natuurlijk weinig, zeker waar de aantallen zo klein zijn. Twee punten vallen echter op. In de eerste plaats het grote aantal van degenen die naar België zijn verhuisd - meer dan de helft van de emigranten die een belast vermogen van tenminste een half miljoen bezitten - wat waarschijnlijk wijst op belastingvlucht als belangrijk motief. Opvallend is verder, hoe sterk de vermogensverdeling onder de vermogende emigranten afwijkt van die onder de vermogende Nederlanders in het algemeen, hoezeer de bezitters van zeer grote vermogens oververtegenwoordigd zijn.20. Die oververtegenwoordiging geldt ook als men alle emigranten van dat jaar beziet. De 43 emigranten met een vermogen van 2 miljoen of meer (en naar schatting een gemiddeld vermogen van tenminste vijf miljoen) vormden 1,3% van alle bezitters die dat jaar voor zo'n vermogen waren aangeslagen, terwijl het totale aantal emigranten op de Nederlandse bevolking minder dan een half procent bedroeg.21. Vermogenden verdwijnen zo uit de statistiek, en de statistisch geconstateer-
| land van bestemming | aantal emigr. per vermogensklasse | totaal verm. emigr. | ||
|---|---|---|---|---|
| 200 000-500 000 | 500 000-2 miljoen | 2 miljoen en meer | ||
| _____ | _____ | _____ | _____ | _____ |
| België | 27 | 53 | 22 | 102 |
| Zwitserland | 3 | 7 | 3 | 13 |
| Spanje | 18 | 8 | 5 | 31 |
| Italië | 3 | 6 | 2 | 11 |
| overige landen | 60 | 26 | 11 | 97 |
| _____ | _____ | _____ | _____ | |
| totaal verm. emigr. | 111 | 100 | 43 | 254 |
| _____ | _____ | _____ | _____ | _____ |
| totaal vermog. Nederlanders | 101 042 | 27 885 | 3 256 | 132 183 |
de vermogensverschillen tussen de bewoners van Nederland worden hierdoor kleiner.22.
Terwijl het beroep en de woonplaats van vermogensbezitters iets aangeven over hun klassepositie, doorsnijden onderscheidingen naar leeftijd en sekse de klassenverhoudingen: verschillen in privé-bezit tussen mensen van verschillende leeftijd en sekse zijn verschillen binnen de eenheden waarin die mensen doorgaans samenwonen of door verwantschap met elkaar verbonden zijn - gezinnen, huishoudens, families - en daarmee ook verschillen binnen klassen. De individuele leden van één gezin, huishouden of familie profiteren gemeenschappelijk van wat een of enkele leden in eigendom hebben en dragen bezittingen aan elkaar over, - reden om deze woon- en verwantschapseenheden als klasse-eenheden op te vatten.23. Dat betekent overigens niet dat de verschillen in formele eigendom en feitelijke beschikkingsmacht binnen deze eenheden onbelangrijk zouden zijn.
Voor de hele beschouwde periode is er een duidelijk en sterk verband tussen de leeftijd en het privé-vermogen van individuen; het vermogen stijgt met de leeftijd. Bejaarden beschikken gemiddeld over grotere vermogens dan mensen van middelbare leeftijd, wier vermogenspositie gunstiger is dan die van jonge volwassenen, die op hun beurt meer bezitten dan de meestal weinig bezittende en van verschillende vermogensrechten verstoken kinderen.24.
Tabel 16 (p. 188) wees al op een oververtegenwoordiging van gepensioneerden onder de bezitters van grotere vermogens. Enkele andere cijfers die het verband tussen leeftijd en vermogen illustreren: in 1912 bedroeg volgens de successiestatistieken het gemiddelde nagelaten vermogen van de twintigtot veertigjarigen van wie de erfgenamen in de successiebelasting waren aangeslagen twaalfduizend gulden, dat van de veertig- tot zestigjarigen eenendertigduizend gulden, dat van de zestig- tot tachtigjarigen zesendertigduizend gulden en dat van de nog ouderen zelfs eenenzestigduizend gulden. In 1971
was van alle in de vermogensbelasting aangeslagen personen meer dan een-derde deel (36%) vijfenzestig jaar of ouder, de helft (50%) zestig jaar of ouder en bijna driekwart (74%) vijftig jaar of ouder. Van alle Nederlanders tussen de twintig en dertig (gehuwde vrouwen buiten beschouwing gelaten) was in dat jaar slechts 0,3% in de vermogensbelasting aangeslagen, van de dertigers 2,1%, van de veertigers 5,2%, van de vijftigers 8,2% en van de mensen van zestig jaar en ouder 9,5%. In datzelfde jaar was 44% van de geregistreerde miljonairs vijfenzestig jaar of ouder, terwijl 10% van de hele bevolking die leeftijd had bereikt; slechts 6,4% was jonger dan veertig jaar, tegen 70% van de hele bevolking. Minder dan een op de drieduizend Nederlanders (echtparen als één genomen) was in 1971 volgens de vermogensstatistiek miljonair, maar van de vijfenzestig jarigen en ouderen had bijna een op de tweehonderdvijftig personen een dergelijk privé-vermogen.25.
Dit verband tussen leeftijd en privé-vermogen is niet moeilijk te begrijpen. Tijdens hun leven accumuleren mensen vermogen: door besparingen op hun inkomen, maar ook door vermogenswinsten, door erfenissen en schenkingen. De kansen op vermogensvermeerdering nemen daarbij toe naarmate men al meer heeft. Vermogensvorming is te zien als een carrière, die langs verschillende wegen kan verlopen en die met sterk wisselend succes bekroond wordt.
Aan de andere kant zou men kunnen verwachten dat mensen na een fase van sparen op een bepaalde leeftijd tot ontsparing overgaan, maar voor bezitters van grote vermogens blijkt dit in het algemeen niet op te gaan; ook zonder intering kunnen zij vrij gemakkelijk een bevredigend levenspeil realiseren, en het nalaten van een belangrijke erfenis is voor hen een motief om het vermogen op peil te houden. Onder bezitters van kleine vermogens, met name niet-zelfstandigen, neemt het vermogen na een bepaalde leeftijd wel af.26. In samenhang met het beroep en het milieu van herkomst varieert ook de zekerheid van de vermogenscarrière: voor zelfstandigen met een hoog inkomen en een tamelijk stabiele marktpositie, zoals beoefenaren van vrije beroepen, is de zekerheid van vermogensvermeerdering groot, evenals, op een andere manier,
voor kinderen van rijke ouders. In dit laatste geval wordt de klassepositie die men van huis uit had door bezitserving bevestigd.
Dit wijst er nog eens op, dat de vermogenspositie in ruime zin niet alleen betrekking heeft op individuele eigendom, maar ook op de toegang tot bezittingen en de anticipatie op toekomstig privé-bezit. Jeugdigen uit welgestelde milieus verschillen hierin van hun leeftijdgenoten uit andere milieus, ook al hebben ze formeel nauwelijks méér in eigendom. Klassenverschillen zijn in de lagere leeftijdscategorieën nog slechts in geringe mate verbonden met verschillen in individueel vermogen.
Erving van eigen vermogen heeft voor mensen uit welgestelde milieus niettemin belangrijke consequenties: de aangewezenheid op andere, meestal oudere familieleden wordt er minder groot door, de individuele speelruimte neemt toe. Traditioneel vormde privé-bezit een machtsbron waarmee ouderen jongeren van zich afhankelijk hielden (vgl. hoofdstuk iii). Met de afgenomen betekenis van privé-bezit als persoonlijke machtsbron - onder meer door de gedeeltelijke collectivering van bezit, de uitbreiding van sociale verzekeringen en voorzieningen en de verschuiving van bezits- naar arbeidsinkomens - is deze eenzijdige afhankelijkheid verminderd: een van de veranderingen die de afgenomen macht van ouderen ten opzichte van jongeren verklaart. Evenzo kan de relatief sterke cohesie die vermogende bourgeoisfamilies volgens verschillende aanwijzingen nog steeds kenmerkt in verband worden gebracht met de grote betekenis van privé-bezit in de onderlinge afhankelijkheidsverhoudingen.27.
Met het stijgen van de leeftijd neemt niet alleen het gemiddelde vermogen toe, maar ook de vermogensongelijkheid binnen één leeftijdscategorie. Onder jeugdige volwassenen is die ongelijkheid nog vrij gering - de meesten bezitten heel weinig, er zijn slechts enkele uitschieters naar boven -, onder bejaarden daarentegen bijzonder groot.28. Ongelijke kansen tot vermogensvorming en verschillende geneigdheid van die kansen gebruik te maken brengen vergroting van de bezitsverschillen bij het vorderen van de leeftijd met zich mee. Hoewel,
zoals gezegd, het vermogen waar men als individuele eigenaar over beschikt niet alles zegt over de vermogens- en welstandspositie, laat staan over de klassepositie, zijn jeugdige volwassenen relatief klasseloos te noemen in vergelijking met ouderen, en wel des te meer naarmate zij minder van oudere familieleden afhankelijk zijn. De klassendifferentiatie binnen een gegeven generatie neemt met het ouder worden toe. In samenhang daarmee, zo mogen we veronderstellen, nemen de wijgevoelens als generatie en de neiging zich met uiteenlopende groepen buiten de eigen klasse te identificeren af.
Het feit dat mensen in de loop van hun leven vermogen accumuleren is op zichzelf een bron van ongelijkheid, nog afgezien van door klasseverschillen bepaalde ongelijkheid van kansen. Men kan zich een zeer egalitaire, ‘klasseloze’ samenleving voorstellen waarin de privé-vermogens toch ongelijk verdeeld zijn: tussen mensen van verschillende leeftijd vanwege de gebruikelijke vermogensvorming, tussen mensen van dezelfde leeftijd vanwege de verschillende geneigdheid tot sparen. Die ongelijkheid zou echter veel geringer zijn dan voor Nederland en andere landen feitelijk is vastgesteld. De geconstateerde vermogensongelijkheid kan voor een deel, maar alleen een vrij klein deel aan leeftijdsverschillen en variaties in spaarneiging worden toegeschreven.29.
Vermogens van mannen en vrouwen zijn nog moeilijker afzonderlijk te beschouwen dan die van mensen van verschillende leeftijd. In huwelijken worden de privé-bezittingen van man en vrouw feitelijk en formeel meestal samengevoegd, en voor de vermogensbelasting en in de daarop gebaseerde statistieken gelden ze als één geheel (tenzij de echtgenoten ‘duurzaam gescheiden’ leven).
Voor het bezien van de vermogens van mannen en vrouwen afzonderlijk zijn we voornamelijk op de successiestatistieken aangewezen (waar echtgenoten ‘in gemeenschap van goederen’ getrouwd zijn, wordt voor de successiebelasting de helft van het gezamenlijke vermogen aan elk van beiden toegerekend).
Hieruit is op te maken dat mannen gemiddeld over grotere vermogens beschikken dan vrouwen. Zo was het gemiddelde aan successiebelasting onderworpen vermogen van in het jaar 1916 overleden vrouwen 30 duizend gulden, dat van mannen 41 duizend gulden; in 1977 waren deze cijfers respectievelijk 117 en 154 duizend gulden, en voor tussenliggende jaren kunnen overeenkomstige verschillen worden opgemerkt.30. De percentages van de overleden vrouwen en mannen waarvan de nagelaten vermogens voor successiebelasting in aanmerking komen, ontlopen elkaar niet veel; terwijl ongeveer evenveel vrouwen als mannen over noemenswaardige persoonlijke vermogens beschikken, zijn mannen sterker vertegenwoordigd in de hoge vermogenscategorieën.
Vrouwen hebben een voordeel: ze leven gemiddeld langer, zijn daardoor langer in staat vermogen te accumuleren. Zou de levensverwachting van mannen en vrouwen precies gelijk zijn, dan zouden de verschillen in gemiddeld nagelaten vermogen tussen de beide seksen nog groter zijn. Niettemin vormen weduwen een onder de grote-vermogensbezitters oververtegenwoordigde categorie. Zo behoorde in 1971 17% van de door de vermogensbelasting geregistreerde miljonairs tot de ex-gehuwde vrouwen (weduwen en gescheidenen), terwijl dezen 10% van de volwassen bevolking - echtparen als één genomen - uitmaakten.31.
Wijzigingen in het erfrecht en de successiebelasting hebben in de loop van deze eeuw de huwelijksband in toenemende mate benadrukt ten koste van de banden des bloeds: bij overlijden van een der echtgenoten kon de wederhelft op een steeds groter erfdeel aanspraak maken en hoefde voor dit erfdeel relatief minder aan successiebelasting te worden betaald.32. De vermogenspositie van vrouwen, ouderen en in het bijzonder weduwen is hierdoor versterkt.
Van oudsher konden in Nederland vrouwelijke leden van de bezittende klassen aanspraak maken op eigen vermogen: het erfrecht discrimineerde niet tussen zoons en dochters, en ook bestond er geen ongeschreven regel van primogenituur. Vrouwen die ‘in gemeenschap van goederen’ trouwden - de grote
meerderheid33. - werden bovendien mede-eigenaar van het gezamenlijke bezit van beide echtelieden. Dat vrouwen volgens de statistieken gemiddeld toch minder vermogend zijn dan mannen, is toe te schrijven aan het feit dat mannen door beroep, kennis en contacten veel meer dan vrouwen in de gelegenheid zijn hogere inkomens te realiseren en bezit te vermeerderen, zodat bij ongehuwden en in echtverbintenissen onder ‘huwelijkse voorwaarden’ het vermogensverschil gemiddeld ten gunste van mannen zal uitvallen. En juist bij ondernemers en andere bezitters van grotere vermogens is dit laatste type huwelijksrelatie vrij gebruikelijk.
Mannen en vrouwen verschillen echter minder in de omvang van de vermogens die ze formeel in eigendom hebben dan in de toegang tot en de beschikking over de goederen waaruit de vermogens zijn opgebouwd. Tot ver in de twintigste eeuw ontbrak het vrouwen krachtens het geldende huwelijksgoederenrecht vrijwel aan beschikkingsbevoegdheden ten aanzien van ‘eigen’ bezittingen. Pas met ingang van 1957 veranderde dat, - een van de maatregelen die de verkleining van machtsverschillen tussen mannen en vrouwen uitdrukte en bevorderde.34.
Deze juridische gelijkstelling betekende uiteraard geen egalisering in alle opzichten. Handel drijven, grote goederentransacties, vermogensbeheer zijn volgens een traditionele, maar nog steeds gangbare rolverdeling mannelijke activiteiten. Waar in een gezin de man het geld inbrengt, kan hij doorgaans de meeste zeggenschap op de gezinsfinanciën doen gelden. En juist die posities waarin de hogere inkomens en grotere vermogenswinsten worden gerealiseerd zijn zelden door vrouwen bezet. Vrijwel nergens is de segregatie tussen de seksen nog zo sterk als in de zakenwereld.
Bezitters van grote privé-vermogens in de Nederlandse samenleving in de twintigste eeuw oefenen in meerderheid - voorzover ze tenminste geen bejaarde of vrouw (of beide) zijn - een beroep van ondernemer uit. Ze wonen overwegend in het Westen des lands, in suburbane gemeenten, soms ook in grote steden. Ze zijn meestal ouder dan vijftig jaar. En ze zijn,
voorzover ze strikt individueel vermogen bezitten, in meerderheid van het mannelijk geslacht.
Bezit van een groot privé-vermogen en ondernemerschap gaan in deze tijd waarschijnlijk in sterkere mate samen dan aan het begin van deze eeuw; terwijl het aandeel van de ondernemers onder de grote bezitters steeg, daalde dat van renteniers, landeigenaren en hoge ambtenaren. De categorie van grote kapitaalbezitters is dan ook in toenemende mate te karakteriseren als een bourgeoisie, een klasse die privé-bezit en particulier ondernemerschap, economische privileges en economische macht in zich verenigt.
De vraag in hoeverre deze ‘klasse’ ook een ‘stand’ is - een groep waarvan de leden een overeenkomstige levensstijl, statusbesef en ‘wij-gevoel’ hebben - is op grond van statistische gegevens alleen niet te beantwoorden. Behalve de overeenkomstige vermogens- en beroepspositie maakt echter ook het vestigingspatroon de vorming van informele groepsbanden onder bezitters van grote vermogens waarschijnlijk: hun concentratie in een aantal suburbane gemeenten. Vanaf het midden van de vorige eeuw zijn steeds meer welgestelden van grote en middelgrote steden naar deze kleinere plaatsen verhuisd.
De attributen leeftijd en sekse doorsnijden klasseverschillen. Bezitters van grote vermogens zijn in meerderheid middelbaar tot bejaard, hetzij doordat ze hun vermogen door eigen ondernemersactiviteiten in de loop van hun leven hebben weten te vermeerderen en zo tot de klasse van de (grotere) bourgeoisie zijn gaan behoren, hetzij doordat ze als gevestigde leden van die bourgeoisie via erving en accumulatie pas op latere leeftijd over een aanzienlijk eigen vermogen zijn gaan beschikken.
Voorzover individuele vermogens van mannen en vrouwen van elkaar te onderscheiden zijn - omdat de bezitters ongehuwd, gehuwd geweest, of niet ‘in gemeenschap van goederen’ gehuwd zijn-, beschikken mannen gemiddeld over wat grotere vermogens dan vrouwen. Tot in de jaren vijftig golden voor beide echtgenoten in een huwelijksverbintenis grote ver-
schillen in wettelijke bevoegdheden en vrijheden op vermogensgebied; sindsdien zijn de rechten formeel gelijkgetrokken. Niettemin zijn de verschillen in beschikkingsmacht over bezittingen tussen de beide seksen over het geheel genomen nog aanzienlijk, vooral vanwege de grotere toegang van mannen tot de bronnen die vorming en vermeerdering van privé-bezit mogelijk maken.
Privé-vermogens zijn opgebouwd uit verschillende soorten bezittingen, die voor de eigenaren verschillende functies hebben. Sommige bezittingen vormen de bron van beroepsinkomen, het kapitaal waarmee ondernemers en van hen afhankelijke werknemers werken: bedrijfs- en praktijkruimte, werktuigen, machines, voorraden, landbouw- en weidegronden. Andere bezittingen dienen als beleggingsobject, als feitelijke of potentiële bron van ‘arbeidsloos’ inkomen. Weer andere bezittingen hebben primair consumptieve betekenis: de eigen woning (al wordt die doorgaans niet tot de consumptiegoederen gerekend), woninginrichting, auto, etcetera. Vaak hebben bezittingen verschillende functies tegelijk: zo kunnen goederen met consumptieve waarde, zoals schilderijen en sieraden, tegelijk als belegging dienen.
De functies van goederen voor de eigenaar zijn niet inherent aan die goederen zelf, al lenen de meeste zich meer voor de ene dan voor de andere functie. Zo kan bijvoorbeeld een gebouw primair consumptieve waarde hebben - als woning -, maar ook deel uitmaken van bedrijfskapitaal en eveneens object van passieve belegging zijn.
Aan de statistieken is dan ook niet altijd af te lezen om welke bezittingen met welke primaire functie het gaat. Bovendien worden niet alle persoonlijke bezittingen door het statistische materiaal bestreken; met name ontbreken in de vermogensbelastingstatistieken de meeste consumptiegoederen. Toch kunnen de cijfermatige gegevens wel enig beeld geven
| 1900 | 1910 | 1920 | 1930 | 1935 | 1939 | 1949 | |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| % | |||||||
| on- roerend goed |
30,3 | 32,4 | 34,7 | 30,7 | 27,9 | 30,4 | 30,2 |
| effecten | 43,0 | 38,9 | 35,5 | 39,2 | 34,1 | 33,8 | 31,6 |
| w.o. buiten- landse |
25,5 | 21,3 | 8,1 | 7,6 | 6,7 | 5,9 | 5,1 |
| binnen- landse |
|||||||
| staats- obligaties |
6,7 | 4,6 | 6,8 | 7,9 | 9,9 | 8,4 | 8,0 |
| overige | 10,8 | 13,0 | 20,6 | 23,7 | 17,5 | 19,5 | 18,5 |
| vorde- ringen |
14,8 | 17,3 | 15,4 | 18,4 | 25,2 | 23,7 | 18,2 |
| overige | 11,8 | 11,4 | 14,4 | 11,7 | 12,9 | 12,1 | 19,9 |
| totaal | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 |
van de opbouw van persoonlijke vermogens, van verschuivingen en variaties daarin.
Voor de eerste helft van deze eeuw - tot 1950 - is een globale indruk van de veranderingen in de samenstelling van privé-vermogens te krijgen op basis van de successiestatistieken, waarin de grotere vermogens oververtegenwoordigd zijn (zowel door het grotendeels buiten de belasting vallen van vermogens beneden de f 5 000,- als door de sterke correlatie tussen overlijdenskans, leeftijd en vermogen). Tabel 18 (p. 208) vat de veranderingen samen.
De opvallendste verschuivingen zijn wel de vermindering van het bezit van buitenlandse effecten en de toename tot 1930 van het bezit van binnenlandse bedrijfseffecten. Het buitenlandse-effectenbezit, dat rond de eeuwwisseling een kwart van de totale waarde van de nagelaten bezittingen omvatte, was in 1949 gedaald tot een-twintigste deel van het totaal (inclusief de effecten van koloniale ondernemingen, hier tot de ‘overige effecten’ gerekend, zou de daling nog veel groter zijn, met name tussen 1939 en 1949). De grootste vermindering vond plaats in het decennium 1910-1920, met name in en kort na de Eerste Wereldoorlog, toen de stremming van het internationale handels- en betalingsverkeer, de overschakeling van de oorlogvoerende landen op een meer autarkische oorlogseconomie, politieke woelingen en economische ineenstorting (Duitsland 1918-1920) en revolutie (Rusland 1917-1919) de waarde van veel aandelen tot nul of praktisch nul reduceerden.
Het bezit van binnenlandse bedrijfsaandelen en -obligaties nam daarentegen lange tijd gestadig toe, - tussen 1900 en 1930 van ruim een-tiende deel tot bijna een kwart van de totale waarde van het actief van de aan successiebelasting onderworpen nalatenschappen. Beide trends geven een ontwikkeling aan die in de vorige twee hoofdstukken al enige malen is gesignaleerd: een langzame heroriëntatie, vanaf de laatste decennia van de negentiende eeuw, van Nederlandse kapitaalbezitters ten gunste van het binnenlandse bedrijfsleven, en daarmee ook een sterkere binding aan dat bedrijfsleven en de daarin werkzame arbeiders en beambten. Die ontwikkeling
hing ten nauwste samen zowel met de binnenlandse industrialisatie en produktiegroei, die grotere winst- en rendementskansen voor beleggingen in Nederland met zich meebrachten, als met veranderingen in de internationale verhoudingen, waardoor de winst- en rendementskansen voor beleggingen elders kleiner werden. Veranderingen, die de periode tussen de beide wereldoorlogen zo duidelijk deden onderscheiden van de daaraan voorafgaande ‘age of capital’: afbraak van de internationale vrijhandel, grotere geslotenheid van nationale economieën, pogingen tot regulering en planning van die economieën door nationale regeringen.
Met de crisis van de jaren dertig brak de tendens van groei van het binnenlandse bedrijfseffectenbezit af. Kapitaalbezitters gingen nu voorzichtiger en passiever beleggen: in vorderingen - spaartegoeden, banksaldi, hypotheken - en in staatsobligaties (hiertoe was vanwege de groei van de staatsschuld ook meer gelegenheid). In de tweede helft van de jaren dertig werd met de heropleving van de economie de neiging tot passief beleggen weer wat minder, maar de verhoudingen van 1930 en eerder herstelden zich niet. Het totale effectenbezit en in het bijzonder het bezit van buitenlandse effecten bleef ten opzichte van de nalatenschappen in hun geheel verder dalen, zowel in de jaren dertig als in en kort na de Tweede Wereldoorlog (1939-1949). Opmerkelijk constant over de hele beschouwde periode bleef daarentegen het aandeel van onroerend goed: steeds ongeveer een-derde van de totale waarde der nagelaten bezittingen.
Een wat andere indeling in vermogensbestanddelen geven de vermogensstatistieken van een aantal naoorlogse jaren, zoals Tabel 19 (p. 211) laat zien. Ook hier gaat het overwegend om grotere vermogens (hetgeen gepreciseerd is in de laatste drie rijen van de tabel; de registratiegrens verwijst naar de grens waarbeneden vermogens sterk ondervertegenwoordigd zijn).
Anders dan de vooroorlogse successiestatistieken bevatten de naoorlogse vermogensstatistieken de categorie ‘vermogen belegd in bedrijf of beroep’; voor de jaren 1953-1963 blijkt dit
| 1953 | 1955 | 1960 | 1963 | |
|---|---|---|---|---|
| % | ||||
| in eigen bedrijf/beroep | 27 | 27 | 21 | 21 |
| onroerend goed | 21 | 18 | 17 | 19 |
| w.o. eigen woning | 5 | 6 | 7,5 | |
| effecten | 30 | 34 | 41 | 38 |
| w.o. buitenlandse | 6 | 6 | 5 | |
| binnenl. staatsobl. | 3 | 3 | 3 | |
| binnenl. overige obl. | 2 | 2 | 3 | |
| binnenl. aandelen | 24 | 30 | 27 | |
| vorderingen | 16 | 15 | 14 | 15 |
| overige | 5 | 7 | 7 | 8 |
| totaal | 100 | 100 | 100 | 100 |
| in guldens | ||||
| registratiegrens | 20 000 | 30 000 | 50 000 | 50 000 |
| aantal vermogens- bezitters |
427 000 | 441 000 | 370 000 | 344 000 |
| % | ||||
| hun aandeel in populatie | 10,0 | 10,1 | 8,1 | 7,3 |
| vermogensklasse × f 1 000 | totaal | ||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| ≥500 | 200-500 | 100-200 | 50-100 | 25-50 | 10-25 | 5-10 | 2-5 | ||
| % | |||||||||
| on- roerend goed |
20,9 | 25,4 | 29,4 | 38,1 | 41,4 | 47,7 | 48,4 | 51,8 | 32,3 |
| effec- ten |
54,8 | 45,4 | 40,3 | 32,8 | 26,1 | 19,4 | 15,3 | 12,1 | 38,5 |
| w.o. buiten- landse |
18,0 | 18,6 | 16,3 | 13,5 | 11,2 | 8,5 | 7,0 | 4,8 | 14,5 |
| binnen- landse |
|||||||||
| staats- obliga- ties |
8,0 | 5,9 | 5,2 | 4,7 | 3,6 | 3,1 | 2,5 | 2,6 | 5,5 |
| overige binnenl | |||||||||
| effec- ten |
28,8 | 20,9 | 18,8 | 14,6 | 11,3 | 7,8 | 5,8 | 4,7 | 18,8 |
| vorde- ringen |
13,4 | 15,8 | 18,7 | 16,9 | 17,7 | 16,7 | 17,7 | 16,3 | 16,0 |
| overige | 10,8 | 13,4 | 11,6 | 12,2 | 14,9 | 16,3 | 18,7 | 19,8 | 13,2 |
| totaal | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 |
| schul- den |
-5,2 | -9,5 | -10,6 | -11,0 | -16,5 | -21,9 | -24,9 | -28,5 | -12,2 |
ondernemersvermogen ruim een-vijfde tot ruim een kwart van het totaal van de geregistreerde privé-vermogens in beslag te nemen. Omdat de categorie ‘onroerend goed’ nu alleen de grond en gebouwen búiten het eigen bedrijf of beroep omvat, is het te begrijpen dat het aandeel hiervan zoveel lager is dan in Tabel 18: ongeveer een-vijfde deel van het totaal in plaats van een-derde. Ook het lagere percentage ‘overige’ kan aan registratieverschillen worden toegeschreven: een deel van het vermogen in eigen bedrijf of beroep is in de successiestatistiek tot de ‘overige’ bezittingen gerekend, en bovendien bestrijkt de successiebelasting meer van het consumptieve bezit dan de vermogensbelasting, zoals meubilair en kunstobjecten.
Het opvallendste verschil tussen beide tabellen dat waarschijnlijk wel op een reële verandering duidt, betreft de binnenlandse aandelen en bedrijfsobligaties.37. Terwijl de relatieve omvang van het bezit hiervan zijn vooroorlogse hoogtepunt omstreeks 1930 bereikte met iets minder dan een kwart van de totale waarde van de nalatenschappen, nam dit bezit omstreeks 1960 een veel groter gedeelte van de geregistreerde privé-vermogens in beslag, en wel ongeveer een-derde. In de jaren 1953-1963 steeg tot 1960 vooral het bezit van Nederlandse aandelen, en daalde de relatieve waarde van het in eigen bedrijf of beroep gestoken vermogen. Beide veranderingen samen weerspiegelen zowel de lange-termijntrend van omzetting van bedrijven in nv's (en later bv's) als de korte-termijntrend van stijging van de aandelenkoersen in de jaren vijftig.
De totale waarde van onroerend goed (afgezien van ondernemersvermogen) blijkt in deze jaren volgens de waardering van de vermogensbelasting voor meer dan de helft in beslag genomen te worden door andere goederen dan de eigen woning. Wel neemt de gezamenlijke waarde van eigen woningen in het totaal duidelijk toe.
De samenstelling van de vermogens varieert met de omvang ervan. In Tabel 20 en 21 (p. 212 en p. 214) wordt dit verband voor twee ver uit elkaar liggende jaren, 1916 en 1963, gespecificeerd.
Beide tabellen laten overeenkomstige verbanden tussen
| vermogensklasse × f 1 000 | totaal | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| ≥ 1 000 | 500-1 000 | 300-500 | 200-300 | 100-200 | 50-100 | < 50 | ||
| % | ||||||||
| bedrijf/ beroep |
3,9 | 7,6 | 13,6 | 21,7 | 31,2 | 35,3 | 29,8 | 21,3 |
| on- roerend goed |
9,6 | 15,8 | 19,2 | 20,5 | 22,3 | 22,2 | 24,3 | 18,8 |
| w.o. eigen woning | 2,1 | 4,2 | 5,8 | 6,6 | 8,5 | 11,3 | 15,5 | 7,5 |
| effec- ten |
70,8 | 58,0 | 46,8 | 35,5 | 23,1 | 15,6 | 14,6 | 37,5 |
| w.o. buiten- landse |
9,3 | 7,0 | 5,7 | 4,3 | 2,3 | 1,7 | 1,3 | 4,5 |
| binnen- landse |
||||||||
| staats- obli- gaties |
1,8 | 2,8 | 3,0 | 3,1 | 2,9 | 3,0 | 3,7 | 2,8 |
| overige binnenl. | ||||||||
| obliga- ties |
2,7 | 3,3 | 3,5 | 3,3 | 2,9 | 2,5 | 2,5 | 2,9 |
| binnen- landse |
||||||||
| aandelen | 57,0 | 44,9 | 34,6 | 24,8 | 15,0 | 8,4 | 7,1 | 27,3 |
| vorde- ringen |
8,3 | 10,7 | 12,8 | 13,8 | 16,0 | 19,7 | 23,5 | 14,8 |
| overige | 7,3 | 7,9 | 7,6 | 8,2 | 7,4 | 7,0 | 7,9 | 7,5 |
| totaal | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 |
| schulden | -6,6 | -7,4 | -8,4 | -10,7 | -9,5 | -9,7 | -13,1 | -9,0 |
vermogensomvang en samenstelling van het vermogen zien. Naarmate het vermogen groter is, is gemiddeld het gedeelte dat door onroerend goed in beslag wordt genomen kleiner, het percentage effecten groter, het percentage vorderingen weer kleiner. Hieruit is af te leiden dat de verdeling van effectenbezit nog veel ongelijker is dan die van persoonlijke vermogens in hun geheel, de verdeling van onroerend goed en van vorderingen daarentegen minder ongelijk. Dit geldt zowel voor 1916 als voor 1963, en kan ook voor tussenliggende jaren worden opgemerkt. Ook voor latere jaren gaan deze verbanden op, zoals nog zal blijken.
Tabel 21 laat nog meer zien. De afname van het percentage onroerend goed bij stijging van het vermogen is vooral toe te schrijven aan de daling van het relatieve belang van het eigenwoningbezit in het totale vermogen; het percentage onroerend-goedbezit afgezien van de eigen woning - en afgezien van het in eigen bedrijf of beroep gestoken vermogen en van aandelen - stijgt zelfs eerst naarmate het vermogen groter is (vermogens tot twee ton), blijft daarna ongeveer constant, om pas bij de zeer grote vermogens (van een half miljoen en meer) te dalen. Verder blijkt het percentage in eigen bedrijf of beroep gestoken vermogen gemiddeld sterk af te nemen naarmate het vermogen groter is. Dit geldt ook voor andere jaren dan 1963.
Generaliserend: van de middelgrote vermogens is relatief veel in eigen bedrijf en beroep belegd, in de eigen woning en in vorderingen, terwijl de grote vermogens voor een veel groter deel uit effecten, vooral aandelen bestaan.40. Middelgrote vermogens kenmerken zich door zowel uiterst ‘actief’ bezit (ondernemersbezit en eigen woning) als uiterst ‘passief’ bezit (spaartegoeden en dergelijke); kenmerkend voor de grote vermogens is bezit dat in veel gevallen geen rechtstreeks beheer van fysieke goederen inhoudt, maar wel duidt op een actieve beleggersoriëntatie: aandelenbezit.
Door alleen de percentages van de vermogens te bezien zouden we een op zichzelf voor de hand liggend feit kunnen vergeten, namelijk dat bezitters van grote vermogens gemiddeld méér van bepaalde typen goederen bezitten dan bezitters van
kleinere vermogens, ook als die goederen een geringere proportie van hun hele vermogen uitmaken. Van alle onderscheiden vermogensbestanddelen is de gemiddelde geldswaarde hoger naarmate het hele vermogen groter is, ook die van de eigen woning en de vorderingen. En, wat misschien minder voor de hand ligt, de gemiddelde schulden zijn eveneens het grootst in de hoogste vermogenscategorieën. (Zo hadden de miljonairs in 1963 een gemiddelde schuld van ruim anderhalve ton.) Dat laatste kan worden toegeschreven aan de hoge kredietwaardigheid van grote bezitters, maar duidt ook - alweer - op een actieve-beleggersmentaliteit.41.
De gemiddelden waarvan hier sprake is verhullen enigszins de verschillen tussen bezitters binnen één vermogenscategorie. Een vermogen van een bepaalde omvang kan uiteraard uit sterk variërende combinaties van bezittingen zijn opgebouwd. Zo was in 1963 het geregistreerde bedrijfs- en beroepsvermogen van miljonairs, dat gemiddeld 93 000 gulden per miljonair bedroeg, geheel in handen van minder dan een kwart (22%) van deze vermogenden, waarmee degenen die onder deze subcategorie vielen een gemiddeld bedrijfs- en beroepsvermogen van meer dan vier ton hadden. En zo werd in datzelfde jaar het totale eigen-woningbezit van bezitters met een vermogen tussen 50 000 en 100 000 gulden gedragen door ruim een-derde deel (36%) van deze vermogensklasse. In de regionen van de middelgrote vermogens - de lagere klassen van de statistiek - is het percentage bezitters van bedrijfs- en beroepsvermogen (waaronder, zoals gezegd, in naamloze en besloten vennootschappen belichaamd vermogen niet is begrepen) het grootst; van degenen met een vermogen tussen 50 000 en 200 000 gulden beschikte in 1963 iets meer dan de helft over dit ondernemersvermogen, dat naar schatting omstreeks 65 à 70% van de totale geregistreerde waarde van hun bezittingen bestreek. De relatieve frequentie van het bezit van alle andere onderscheiden vermogensbestanddelen neemt daarentegen toe naarmate het vermogen groter is. Zo had in 1963 minder dan een-derde deel (30%) van de personen in de vermogenscategorie 50 000-100 000 gulden aandelen, terwijl bijna alle miljonairs (97%) aandelenbezitters waren. Iets dergelijks geldt
ook, zij het minder uitgesproken, voor obligaties, vorderingen en onroerende goederen. Bezitters van middelgrote vermogens hebben hun vermogen relatief eenzijdig in een of enkele vermogensobjecten geconcentreerd; velen van hen zijn zelfstandige ondernemers die het grootste deel van hun vermogen in hun onderneming hebben gestoken, anderen hebben een belangrijk gedeelte in hun eigen woning vastgelegd. Grote bezitters hebben hun vermogen veel meer over uiteenlopende objecten gespreid. Ook als zij zelfstandig ondernemer of directeur-eigenaar van een naamloze of besloten vennootschap zijn, beschikken zij in ruime mate over ‘discretionair’, niet aan beroepsbezigheden gebonden vermogen, dat flexibel aanwendbaar is, naar persoonlijke voorkeur voor uiteenlopende doeleinden kan worden gebruikt. De speelruimte, de keuzevrijheid die privé-eigendom kan geven, geldt bij uitstek de bezitters van grote vermogens.
Niet alleen de globale vermogensverdeling, ook de verdeling van afzonderlijke soorten bezittingen is sociologisch interessant. Verschillende soorten bezittingen typeren tot op zekere hoogte verschillende soorten bezitters en bezitsverhoudingen. Achtereenvolgens komen hier aan de orde: grond, in het bijzonder landbouwgrond; woonhuizen; bedrijfs- en beroepsvermogen van zelfstandigen; effecten, in het bijzonder aandelen; spaartegoeden; consumptiegoederen; en, tenslotte, schulden.
Deze opsomming berust niet op een logische en uitputtende classificatie. De genoemde bezittingen overlappen elkaar sterk. Grond bijvoorbeeld maakt deel uit van woningbezit en van bedrijfsvermogen en kan ook in de waarde van aandelen weerspiegeld zijn. De genoemde soorten bezittingen zijn gekozen omdat ze aansluiten bij gangbare onderscheidingen en de bespreking ervan iets van de verscheidenheid van specifieke bezitsverhoudingen kan laten zien.
In agrarische samenlevingen is grond het voornaamste produktiemiddel en bezitsobject, en als zodanig
nauw verbonden met de maatschappelijke hiërarchie van rijkdom, aanzien en politieke macht. Tot op zekere hoogte gold dit ook nog voor de Nederlandse Republiek van de zeventiende en achttiende eeuw, al waren hier andere bezittingen met de opkomst van handel en nijverheid belangrijk geworden (vgl. hoofdstuk iii). Met de commercialisering was grond een gemakkelijk verhandelbaar goed geworden, maar aan het bezit ervan waren soms nog semi-feodale heerlijke rechten verbonden. Rijk geworden kooplieden die een landgoed kochten, verwierven daarmee tevens een titel en gezagsprivileges tegenover de bewoners van het landgoed.
Verbindingen van grondbezit met gezag en stand verdwenen in de negentiende eeuw niet; wel werden de laatste rechten van ‘overherigheid’ met de invoering van de grondwet van 1848 formeel afgeschaft. Tenminste viertypen eigenaren van landbouwgrond zouden we voor deze eeuw kunnen onderscheiden (met gradaties daartussen): landheren, vaak van adel, sterk vertegenwoordigd in Gelderland, Overijssel en Limburg, die een patriarchale gezagsrelatie met hun pachters probeerden te handhaven; stedelijke, ‘afwezige’ landeigenaren, in meerderheid woonachtig in Noord- en Zuid-Holland, Utrecht en Gelderland, die een deel van hun vermogen in grond hadden belegd - bij voorkeur vruchtbare kleigrond in bijvoorbeeld Friesland of Zeeland - en voornamelijk geïnteresseerd waren in de pachtopbrengsten daarvan; grote hereboeren, vooral aan te treffen in Groningen, Friesland en Zeeland, met veel landarbeiders in vaste en losse dienst; en kleinere ‘eigenerfde’ boeren, onder meer te vinden op de zandgronden van de Achterhoek en Noord-Brabant.42.
Kenmerkend voor de twintigste-eeuwse ontwikkeling van de agrarische eigendomsverhoudingen is een vermindering van contrasten - tussen grootgrondbezitters en pachters, tussen boeren-grondeigenaren en boeren-pachters, tussen boeren en landarbeiders. Ook voor deze eeuw zouden we de vier genoemde typen landeigenaren kunnen onderscheiden: aristocratische landheren, afwezige beleggers, grote hereboeren en kleine eigenerfde boeren. Maar de dominantie van de eerste
twee nam af en de verschillen tussen de laatste twee werden minder scherp. De betekenis van grondeigendom als basis van welstand, aanzien en macht verminderde verder, deels door ongeplande economische en sociaal-geografische ontwikkelingen - industrialisering en verstedelijking -, deels ook, en daarmee samenhangend, door politieke maatregelen.
Tot deze maatregelen behoorden met name achtereenvolgende wetten en verordeningen betreffende de pacht (1932, 1937, 1941, 1958, 1963, 1967), gericht op bescherming van de boerenstand, die het grondeigenaren moeilijker maakten pachters van hun grond te verwijderen en die de stijging van pachtprijzen aan strenge grenzen bonden.43. Het eerste ontnam grondeigenaren hun voornaamste machtsmiddel tegenover pachters,44. het tweede maakte landbouwgrond onaantrekkelijker als object van vaste belegging. De stijging van de pachtprijzen bleef sinds de jaren dertig ver achter bij het algemene prijsniveau en nog meer bij de grondprijzen, die door een toenemende vraag van de kant van overheden, bedrijven, boeren, stedelijke recreanten, grondspeculanten werden opgedreven.45.
Door de pachtbescherming verminderde de afhankelijkheid van boeren-pachters van grondeigenaren. De nadelen van pacht ten opzichte van grondeigendom werden betrekkelijk gering.46. Tegelijk bracht de relatieve daling van de pachtopbrengsten met zich mee dat steeds meer landbouwgrond door beleggers werd afgestoten en in handen van boeren zelf kwam (voorzover de grond tenminste zijn agrarische bestemming behield); tussen 1948 en 1979 daalde de hoeveelheid verpachte grond als percentage van de totale oppervlakte aan cultuurgrond van 57% tot 41%, en parallel daarmee steeg in deze periode het percentage boeren dat de gebruikte grond geheel of grotendeels zelf in eigendom had van 46% tot 69%.47. Een aanzienlijk deel van de verpachte grond was, en is, in eigendom van naaste familieleden van de boeren, een ander belangrijk deel in eigendom van overheden en particuliere organisaties, zodat omstreeks 1970 nog hooguit een-vijfde van de totale oppervlakte aan cultuurgrond in handen was van privé-eigenaren die zelf geen boer of ex-boer waren.48.
Ook in een ander opzicht werden de agrarische verhoudingen minder ongelijk: met de mechanisatie van de landbouw en de toenemende vraag naar industrie-arbeiders namen boeren steeds minder landarbeiders in dienst en verdween langzamerhand het op grote delen van het platteland eeuwenlang centrale klasse-onderscheid tussen beide groepen. Boerenbedrijven werden steeds meer eenmansbedrijven, in toenemende mate gesteund, geadviseerd en beregeld door organisaties waarvan de machtscentra ver buiten de eigen lokale gemeenschap lagen - banken, coöperaties, afnemers, voorlichtingsdiensten, het Landbouwschap, het Ministerie van Landbouw en Visserij, de Europese Gemeenschap.49. In deze ontwikkeling verminderden de verschillen tussen grote en kleine boeren, al bleven die aanzienlijk.
Terwijl het overwicht van bezittende boeren over niet-bezittende arbeiders op bedrijfs- en dorpsniveau afnam of zelfs verdween, groeide in de meeste gevallen de financiële waarde van hun kapitaalbezit - door de druk tot mechaniseren en dus investeren alsmede stijging van grondprijzen en de verschuiving van pacht naar eigendom. Boeren gingen in meerderheid tot de grotere kapitaalbezitters behoren; volgens een steekproefonderzoek bedroeg in 1975 het gemiddelde eigen vermogen van boerenbedrijven boven een bepaalde minimumomvang (72% van alle boerenbedrijven) meer dan drie ton.50. Is de gemiddelde boer (maar nogmaals, de spreiding is groot) qua vermogen tot een tamelijk geprivilegieerde bovenlaag te rekenen, zijn inkomen en vooral zijn arbeidspositie bestempelen hem eerder tot lid van een middenlaag.51.
Een discrepantie tussen vermogen en inkomen kenmerkt op een wat andere manier ook de positie van aristocratische landeigenaren, die met moeite de levenswijze van hun voorouders trachten voort te zetten.52. Terwijl zij mede dank zij de gestegen grondprijzen over aanzienlijke vermogens beschikken, is hun inkomenspositie aangetast door de daling van pachtopbrengsten en de sterk gestegen kosten van grondbeheer. Evenals boeren zijn deze grondeigenaren meer aangewezen geraakt
op overheidssteun, op subsidies en belastingfaciliteiten. Zo hoeven sinds de invoering van de Natuurschoonwet in 1928 eigenaren van landgoederen die onder die wet zijn geplaatst minder vermogens- en successiebelasting te betalen (met als consequentie dat de waarde van hun bezit slechts voor een deel in de vermogensstatistieken is verwerkt). En sinds 1966 kunnen eigenaren van bossen aanspraak maken op rijkssubsidies.53. Zo helpt de overheid een categorie eigenaren. Maar juist het feit dat deze eigenaren op overheidshulp aangewezen zijn geraakt - door toedoen van diezelfde overheid - getuigt van hun verminderde maatschappelijke sterkte.54.
Grondbezit is in deze eeuw dus minder gaan betekenen als bron van regelmatige opbrengsten en als basis van macht en aanzien op lokaal niveau. Lucratiever werd grond daarentegen (met name in steden, maar ook daarbuiten) als bron van vermogenswinst. Grond werd in sterkere mate handels- en speculatie-object, een bron van verrijking voor de eigenaar juist indien deze kans zag en bereid was er op een geschikt moment afstand van te doen.
In onze samenleving, en niet alleen de onze, is de woning wel het duidelijkste en belangrijkste materiële statussymbool. ‘Wonen op stand’ is een van de weinige uitdrukkingen in het huidige Nederlandse spraakgebruik waarin het woord ‘stand’ nog direct verwijst naar een maatschappelijke hiërarchie.
Wonen is ook bij uitstek een terrein waarop veranderingen in deze hiërarchie tot uitdrukking komen. De verschillen tussen sociale strata op dit gebied werden vanaf de vorige eeuw veel minder scherp, zonder onzichtbaar of onbetekenend te worden. Dit hield vooral in dat de woonruimte en het wooncomfort van de meerderheid van de bevolking verbeterden.
Die verbetering ging vooreerst niet samen met een massale verbreiding van het eigen-woningbezit. Verhoudingsgewijs nam deze bezitsvorm aan het einde van de vorige en het begin van deze eeuw zelfs af; de woningen voor de wassende stroom stedelingen, en zeker voor de stedelijke arbeiders, waren voor
het overgrote deel huurwoningen, gebouwd door ondernemers, verenigingen, later ook gemeenten.55.
In deze eeuw, althans na 1920, breidde het eigen-woningbezit zich uit. Tegelijk werd de ontwikkeling sindsdien gekenmerkt door een toenemende betekenis van overheden en woningbouwverenigingen als eigenaren en beheerders (met de Woningwet van 1901 was ‘volkshuisvesting’ een erkend terrein van overheidszorg geworden) en een afname van het privé-bezit van huurwoningen. De verschuivingen zijn weergegeven in Tabel 22 (p. 223).
Hierin komen ontwikkelingen naar voren die in het vorige hoofdstuk uitvoerig zijn besproken: de groei van het bezit van woningbouwverenigingen en gemeenten - gefinancierd en gereguleerd door de centrale overheid - maakt deel uit van het proces van vermogenscollectivering, evenals de verschuiving binnen de particuliere verhuursector van individuele eigenaren naar beleggingsinstellingen zoals pensioenfondsen; en de toename van het eigen-woningbezit samen met de afname van het privé-bezit van huurhuizen is te beschouwen als een aspect van de vermindering van de ongelijkheid van privé-vermogens.
De toename van het aantal eigen-huisbezitters (die nog groter is dan uit de tabel blijkt: het totale aantal woningen groeide sterker dan het aantal bewoners57.) kan in de eerste plaats in verband worden gebracht met de stijging van de welvaart, samen met de uitbreiding van bankfaciliteiten voor het opnemen van hypotheken. Gegeven de voordelen van een eigen huis boven een huurwoning - geen afhankelijkheid van een eigenaar, de vrijheid om naar eigen voorkeur te verbouwen en te vertimmeren - was het begrijpelijk dat de vraag ernaar toenam toen de financiële mogelijkheden groter werden.58. Tevens nam het aanbod van koopwoningen verhoudingsgewijs toe naarmate woningverhuur commercieel onaantrekkelijker werd.
Met name sinds de Eerste Wereldoorlog en nog veel duidelijker sinds de Tweede oefende de overheid met haar huur-, subsidieen belastingpolitiek grote invloed uit op de verdeling van woningen tussen verschillende typen eigenaren. Huurstijgingen
| type eigenaar | 1920 | 1947 | 1956 | 1967 | 1971 | 1975 | 1980 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| % | |||||||
| eigen- woning- bezitters |
17 | 28 | 29 | 32 | 35 | 39 | 43 |
| privé- verhuur- ders |
}80 | 54 | 41 | 24 | 20 | 13 | }17 |
| beleggings- instel- lingen |
}80 | 6 | 6 | 9 | 8 | 7 | }17 |
| woning- bouw- vereni- gingen |
}3 | 9 | 12 | 22 | 24 | 29 | }40 |
| gemeen- ten |
}3 | 3 | 11 | 13 | 13 | 12 | }40 |
| totaal | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 |
werden vooral sinds 1940 beperkt, waardoor woningverhuur minder rendabel werd; de bouw van ongesubsidieerde huurwoningen schrompelde na verloop van tijd tot vrijwel niets in, bestaande huurwoningen werden door beleggers verkocht zodra ze leeg kwamen te staan.59. Daartegenover steeg het aanbod van gesubsidieerde, door woningbouwverenigingen en gemeenten beheerde woningen, vooral na 1945.
Ondanks deze toename van de gesubsidieerde woningbouw bleef een tekort aan huurwoningen voorlopig bestaan, juist ook mede doordat de huren betrekkelijk laag werden gehouden. Waar de inkomens onder grote groepen stegen, huurwoningen schaars bleven en de betere woningen bovendien koopwoningen waren, zochten steeds meer mensen naar dit laatste alternatief.60.
Met de toenemende vraag naar koopwoningen en de prijsstijgingen die daarvan het gevolg waren, werd - vooral bij inflatie - een ander motief voor het kopen van een eigen huis belangrijker: het eigen huis als middel tot vorming van tenminste waardevast vermogen. De spiraal van stijgende vraag en stijgende prijzen deed zich vooral in de jaren 1974-'78 voor en is daarna weer gevolgd door een onvermijdelijke terugslag.61. (De huizenmarkt leek rond het midden van de jaren zeventig op een overspannen effectenbeurs, waarop kopers en verkopers in de verwachting van meer winst de prijzen opdrijven. Speculatie was een factor in de prijsstijging - en bezorgde sommigen grote vermogenswinsten -, maar deze stijging had ook het karakter van een inhaalbeweging: aanpassing aan de sterk gestegen bouwkosten en grondprijzen voor nieuwe woningen, waar de prijzen van oude woningen in werden meegetrokken. Wat achtereenvolgende regeringen op het gebied van de huren niet lukte - ‘harmonisatie’ van prijzen voor oude en nieuwe woningen-, kwam via het marktmechanisme in de koopprijzen wel tot stand.)
Bevordering van het eigen-woningbezit is sinds de jaren vijftig een nauwelijks omstreden beleidsdoel van regeringen. Het meest direct is dit nagestreefd door subsidiëring van ‘premiekoopwoningen’, die een steeds groter deel van het jaarlijkse bestand aan nieuwe woningen zijn gaan uitmaken.62. Indirect
bevordert de overheid het eigen-woningbezit door een voor bewoners-eigenaars gunstige combinatie van fiscale regelingen: een laag huurwaardeforfait, het ontbreken van een vermogenswinstbelasting, volledige aftrekbaarheid van de rente op hypotheekschulden en een lage waardering voor de vermogensbelasting. Mede hierdoor is een eigen huis in veel gevallen financieel aantrekkelijker dan een evenwaardig huurhuis.63.
De overheid heeft, kortom, het eigen-woningbezit op diverse, deels bedoelde en deels onbedoelde, deels positieve en deels negatieve wijzen beïnvloed: enerzijds bevorderd door subsidies, belastingmaatregelen en het in stand houden van een discrepantie tussen vraag naar en aanbod van huurwoningen, anderzijds afgeremd door het beschermen van huurders64. en het bestemmen van een groot deel van de woningproduktiecapaciteit voor de bouw van goedkopere huurwoningen. Nog steeds is de omvang van het eigen-woningbezit in Nederland laag ten opzichte van vergelijkbare landen, al zijn de verschillen kleiner geworden.65. Uiteenlopende, deels tegenstrijdige overwegingen, verbonden met verschillende ideologieën en groepsbelangen, speelden in deze overheidspolitiek een rol: het streven naar vorming en spreiding van privé-bezit onder brede lagen, de wens om ook op dit gebied de vrije werking van de markt en de ondernemingsgewijze produktie zoveel mogelijk te handhaven, het streven naar grotere sociale gelijkheid door middel van omvattende overheidszorg.
De verdeling van het eigen-woningbezit is nauw verbonden met de maatschappelijke stratificatie. Hogere-inkomensgroepen, ‘hogere’ beroepsgroepen (bedrijfsdirecteuren, hogere employés, beoefenaren van vrije beroepen, zelfstandigen) zijn onder deze bezitters sterk oververtegenwoordigd, evenals ouderen, bewoners van het platteland en van kleinere plaatsen en mensen buiten de Randstad.66. Naar inkomen varieerde het eigen-woningbezit in 1973 volgens belastinggegevens van meer dan 80% van de inkomenstrekkers in de hoogste inkomensklassen (jaarinkomen van tenminste 150 duizend gulden) tot minder dan 15% in de laagste (jaarinkomen van minder dan 14 duizend gulden).67. Tussen 1947 en 1977 veranderde
volgens steekproefonderzoek de frequentie van eigen-woningbezit in vier onderscheiden welstandscategorieën als aangegeven in Tabel 23 (p. 227).
Het eigen-woningbezit is in alle inkomenslagen toegenomen. Het sterkst was de relatieve toename onder middengroepen - van de in de tabel genoemde welstandscategorieën in de op een na hoogste. Van verschillende beroepsgroepen was de uitbreiding tussen 1956 en 1971 het grootst onder employés.69. Terwijl dezen door hun stijgende inkomens steeds beter in staat waren een huis te kopen, vormde de toenemende beschikbaarheid van koopwoningen op zichzelf waarschijnlijk een factor in de groei van middenklasse-vermogens: mensen die een huis kochten, werden tot hoge besparingen en daarmee tot vermogensvorming aangezet. En door subsidiëring droeg de overheid rechtstreeks tot deze vermogensvorming bij.
Nog veel sterker dan de naoorlogse toename van het eigenwoningbezit was, zoals Tabel 22 laat zien, de terugloop van het persoonlijk bezit van verhuurde woningen. Steeds meer bleef dit bezit beperkt tot een bepaald type woningen: etagewoningen met betrekkelijk lage huren, gelegen in grote steden, oud, vaak slecht onderhouden, vaak toe aan renovatie of zelfs afbraak.70. Hoewel volgens enkele wijkstudies veel eigenaren van deze panden kleine bezitters zijn, en hoewel het bezit van onroerend goed een relatief klein deel uitmaakt van de grootste vermogens, is er waarschijnlijk toch een vrij sterke samenhang tussen persoonlijk vermogen en inkomen aan de ene kant en kans op en omvang van het bezit aan huurhuizen aan de andere kant. Van de geregistreerde miljonairs bezat in 1963 65% onroerend goed buiten de eigen woning, met een gemiddelde waarde van 269 duizend gulden per eigenaar, terwijl van de bezitters van een privé-vermogen tussen vijftig- en honderdduizend gulden slechts 27% onroerend goed buiten de eigen woning bezat, met een gemiddelde waarde van 3 duizend gulden per eigenaar. Iets dergelijks kan ook uit de meer recente inkomensstatistieken worden afgeleid: het percentage mensen dat inkomen aan onroerend goed (afgezien van de
| 1947 | 1977 | |
|---|---|---|
| % | ||
| A (10% bevolking) | 46 | 71 |
| B (3 3% bevolking) | 28 | 45 |
| C (45% bevolking) | 20 | 30 |
| D (12% bevolking) | 12 | 21 |
| totaal | 24 | 38 |
eigen woning) ontleent neemt sterk toe naarmate het inkomen hoger is, evenals het gemiddelde uit onroerend goed betrokken inkomen.71. De statistiek maakt geen onderscheid tussen soorten onroerend goed en daaraan ontleende inkomens (huur en pacht), maar aannemelijk is dat het verband zowel voor huizenbezit als voor grondbezit opgaat. De terugdringing van het privé-bezit van huurwoningen is in het licht van deze gegevens te beschouwen als een aspect van het verminderende overwicht van bezitters van grote privé-vermogens.
Vermogen dat zelfstandige ondernemers in hun eigen bedrijf hebben belegd, onderscheidt zich in tenminste drie opzichten van andersoortig vermogen: het bestaat uit goederen waarmee de eigenaren zelf doorgaans werken, al dan niet met hulp van door hen betaalde en van hen afhankelijke werknemers; het is voor hen meestal de voornaamste bron van inkomen; en het is vanwege de gebondenheid aan hun beroepspositie in de praktijk niet gemakkelijk overdraagbaar. Vorming, instandhouding, vaak ook accumulatie van vermogen is voor zelfstandige ondernemers bijna een dwingende noodzaak.
Het beslag dat zelfstandige ondernemers als eigenaren op het totale fysieke produktiekapitaal in Nederland leggen, is in de loop van deze eeuw verminderd: vanwege de concentratie van kapitaal in grotere ondernemingen, die meestal naamloze vennootschappen waren of werden, door de corresponderende relatieve afname van het aantal zelfstandigen, door de toename van investeringen van buitenlandse ondernemingen in Nederland en door de groei van de bedrijfsschulden. Aandelenkapitaal en leenkapitaal werden belangrijker ten opzichte van het eigen kapitaal van zelfstandigen. Tegentendenties waren echter niet geheel afwezig, zoals bij boeren - zie hiervoor - het groeiende bedrijfsvermogen en de verschuiving naar eigen grondbezit. De toename van welvaart en vrije tijd gaf sommige zelfstandigen nieuwe kansen, doordat de vraag naar bepaalde goederen en diensten, variërend van fototoestellen en platenspelers tot eten buitenshuis en belastingadviezen, steeg.
Dit laatste verhinderde toch niet dat het aantal zelfstandigen in verhouding tot de beroepsbevolking in deze eeuw sterk afnam (van 26% in 1899 tot 12% in 1971).72. De mechanisering van de produktie, de toenemende concurrentievoordelen van grootschaligheid, de verbeterende inkomenspositie van werknemers, - deze met elkaar samenhangende veranderingen ondermijnden de concurrentiepositie van veel zelfstandigen.
Het streven van organisaties van zelfstandige ondernemers (middenstanders, boeren, vrije beroepen) in reactie op deze ondermijnende invloeden is steeds tweeledig en daarmee onvermijdelijk ambivalent geweest: enerzijds wilden ze de voordelen van het vrije ondernemerschap - beslissingsvrijheid en autonomie in de beroepsuitoefening, kansen op grote winsten - zoveel mogelijk handhaven en zo nodig versterken, anderzijds beoogden ze de onzekerheden en risico's die aan dat vrije ondernemerschap verbonden waren, zoveel mogelijk te minimaliseren. Onder druk van organisaties van zelfstandigen voerde de overheid vanaf de jaren dertig regelingen in die de onderlinge concurrentie beperkten en de risico's verkleinden: restricties op de toegang van nieuwkomers door het stellen van diploma-eisen (voor middenstanders geformuleerd in de Vestigingswet Kleinbedrijf van 1937, in 1954 vervangen door de Vestigingswet Bedrijven), geplande spreiding van vestigingen, regulering van prijzen, fiscale tegemoetkomingen. Zelfstandigen werden daarmee afhankelijker van de overheid en van eigen organisaties.73.
Zelfstandige ondernemers vormen van oudsher een heterogene categorie. Hoewel in meerderheid als ‘middenstanders’ beschouwd, worden sommigen tot de hogere strata gerekend (bijvoorbeeld vennoten van handelsfirma's, beoefenaren van vrije beroepen), anderen tot de lagere (zoals marktkooplui en venters). Wel heeft in de loop van de tijd, zou men kunnen zeggen, de identificatie van ‘zelfstandigen’ met ‘middenstand’ wat meer geldigheid gekregen, hoewel deze laatste benaming de laatste decennia juist steeds meer in onbruik is geraakt: zelfstandigen (in de zin van ondernemers voor wie formeel geen scheiding van persoonlijk vermogen en bedrijfsvermogen
geldt) verdwenen aan de ‘bovenkant’ doordat bedrijven in naamloze vennootschappen opgingen of erin werden omgezet, aan de ‘onderkant’ doordat marginale, op de rand van het bestaansminimum levende beroepsgroepen als venters en voddeboeren grotendeels van het maatschappelijk toneel verdwenen.
Niettemin zijn de verschillen binnen de categorie zelfstandigen - in inkomen, materiële zekerheid, opleiding, beroepsprestige - nog altijd groot. Met name beoefenaren van vrije beroepen vormen van oudsher een bijzonder geprivilegieerde groep zelfstandigen - zozeer dat ze meestal geen zelfstandigen worden genoemd -, en hun positie is na de Tweede Wereldoorlog nog versterkt. Zelfs als men hen buiten beschouwing laat, is de inkomensongelijkheid onder zelfstandigen groter dan die onder werknemers, terwijl hun gemiddelde inkomen hoger ligt.74.
Tegelijk is de vermogensongelijkheid onder zelfstandige ondernemers kleiner dan die onder de Nederlandse bevolking in haar geheel. Zelfstandige ondernemers zijn in meerderheid middelgrote bezitters, niet behorend tot de toplaag van, zeg, het rijkste percentiel, maar evenmin tot de meerderheid van bijvoorbeeld de minst vermogende 75%. Hun vermogen ligt gemiddeld ver boven het nationaal gemiddelde, maar reikt zelden tot de hoogste toppen. Anders gezegd, het aandeel van zowel zeer grote als van zeer kleine bezitters in het bedrijfs- en beroepsvermogen (nog steeds exclusief naamloze vennootschappen) is relatief gering. Zo hadden in 1960 de miljonairs naar schatting nauwelijks meer dan 1% van het bedrijfs- en beroepsvermogen in bezit, tegen ongeveer 10% van het totale privé-vermogen. Dit is deels toe te schrijven aan het geringe aantal zelfstandigen onder de miljonairs, deels ook aan de relatief grote betekenis van het niet in de eigen onderneming gestoken vermogen onder de wel zelfstandige miljonairs. Omgekeerd bedroeg in datzelfde jaar het gemiddelde bedrijfsvermogen van zelfstandige ondernemers-waaronder hun overige vermogen nog niet begrepen - naar schatting ongeveer tweeenhalf maal zoveel als het gemiddelde privé-vermogen van alle volwassen Nederlanders.75.
Ondernemersvermogen is niet zó sterk aan het beroep gebonden dat het niet nog andere functies voor de eigenaar heeft dan het mogelijk maken van de beroepsuitoefening en het daaruit voortvloeiende inkomen; net als andersoortig vermogen heeft het de functie van reserve voor later, van potentiële bron van toekomstig beleggersinkomen en van koopkracht. Daarmee draagt ondernemersvermogen bij tot de materiële zekerheid van de eigenaar, verruimt het zijn toekomstmogelijkheden en kan het ook zijn nabestaanden ten goede komen.76. De mate waarin ondernemersvermogen deze ‘extra’ functies heeft, hangt uiteraard af van de omvang ervan volgens de marktwaarde, die afhankelijk is van de hoogte en de zekerheid van het inkomen dat er aan kan worden ontleend. Ook hierin verschillen artsen en apothekers sterk van wijkkruideniers en sigarenmannen.
Lang niet alle ondernemers zijn, formeel gesproken, ‘zelfstandigen’. Het onderscheid tussen zelfstandigen en bedrijfsdirecteuren is steeds meer van louter formele aard geworden. Met name sinds de invoering van de rechtsvorm van de Besloten Vennootschap in 1971 zijn steeds meer eigenaren van kleinere bedrijven ertoe overgegaan zichzelf de status van aandeelhouder annex salaristrekkende directeur te geven.
Aandelen zijn van oudsher - in Nederland al in de zeventiende eeuw - de vorm waarin sommige grote ondernemingen hun vermogen hebben vastgelegd. En van oudsher zijn de houders van deze aandelen merendeels afkomstig uit de lagen der gegoeden. Ook nu is dat nog het geval. De overgrote meerderheid van de Nederlanders bezit helemaal geen aandelen of andere effecten; in 1960 volgens een enquête slechts 12% van de huishoudens van werknemers en niet-werkenden, in 1973 en 1979 volgens andere steekproefonderzoeken 15% van alle Nederlandse huishoudens.77. En binnen de effectenbezittende minderheid is dit bezit sterk bij een kleine top geconcentreerd.
De Tabellen 20 en 21 (par. 3.1) gaven al een indruk van deze concentratie. Om nog wat cijfers te geven: in 1963 beschikten volgens de vermogensstatistiek 4 623 miljonairs over een
gezamenlijk effectenvermogen van 7,86 miljard gulden, dat is 1,7 miljoen per persoon. Terwijl deze miljonairs 1,3% van de geregistreerde vermogensbezitters vormden, hadden ze 35% van het totale effectenbezit van deze categorie in handen, tegen 19% van het totale geregistreerde privé-vermogen. En terwijl ze minder dan 0,1% van de volwassen bevolking uitmaakten, was hun aandeel in het totale effectenbezit in privé-handen naar schatting tenminste 30%. Het rijkste percentiel van de volwassen bevolking bezat in dat jaar hoogstwaarschijnlijk meer dan 70% van het totale persoonlijke effectenbezit.78.
Deze onevenredig grote ongelijkheid in de verdeling van het bezit van effecten en vooral aandelen hangt in de eerste plaats samen met het feit dat eigenaren van grotere ondernemingen deze in het algemeen (en in toenemende mate) de rechtsvorm van de naamloze of besloten vennootschap laten aannemen, en in de tweede plaats met de neiging van grote bezitters om actief te beleggen, doelbewust te zoeken naar hogere rendementen dan bijvoorbeeld via een spaarrekening mogelijk is. Het eerste houdt direct verband met de afname van het percentage bedrijfs- en beroepsvermogen bij het stijgen in de vermogenshiërarchie, het tweede met de afname van het percentage vorderingen. Opklimming in deze hiërarchie gaat, met andere woorden, gepaard met een verschuiving van zowel bedrijfs- en beroepsvermogen als rentegevende vorderingen (spaarrekeningen en dergelijke) naar aandelenbezit.
Kiezen voor de juridische vorm van een nv of bv kan, zoals aangegeven in het vorige hoofdstuk, uit verschillende motieven voortkomen: uitbreiding van de onderneming, vermindering van persoonlijk risico van vermogensverlies, belastingverlichting. Met de verhoogde druk van de inkomstenbelasting werd dat laatste motief belangrijker, en met de introductie van de bv-vorm werden ook kleinere ondernemers in staat gesteld het te doen gelden. Sindsdien heeft de bv als middel tot belastingvermijding en schuldvermijding grote opgang gemaakt. Dat dit middel soms wat al te ruim wordt toegepast, is langzamerhand tot een groter publiek doorgedrongen.79.
Zoals gezegd, heeft de concentratie van aandelen in handen van grote bezitters ook te maken met het feit dat zij - of de door hen aangestelde beheerders - vaak een doelbewuste beleggingspolitiek voeren waarin het kopen en verkopen van aandelen een belangrijke plaats inneemt. Buitenlandse aandelen zijn nog meer dan binnenlandse bij grote-vermogensbezitters geconcentreerd. Zo hadden in 1963 de miljonairs volgens de vermogensstatistiek een hoeveelheid buitenlandse effecten ter waarde van gemiddeld 224 duizend gulden, waarmee ze gezamenlijk op 39% van het totale statistische vermogen aan buitenlandse effecten beslag legden. Grote bezitters beschikken veel meer dan kleinere over de kennis en informatie,